Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Associatie van dLNR met tumor T-celinfiltratie en uitkomsten met eerstelijns pembrolizumab voor NSCLC (0)
2021-11-27 16:00   ( Nieuws )
Tags:  first-line pembrolizumab for NSCLC peripheral blood derived neutrophil-to-lymphocyte ratio
Dr. Mark AwadEen hoge in perifeer bloed bepaalde neutrofiel/lymfocyt-ratio (dLNR) is een bekende negatieve prognostische marker in patiënten die chemotherapie plus immuuncheckpointremmers (ICIs) krijgen voor niet-kleincellig longcarcinoom. Het is niet duidelijk of dit ook het geval is onder patiënten die ICI-monotherapie krijgen voor NSCLC met een PD-L1 tumor proportion score (TPS) 50% of hoger. Een studie in Dana-Farber Cancer Institute en Massachusetts General Hospital (beide in Boston MA) heeft de associatie tussen dLNR, tumor T-celinfiltratie, en uitkomsten met eerstelijns pembrolizumab voor NSCLC met TPS ≥ 50% geïnventariseerd. Dr. Mark Awad (DFCI) en collega’s publiceren de studie in het Journal for ImmunoTherapy of Cancer.1

De onderzoekers analyseerden retrospectief de dLNR voor aanvang van eerstelijns pembrolizumab voor NSCLC en een PD-L1 TPS ≥ 50% zonder bekende genomische veranderingen in EGFR en ALK in 221 patiënten. Unbiased recursive partitioning wees uit de 2,6 de optimale afsnijwaarde was voor dNLR met betrekking tot objective response rate. De figuur laat zien dat de groep van 124 patiënten met dNLR < 2,6 vergeleken met de groep van 97 patiënten met dNLR ≥ 2,6 een significant hogere ORR, een significant langere mediane progressievrije overleving, en een significant langer mediane overall survival had. Na correctie voor leeftijd, geslacht, tabaksgebruik, performance status, histologie, serum albumine niveau, oncogene drijver status, en PD-L1 distributie (50-90% versus ≥ 90%) was dNLR < 2,6 een onafhankelijke voorspeller van langere mPFS (HR 0,47; p<0,001) en mOS (HR 0,32; p<0,001). Onder gevorderd NSCLC-monsters met PD-L1 TPS ≥ 50% hadden monsters met dNLR < 2,6 vergeleken met monsters met dNLR ≥ 2,6 significant hogere aantallen tumorinfiltrerende immuuncellen.

De onderzoekers concluderen dat onder patiënten met NSCLC met PD-L1 TPS ≥ 50%, een lage dNLR geassocieerd was met hogere immuuncelinfiltratie in de tumoren en gunstigere uitkomsten met eerstelijns pembrolizumab.

1.Alessi JV, Ricciuti B, Alden SL et al. Low peripheral blood derived neutrophil-to-lymphocyte ratio (dLNR) is associated with increased tumor T-cell infiltration and favorable outcomes to first-line pembrolizumab in non-small cell lung cancer. J ImmunoTher Cancer 2021-003536

Summary: A study at Dana-Farber Cancer Institute and Massachusetts General Hospital found that among patients receiving first-line pembrolizumab for NSCLC with PD-L1 TPS ≥ 50%, a low peripheral blood derived neutrophil/lympocyte ratio (<2.6) was associated with a distinct immune tumor microenvironment and more favorable outcomes.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Prognostische rol van prediagnostisch circulerend Apo A-1 en Apo B in mammacarcinoom (0)
2021-11-27 14:30   ( Nieuws )
Tags:  Malmö Diet and Cancer Study circulating lipids and breast cancer prognosis
Sixten HarborgEr zijn aanwijzingen voor een associatie tussen adipositas en het risico van recidief van mammacarcinoom, en voor de hypothese dat deze associatie zou kunnen worden gedreven door circulerende vetten. Een analyse in het cohort van de prospectieve Malmö Diet and Cancer Study (MDCS) in Zweden heeft de prognostische rol van prediagnostisch circulerend apolipoproteïne-A1 (Apo A-1) en apolipoproteïne B (Apo B) in mammacarcinoompatiënten geïnventariseerd. PhD-student Sixten Harborg (Universiteit van Aarhus, Denemarken) en collega’s publiceren de analyse in Breast Cancer Research and Treatment.1

