Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Gerandomiseerde fase 2-studie van durvalumab met of zonder tremelimumab voor mPDAC (0)
2019-07-18 15:07   ( Nieuws )
Tags:  metastatic pancreatic ductal adenocarcinoma durvalumab tremelimumab
Dr. Eileen O'ReillyDr. Eileen O'ReillyEr is behoefte aan nieuwe therapeutische opties voor patiënten met metastatisch pancreas ductaal adenocarcinoom (mPDAC). Immuuncheckpointremming heeft respons geïnduceerd in sommige andere typen maligniteiten. Een gerandomiseerde fase 2-studie in 21 centra in zes landen heeft de veiligheid en activiteit voor mPDAC onderzocht van immuuncheckpointremming met durvalumab (anti-PD-L1) monotherapie of de combinatie van durvalumab plus tremelimumab (anti-CTLA-4). Dr. Eileen O’Reilly (Memorial Sloan Kettering Cancer Center en Weill Cornell Medical College, beide in New York) en collega’s publiceren de studie vandaag online in JAMA Oncology.1

De studie includeerde 64 patiënten die één eerdere lijn cytoxische chemotherapie (gemcitabine- of fluorouracil-gebaseerd) hadden gekregen voor mPDAC. De mediane leeftijd was 61 jaar; 52% van de patiënten waren mannen. De patiënten kregen vier cycli durvalumab 1500 mg iedere vier weken plus tremelimumab 75 mg iedere vier weken gevolgd door durvalumab monotherapie 1500 mg iedere vier weken (combinatie-arm; n=32) of durvalumab monotherapie 1500 mg iedere vier weken (monotherapie-arm; n=32). De behandeling werd voortgezet tot progressie of niet-acceptabele toxiciteit optrad, of tot ten hoogste twaalf maanden. Indien in één van beide armen een ORR van 10% of hoger zou worden gezien, dan zou de studie worden uitgebreid met additionele patiënten.

Graad 3 of hoger treatment-related adverse events werden gezien in zeven patiënten (22%) in de combinatie-arm en twee patiënten (6%) in de monotherapie-arm. Vermoeidheid, diarree, en pruritus waren de meest-voorkomende AEs in beide armen. Vier van 64 patiënten discontinueerden de behandeling vanwege TRAEs. De ORR was 3,1% in de combinatie-arm versus 0% in de monotherapie-arm. Daarmee werd dus niet voldaan aan het criterium voor expansie van de studie.

De onderzoekers concluderen dat immuuncheckpointremming voor mPDAC goed verdragen werd. De werkzaamheid van de in deze studie onderzochte combinatietherapie en monotherapie was echter niet opgewassen tegen de snelle progressie van de ziekte.

1.O’Reilly EM, Oh D-Y, Dhani N et al. Durvalumab with or without tremelimumab for patients with metastatic pancreatic ductal adenocarcinoma. A phase 2 randomized clinical trial. JAMA Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A randomized phase 2 study at 21 centers in six countries evaluated safety and efficacy of durvalumab (anti-PD-L1) with or without tremelimumab (anti-CTLA-4) for metastatic pancreatic ductal adenocarcinoma. The treatments were well tolerated, but the objective response rates were poor: 3.1% in the combination arm versus 0% in the monotherapy arm.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie tussen baseline-grootte en groei van incidenteel gedetecteerde cystische neoplasmen van de pancreas (0)
2019-07-18 14:00   ( Nieuws )
Tags:  pancreatic cystic neoplasms
Prof, Ihab KamelEr zijn aanwijzingen voor toename van de incidentele detectie van pancreatic cystic neoplasms (PCNs). Aangezien een geringe fractie van PCNs in potentie maligne is vormt het management van PCNs een uitdaging. Een retrospectieve studie van Johns Hopkins University (Baltimore MD) heeft de associatie onderzocht tussen baseline-grootte van incidenteel-gedetecteerde PCNs en groei. Prof. Ihab Kamel en collega’s publiceren de studie online in Radiology.1

De studie includeerde 646 PCNs in 390 patiënten, met baseline imaging (MRI of CT) tussen januari 2002 en mei 2017, en tenminste één follow-up imaging meer dan twaalf maanden na de eerste. De mediane follow-up was 50 maanden (ragen 12-186). Tijdens de follow-up werd toename van de grootte gezien in 184 PCNs (28,5%), afname van de grootte in 52 (8,1%), en stabiele omvang in 410 (63,4%). In PCNs met baseline PCN-grootte van kleiner dan 5 mm, 5 tot 15 mm, 15 tot 25 mm, en groter dan 25 mm werd groei gezien in respectievelijk 13,2%; 28,9%; 32,2%; en 29,7%. Vergeleken met de groep PCNs kleiner dan 5 mm was de waarschijnlijkheid van groei significant (p<0,05) verhoogd in de drie andere groepen, met subhazard ratios uiteenlopend van 2,7 tot 3,4. Onder PCNs kleiner dan 5 mm bij detectie was na drie jaar 100% en en vijf jaar 94,2% nog stabiel. Afgezien van baseline-omvang waren er geen imaging-kenmerken die geassocieerd waren met groei van de PCNs.

