Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Actieve surveillance voor nodulair lymfocyt-predominant Hodgkin lymfoom (0)
2019-02-18 14:54   ( Nieuws )
Tags:  NLPHL active surveillance
Dr. Sven BorchmannNodulair lymfocyt-predominant Hodgkin lymfoom (NLPHL) is een HL-subtype dat zoals alle andere subtypen van oudsher agressief behandeld wordt. In de meeste patiënten heeft NLPHL echter een indolent beloop, hetgeen leidt tot de vraag in hoeverre deze patiënten agressieve upfront behandeling nodig hebben. Dr. Sven Borchmann (tegenwoordig Universiteit van Keulen) en collega’s publiceren online in Blood een beschrijving van het management van alle volwassen (zestien jaar en ouder) NLPHL-patiënten van Memorial Sloan Kettering Cancer Center tussen begin 1974 en eind 2016.1

Onder de 163 achtereenvolgende patiënten werd 46% behandeld met alleen radiotherapie, kreeg 23% actieve surveillance, 16% chemotherapie, 12% gecombineerde modaliteiten, en 4% rituximab monotherapie. De mediane follow-up was 69 maanden. De vijf-jaars progressievrije overleving was 85% (95%-bti 78-90), de PFS2 was 97% (95%-bti 92-99) en de vijf-jaars overall survival was 99% (95%-bti 95-100). Slechts één van de zeven overlijdens was lymfoom-gerelateerd. Patiënten die actieve surveillance kregen hadden licht-kortere PFS dan patiënten met actieve behandelingen (vijf-jaars PFS 77% versus 87%; p=0,017) maar er waren tussen actieve surveillance en actieve behandelingen geen verschillen in PFS2 of OS. Slechts tien van 37 patiënten (27%) die actieve surveillance kregen moesten uiteindelijk behandeld worden, en geen van deze patiënten overleed.

De onderzoekers concluderen dat NLPHL een uitstekende prognose heeft, en dat actieve surveillance een verantwoorde eerste managementstrategie is voor geselecteerde NLPHL-patiënten.

1.Borchmann S, Joffe E, Moskowitz CH et al. Active surveillance for nodular lymphocyte-predominant Hodgkin lymphoma. Blood 2019; epub ahead of print

Summary: A retrospective study at Memorial Sloan Kettering Cancer Center (New York) found that active surveillance is a viable initial management option for selected patients with nodular lymphocyte-predominant Hodgkin lymphoma. Only 10 of 37 patients on AS (27%) eventually required treatment, after a median of 61 months, and none died.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Incidentie en determinanten van radionecrose na radiotherapie en anti-PD-1 voor hersenmetastasen van melanoom (0)
2019-02-18 13:56   ( Nieuws )
Tags:  melanoma brain metastases anti-PD-1 antibodies plus RT radionecrosis
Dr. Alexander MenziesGebruik van radiotherapie in het management van hersenmetastasen van melanoom (MBM) kan resulteren in radionecrose. Anti-PD-1 antilichamen zijn ook in de hersenen actief. Het is denkbaar dat de combinatie van RT en anti-PD-1 voor MBM het risico van radionecrose verhoogt. Een multinationale studie heeft de incidentie van radionecrose en geassocieerde factoren na RT en anti-PD-1 voor MBM geïnventariseerd. Dr. Alexander Menzies (Melanoma Insstitute Australia, Sydney) en collega’s publiceren de studie online in Pigment Cell & Melanoma Research.1

De studie includeerde in twee cohorten MBM-patiënten die RT en anti-PD-1 kregen en langer dan een jaar overleefden. In cohort A (n=135) werd incidentie van radionecrose onderzocht. Voor het vaststellen van met radionecrose samenhangende factoren werd cohort B (n=148) gebruikt, bestaande uit de patiënten met radionecrose in cohort A plus additionele patiënten met radionecrose. De diagnose radionecrose was gebaseerd op MRI (100% van de patiënten), symptomen (69%), en pathologie (56%). In cohort A bedroeg de twee-jaars cumulatieve incidentie van radionecrose 18%. Multivariate analyse in cohort B liet een associatie zien van radionecrose met verhoogd niveau van lactaatdehydrogenase (p=0,0496) en eerdere behandeling met ipilimumab (p=0,0319). Behandeling van radionecrose bestond uit corticosteroïden, bevacizumab, en/of neurochirurgie.