Vanaf 1991 includeerde de MDCS 17.035 vrouwen, die bij inclusie bloedmonsters afstonden waarin gehalten van Apo A-1 en Apo B werden bepaald. Tussen 1991 en eind 2014 werd in 850 van deze vrouwen mammacarcinoom vastgesteld. Gedurende vijf jaar na de diagnose (3807 persoonsjaren follow-up) werd invasief recidief gezien in 90 vrouwen. De figuur laat zien dat hoge prediagnostische Apo B-gehalten geassocieerd waren met verhoogd risico van recidief (tertiel 3 versus tertiel 1 HR 2,30; 95%-bti 1,13-4,68) terwijl prediagnostische Apo A-1 gehalten niet geassocieerd waren met het risico (1,34; 0,70-2,58). Prediagnostische gehalten van Apo B en Apo A-1 waren niet geassocieerd met all-cause mortalteit.

De onderzoekers concluderen dat onder patiënten met mammacarcinoom hoge prediagnostische gehalten van Apo B, maar niet Apo A-1, geassocieerd waren met verhoogd risico van recidief.

  • 1.Harborg S, Ahern TP, Feldt M et al. Circulating lipids and breast cancer prognosis in the Malmö diet and cancer study. Breast Cancer Res Treat 2021; epub ahead of print

Summary: Analysis in the cohort of the Malmö Diet and Cancer Study found that high prediagnostic levels of circulating apolipoprotein B were associated with an increased risk of recurrence among breast cancer patients. Circulating apolipoprotein A-1 was not associated with breast cancer outcomes.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Uiteenlopende overleving van slokdarm- en maagcarcinoom in zeven landen met hoge inkomens (0)
2021-11-27 13:00   ( Nieuws )
Tags:  esophageal and gastric cancer international variation in survival
Dr. Melina ArnoldCancer Survival in High-Income Countries (SURVMARK-2) is een project in de tweede fase van het International Cancer Benchmarking Partnership (ICBP). Het project inventariseert overleving van maligniteiten in landen met een hoog gemiddeld inkomen en algemene toegang tot de gezondheidszorg. Dr. Melina Arnold (IARC Lyon, Frankrijk) en collega’s publiceren in Gut gegevens over overleving van slokdarm- en maagcarcinoom in zeven landen.1

De onderzoekers gebruikten gegevens van 28.293 patiënten met slokdarmcarcinoom en 25.946 patiënten met maagcarcinoom gediagnostiseerd tussen begin 2012 en eind 2014 in Australië, Canada, Denemarken, Ierland, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, en het Verenigd Koninkrijk. De overleving na een diagnose slokdarmcarcinoom was het hoogst in Ierland (50,3% na één jaar en 27,0% na drie jaar) en het laagst in Canada (41,3% na één jaar en 19,2% na drie jaar). De overleving na een diagnose maagcarcinoom was het hoogst in Australië (55,2% na één jaar en 33,7% na drie jaar) en het laagst in het VK (44,8% na één jaar en 22,3% na drie jaar). De meeste patiënten met de twee typen maligniteiten hadden regionale of distante ziekte, met perentages uiteenlopend van 56% to 90% in de verschillende landen. Stadium-specifieke analyses lieten zien dat de variatie tussen landen het grootst was voor overleving van gelokaliseerde ziekte, met één-jaars overleving van slokdarmcarcinoom 66,6% in Australië en 83,2% in het VK, en één-jaars overleving van maagcarcinoom 75,5% in Australië en 94,3% in Nieuw-Zeeland.