De onderzoekers concluderen dat kleine PCNs een geringe waarschijnlijkheid van groei hadden; alle PCNs met een baseline-omvang kleiner dan 5 mm waren na drie jaar follow-up nog stabiel.

1.Pandey P, Luo Y, Ghasabeh MA et al. Follow-up of incidentally detected pancreatic cystic neoplasms: do baseline MRI and CT features predict cyst growth? Radiology 2019; epub ahead of print

Summary: A retrospective study at Johns Hopkins University (Baltimore, MD) investigated the association between baseline size of incidentally detected pancreatic cystic neoplasms and growth during follow-up. The study found that PCNs that were smaller than 5 mm at baseline had a low likelihood of growth.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 1-studie van binimetinib plus capecitabine voor gemcitabine-voorbehandeld galwegcarcinoom (0)
2019-07-18 12:58   ( Nieuws )
Tags:  biliary tract cancer second-line binimetinib plus capecitabine
Prof. Do-Youn OhEen standaard-behandeling voor galwegcarcinoom (BTC) is de combinatie van gemcitabine en cisplatine. De prognose na falen van deze behandeling is slecht. Een fase 1-studie van Seoel Nationale Universiteit (Zuid-Korea) heeft de waarde onderzocht van de combinatie van de selectieve MEK-remmer binimetinib plus capecitabine voor gemcitabine-voorbehandeld BTC. Prof. Do-Youn Oh en collega’s publiceren de studie online in het British Journal of Cancer.1

In de doserings-escalatiefase kregen negen patiënten oplopende doseringen van de combinatie. Er werden geen dosering-limiterende toxiciteiten gezien, zodat als aanbevolen fase 2-dosering gekozen werd voor de hoogste geteste dosering: binimetinib 30 mg plus capecitabine 1250 mg/m2 tweemaal daags op de eerste veertien dagen van drie-weekse cycli. Met dit schema werden nog 25 patiënten behandeld. Onder de 34 patiënten waren er 25 die in tweede lijn en 9 die in derde lijn werden behandeld.

Objectieve respons werd gezien in 20,6% en ziektecontrole in 76,5% van de patiënten; en stabiele ziekte hield tenminste twaalf weken aan in 68,4% van deze patiënten. Na drie maanden behandeling was 64,0% van de patiënten nog progressievrij. De mediane progressievrije overleving was 4,1 maanden, en de mediane overall survival was 7,8 maanden. Patiënten met tumoren met mutaties in de RAS/RAF/MEK/ERK-route (38,5% van de patiënten) hadden vergeleken met patiënten met wildtype tumoren betere PFS (mediaan 5,4 versus 3,5 maanden; p=0,010) en betere OS (mediaan 10,8 versus 5,9 maanden; p=0,160). De meeste adverse events waren graad 1 of 2.

De onderzoekers concluderen dat de combinatie van binimetinib plus capecitabine voor gemcitabine-voorbehandeld BTC veelbelovende activiteit en een acceptabele tolerabiliteit had.

1.Kim JW, Lee, K-H, Kim J-W et al. Enhanced antitumor effect of binimetinib in combination with capecitabine for biliary tract cancer patients with mutations in the RAS/RAF/MEK/ERK pathway: phase 1b study. Br J Cancer 2019; epub ahead of print

Summary: A phase 1 study in South Korea found that the combination of binimetinib and capecitabine had acceptable tolerability and promising antitumor activity for gemcitabine-pretreated bililary tract cancer, especially in BTC with RAS/RAF/MEK/ERK pathway mutations.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Factoren geassocieerd met lymfoedeem na neoadjuvante chemotherapie en ALND voor klierpositief mammacarcinoom (0)
2019-07-18 11:51   ( Nieuws )
Tags:  node-positive breast cancer lymphedema
Prof. Jane ArmerLymfoedeem is een bekende complicatie van de behandeling voor mammacarcinoom. In recente studies is gezien dat 10% tot 30% van de overlevers van mammacarcinoom lymfoedeem ontwikkelde. De meeste lymfoedeemstudies zijn uitgevoerd in groepen patiënten die adjuvante chemotherapie kregen. Een analyse in het cohort van deelneemsters aan de ACSOG Z1071-studie onderzocht factoren die geassocieerd zijn met de ontwikkeling van lymfoedeem na neoadjuvante chemotherapie (NAC) en axillaire lymfeklierdissectie (ALND) voor klierpositief mammacarcinoom. Prof. Jane Armer (University of Missouri, Columbia) en collega’s publiceren de analyse online in JAMA Surgery.1