De onderzoekers concluderen dat ongeveer één op de vijf patiënten die RT plus anti-PD-1 krijgen voor MBM en langer dan een jaar overleven radionecrose ontwikkelt. Identificatie van patiënten met verhoogd risico van radionecrose is belangrijk; gelet op recente studies die activiteit van anti-PD-1 hebben laten zien kan in sommige van deze patiënten RT wellicht achterwege worden gelaten.

1.Pires da Silva I, Glitza IC, Haydu LE et al. Incidence, features, and management of radionecrosis in melanoma patients treated with cerebral radiotherapy and anti-PD-1 antibodies. Pigm Cell Melanoma Res 2019; epub ahead of print

Summary: An international study found that among patients treated with RT and anti-PD-1 for brain metastases from melanoma and surviving longer than one year, almost one in five will develop radionecrosis. Associated factors were elevated LDH and prior ipilimumab therapy.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Lange-termijn mortaliteit na diagnose mammacarcinoom in relatie tot leeftijd bij diagnose, ER-status, en tijd sinds diagnose (0)
2019-02-18 12:53   ( Nieuws )
Tags:  breast cancer mortality as function of age ER status and time already survived
Prof. John HopperEen analyse van de Australian Breast Cancer Family Study heeft de lange-termijn mortaliteit van patiënten met mammacarcinoom onderzocht in relatie tot de leeftijd bij diagnose, ER-status, en de tijd die patiënten al overleefd hebben sinds de diagnose. Prof. John Hopper (The University of Melbourne) en collega’s publiceren de analyse online in het International Journal of Cancer.1 De bevolkings-gebaseerde ABCFS volgde 1196 vrouwen die werden geïncludeerd tussen begin 1992 en eind 1999 na een diagnose eerste primair invasief mammacarcinoom voor de leeftijd zestig jaar.

Tijdens mediaan 15,7 jaar (range 0,8-21,4) follow-up overleden 375 deelneemsters. Onder vrouwen met ER-negatieve tumoren, vergeleken met vrouwen met ER-positieve tumoren, was de vijf-jaars mortaliteit hoger (p<0,001), de mortaliteit tussen vijf en tien jaar na de diagnose vergelijkbaar (p=0,4), en de mortaliteit vanaf tien jaar na de diagnose lager (p=0,02). Het risico van mortaliteit onder vrouwen met ER-negatieve ziekte bereikte een piek ongeveer drie jaar na de diagnose, en nam vervolgens af in de tijd tot het ongeveer zeven jaar na de diagnose lager werd dan onder vrouwen met ER-positieve ziekte. Dit patroon was meer uitgesproken onder vrouwen met diagnose op jongere leeftijd. De mortaliteit was ook geassocieerd met het aantal betrokken lymfeklieren (per tien klieren HR 2,52; 95%-bti 2,11-3,01) en tumorgraad (per graad HR 1,62; 95%-bti 1,34-1,96).

De onderzoekers concluderen dat het risico van overlijden na een diagnose mammacarcinoom substantieel verschilt in relatie tot leeftijd bij diagnose, ER-status, en tijd sinds de diagnose. Onder vrouwen die langer dan zeven jaar overleefd hebben zullen vrouwen met ER-negatieve ziekte gemiddeld langer leven dan vrouwen met ER-positieve ziekte; dit verschil is groter naarmate de diagnose op jongere leeftijd gesteld is.

1.Jayasekara H, MacInnis RJ, Chamberlain JA et al. Mortality after breast cancer as a function of time since diagnosis by estrogen receptor status and age at diagnosis. Int J Cancer 2019; epub ahead of print

Summary: An analysis of the population-based Australian Breast Cancer Family Study found that the risk of death following a breast cancer diagnosis differs substantially with diagnosis age, ER status, and time already survived. For women who survive longer than 7 years, those with ER-negative disease will on average live longer, and more so if younger at diagnosis.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Substratificatie van patiënten met nieuw-gediagnostiseerd standaard-risico multipel myeloom (0)
2019-02-17 15:58   ( Nieuws )
Tags:  standard-risk NDMM substratification
Prof. Shaji KumarEen subset van de patiënten met standaard-risico nieuw-gediagnostiseerd multipel myeloom (NDMM) heeft vergeleken met de andere patiënten in deze risicocategorie slechte overall survival. Een studie van Mayo Clinic (Rochester MN) heeft kenmerken onderzocht van patiënten met hoog-risico fenotype ondanks laag ISS-risicostadium en afwezigheid van hoog-risico cytogenetica. Prof. Shaji Kumar en collega’s publiceren de studie online in het British Journal of Haematology.1