De onderzoekers concluderen dat er tussen landen met hoge inkomens aanzienlijke verschillen bestaan in overleving van slokdarm- en maag-carcinoom, vooral voor gelokaliseerde ziekte. De dispariteiten kunnen ten dele worden verklaard uit vroegere diagnose resulterend in meer-gunstige stadiastributie. Een ander deel van de dispariteiten kan wellicht worden toegeschreven aan verschillen in behandelingen en registratiepraktijken.

1.Arnold M, Morgan E, Bardot A et al. International variation in oesophageal and gastric cancer survival 2012-2014: differences by histological subtype and stage at diagnosis (an ICBP SURVMARK-2 population-based study). Gut 2021-325266

Summary: The Cancer Survival in High-Income Countries project of the International Cancer Benchmarking Partnership investigated survival of esophageal and gastric cancer in seven countries (2012-2014). The project found that survival varies across countries including within stage groups, particularly for localized disease. Disparities can partly be explained by earlier diagnosis resulting in more favorable stage distribution, and distributions of histological subtypes of oesophageal cancer across countries. Also differences in treatment and cancer registration practices may have impacted the comparisons.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Lange-termijn uitkomsten met nivolumab plus ipilimumab, alleen nivolumab, of ipililumab voor gevorderd melanoom (0)
2021-11-26 16:00   ( Nieuws )
Tags:  CheckMate 067 trial 6.5-year outcomes
Prof. Jedd WolchokDe multinationale fase 3-studie CheckMate 067 randomiseerde patiënten met niet-eerder behandeld gevorderd melanoom 1:1:1 naar nivolumab plus ipilimumab (vier doses gevolgd door nivolumab monotherapie; n=314), alleen nivolumab (n=316), of alleen ipilimumab (n=315). In 2015 is gepubliceerd dat de mediane progressievrije overleving significant langer was in de groepen met nivolumab plus ipilimumab (11,5 maanden) en alleen nivolumab (6,9 maanden) dan in de groep met alleen ipilimumab (2,9 maanden). Prof. Jedd Wolchok (Memorial Sloan Kettering Cancer Center, New York) en collega’s publiceren nu in het Journal of Clinical Oncology resultaten van de studie na minimaal 6,5 jaar follow-up.1

De mediane overall survival was 72,1 maanden in de combinatiegroep versus 36,9 maanden in de nivolumabgroep en 19,9 maanden in de ipilimumabgroep. De melanoom-specieke overleving in de drie groepen was respectievelijk niet-bereikt, 58,7 maanden en 21,9 maanden. De 6,5 jaar OS-percentages waren 57%, 43% en 25% in de drie groepen onder patiënten met BRAF-mutant tumoren en 46%, 42%, en 22% onder patiënten met BRAF-wildtype tumoren. Onder patiënten die de behandeling discontinueerden was het mediane behandelingsvrije interval 27,6 respectievelijk 2,3 en 1,9 maanden. Er waren geen nieuwe veiligheidssignalen.

De onderzoekers concluderen dat update laat zien dat onder patiënten met niet-eerder behandeld gevorderd melanoom, de combinatie van nivolumab plus ipilimumab of alleen nivolumab resulteerden in betere klinische uitkomsten dan alleen ipilimumab.In descriptieve analyse resulteerde de combinatie in betere uitkomsten dan nivolumab monotherapie.

