Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Associaties tussen calcium- en magnesiuminname en risico van slokdarmcarcinoom (0)
2020-04-04 15:00   ( Nieuws )
Tags:  NIH-AARP Diet and Health Study prospective cohort oesophageal cancer calcium magnesium
Dr. Shailja ShahHet is denkbaar dat voedingsgewoonten een rol spelen bij het ontstaan van maligniteiten van de slokdarm. Een retrospectieve analyse in het prospectieve cohort van de NIH-AARP Diet and Health Study heeft de associaties onderzocht van inname van calcium en magnesium met het risico van slokdarmcarcinoom. Dr. Shailja Shah (Vanderbilt University Medical Center, Nashville TN) en collega’s publiceren de analyse online in het British Journal of Cancer.1

De studie telde 536.359 deelnemers. Tijdens meer dan 6,5 miljoen persoonsjaren follow-up werd in 1414 deelnemers squameus celcarcinoom van de slokdarm (OSCC) of adenocarcinoom van de slokdarm (OAC) gediagnostiseerd. Calciuminname in de drie hoogste kwartielen was geassocieerd met gecorrigeerd 32 tot 41% lager risico van OSCC dan inname in het laagste kwartiel (p voor trend 0,01). Magnesiuminname was positief geassocieerd met het OAC-risico, maar alleen onder deelnemers met een lage calcium/magnesiuminname ratio (p=0,04).

De onderzoekers concluderen dat inname van calcium en magnesium uit de voeding geassocieerd was met het risico van OSCC en onder sommige deelnemers ook met het risico van OAC.

1.Shah S, Dai Q, Zhu X et al. Associations between calcium and magnesium intake and the risk of incident oesophageal cancer: an analysis of the NIH-AARP Diet and Health Study prospective cohort. Br J Cancer 2020; epub ahead of print

Summary: A retrospective analysis of the NIH-AARP Diet and Health Study prospective cohort found that increasing dietary calcium and magnesium intake was associated with decreasing risk of OSCC and, among certain participants, also OAC.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Impact van HPV-genotype en cytologie-testresultaat op risico van cervix(pre)maligniteit (0)
2020-04-04 13:30   ( Nieuws )
Tags:  cervical cancer and precancer risk stratification by cytology and HPV genotype
Dr. Mari NygårdVrouwen met persisterende HPV-infecties hebben een verhoogd risico van cervix-premaligniteit en –maligniteit. Testen op HPV16/18-infectie zou wellicht de risicostratificatie kunnen verbeteren, en vrouwen kunnen identificeren die in aanmerking komen voor onmiddellijke colposcopie. Een studie tijdens de implementatiefase van primair HPV-testen in Noorwegen heeft impact van HPV-genotype en cytologie-testresultaat op het risico van CIN3+ geïnventariseerd. Dr. Mari Nygård (Kreftregisteret, Oslo) en collega’s publiceren de studie online in het British Journal of Cancer.1

De studie includeerde 3111 vrouwen in de leeftijd van 34 tot en met 69 jaar die bij inclusie HPV-positief getest waren en cytologietesten ondergingen. De CIN3+ risico’s waren hoger voor HPV16/18 dan voor andere hoog-risico HPV-genotypen. Onder vrouwen met cytologische abnormaliteit (ASUS of slechter) was het onmiddellijke CIN3+ risico 57,8% (95%-bti 53,0-62,6) voor HPV16-positiviteit; 40,2% (32,3-49,2) voor HPV18; en 31,4% (28,7-34,3) voor ander hoog-risico HPV. Onder vrouwen met normale cytologie waren de CIN3+ risico’s 19,9% (95%-bti 15,0-26,1) voor HPV16; 10,8% (5,6-20,5) voor HPV18; en 5,5% (4,2-7,1) voor ander hoog-risico HPV.

De onderzoekers concluderen dat benefits en harms van managing op basis van HPV-positiviteit en cytologie-testresultaten beter kunnen worden afgewogen met inclusie van HPV-genotypering in de screening, en kiezen voor meer conservatief management in geval van ander hoog-risico HPV vergeleken met HPV16/18.

