Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Everolimus plus bevacizumab als eerstelijns behandeling voor gevorderd papillair niercelcarcinoom (0)
2020-09-27 15:00   ( Nieuws )
Tags:  advanced papillary renal cell carcinoma first-line everolimus plus bevacizumab
Dr. Darren FeldmanEen fase 2-studie van Memorial Sloan Kettering Cancer Center (New York) heeft de combinatie van everolimus en bevacizumab als eerstelijns behandeling voor gevorderd niet-heldercellig niercelcarcinoom geëvalueerd. In 2016 is gepubliceerd dat de combinatie werkzaam was voor nccRCC met papillaire kenmerken. De onderzoekers hebben vervolgens de studie uitgebreid met inclusie van meer patiënten met gevorderd pRCC. Dr. Darren Feldman en collega’s publiceren nu de eindanalyse van de studie in Cancer.1

In aanvulling op de 19 patiënten met pRCC-varianten in het originele cohort includeerde de studie nog 20 patiënten, waardoor het studiecohort kwam te bestaan uit 24 patiënten met niet-geklasseerd RCC (uRCC) met papillaire kenmerken, 14 patiënten met pRCC, en één patiënt met translocatie-geassocieerd RCC met papillaire kenmerken. De patiënten kregen everolimus plus bevacizumab in standaard-doseringen tot ziekteprogressie of intolerantie optrad. Het primaire eindpunt was zes-maands progressievrije overleving. Onder 37 evalueerbare patiënten waren na zes maanden 29 patiënten progressievrij (78%). De mediane PFS was 13,7 maanden (95%-bti 10,8-16,4) en de objective response rate was 35%. De mediane overall survival was 33,9 maanden (95%-bti 23,3-71,9). De tolerantie was consistent met wat eerder gerapporteerd is voor de combinatie everolimus-bevacizumab. Next-generation sequencing (33 patiënten) liet zien dat respons plaats vond in patiënten met genomische veranderingen in onder andere ARID1A, FH, en MET.

De onderzoekers concluderen dat de combinatie van everolimus en bevacizumab robuuste activiteit had als eerstelijns behandeling voor metastatische pRCC-varianten.

1.Feldman DR, Ged Y, Lee C-H et al. Everolimus plus bevacizumab is an effective first-line treatment for patients with advanced papillary variant renal cell carcinoma: final results of a phase II trial. Cancer 2020; epub ahead of print

Summary: A phase 2 study at Memorial Sloan Kettering Cancer Center (New York) found robust activity of the combination of everolimus and bevacizumab as first-line treatment for metastatic papillary renal cell carcinoma.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Interim PET/CT voorspelt progressievrije overleving met EGFR-TKIs voor stadium IIIB/IV EGFR-gemuteerd NSCLC (0)
2020-09-27 13:29   ( Nieuws )
Tags:  EGFR-TKIs for stage IIIB IV EGFR-mutant NSCLC interim PET CT predicts PFS
Vroeg inzicht in werkzaamheid van behandelingen kan onnodige blootstelling van patiënten aan niet-werkzame behandelingen helpen voorkomen. Een studie in het Guangdong Algemeen Ziekenhuis (Guangzhou, China) heeft de waarde onderzocht van interim 18F-FDG PET/CT voor het voorspellen van progressievrije overleving met EGFR-TKIs voor stadium IIIB/IV niet-kleincelling longcarcinoom met EGFR-mutaties. Dr. Shu-Xia Wang en collega’s publiceren de studie in Lung Cancer.1

De studie includeerde 78 patiënten die voor aanvang van de behandeling en na vier tot zes weken behandeling PET/CT ondergingen. De één- en twee-jaars PFS rates waren 33,9% (95%-bti 28,6-39,2) respectievelijk 20,7% (95%-bti 16,1-25,3). In multivariate analyse waren de interim-PET factoren ΔSUVmax (p=0,002; p=0,014) en ΔSUVmean (p=0,000; p=0,030) onafhankelijke voorspellers van PFS en non-durable clinical benefit (non-DCB). De één-jaars PFS was 59,5% (95%-bti 44,2-74,8) in de groep patiënten met ΔSUVmax 56,74% of hoger versus 5,7% (95%-bti 0,0-13,3) in de groep patiënten met ΔSUVmax lager dan 56,74% (p=0,000).