1.Wolchok JD, Chiarion –Sileni V, Gonzalez R et al. Long-term outcomes with nivolumab plus ipilimumab or nivolumab alone versus ipilimumab in patients with advanced melanoma. J Clin Oncol 2021; epub ahead of print

Summary: The 6.5-year CheckMate 067 results, which include the longest median OS in a phase III melanoma trial reported to date, showed durable, improved clinical outcomes with nivolumab plus ipilimumab or nivolumab alone versus ipilimumab in patients with advanced melanoma, and, in descriptive analyses, with the combination over nivolumab monotherapy.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multinationale fase 2-studie van belzutifan voor niercelcarcinoom in von Hippel-Lindau disease (0)
2021-11-26 14:30   ( Nieuws )
Tags:  MK-6482-004 trial RCC in VHL belzutifan
Prof. Eric JonaschOnder patiënten met von Hippel-Lindau disease (VHL) is er een hoge incidentie van niercelcarcinoom (RCC) vanwege inactivering van het VHL-gen en constitutieve activering van de transcriptiefactor HIF-2α. Belzutifan (MK-6482; voorheen PT2977) is een remmer van HIF-2α. De multinationale fase 2-studie MK-6482-004 heeft belzutifan voor VHL-geassocieerd RCC en andere VHL-geassocieerde maligniteiten geëvalueerd. Prof. Eric Jonasch (MD Anderson Cancer Center, Houston TX) en collega’s publiceren de studie in The New England Journal of Medicine.1



De studie includeerde patiënten met VHL-geassocieerd RCC, pancreasmaligniteit, en CNS-hemangioblastoom. De patiënten kregen oraal belzutifan 120 mg eenmaal daags. Het primaire eindpunt was centraal-beoordeelde objectieve respons. Na mediaan 21,8 maanden follow-up (range 20,2-30,1) was het percentage RCC-patiënten met objectieve respons 49% (95%-bti 36-62). Responsen werden ook gezien in de patiënten met pancreaslesies (77%) en CNS-hemangioblastomen (30%). In alle zestien ogen van twaalf patiënten met retinaal hemangioblastoom die konden worden geëvalueerd werd verbetering gezien. De meest-gerapporteerde adverse events waren anemie in 90% van de patiënten en vermoeidheid in 66%. Zeven patiënten discontinueerden de behandeling, onder wie één vanwege een TRAE (graad 1 duizeligheid), één vanwege ziekteprogressie, één wegens overlijden (acute toxiciteit van fentanyl), en vier vrijwillig.

De onderzoekers concluderen dat belzutifan geassocieerd was met voornamelijk graad 1 en 2 AEs, en activiteit had voor VHL-geassocieerde RCC en niet-RCC neoplasmen.

1.Jonasch E, Donskov F, Iliopoulos O et al. Belzutifan for renal cell carcinoma in von Hippel-Lindau disease. N Engl J Med 2021;385:2036-2046

Summary: Patients with von Hippel-Lindau (VHL) disease have a high incidence of renal cell carcinoma (RCC) owing to VHL gene inactivation and constitutive activation of the transcription factor HIF-2α. Belzutifan (MK-6482) is an inhibitor of HIF-2α. The multicenter phase 2 MK-6482-004 trial evaluated belzutifan for VHL-associated RCC. Belzutifan was associated with predominantly grade 1 and 2 adverse events, and showed activity in patients with RCC and non-RCC neoplasms associated with VHL disease. 


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Lange-termijn uitkomsten met farmacologische ovariumsuppressie tijdens chemotherapie voor vroeg-stadium mammacarcinoom (0)
2021-11-26 13:00   ( Nieuws )
Tags:  PROMISE-GIM6 trial premenopausal early breast cancer pharmacological ovarian suppression
Prof. Lucia del MastroGebruik van gonadotropin-releasing hormone agonist (GnRHa) is een werkzame strategie voor het beschermen van de ovariumfunctie tijdens chemotherapie voor vroeg-stadium mammacarcinoom in premenopauzale patiënten. Er is geen duidelijkheid over lange-termijn veiligheid van de strategie en over behoud van de vruchtbaarheid. De gerandomiseerde fase 3-studie PROMISE-GIM6, in zestien centra in Italië, heeft lange-termijn uitkomsten van de strategie geïnventariseerd. Prof. Lucia Del Mastro (Universiteit van Genua) en haar collega’s van de GIM-studiegroep publiceren de studie in het Journal of the National Cancer Institute.1