1.Hashim D, Engesæter B, Baadstrand Skare G et al. Real-world data on cervical cancer risk stratification by cytology and HPV genotype to inform the management of HPV-positive women in routine cervical screening. Br J Cancer 2020; epub ahead of print

Summary: A study in Norway found that benefits and harms of managing women based on HPV positivity and cytology results can be better balanced by inclusion of HPV genotyping in screening, and choosing more conservative management for other high-risk HPV compared to HPV16/18.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multicenter fase 2-studie van nivolumab plus ipilimumab voor niet-pancreas neuro-endocriene tumoren (0)
2020-04-04 12:00   ( Nieuws )
Tags:  DART SWOG 1609 nonpancreatic neuroendocrine tumors
Dr. Sandip PatelImmuuncheckpointremming heeft geresulteerd in verbetering van uitkomsten van verschillende typen tumoren. Een multicenter basket fase 2-studie onderzoekt veiligheid en werkzaamheid van de combinatie van nivolumab plus ipilimumab voor verschillende typen zeldzame maligniteiten. Dr. Sandip Patel (University of California San Diego, La Jolla) en collega’s publiceren resultaten van het cohort met niet-pancreas neuro-endocriene tumoren (NETs) online in Clincial Cancer Research.1

Het cohort telde achttien patiënten met hooggradige ziekte en veertien patiënten met laag- of intermediairgradige ziekte. De primaire lokaties waren maag/darm (47% van de patiënten), long (19%), en overige (35%). Objectieve respons op de combinatie van nivolumab plus iplilimumab werd gezien in acht patiënten (ORR 25%; 95%-bti 13-64) onder wie één met complete respons en zeven met partiële respons. Alle acht patiënten met respons hadden hooggradige ziekte (ORR 44%); onder de patiënten met laag- of intermediairgradige ziekten werden geen responsen gezien (ORR 0%; p=0,004). De zes-maands progressievrije overleving was 31% (95%-bti 19-52), en de mediane overall survival was 11 maanden (95%-bti 6-NE). De meest-gerapporteerde toxiciteiten waren hypothyreoïdie (31% van de patiënten), vermoeidheid (28%), en misselijkheid (26%). Het meest-voorkomende immuungerelateerde adverse event was verhoogd alanine-aminotransferase (9%). Er waren geen graad 5 AEs.

De onderzoekers concluderen dat de combinatie van ipilimumab plus nivolumab voor niet-pancreas NETs resulteerde in respons in 44% van de patiënten met hooggradige ziekte en 0% van de patiënten met niet-hooggradige ziekte.

1.Patel S, Othus M, Chae YK et al. A phase II basket trial of dual anti-CTLA-4 and anti-PD-1 blockade in rare tumors (DART SWOG 1609) in patients with nonpancreatic neuroendocrine tumors. Clin Cancer Res 2020; epub ahead of print

Summary: A multicenter phase 2 study investigated activity of the combination of ipilimumab plus nivolumab for nonpancreatic neurendocrine tumors.The treatment resulted in 44% ORR in patients with high-grade disease an 0% ORR in patients with low/intermediate grade disease.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Percentage patiënten in fase 1-oncologiestudies die uiteindelijk-goedgekeurde behandeling krijgen (0)
2020-04-03 15:00   ( Nieuws )
Tags:  phase 1 oncology trials proportion of patients receiving ultimately approved treatments
Prof. Jonathan KimmelmanFase 1-oncologiestudies worden vaak beschouwd als therapeutische optie voor patiënten. Een analyse van fase 1-studies geïnitieerd tussen begin 2005 en eind 2010 heeft geïnventariseerd welk percentage van de patiënten een behandeling kreeg die uiteindelijk is goedgekeurd. Prof. Jonathan Kimmelman (McGill University, Montreal) en collega’s publiceren de analyse online in het Journal of the National Cancer Institute.1

In de genoemde periode begonnen 3229 fase 1-oncologiestudies. De onderzoekers analyseerden een random sample van 1000 van deze studies, met tezamen 32.582 patiënten. Onder deze patiënten waren er 386 (1,2%) die een behandeling kregen die uiteindelijk in de ontvangen dosering door de FDA werd goedgekeurd voor de betreffende indicatie. Als ook behandelingen werden meegeteld die uiteindelijk werden opgenomen in NCCN-richtlijnaanbevelingen nam het aantal patiënten met deze behandelingen toe tot 1168 (3,6%). Het percentade patiënten met een uiteindelijk goedgekeurde behandeling lag hoger in biomarkerstudies en enkele-indicatiestudies, en lager in combinatie- dan in monotherapiestudies.