De onderzoekers concluderen dat PET-scan na vier tot zes weken behandeling effectief de PFS en non-DCB kon voorspellen met EGFR-TKIs voor stadium IIIB/IV NSCLC met EGFR-mutaties.

1.Shao D, Cheng Y, Yuan Z-S et al. Value of interim 18F-FDG PET/CT for predicting progression-free survival in stage IIIB/IV EGFR-mutant non-small cell lung cancer patients with EGFR-TKI therapy. Lung Cancer 2020; epub ahead of print

Summary: A study at Guangdong General Hospital (Guangzhou, China) found that an early PET scan after 4 to 6 weeks of treatment can effectively predict the progression-free survival and non-durable clinical benefit with EGFR-TKI therapy for stage IIIB/IV NSCLC with EGFR mutations.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Impact van solide maligniteiten op in-hospital mortaliteit van patiënten met COVID-19 in België (0)
2020-09-27 12:00   ( Nieuws )
Tags:  COVID-19 impact of solid cancer on in-hospital mortality
Dr. Evandro de AzambujaEr zijn aanwijzingen voor een onafhankelijk ongunstig effect van maligniteiten op de met COVID-19 samenhangende mortaliteit, maar het is niet duidelijk of dit effect verschilt tussen afzonderlijke subgroepen van patiënten. Een bevolkings-gebaseerde analyse in België heeft de in-hospital mortaliteit onder COVID-19 patiënten met versus zonder maligniteiten geïnventariseerd. Dr. Evandro de Azambuja (Jules Bordet Instituut, Brussel) en collega’s publiceren de analyse in ESMO Open Cancer Horizons.1

Het primaire eindpunt was overlijden in het ziekenhuis binnen dertig dagen na de COVID-19 diagnose. In de België-brede Sciensano database tot 24 mei 2020 identificeerden de onderzoekers 13.954 patiënten met COVID-19 onder wie 1187 (8,7%) met een maligniteit. Van deze patiënten waren 10.486, onder wie 892 (8,5%) met een maligniteit, beschikbaar voor de analyse van het primaire eindpunt. De patiënten met een maligniteit waren ouder en hadden bij presentatie minder symptomen en met imaging van de longen waarneembare veranderingen. De dertig-dagen in-hospital mortaliteit was hoger onder de patiënten met maligniteiten dan onder de patiënten zonder maligniteiten (31,7% versus 20,0%; gecorrigeerd OR 1,34; 95%-bti 1,13-1,58). De met een maligniteit samenhangende risicoverhoging was groter onder patiënten jonger dan 60 jaar (aOR 3,84; 95%-bti 1,94-7,59) en onder patiënten zonder andere comorbiditeiten (aOR 2,27; 95%-bti 1,41-3,64). Er was geen significant verschil tussen de groepen met en zonder maligniteiten voor het secundaire eindpunt severe event, een composiet eindpunt van opname op de intensieve zorg, en/of invasieve beademing, en/of overlijden (36,7% versus 28,8%; aOR 1,10; 95%-bti 0,95-1,29).

De onderzoekers concluderen dat de analyse suggereert dat onder patiënten met COVID-19 een solide maligniteit een onafhankelijke ongunstige prognostische factor is voor overlijden in het ziekenhuis.