De studie includeerde 281 patiënten, onder wie 226 met HR-positieve ziekte (80,4%). De patiënten werden 1:1 gerandomiseerd naar chemotherapie met of zonder de GnRHa triptoreline. De mediane follow-up was 12,4 jaar (IQR 11,3-13,2). Er waren tussen de armen geen statistisch significante verschillen in twaalf-jaars ziektevrije overleving (65,7% versus 69,2%; HR 1,16; 95%-bti 0,76-1,77) of twaalf-jaars overall survival (81,2% versus 81,3%). Onder de patiënten met HR-positieve ziekte was de HR 1,02 (95%-bti 0,63-2,03) voor DFS en 1,12 (0,59-2,11) voor OS. Negen patiënten in de GnRHa-arm versus vier in de controle-arm hadden een post-treatment zwangerschap (OR 2,14; 95%-bti 0,66-6,92).

De onderzoekers concluderen dat de studie liet zien dat GnRHa-gebruik tijdens chemotherapie voor vroeg-stadium mammacarcinoom in premenopauzale vrouwen veilig was, inclusief vrouwen met HR-positieve ziekte.

1.Lambertini M, Boni L, Michelotti A et al. Long-term outcomes with pharmacological ovarian suppression during chemotherapy in premenopausal early breast cancer patients. J Natl Cancer Inst 2021; epub ahead of print

Summary: The multicenter phase 3 PROMISE-GIM6 trial in Italy randomized premenopausal patients with early-stage breast cancer to (neo)adjuvant chemotherapy with or without the GnRHa triptorelin to preserve ovarian function. Long-term results of the study show no significant differences in 12-year DFS or OS between the arms. Post-treatment pregnancy was seen in 9 patients in the triptorelin arm and 4 patients in the control arm (OR 2.14; 95% CI 0.66-6.92).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multinationale fase 2-studie van dabrafenib plus trametinib voor BRAF-V600E gemuteerd laaggradig of hooggradig glioom (0)
2021-11-25 16:00   ( Nieuws )
Tags:  ROAR study glioma with BRAF-V600E mutation dabrafenib plus trametinib
Prof. Patrick WenEr is behoefte aan behandelingen voor het verbeteren van uitkomsten van hoog- en laaggradig glioom. De multinationale fase 2-studie ROAR (‘rare oncology agnostic research’) is een basket-studie die zoekt naar behandelingen voor niet-gebruikelijke maligniteiten. Prof. Patrick Wen (Harvard Medical School, Boston MA) en collega’s publiceren in The Lancet Oncology een interimanalyse van resultaten met dabrafenib plus trametinib in de cohorten van patiënten met hooggradig of laaggradig glioom met BRAFV600E mutatie.1

ROAR wordt uitgevoerd in 27 centra in dertien landen. De cohorten includeerden volwassen patiënten met een ECOG performance status 2 of beter. Patiënten in het hooggradig-glioomcohort hadden eerder radiotherapie en eerstelijns chemotherapie of concurrente chemoradiotherapie gekregen. De patiënten kregen dabrafenib 150 mg tweemaal daags plus trametinib 2 mg eenmaal daags, tot progressie of niet-acceptabele toxiciteit werd gezien. Het primaire eindpunt was lokaal-beoordeelde objectieve respons (complete of partiële respons van hooggradig glioom, en complete of partiële of mineure respons van laaggradig glioom).

