Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Locoregionaal recidief na adjuvant trastuzumab en paclitaxel voor klein kliernegatief HER2-positief mammacarcinoom (0)
2019-04-22 14:52   ( Nieuws )
Tags:  APT trial small node-negative HER2-positive breast cancer LRR
Dr. Jennifer BellonVrouwen met HER2-positief mammacarcinoom hadden voor introductie van effectieve anti-HER2 therapie een hoger risico van locoregionaal recidief (LRR) dan vrouwen met HER2-negatieve ziekte. Effectieve systemische therapie kan echter het risico van LRR verlagen. De Amerikaanse prospectieve multicenter APT-studie heeft het risico van LRR onderzocht in vrouwen die adjuvant trastuzumab en paclitaxel kregen voor klein (≤ 3,0 cm) kliernegatief HER2-positief mammacarcinoom. Dr. Jennifer Bellon (Dana-Farber Cancer Institute, Boston MA) en collega’s publiceren de studie online in Breast Cancer Research and Treatment.1

De studie (september 2007-september 2010) includeerde 406 patiënten (272 met HR-positieve ziekte), onder wie 162 die mastectomie ondergingen (zonder radiotherapie) en 244 die borstsparende chirurgie met radiotherapie ondergingen. De patiënten kregen in de adjuvante setting gedurende twaalf weken eenmaal per week trastuzumab plus paclitaxel, gevolgd door nog veertig weken trastuzumab. De follow-up was mediaan 6,5 jaar. De zeven-jaars ziektevrije overleving was 93,3% (95%-bti 90,4-96,2) en de LRR-vrije overleving was 98,6% (95%-bti 97,4-99,8).

De onderzoekers concluderen dat effectieve anti-HER2 therapie resulteert in een laag LRR-risico onder vrouwen met kleine kliernegatieve HER2-positieve tumoren.

1.Bellon JR, Guo H, Barry WT et al. Local-regional recurrence in women with small node-negative, HER2-positive breast cancer: results from a prospective multi-institutional study (the APT trial). Breast Cancer Res Treat 2019; epub ahead of print

Summary: The prospective multicenter APT trial found that after adjuvant trastuzumab and paclitaxel for early-stage small (≤ 3.0 cm) node-negative, HER2-positive breast cancer the risk of local-regional recurrence is low.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Chemoradiotherapie versus alleen chemotherapie voor N3 stadium IIIB NSCLC in oudere patiënten (0)
2019-04-22 13:29   ( Nieuws )
Tags:  N3 stage IIIB NSCLC in elderly patients CRT versus CT
Dr. Angel QinDe standaardbehandeling voor N3 stadium IIIB niet-kleincellig longcarcinoom is concurrente chemotherapie en radiotherapie (CRT). De tolerabiliteit van CRT in patiënten van zeventig jaar en ouder is echter niet duidelijk. Een analyse van de National Cancer Database heeft uitkomsten van CRT versus alleen chemotherapie (CT) voor N3 stadium IIIB NSCLC vergeleken, met focus op oudere patiënten. Dr. Angel Qin (University of Michigan, Ann Arbor) en collega’s publiceren de analyse online in Clinical Lung Cancer.1



De retrospectieve analyse includeerde patiënten die tussen begin 2010 en eind 2013 CRT (n=7770) of alleen CT (n=1999) kregen. De mediane overall survival was 16,4 maanden met CRT versus 12,7 maanden met alleen CT (p<0,0001). Onder patiënten in de leeftijd van zeventig jaar en ouder was de mediane OS 15,0 maanden met CRT versus 12,4 maanden met alleen CT (p<0,0001). In multivariate analyse was profijt van CRT versus CT gelijk in alle leeftijdscategorieën. Subgroep-analyses in zeventig-plus patiënten lieten profijt van CRT versus CT zien in alle patiënt- en ziektestrata.

De onderzoekers concluderen dat hogere leeftijd van patiënten met N3 stadium IIIB NSCLC geen reden dient te zijn om af te zien van CRT.