De analyse includeerde 486 volwassen vrouwen met cT0-T4N1-2M0 mammacarcinoom met gedocumenteerde axillaire nodale metastase bij diagnose. De gemiddelde leeftijd was 50,1 ± 10,8 jaar. Alle patiënten kregen NAC, borstchirurgie, en ALND. Ze werden vanaf de voltooiing van NAC iedere zes maanden tot drie jaar na de operatie gevolgd voor lymfoedeem, gedefineerd als patiënt-gerapporteerde arm heaviness of zwelling (lymfoedeemsymptomen) of toename van het armvolume met 10% of meer (V10) of 20% of meer (V20).

De drie-jaars cumulatieve incidentie was 37,8% (95%-bti 33,1-43,2) voor de lymfoedeemsymptomen, 58,4% (95%-bti 53,2-64,1) voor V10, en 36,9% (95%-bti 31,9-42,6) voor V20. Factoren die geassocieerd waren met lymfoedeemsymptomen waren hogere body mass index en NAC gedurende 144 dagen of langer (versus korter dan 144 dagen: HR 1,48; 95%-bti 1,01-2,17) . De incidentie van V20 was hoger in patiënten die 144 dagen of langer NAC kregen (versus korter HR 1,79; 95%-bti 1,19-2,68) en de incidentie van V10 was het hoogst in patiënten met dertig of meer verwijderde klieren (versus minder HR 1,70; 95%-bti 1,15-2,52) en nam toe met het aantal positieve klieren (per positieve klier HR 1,03; 9%-bti 1,01-1,06). In multivariate analyse was obesitas significant geassocieerd met lymfoedeemsymptomen (versus BMI lager dan 30 kg/m2 HR 1,03; 95%-bti 1,01-1,06) en lengte van NAC met V20 (144 dagen of langer versus korter HR 1,74; 95%-bti 1,15-2,62).

De onderzoekers concluderen dat in deze analyse langere duur van NAC en obesitas geassocieerd waren met verhoogde incidentie van lymfoedeem.

1.Armer JM, Ballman KV, McCall L et al. Factors associated with lymphedema in women with node-positive breast cancer treated with neoadjuvant chemotherapy and axillary dissection. JAMA Surg 2019; epub ahead of print

Summary: An analysis in the cohort of the ACSOG Z1071 study evaluated factors associated with lymphedema in women after neoadjuvant chemotherapy and axillary dissection. The analysis found that longer duration of neoadjuvant chemotherapy and obesity werd associated with increased incidence of lymphedema, suggesting that patients in these groups may benefit from enhanced prospective lymphedema surveillance.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Overlevingsimpact van toevoegen van sorafenib aan intensieve chemotherapie voor FLT3-ITD gemuteerd AML (0)
2019-07-17 14:59   ( Nieuws )
Tags:  FLT3-internal tandem duplication mutated AML sorafenib
Prof. Farhad RavandiSorafenib is een potente multikinaseremmer met werkzaamheid voor AML als monotherapie. Een studie van MD Anderson Cancer Center (Houston TX) heeft de overlevingsimpact onderzocht van toevoegen van sorafenib aan intensieve inductiechemotherapie voor nieuw-gediagnostiseerd FTL3-internal tandem duplication (ITD)-gemuteerd AML. Prof. Farhad Ravandi en collega’s publiceren de studie online in Cancer.1

Tussen februari 2001 en december 2017 werden in het ziekenhuis van MD Anderson 183 patiënten met nieuw-gediagnostiseerd FLT3-ITD gemuteerd AML behandeld: 79 patiënten kregen sorafenib plus intensieve chemotherapie, en 104 alleen intensieve chemotherapie. Propensity score matching resulteerde in 42 patiënten in elk van beide cohorten. De ORR was 98% in het sorafenib plus intensieve chemotherapie cohort versus 83% in het alleen-intensieve chemotherapie cohort (p=0,057). De mediane follow-up was 54 maanden. De mediane gebeurtenisvrije overleving was 35 maanden in het sorafenib plus intensieve chemotherapie cohort versus 8 maanden in het alleen intensieve chemotherapie cohort (p=0,019) en de mediane overall survival was 42 versus 13 maanden. Met censoring op het moment van allogene stamceltransplantatie was de mediane EFS 31 versus 8 maanden (p=0,031) en de mediane OS niet-bereikt versus 10 maanden (p=0,001). In multivariate analyse was toevoegen van sorafenib aan intensieve chemotherapie geassocieerd met significante verbetering van de OS (HR 0,558; p=0,009).