De onderzoekers concluderen dat één op 83 patiënten in fase 1-oncologiestudies een behandeling kreeg die uiteindelijk werd goedgekeurd door de FDA. Gelet op de gepubliceerde schattingen van 10 tot en met 19% patiënten met ernstige adverse events heeft deelname aan fase 1-oncologiestudies volgens de onderzoekers een lage therapeutische waarde.

1.Zhiang SX, Fergusson D, Kimmelman J. Proportion of patients in phase 1 oncology trials receiving treatments that are ultimately approved. J Natl Cancer Inst 2020; epub ahead of print

Summary: An analysis of 1000 phase 1 oncology trials initiated between 2005 and 2010 and enrolling 32,582 patients found that 1 in 83 patients received a treatment that was ultimately approved for their indication at the doses received. The authors conclude that given published estimates of serious adverse events rates of 10-19%, this represents low therapeutic value for phase 1 trial participation.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie tussen borstvoeden en risico van epitheliaal ovariumcarcinoom (0)
2020-04-03 14:00   ( Nieuws )
Tags:  epithelial ovarian cancer risk breastfeeding
Dr. Ana BabicSommige studies hebben een inverse associatie laten zien tussen borstvoeden en het risico van epitheliaal ovariumcarcinoom (EOC); in andere studies was er geen associatie. Het is niet duidelijk of borstvoeden extra bescherming tegen EOC biedt, bovenop het effect van alleen de zwangerschap. Het is ook niet duidelijk of het mogelijke effect van borstvoeden verschilt voor de verschillende histotypen. Een gepoolde analyse van dertien patiënt-controlestudies van het Ovarian Cancer Association Consortium heeft deze associaties nader onderzocht. Dr. Ana Babic (Brigham and Women’s Hospital, Boston MA) en collega’s publiceren de analyse online in JAMA Oncology.1

De studies, uitgevoerd tussen november 1989 en eind 2009, telden tezamen 9973 EOC-patiënten en 13.843 controlepersonen. De gemiddelde leeftijd van de patiënten was 57,4 jaar (SD 11,1) en de gemiddelde leeftijd van de controlepersonen was 56,4 jaar (SD 11,7). Alle deelneemsters waren pareus. Borstvoeding gegeven hebben was geassocieerd met verlaging van het risico van EOC met 24% (OR 0,76; 95%-bti 0,71-0,80). Onafhankelijk van pariteit was borstvoeding gegeven hebben geassocieerd met verlaging van het risico van alle typen invasief ovariumcarcinoom, in het bijzonder hooggradige sereuze en endometrioïde typen. Onder vrouwen met één borstgevoed kind was borstvoedingsduur drie maanden geassocieerd met 18% lager risico (OR 0,82; 95%-bti 0,76-0,88) en borstvoedingsduur twaalf maanden of langer met 34% lager risico (OR 0,66; 95%-bti 0,58-0,75). De inverse associatie tussen borstvoeding en EOC-risico nam af naarmate de borstvoeding langer geleden was (minder dan tien jaar OR 0,56; 95%-bti 0,47-0,66; dertig jaar of langer OR 0,83; 95%-bti 0,77-0,90; p voor trend 0,02).

De onderzoekers concluderen dat borstvoeding gegeven hebben geassocieerd was met significante verlaging van het risico van EOC, inclusief het hooggradig sereuze subtype.