1.Qin A, Lusk E, Daignault-Newton S, Schneider BJ. Chemotherapy and radiation versus chemotherapy alone for elderly patients with N3 stage IIIB NSCLC. Clin Lung Cancer 2019; epub ahead of print

Summary: An analysis of the National Cancer Database compared chemotherapy plus radiotherapy versus chemotherapy alone for N3 stage IIIB NSCLC. The analysis found that survival was improved with CRT compared with CT, regardless of patient age. The authors conclude that advanced patient age should not preclude clinicians from recommending CRT.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Artificiële intelligentie voorspelt respons van lokaal-gevorderd NSCLC op behandeling (0)
2019-04-22 12:00   ( Nieuws )
Tags:  lung cancer serial imaging deep learning artificial intelligence
Dr. Hugo AertsStandaardtechnieken voor diagnose en beoordeling van respons op behandeling in niet-kleincellig longcarcinoom berusten op bepalingen van de diameter van de tumor. Deze bepalingen zijn gevoelig voor variatie in beoordeling tussen waarnemers en in de tijd. Artificiële intelligentie maakt kwantitatieve bepaling mogelijk van andere radiografische kenmerken van de tumor, en van veranderingen van deze kenmerken in de tijd. Een studie van Dana-Farber Cancer Institute en Harvard University (Boston MA) heeft de waarde onderzocht van deep learning modellen van seriële CT-imaging scans voor het voorspellen van de respons van lokaal-gevorderd NSCLC op behandeling. Dr. Hugo Aerts (ook verbonden aan Maastricht UMC) en collega’s publiceren de studie vandaag in Clinical Cancer Research.1

De studie werd uitgevoerd in twee datasets. Dataset A (trainingsset) bestond uit 179 patiënten die definitieve radiochemotherapie kregen voor stadium III NSCLC. Voor het begin van de behandeling en één, drie, en zes maanden na de behandeling ondergingen de patiënten CT-imaging. De onderzoekers ontwierpen deep learning modellen die significant voorspellend waren voor overleving, progressie, afstandsmetastase, en locoregionaal recidief. De performance van de modellen werd beter met iedere additionele follow-up scan die werd ingevoerd. De modellen stratificeerden patiënten in twee groepen met laag en hoog mortaliteitsrisico, die geassocieerd waren met overall survival (HR 6,16; p<0,001). Het model voorspelde ook pathologische respons in dataset B (p=0,016) bestaande uit 89 patiënten die radiochemotherapie en chirurgie ondergingen voor NSCLC.

De onderzoekers concluderen dat deep learning modellen CT imaging scans van NSCLC-patiënten op verschillende tijdstippen tijdens de behandeling kunnen integreren en de uitkomsten van de behandeling kunnen voorspellen.

1.Xu Y, Hosny A, Zeleznik R et al. Deep learning predicts lung cancer treatment response from serial medical imaging. Clin Cancer Res 2019; epub ahead of print

Summary: A study at Dana-Farber Cancer Institute and Harvard University (Boston) found that deep learning models can integrate CT imaging scans of lung cancer patients at multiple time points to improve clinical outcome predictions. Artificial Intelligence-based noninvasive radiomics biomarkers can have a significant impact in the clinic given their low cost and minimal requirements for human input.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie van beroepsmatige pesticidenblootstelling met respons op immuunchemotherapie en overleving in DLBCL (0)
2019-04-21 14:58   ( Nieuws )
Tags:  diffuse large B-cell lymphoma immunochemottherapy pesticide exposure
Beroepsmatig gebruik van pesticiden is een risicofactor voor non-Hodgkin lymfoom. Het is denkbaar dat cellulaire adaptatie onder patiënten die blootgesteld zijn aan lage doseringen van genotoxische en oxidatieve stoffen een negatieve impact heeft op werkzaamheid van chemotherapie voor lymfoom. Een studie in Frankrijk heeft deze hypothese onderzocht. Dr. Pascale Fabbro-Peray (Universiteit van Nîmes) en collega’s publiceren de studie online in JAMA Network Open.1