De onderzoekers concluderen dat toevoegen van sorafenib aan intensieve chemotherapie voor FLT3-ITD gemuteerd AML resulteerde in verbetering van de uitkomsten ongeacht of de patiënten allogene stamceltransplantatie ondergaan.

1.Sasaki K, Kantarjian HM, Kadia T et al. Sorafenib plus intensive chemotherapy improves survival in patients with newly diagnosed, FLT3-internal tandem duplication mutation-positive acute myeloid leukemia. Cancer 2019; epub ahead of print

Summary: A study at MD Anderson Cancer Center (Houston, TX) found that addition of sorafenib to intensive induction chemotherapy for newly diagnosed FTL3-ITD mutated AML was associated with improved event-free survival and overall survival regardless of whether patients undergo allogeneic stem cell transplantation.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Prognostische betekenis van preoperatief verhoogd CEA en CA15-3 in subtypen van mammacarcinoom (0)
2019-07-17 13:58   ( Nieuws )
Tags:  breast cancer preoperative elevated tumor markers
Tumormarkers zoals CEA en CA15-3 worden veel gebruikt voor het monitoren van mammacarcinoom. Er is echter geen consensus over de prognostische betekenis van preoperatief verhoogde niveaus van deze markers. Een retrospectieve analyse van het register van de Korean Breast Cancer Society heeft deze betekenis onderzocht voor verschillende subtypen mammacarcinoom. Dr. Sang eun Nam (KonKuk Universiteit, Seoel) en collega’s publiceren de analyse online in Breast Cancer Research and Treatment.1

De studie includeerde 149.238 patiënten die tussen begin 2000 en eind 2015 chirurgie ondergingen voor mammacarcinoom. Onder patiënten met luminal A subtype ziekte was verhoogd CA15-3 en CEA vergeleken met normale niveaus geassocieerd met slechtere overall survival (HR 2,14; 95%-bti 1,01-4,55). Voor alleen verhoogd CA15-3 was de HR 2,38 (95%-bti 1,58-3,58) en voor alleen verhoogd CEA was de HR 1,79 (95%-bti 1,20-2,68). Onder patiënten met luminal B subtype ziekte was de HR in de CA15-3 plus CEA verhoogde groep 3,99 (95%-bti 2,23-7,17), in de groep met alleen verhoogd CA15-3 2,38 (95%-bti 1,58-3,58) en in de groep met alleen verhoogd CEA 1,79 (95%-bti 1,20-2,68). Voor het HER2-subtype was verhoogd CEA de enige onafhankelijke prognostische factor. Onder patiënten met TNBC waren verhoogd preoperatief CEA en CA15-3 geen significante prognostische factoren.

De onderzoekers concluderen dat preoperatief verhoogde niveaus van CEA en CA15-3 geassocieerd waren met slechtere OS onder patiënten met luminal-type mammacarcinoom, maar niet onder patiënten met TNBC.

1.Nam Se, Lim W, Jeong J et al. The prognostic significance of preoperative tumor marker (CEA, CA15-3) elevation in breast cancer patients: data from the Korean Breast Cancer Society registry. Breast Cancer Res Treat 2019; epub ahead of print

Summary: A retrospective analysis of the Korean Breast Cancer Society registry found that preoperative elevated levels of CA15-3 and CEA were associated with worse overall survival in luminal breast cancer but not in triple-negative breast cancer.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Gefractioneerde stereotactische radiotherapie voor lokale controle na resectie van hersenmetastasen (0)
2019-07-17 12:58   ( Nieuws )
Tags:  resected brain metastases fractionated stereotactic radiotherapy
Jeffrey TraylorPostoperatieve stereotactische radiochirurgie (SRS) kan de lokale controle verbeteren na resectie van hersenmetastasen, maar deze werkzaamheid zou beperkt kunnen zijn in patiënten met grote postoperatieve resectieholten. Het is denkbaar dat postoperatieve gefractioneerde stereotactische radiotherapie (FSRT) in deze patiënten een effectieve behandeling is. Een retrospectieve studie van MD Anderson Cancer Center (Houston TX) heeft de lokale controle onderzocht na FSRT voor geresecteerde hersenmetastasen. Student-onderzoeker Jeffrey Traylor en collega’s publiceren de studie online in het Journal of Neuro-Oncology.1