1.Babic A, Sasamoto N, Rosner BA et al. Association between breastfeeding and ovarian cancer risk. JAMA Oncol 2020; epub ahead of print

Summary: A pooled analysis of 13 case-control studies found that breastfeeding is associated with a significant decrease in risk of ovarian cancer overall and of the high-grade serous subtype, independent of the effect of pregnancy alone.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Veiligheid en verdraagbaarheid van thuis-toegediend trastuzumab voor HER2-positief vroeg mammacarcinoom (0)
2020-04-03 12:56   ( Nieuws )
Tags:  BELIS study HER2-positive early breast cancer home administration of trastuzumab
Prof. Hannelore DenysSubcutane (SC) toediening van trastuzumab voor mammacarcinoom wordt door patiënten sterk geprefereerd boven intraveneuze (IV) toediening. De BELIS-studie (in België en Israël) heeft de veiligheid en verdraagbaarheid onderzocht van toediening van SC trastuzumab door een healthcare professional (HCP) bij de patiënt thuis. Prof. Hannelore Denys (UZ Gent) en collega’s publiceren de studie online in Breast Cancer Research and Treatment.1

De studie includeerde 102 patiënten die in 23 centra de eerste zes cycli IV trastuzumab in het ziekenhuis hadden voltooid. Ze kregen vervolgens drie cycli IV trastuzumab in het ziekenhuis, gevolgd door drie cycli SC trastuzumab in het ziekenhuis, en tenslotte zes cycli SC trastuzumab thuis. Er werden geen nieuwe veiligheidssignalen gezien. De figuur laat het oordeel van de patiënten over de drie perioden zien. Alle HCPs (n=21) waren van mening dat SC de snelste toedieningsmethode was.

De onderzoekers concluderen dat de studie laat zien dat SC trastuzumab veilig bij de patiënt thuis kan worden toegediend door een HCP.

1.Denys H, Martinez-Mena CL, Martens MT. Safety and tolerability of subcutaneous trastuzumab at home administration, results of the phase IIIb open-label BELIS study in HER2-positive early breast cancer. Breast Cancer Res Treat 2020; epub ahead of print

Summary: The phase 3b study BELIS (in Belgium and Israel) found that subcutaneous trastuzumab for HER2-positive early breast cancer could be safely administered at home by a healthcare professional, and was preferred by most patients.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Overlevingsimpact van fysieke activiteit voor en na diagnose hoog-risico mammacarcinoom (0)
2020-04-03 11:49   ( Nieuws )
Tags:  high-risk breast cancer survival impact of physical activity before and after diagnosis
Dr. Rikki CanniotoEr zijn overtuigende aanwijzingen voor een associatie tussen fysieke activiteit en verlaagde mortaliteit van mammacarcinoom, maar in de meeste studies is fysieke activiteit slechts op één tijdstip bepaald. De prospectieve multicenter DELCaP Study heeft de overlevingsimpact van fysieke activiteit voor en na een diagnose hoog-risico mammacarcinoom onderzocht. Dr. Rikki Cannioto (Roswell Park Comprehensive Cancer Center, Buffalo NY) en collega’s publiceren de studie online in het Journal of the National Cancer Institute.1

De studie includeerde 1340 patiënten. De onderzoekers bepaalden de niveaus van fysieke activiteit voorafgaand aan de diagnose, tijdens de behandeling, en één en twee jaar na inclusie. De patiënten werden gekarakteriseerd als inactief, laag-actief, matig actief (niveau van Physical Activity Guidelines), of hoog-actief. Patiënten die zowel voorafgaand aan de diagnose als ook een jaar na inclusie tenminste matig actief waren hadden significant lager risico van recidief (HR 0,59; 95%-bti 0,42-0,82) en mortaliteit (HR 0,51; 95%-bti 0,34-0,77) dan inactieve patiënten. Deze associaties waren sterker voor patiënten die ook twee jaar na inclusie nog tenminste matig actief waren (recidief: HR 0,45; 95%-bti 0,31-0,65; mortaliteit: HR 0,32; 95%-bti 0,19-0,52). Als in tijds-afhankelijke analyse activiteit op alle tijdstippen in beschouwing werd genomen was de mortaliteit (versus inactieve patiënten) lager voor zowel laag-actieve patiënten (HR 0,41; 95%-bti 0,24-0,68) als matig-actieve patiënten (HR 0,42; 95%-bti 0,23-0,76) en hoog-actieve patiënten (HR 0,31; 95%-bti 0,18-0,53).