De studie, uitgevoerd in zes ziekenhuizen in Frankrijk, includeerde 244 patiënten die anthracycline-gebaseerde chemotherapie kregen voor DBLCL, voor wie de geschiedenis van beroepsmatige blootstelling aan pesticiden kon worden beoordeeld. De gemiddelde leeftijd was 61,3 ± 15,2 jaar; 62,7% van de patiënten waren mannen. Er waren 67 patiënten (27,4%) met beroepsmatige blootstelling aan pesticiden, onder wie 38 die als akkerbouwer pesticiden hadden gebruikt. Uitkomsten van de studie waren associaties van blootstelling aan pesticiden met behandelfalen (gedefinieerd als geen complete respons), twee-jaars gebeurtenisvrije overleving, en twee-jaars overall survival.

Onder de beroepsmatig blootgesteld patiënten had een significant hoger percentage behandelfalen (22,4% versus 11,3%; p=0,03; gecorrigeerd OR 3,0). Dit verschil was hoger onder patiënten die in de landbouw pesticiden hadden gebruikt vergeleken met de overige patiënten (29,0% versus 11,7%; AOR 5,1; 95%-bti 2,0-12,8). De figuur toont de EFS en OS in de verschillende patiëntengroepen. Zowel EFS als OS waren significant slechter onder patiënten met geschiedenis van beroepsmatige blootstelling aan pesticiden, vooral in de landbouw.

De onderzoekers concluderen dat de studie suggereert dat een geschiedenis van beroepsmatige blootstelling aan pesticiden, met name in de landbouw, geassocieerd was met behandelfalen, EFS en OS onder patiënten met DLBCL.

1.Lamure S, Carles C, Aquereburu Q et al. Association of occupational pesticide exposure with immunochemotherapy response and survival among patients with diffuse large B-cell lymphoma. JAMA Network Open 2019;2:e192093

Summary: A retrospective study in France found that a history of agricultural occupational exposure to pesticides was associated with treatment failure, event-free survival, and overall survival among patients with diffuse large B-cell lymphoma.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Gerandomiseerde studie van intraveneuze versus intraperitoneale chemotherapie plus bevacizumab voor gevorderd ovariumcarcinoom (0)
2019-04-21 13:29   ( Nieuws )
Tags:  advanced ovarian carcinoma IV versus IP chemotherapy plus bevacizumab
Prof. Joan WalkerEen multicenterstudie in de Verenigde Staten vergeleek twee regimes van intraperitoneale (IP) chemotherapie plus bevacizumab voor nieuw-gediagnostiseerd gevorderd ovariumcarcinoom met het referentieregime van intraveneuze (IV) chemotherapie plus bevacizumab. Prof. Joan Walker (University of Oklahoma, Oklahoma City) en collega’s publiceren de studie online in het Journal of Clinical Oncology.1 De patiënten werden gerandomiseerd naar zes cycli IV paclitaxel plus IV carboplatine (IV-carboplatine arm), zes cycli IV paclitaxel plus IP carboplatine (IP-carboplatine arm), of zes cycli IV paclitaxel plus IP cisplatine en IP paclitaxel (IP-cisplatine arm). Alle patiënten kregen IV bevacizumab iedere drie weken vanaf cyclus 2 tot en met cyclus 22. Het primaire eindpunt van de studie was progressievrije overleving.

De studie includeerde 1560 patiënten. De mediane follow-up was 84,8 maanden. De mediane PFS was 24,9 maanden in de IV-carboplatine arm; 27,4 maanden in de IP-carboplatine arm; en 26,2 maanden in de IP-cisplatine arm. Voor de subgroep van 1380 patiënten met stadium II/III ziekte en residuele ziekte 1 cm of kleiner was de mediane PFS in de drie groepen 26,9 maandne; 28,7 maanden; en 27,8 maanden. Voor de subgroep van patiënten met stadium II/III ziekte zonder residuele ziekte was de mediane PFS in de drie groepen 35,9 maanden; 38,8 maanden; en 35,5 maanden. De mediane overall survival in de drie groepen was 75,5 maanden; 78.9 maanden; en 72,9 maanden onder alle patiënten en 98,8 maanden; 104,8 maanden; en niet-bereikt onder patiënten met stadium II/III ziekte zonder residuele ziekte. De FACT-neurotoxiciteits scores verschilden niet signficant tussen de armen, maar de gemiddelde Trial Outcome Index van FACT-Ovary score was slechter in de IP-cisplatine arm dan in de beide andere armen.