1.De Azambuja E, Brandão M, Wildiers H et al. Impact of solid cancer on in-hospital mortality overall and among different subgroups of patients with COVID-19: a nationwide, population-based analysis. ESMO Open Cancer Horizons 2020; epub ahead of print

Summary: A population-based analysis in Belgium found that solid cancer is an independent adverse prognostic factor for in-hospital mortality among patients with COVID-19. This adverse effect was more pronounced among younger patients and those without other comorbidities.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Trends in primaire behandeling en overleving van gevorderd-stadium epitheliaal ovariumcarcinoom in de VS, 2004-2017 (0)
2020-09-26 15:00   ( Nieuws )
Tags:  advanced epithelial ovarian cancer trends in primary treatment and survival
Dr. Alexander MelamedIn gerandomiseerde klinische studies is gezien dat neoadjuvante chemotherapie voor gevorderd-stadium epitheliaal ovariumcarcinoom (EOC) niet resulteerde in verbetering van progressievrije overleving of overall survival, maar wel geassocieerd was met verlmindering van de chirurgische morbiditeit. De eerste van deze studies werd gepubliceerd in 2010. Een analyse van de National Cancer Database heeft tijdstrends van gebruik van neoadjuvante chemotherapie voor EOC en in de mediane overleving van de patiënten geïnventariseerd. Dr. Alexander Melamed (Columbia University, New York) en collega’s publiceren de analyse in JAMA Network Open.1

In de NCDB identificeerden de onderzoekers 72.171 vrouwen die tussen begin 2004 en eind 2016 behandeld werden voor stadium IIIC en IV EOC. De gemiddelde leeftijd was 63,0 jaar (SD 12,4). Er waren 53.021 vrouwen die primaire cytoreductieve chirurgie ondergingen (73,5%) en 19.150 vrouwen die neoadjuvante chemotherapie kregen (26,5%). De figuur toont de belangrijkste resultaten van de analyse. In de periode 2004 tot en met 2006 kreeg 17,6% van de patiënten neoadjuvante chemotherapie. Na 2006 begon het gebruik van neoadjuvante chemotherapie toe te nemen, met annual percentage change 7,9% in de periode 2006 tot en met 2011 (p voor trend <0,001), en met een versnelling vanaf 2011 (APC 10,3%). In 2016 kreeg 45% van de patiënten neoadjuvante chemotherapie. De mediane overleving nam toe van 31,1 maanden in 2004 tot 37,8 maanden in 2013. Er was geen associatie tussen de veranderende trend in gebruik van adjuvante chemotherapie en veranderende trend in overleving.

De onderzoekers concluderen dat gebruik van neoadjuvante chemotherapie voor gevorderd EOC tussen 2004 en 2017 in de Verenigde Staten toegenomen is, evenals de overleving van patiënten met gevorderd EOC.

1.Knisely AT, St. Clair CM, Hou JY et al. Trends in primary treatment and median survival among women with advanced-stage epithelial ovarian cancer in the US from 2004 to 2016. JAMA Network Open 2020;3:e2017517

Summary: Analysis of the National Cancer Database found that use of neoadjuvant chemotherapy for advanced EOC increased from 17.6% in 2004-2006 to 45.1% in 2016, while median survival increased from 31.1 months in 2004 to 37.8 months in 2013. Changing trends in use of neoadjuvant chemotherapy was not associated with a change in median survival trend.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Neoadjuvant paclitaxel-epirubicine versus vinorelbine-epirubicine voor HER2-negatief LABC met TEKT4-mutaties (0)
2020-09-26 13:29   ( Nieuws )
Tags:  locally advanced HER2-negative breast cancer TEKT4 germline variations
Prof. Zhi-Ming ShaoResistentie tegen paclitaxel is een belangrijke uitdaging in de behandeling voor mammacarcinoom. In een preklinische studie zijn aanwijzingen gezien voor associaties tussen TEKT4-kiemlijnmutaties en resistentie van mammacarcinoom tegen paclitaxel, terwijl deze mutaties geassocieerd waren met verhoogde gevoeligheid voor vinorelbine. Een gerandomiseerde fase 2-studie van Fudan Universiteit (Shanghai) heeft neoadjuvant paclitaxel plus epirubicine (PE) vergeleken met vinorelbine plus epirubicine (VE) voor lokaal-gevorderd HER2-negatief mammacarcinoom met TEKT4-variates. Prof. Zhi-Ming Shao en collega’s publiceren de studie in Breast Cancer Research and Treatment.1