De onderzoekers concluderen dat onder patiënten met hoog-risico mammacarcinoom voldoen aan de richtijnen voor fysieke activiteit voorafgaand aan en na de diagnose geassocieerd was met lager risico van recidief en mortaliteit. Ook voor, tijdens, en na de behandeling volgehouden lage activiteit was vergeleken met inactiviteit geassocieerd met lagere risico’s.

1.Cannioto RA, Hutson A, Dighe S et al. Physical activity before, during and after chemotherapy for high-risk breast cancer: relationships with survival. J Natl Cancer Inst 2020; epub ahead of print

Summary: The prospective DELCaP study found that among patients with high-risk breast cancer, meeting the minimum guidelines for physical activity both before diagnosis and after treatment appeared to be associated with statistically significantly reduced hazards of recurrence and mortality. When considering activity on all time points, including during treatment, lower volumes of regular activity were associated with similar overall survival advantages as meeting or exceeding the guidelines.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie van aspirinegebruik en risico van spijsverteringskanaal-maligniteiten: meta-analyse (0)
2020-04-02 15:00   ( Nieuws )
Tags:  risk of digestive tract cancers aspirin use
Er zijn aanwijzingen voor een inverse associatie tussen aspirinegebruik en het risico van colorectaalcarcinoom en mogelijk enige andere typen digestive tract cancers. Een meta-analyse van observationele studies heeft deze associaties gekwantificeerd. Dr. Cristina Bosetti (Istituto di Ricerche Farmacologiche Mario Negri, Milaan) en collega’s publiceren de meta-analyse online in Annals of Oncology.1

De meta-analyse includeerde studies die zijn gepubliceerd tot en met maart 2019. In meta-analyse was regelmatig gebruik van aspirine geassocieerd met verlaging van het risico van colorectaalcarcinoom (RR 0,73; 95%-bti 0,69-0,78; 45 studies), squameus celcarcinoom van de slokdarm (RR 0,67; 95%-bti 0,57-0,79; 13 studies), adenocarcinoom van de slokdarm en maag-cardia (RR 0,61; 95%-bti 0,49-0,77; 10 studies), maagcarcinoom (RR 0,64; 95%-bti 0,51-0,82; 14 studies), lever-galwegcarcinoom (RR 0,62; 95%-bti 0,44-0,86; 5 studies), en pancreascarcinoom (RR 0,78; 95%-bti 0,68-0,89; 15 studies), maar niet hoofd-halscarcinoom (RR 0,94; 95%-bti 0,76-1,16; 10 studies). De associaties waren enigszins sterker in patiënt-controlestudies dan in cohortstudies, en er waren aanwijzingen voor enige heterogeniteit tussen de studies. De associaties waren consistent voor beide geslachten, geografische regio’s, en andere geselecteerde covariaten. Er waren voor alle digestive tract cancers inverse relaties tussen duur van aspirinegebruik en het risico, en voor colorectaalcarcinoom was er ook een doserings-effect relatie waarneembaar (10% risicoreductie bij gebruik van 75-100 mg/d en 35% risicoreductie bij gebruik van 325 mg/d).

De onderzoekers concluderen dat gebruik van aspirine invers geassocieerd was met het risico van digestive tract cancers. Het effect van aspirine nam toe met langere duur van het gebruik, en in geval van colorectaalcarcinoom ook met hogere dosering.

1.Bosetti C, Santucci C, Gallus S et al. Aspirin and the risk of colorectal and other digestive tract cancers: an updated meta-analysis through 2019. Ann Oncol 2020; epub ahead of print

Summary: A meta-analysis of all relevant studies published through March 2019 found that regular aspirin use was associated inversely with risk of colorectal and other digestive tract cancers. The favorable effect of aspirin increased with longer duration of use and, for colorectal cancer, with increasing dose.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)