De onderzoekers concluderen dat de duur van de PFS niet langer was met de beide IP-armen dan met de referentie IV carboplatine arm.

1.Walker JL, Brady MF, Wenzel L et al. Randomized trial of intravenous versus intraperitoneal chemotherapy plus bevacizumab in advanced ovarian carcinoma: an NRG Oncology/Gynecologic Oncology Group study. J Clin Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A multicenter study in the USA compared two intraperitoneal chemotherapy regimens with standard intravenous carboplatin regimen, all combined with intravenous bevacizumab, for advanced ovarian cancer. The duration of PFS was not significantly increased with either IP regimen. The tolerability of the IP cisplatin regimen was worse compared to the other regimens.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Determinanten van tijdsverloop van nonadherentie aan adjuvante orale endocriene therapie voor mammacarcinoom (0)
2019-04-21 12:00   ( Nieuws )
Tags:  breast cancer oral endocrine therapy nonadherence
Dr. Eileen ShinnNonadherentie aan adjuvante orale endocriene therapie (ET) voor mammacarcinoom wordt geschat op bijna 40%. Een studie van MD Anderson Cancer Center (Houston TX) heeft determinanten van het tijdsverloop van deze nonadherentie geïnventariseerd. Dr. Eileen Shinn en collega’s publiceren de studie online in JCO Clinical Cancer Informatics.1



De studie includeerde 216 patiënten die ET voorgeschreven hadden gekregen, van wie er 40 rapporteerden dat ze ET gedurende de eerste vijf jaar hadden gediscontinueerd, en vier rapporteerden dat ze meer dan 20% van hun voorgeschreven doseringen hadden gemist. De patiënten beantwoordden een anonieme vragenlijst met betrekking tot hun overtuiging ten aanzien van dertien factoren die samen zouden kunnen hangen met ET-nonadherentie. De onderzoekers construeerden een prospectief model van associaties tussen deze factoren en de actuele adherentie. Alle dertien factoren bleken significant geassocieerd te zijn met discontinuering op enig moment tijdens het behandeltraject. Factoren met het sterkste nonadherentie-bevorderende effect waren zorgen over kosten van ET (OR 1,79), emotionele distress (OR 1,72), en pijn in botten en gewrichten (OR 1,69). Bot- en gewrichtspijn hadden een continu effect over het zes jaar durende ET-traject, andere factoren zoals kosten en cognitieve klachten werden pas in latere jaren belangrijk.

De onderzoekers concluderen dat de studie uiteenlopende patronen van discontinuering van ET heeft laten zien.

1.Shinn EH, Broderick G, Fellman B et al. Simulating time-dependent patterns of nonadherence by patients with breast cancer to adjuvant oral endocrine therapy. JCO Clin Cancer Informatics 2019; epub ahead of print

Summary: A study at MD Anderson Cancer Center (Houston) found that there are varying patterns of discontinuation of oral endocrine therapy (ET) for breast cancer. Some reasons for discontinuation (bone and joint pain) exerted a steady influence of the 6-year ET-trajectory; other reasons (cost, cognitive complaints) became more important in the later years of ET.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie van expressie van LGR5 met peritoneaal recidief na curatieve resectie voor primair coloncarcinoom (0)
2019-04-20 15:01   ( Nieuws )
Tags:  colon cancer peritoneal recurrence leucine-rich repeating G-protein-coupled receptor 5
Leucine-rich repeating G-protein-coupled receptor 5 (LGR5) is een cancer stem cell marker. Een studie van de Universiteit van Tokio heeft onderzocht of de expressie van LGR5 in geresecteerd coloncarcinoom geassocieerd is met het risico van peritoneaal recidief. Dr. Hiroshi Nagata en collega’s publiceren de studie online in het British Journal of Cancer.1