De studie includeerde 1461 NDMM-patiënten van Mayo Clinic, van wie 56% standaard-risico ziekte had. Onder deze standaard-risico patiënten waren vier kenmerken geassocieerd met slechtere OS: gevorderde leeftijd, extremen van body mass index, niet-hyperdiploïd karyotype, en abnormaal lymfocytengetal. Standaard-risico patiënten met nul of één (HR 0,32; p<0,001) of twee (HR 0,54; p<0,001) van deze ongungstige factoren hadden OS die gunstiger was dan die van hoog-risico patiënten. Meer dan twee van deze factoren werden gezien in 17% van de patiënten met standaard-risico, en waren geassocieerd met OS vergelijkbaar met die van hoog-risico patiënten (HR 0,91; p=0,548).

De onderzoekers concluderen dat patiënten met standaard-risico NDMM een heterogene groep vormen; een op de zes patiënten heeft OS vergelijkbaar met die van hoog-risico patiënten. Deze laag-risico patiënten met relatief slechte OS kunnen worden geïdentificeerd aan de hand van eenvoudig-beschikbare kenmerken.

1.Binder M, Rajkumar SV, Ketterling RP et al. Substratification of patients with newly diagnosed standard-risk multiple myeloma. Br J Haematol 2019; epub ahead of print

Summary: A study at the Mayo Clinic (Rochester, MN) found that patients with newly diagnosed standard-risk are a heterogenous group, with one in six patients experiencing OS comparable to that of high-risk disease. These patients at risk can be identified using readily available patient and disease characteristics, such as advanced age, extremes of BMI, noon-hyperdiploid karyotype, and abnormal lymphocyte counts.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Incidentie en voorspellers van hyperprogressie bij immuuncheckpointremming voor vroeg-stadium maligniteiten (0)
2019-02-17 14:29   ( Nieuws )
Tags:  early phase ICI-trials hyperprogressive disease
Dr. Philippe BedardIn een subset van patiënten die immuuncheckpointremmers (ICIs) krijgen voor maligniteiten wordt versnelde groei van de tumor gezien in vergelijking met de groei voor aanvang van de behandeling. Dit fenomeen staat bekend als hyperprogressieve ziekte (HPD). Een analyse van studies van Princess Margaret Cancer Centre (Toronto) heeft de incidentie en voorspellers van HPD onderzocht. Dr. Philippe Bedard en collega’s publiceren de analyse online in Cancer.1



De analyse includeerde 182 patiënten die van augustus 2012 tot oktober 2016 in Toronto deelnamen aan studies van ICIs voor vroeg-stadium maligniteiten, en CT-scans hadden van de pre-ICI periode en de on-ICI-periode. De mediane leeftijd was 60 jaar, en 54% van de patiënten waren mannen. De ECOG performance status was 0 (32%) of 1 (68%), en de Royal Marsden Hospital prognostische score was 0 of 1 in 59% van de patiënten. Tachtig procent van de patiënten kreeg single-agent ICI.

HPD werd gedefinieerd als progressie op de eerste on-ICI scan en tenminste een verdubbeling van de tumorgroeisnelheid vergeleken met de pre-ICI periode. Dit werd gezien in twaalf patiënten (6,6%). Onder de HPD-patiënten waren meer vrouwen dan mannen (p=0,01). Verder werden er geen voorspellers van HPD geïdentificeerd. HPD was niet geassocieerd met leeftijd, performance status, tumortype, RMH prognostische score, type ICI, of klinisch relevante adverse events (gedefinieerd als AEs die resulteerden in discontinuering of interruptie van de behandeling of systemische therapie vereisten). De één-jaar overall survival was 28% onder HPD-patiënten versus 53% voor niet-HPD patiënten (HR 1,7; p=0,11).