De studie includeerde 29 vrouwen en 38 mannen die in het ziekenhuis van MD Anderson resectie ondergingen gevolgd door FSRT in drie tot vijf fracties. De mediane leeftijd was 62 jaar (range 18-79). Het mediane preoperatieve tumorvolume was 11,1 cm3 (range 0,4-77,0). Het primaire eindpunt van de studie was tijd tot lokaal recidief. Lokale controle werd gezien in 91,0% na zes maanden en 85,1% na twaalf en achttien maanden. De freedom from local recurrence was 90,9% na zes maanden en 84,3% na twaalf maanden. In univariate en multivariate analyse waren hogere biologisch equivalente stralingsdoseringen en grotere postoperatieve resectieholten geassocieerd met lagere tijd tot lokaal recidief.

De onderzoekers concluderen dat postoperatieve FSRT een effectieve methode kan zijn voor het induceren van lokale controle na resectie voor hersenmetastasen, met name na resectie voor grotere tumoren.

1.Traylor JI, Habib A, Patel R et al. Fractionated stereotactic radiotherapy for local control of resected brain metastases. J Neuro-Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A study at MD Anderson Cancer Center (Houston, TX) found that postoperative fractionated stereotactic radiotherapy may be an effective method for providing local control to the surgical bed in patients with resected brain metastases, particularly for larger tumors not amenable to conventional, single-fraction SRS.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 2-studie van obinutuzumab plus ibrutinib inductie gevolgd door MRD-gedreven strategie voor CLL (0)
2019-07-17 11:58   ( Nieuws )
Tags:  ICLL07 FILO study CLL
Dr. Anne-Sophie MichalletIn CLL is het bereiken van complete respons met minimaal residuele ziekte lager dan 0,01% (minder dan 1 CLL-cel per 10.000 leukocyten) in beenmerg geassocieerd met verbetering van de progressievrije overleving. De multicenter fase 2 studie ICLL07 van FILO (French Innovative Leukemia Organization) heeft de waarde onderzocht van inductietherapie met obinutuzumab plus ibrutinib gevolgd door MRD-gedreven strategie voor niet-eerder behandeld CLL. Dr. Anne-Sophie Michallet (Centre Léon Bérard, Lyon) en collega’s publiceren de studie online in The Lancet Haematology.1



ICLL07 werd uitgevoerd in 27 Franse centra. De studie includeerde volwassen patiënten met nieuw-gediagnostiseerd B-cel CLL, en een ECOG performance status 0 of 1. De patiënten kregen gedurende negen maanden inductietherapie met obinutuzumab plus ibrutinib. Patiënten met complete respons en beenmerg MRD lager dan 0,01% kregen vervolgens nog zes maanden ibrutinib. Patiënten met partiële respons of met complete respons met beenmerg MRD 0,01% of hoger kregen nog zes maanden ibrutinib plus fludarabine, cyclofosfamide, en obinutuzumab. Het primaire eindpunt van de studie was het percentage patiënten met beenmerg MRD lager dan 0,01% op dag één van maand zestien.

De studie includeerde 135 patiënten. Aan het eind van de inductiefase waren 130 patiënten evaluabel, onder wie tien (8%) met compete respons en MRD lager dan 0,01%; deze patiënten kregen zes maanden ibrutinib. De 120 andere patiënten kregen ibrutinib plus obinutuzumab plus cytotoxische chemotherapie. Op dag één van maand zestien hadden 84 van 135 patiënten complete respons met MRD lager dan 0,01% bereikt (62%; 95%-bti 55-69). De meest gerapporteerde adverse events waren graad 1 en 2 trombocytopenie, infusiereacties, gastroïntestinale klachten. Er waren 49 serious adverse events, met name infecties, cardiale gebeurtenissen, en hematologische gebeurtenissen. Geen van de patiënten overleed aan de behandeling.

De onderzoekers concluderen dat obinutuzumab plus ibrutinib inductietherapie gevolgd door MRD-gedreven strategie veilig en werkzaam was voor niet-eerder behandeld CLL.

1.Michallet A-S, Dilhuydy M-S, Subtil F et al. Obinutuzumab and ibrutinib induction therapy followed by a minimal residual disease-driven strategy in patients with chronic lymphocytic leukaemia (ICLL07 FILO): a single-arm, multicentre, phase 2 trial. Lancet Haematol 2019; epub ahead of print

Summary: The French multicenter phase 2 study ICLL07 found that nine months of obinutuzumab plus ibrutinib induction therapy followed by six months of a minimal residual disease driven strategy was safe and active in patients with previously untreated CLL.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)