De studie includeerde 292 patiënten die tussen begin 1997 en eind 2015 in het ziekenhuis van de universiteit curatieve resectie ondergingen voor niet-metastatisch pT4 coloncarcinoom. De onderzoekers bepaalden in resectiemonsters immunohistochemisch de expressie van LGR5. Peritoneaal recidief was meer frequent in patiënten zonder tumorexpressie van LGR5 dan in patiënten met LGR5 expressie in de tumoren (27,5% versus 14,4%; p=0,037). Ook in multivariate analyse was afwezigheid van LGR5-expressie een onafhankelijke risicofactor voor peritoneaal recidief (HR 2,79; p=0,005), net als slechte differentiatie, lymfekliermetastase, preoperatief CEA hoger dan 5 ng/ml, en anastomotische lekkage.

De onderzoekers concluderen dat afwezigheid van LGR5-expressie in resectieweefsel na curatieve resectie voor pT4 coloncarcinoom geassocieerd was met verhoogd risico van peritoneaal recidief.

1.Nagata H, Ishihara S, Abe H et al. LGR5 expression predicts peritoneal recurrence after curative resection of primary colon cancer. Br J Cancer 2019; epub ahead of print

Summary: A study in Japan found that expression of leucine-rich repeating G-protein-coupled receptor 5 (LGR5) was inversely related with peritoneal recurrence after curative resection of non-metastatic pT4 colon cancer.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Anti-PD1 therapie voor gevorderd melanoom: associatie van cutane toxiciteit met uitkomsten (0)
2019-04-20 13:33   ( Nieuws )
Tags:  anti-PD-1 therapy for advanced melanoma association of cutaneous toxic effects with outcomes
Dr. Douglas JohnsonImmuun-checkpointremmer therapie voor maligniteiten is geassocieerd met antitumorresponsen en met toxische effecten die samenhangen met activitering van het immuunsysteem tegen weefsels van de patiënt. Er is geen consensus over de vraag of deze off-target activiteit wijst op concurrente antitumor-immuniteit. Een studie van Vanderbilt University (Memphis TN) heeft onderzocht of cutane toxiciteit van anti-PD1 therapie voor gevorderd melanoom gecorreleerd was met oncologische uitkomsten. Dr. Douglas Johnson en collega’s publiceren de studie online in JAMA Oncology.1

De studie includeerde 318 patiënten (63% mannen; mediane leeftijd 63 jaar) die in het VUmc anti-PD1 therapie met of zonder ipilimumab kregen voor gevorderd melanoom. In 120 patiënten (38%) werden cutane toxiciteiten gezien. Patiënten met cutane toxiciteiten hadden vergeleken met patiënten zonder cutane toxiciteiten superieure respons (60,0% versus 28,6%; p<0,001), progressievrije overleving (mediaan 797 dagen versus 112 dagen; p<0,001) en overall survival (mediaan 1691 dagen versus 526 dagen; p<0,001). Van de verschillende cutane toxiciteiten waren vitiligo en rash, maar niet pruritus, geassocieerd met superieure uitkomsten. Cutane toxische effecten die pas na drie maanden gezien werden waren sterker geassocieerd met superieure uitkomsten dan vroege cutane toxiciteiten. Behandeling met steroïden had geen effect op de uitkomsten.

De onderzoekers concluderen dat cutane toxische effecten van anti-PD1 voor gevorderd melanoom geassocieerd waren met superieure oncologische uitkomsten. Meer specifiek werd deze associatie gezien voor vitiligo en rash, maar niet voor pruritus.

1.Quach HT, Dewan AK, Davis EJ et al. Association of anti-programmed cell death 1 cutaneous toxic effects with outcomes in patients with advanced melanoma. JAMA Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A study of patients of Vanderbilt University (Memphis, TN) receiving anti-PD-1 therapy for advanced melanoma found that cutaneous toxic effects were associated with superior oncological outcomes. Specifically, vitiligo and rash were associated with improved outcomes, in contrast with pruritus.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)