Het cohort met hooggradige ziekte includeerde 45 patiënten (31 met glioblastoom) en het cohort met laaggradige ziekte includeerde 13 patiënten. Op het moment van de interimanalyse was de mediane follow-up in het hooggradig-glioomcohort 12,7 maanden (IQR 5,4-32,3). In dit cohort werd objectieve respons gezien in vijftien patiënten (33%; 95%-bti 20-49) onder wie drie met complete respons en twaalf met partiële respons. In het laaggradig-glioomcohort was de mediane follow-up 32,2 maanden (IQR 25,1-47,8). In dit cohort werd objectieve respons gezien in negen patiënten (69%; 95%-bti 39-91), onder wie één met complete respons, zes met partiële respons, en twee met mineure respons. Graad 3 of hoger adverse events werden gerapporteerd voor 31 patiënten (53%), vooral vermoeidheid, laag neutrofielengetal, hoofdpijn, en neutropenie.

De onderzoekers concluderen dat de combinatie van dabrafenib plus trametinib klinisch relevante activiteit had in patiënten met BRAFV600E-mutatiepositief recidiverend of refractair hooggradig glioom en in patiënten met BRAFV600E-mutatiepositief laaggradig glioom. Het veiligheidsprofiel was consistent met wat is gezien met de combinatie voor andere indicaties.

1.Wen PY, Stein A, van den Bent M et al. Dabrafenib plus trametinib in patients with BRAF-V600E-mutant low-grade and high-grade glioma (ROAR): a multicentre, open-label, single-arm, phase 2, basket trial. Lancet Oncol 2021; epub ahead of print

Summary: The multinational phase 2 ROAR basket study found that the combination of dabrafenib plus trametinib had clinically meaningful activity in patients with BRAFV600E mutation –positive recurrent or refractory high-grade glioma and in patients with BRAFV600E mutation-positive low-grade glioma, with a safety profile consistent with that in other indications.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Gebruik van voedingssupplementen door overlevers van mammacarcinoom (0)
2021-11-25 14:30   ( Nieuws )
Tags:  breast cancer survivors dietary supplement use and documentation
Dr. Anne MooreOverlevers van mammacarcinoom kunnen vitaminen- en mineralensupplementen gebruiken in de overtuiging dat ze daarmee hun gezondheid bevorderen en het risico van recidief verlagen. Behandelaars zijn in veel gevallen niet of onvolledig op de hoogte van het gebruik van niet-recept middelen door hun patiënten. Een studie in onder deelnemers van het Iris Cantor Breast Cancer Survivorship Program (New York Presbyterian Hospital-Weill Cornell Medicine) heeft gebruik van supplementen door overlevers en documentatie daarvan in hun electronische dossiers (EMRs) geïnventariseerd. Dr. Anne Moore en collega’s publiceren de studie in Breast Cancer Research and Treatment.1



Onder de 51 vrouwelijke overlevers van mammacarcinoom die in een periode van zeven weken de kliniek bezochten waren er 50 die aan de studie wilden deelnemen. De gemiddelde leeftijd was 70 jaar, en de gemiddelde tijd sinds de diagnose was 13,9 jaar. Onder de 50 patiënten in de studie waren er 45 (90%) die aangaven één of meer vitaminen en/of supplementen te gebruiken (gemiddeld 2,4; range 1-9). De meest-gerapporteerde waren vitamine D, calcium, en vitamine D. De meest-vermelde redenen voor het gebruik waren aanbeveling door hun arts, aanbeveling door een vriend(in), preventie van botverlies, en preventie van kouvatten. Vijf patiënten (10%) noemden bevordering van immuniteit of preventie van COVID-19. Geen van de 50 patiënten had een accurate lijst van de gebruikte vitaminen en mineralensupplementen in hun EMR.

De onderzoekers concluderen dat in deze groep overlevers van mammacarcinoom 90% voedingssupplementen gebruikten, en dat de EMR van geen van de overlevers een accurate lijst van deze middelen omvatte.

1.Silver J, Goldenberg A, Moore A. Dietary supplement use and documentation in a breast cancer survivorship clinic. Breast Cancer Res Treat 2021; epub ahead of print

Summary: A study among female survivors of breast cancer in New York City found that 90% of survivors were taking dietary supplements for a variety of reasons. None had an accurate list of their supplements in the EMR.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)