De onderzoekers concluderen dat HPD werd gezien in ongeveer 7% van de patiënten die ICIs kregen voor vroeg-stadium maligniteiten. HPD was meer frequent in vrouwen dan in mannen. Andere voorspellers van HPD werden niet geïdentificeerd.

1.Kanjanapan Y, Day D, Wang L et al. Hyperprogressive disease in early-phase immunotherapy trials: clinical predictors and association with immune-related toxicities. Cancer 2019; epub ahead of print

Summary: An analysis of studies at Princess Margaret Cancer Centre (Toronto) found that among patients treated with immune checkpoint inhibitors for early-phase solid tumors, hyperprogressive disease was seen in 6.6%. Hyperprogressive disease was not associated with clinically significant adverse events, age, tumor type, or the type of immunotherapy, but was more common in females (p=0.01).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Impact van pariteit en leeftijd bij eerste zwangerschap op genomische kenmerken van later mammacarcinoom (0)
2019-02-17 12:58   ( Nieuws )
Tags:  breast cancer impact of pregnancy on genomic landscape
Dr. Bastien NguyenPariteit en leeftijd bij eerste zwangerschap zijn bekende risicofactoren voor de ontwikkeling van mammacarcinoom. De impact van deze risicofactoren op genomische kenmerken van later-ontwikkeld mammacarcinoom is echter niet bekend. Een studie van Institut Jules Bordet (Brussel) heeft de impact onderzocht van beide factoren op patronen van somatische mutaties, somatische copy number alterations (CNAs), transcriptoomprofielen, en TIL-niveaus van mammacarcinoom. Dr. Bastien Nguyen en collega’s publiceren de studie online in Breast Cancer Research.1

De studie includeerde 313 patiënten met primair mammacarcinoom . Genomische veranderingen in mammacarcinoom waren geassocieerd met leeftijd bij eerste zwangerschap maar niet met alleen pariteits-status. Onafhankelijk van klinisch-pathologische kenmerken ontwikkelde vroeg-pareuze patiënten, vergeleken met laat-pareuze patiënten, tumoren die werden gekenmerkt door hoger aantal indels (p=0,002), lagere frequentie van CDH1-mutaties (1,2% versus 12,7%; p=0,013), hogere frequentie van TP53-mutaties (50% versus 22,5%; p=0,010), en hogere frequentie van MYC-amplificaties (28% versus 7%; p=0,008). Mammacarcinoom binnen tien jaar na een zwangerschap was geassocieerd met hogere infiltratie van lymfocyten dan niet-zwangerschapsgeassocieerd mammacarcinoom (p=0,0495).

De onderzoekers concluderen dat de studie suggereert dat reproductiegeschiedenis van invloed is op genomische kenmerken van subsequent ontwikkeld mammacarcinoom.

1.Nguyen B, Venet D, Lambertini M et al. Imprint of parity and age at first pregnancy on the genomic landscape of subsequent breast cancer. Breast Cancer Res 2019;21:25

Summary: A study at Institut Jules Bordet (Brussels) found significant links between partiy and age at first pregnancy with the genomic landscape of subsequent breast cancer.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 3-studie van eerstelijns pembrolizumab plus axinitinib versus sunitinib voor lokaal-gevorderd of metastatisch niercelcarcinoom (0)
2019-02-16 16:01   ( Nieuws )
Tags:  KEYNOTE-426 study mRCC pembrolizumab plus axitinib
Prof. Thomas PowlesEen fase 1b-studie heeft laten zien dat de combinatie van pembrolizumab (pembro, anti-PD-1) plus axitinib (axi, VEGFR-TKI) veelbelovende antitumor-activiteit en manageable veiligheid had in patiënten met niet-eerder behandeld metastatisch niercelcarcinoom. De multinationale fase 3-studie KEYNOTE-426 vergeleek pembro+axi versus sunitinib als eerstelijns behandeling voor heldercellig mRCC. Prof. Thomas Powles (Barts Cancer Institute, Londen VK) presenteert een interimanalyse van de studie vandaag op het 2019 Genitourinary Cancers Symposium van ASCO in San Francisco.1

De patiënten werden 1:1 gerandomiseerd naar ten hoogste 35 cycli intraveneus pembro 200 mg eens per drie weken plus oraal axi 5 mg tweemaal per dag (n=432) of oraal sunitinib 50 mg eenmaal daags (4-wk on/2-wk off schedule, n=429). De behandeling werd voortgezet tot progressie van de ziekte of niet-acceptabele toxiciteit optrad. Primaire eindpunten waren overall survival en centraal-beoordeelde progressievrije overleving. Percentage patiënten met respons was een secundair eindpunt.

Na mediaan 12,8 maanden follow-up werden 59,0% van de patiënten in de pembro+axi arm nog volgens studieprotocol behandeld, versus 43,1% van de patiënten in de sunitinib-arm. De twaalf-maands OS was 89,9% met pembro+axi versus 78,3% met sunitinib (HR 0,53; p<0,0001). De mediane PFS was 15,1 versus 11,1 maanden (HR 0,69; p=0,0001), en de ORR was 59,3% versus 35,7% (p<0,0001), met mediane duur van respons niet-bereikt versus 15,2 maanden. Behandelings-gerelateerde graad 3 tot en met 5 adverse events werden gezien in 62,9% van de patiënten in de pembro+axi arm versus 58,1% van de patiënten in de sunitinib-arm; en leidden tot discontinuering in 6,3% versus 10,1%.


De onderzoekers concluderen dat pembro+axi vergeleken met sunitinib resulteerde in superieure OS, PFS, en ORR en hanteerbare veiligheid had in patiënten met niet-eerder behandeld heldercellig mRCC.

1.Powles T et al. 2019 Genitourinary Cancers Symposium, abstr. 543

Summary: The international phase 3 study KEYNOTE-426 compared the combination of pembrolizumab plus axitinib versus sunitinib for previously untreated, advanced or metastatic clear cell renal cell carcinoma. The study found superior OS, PFS, and ORR in the pembro plus axi arm, with manageable safety.



  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 3-studie van eerstelijns lomustine-temozolomide versus temozolomide voor MGMT-gemethyleerd glioblastoom (0)
2019-02-16 14:29   ( Nieuws )
Tags:  glioblastoma with methylated MGMT promoter lomustine plus temozolomide
Prof. Ulrich HerrlingerEr is behoefte aan meer-effectieve behandelingen voor glioblastoom (GBM). Een niet-gerandomiseerde fase 2-studie vond betere uitkomsten met lomustine-temozolomide (L-TMZ) plus radiotherapie vergeleken met standaard TMZ-chemoradiotherapie voor nieuw-gediagnostiseerd GBM met gemethyleerde MGMT-promoter. De Neuro-oncologie werkgroep van het Deutsche Krebsgesellschaft vergeleek deze beide behandelingen in een gerandomiseerde fase 3-studie. Prof. Ulrich Herrlinger (Universiteit van Bonn) en collega’s publiceren de studie vandaag in The Lancet.1

De studie includeerde patiënten van zeventien Duitse academische ziekenhuizen. Ze werden gerandomiseerd naar TMZ (n=63) of L-TMZ (n=66), met concomitante radiotherapie (59-60 Gy) in beide armen. Het mediane eindpunt van de studie was overall survival. De mediane OS was 31,4 maanden in de TMZ-arm versus 48,1 maanden in de L-TMZ arm (HR 0,60; p=0,0492). Graad 3 of 4 adverse events werden gezien in 51% van de patiënten in de TMZ-arm versus 59% van de patiënten in de L-TMZ arm. Er waren geen graad 5 AEs.


De onderzoekers concluderen dat de studie suggereert de L-TMZ chemoradiotherapie resulteert in betere overleving dan standaard TMZ-chemoradiotherapie voor nieuw-gediagnostiseerd GBM met gemethyleerde MGMT-promoter. Ze tekenen aan dat de studie slechts een gering aantal patiënten includeerde.

1.Herrlinger U, Tzaridis T, Mack F et al. Lomustine-temozolomide combination therapy versus standard temozolomide therapy in patients with newly diagnosed glioblastoma with methylated MGMT promoter (CeTeG/NOA-09): a randomised, open-label, phase 3 trial. Lancet 2019;393:678-688

Summary: A phase 3 study by the Neurooncology Working Group of the German Cancer Society compared first-line lomustine-temozolomide plus radiotherapy versus standard temozolomide plus radiotherapy for glioblastoma with methylated MGMT promoter. The study found better survival in the combination arm.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)