De studie randomiseerde 91 patiënten met stadium IIB tot en met IIIC ziekte naar PE (n=46) of NE (n=45). Het primaire eindpunt was pathologisch complete respons. Het percentage patiënten met pCR was numeriek hoger met NE dan met PE (22,2% versus 8,7%; p=0,074). In de subgroep met HR-positieve ziekte was het percentage met pCR 15,4% met NE versus 0 met PE (p=0,044). Objectieve respons werd gezien in 82,2% van de patiënten met NE versus 76,1% met PE. Beide regimes werden goed verdragen, zonder onverwachte graad 3 of 4 toxiciteiten. Gerichte sequencing met een panel van 484 genen liet zien dat mutaties in UNC13D voorspellend waren voor pCR met NE (p=0,011).

De onderzoekers concluderen dat analyse van het primaire eindpunt geen significant verschil tussen beide groepen liet zien, maar dat de studie suggereert dat neoadjuvant NE vergeleken met PE voor lokaal-gevorderd HER2-positief mammacarcinoom met TEKT4-kiemlijnmutaties kan resulteren in klinisch profijt voor patiënten met HR-positieve ziekte of met simultane UNC13D-mutaties.

1.Jiang Y-H, Ge L-P, Jin X et al. Randomized phase II clinical trial and biomarker analysis of paclitaxel plus epirubicin versus vinorelbine plus epirubicin as neoadjuvant chemotherapy in locally advanced HER2-negative breast cancer with TEKT4 variations. Breast Cancer Res Treat 2020; epub ahead of print

Summary: A randomized phase 2 study at Fudan University (Shanghai, China) compared neoadjuvant paclitaxel plus epirubicin versus vinorelbine plus epirubicin for locally-advanced HER2-negative breast cancer with TEKT4 germline variations. pCR rate was 22.2% with NE versus 8.7% with PE (p=0.074). In the HR-positive subgroup the pCR rate was 15.4% with NE versus 0 with PE (p=0.044). UNC13D mutation predicted pCR with NE (p=0.011).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Incidentie, kenmerken, en uitkomsten van interval versus screening-gedetecteerd mammacarcinoom (0)
2020-09-26 12:00   ( Nieuws )
Tags:  interval versus screening-detected breast cancers characteristics and outcomes
Dr. Saroj NiraulaMammacarcinoom omvat een groep heterogene ziekten. Een analyse onder vrouwen in Canada heeft verschillen geïnventarsiseerd in kenmerken en uitkomsten van interval mammacarcinoon (IBC) en screening-gedetecteerd mammacarcinoom (SBC) Dr. Saroj Niraula (University of Manitoba, Winnipeg) en collega’s publiceren de analyse in JAMA Network Open.1

Onder 69.025 vrouwen die in de leeftijd van 50 tot 65 jaar tussen januari 2004 en juli 2010 deelnamen aan het mammografie-screeningsprogramma in Manitoba werden 705 SBCs en 206 IBCs gediagnostiseerd. De IBCs waren vergeleken met de SBCs meer frequent hooggradig (OR 6,33; p<0,001) en ER-negatief (OR 2,88; p<0,001). De followup was mediaan 7 jaar. De mammacarcinoom-specifieke mortaliteit was significant hoger voor IBC dan voor SBC (HR 3,55; p<0,001). De niet-mammacarcinoom mortaliteit verschilde niet significant tussen beide groepen (HR 1,33; 95%-bti 0,43-4,15).

De onderzoekers concluderen dat in deze cohortstudie IBCs zeer prevalent waren onder vrouwen die deelnamen aan een bevolkingsgebaseerd screeningsprogramma. IBCs vergeleken met SBCs hadden ongunstige kenmerken en waren geassocieerd met een meer dan driemaal hogere mammacarcinoom-specifieke mortaliteit.

1.Niraula S, Biswanger N, Hu P et al. Incidence, characteristics, and outcomes of interval breast cancers compared with screening-detected breast cancers. JAMA Network Open 2020;3:e2018179

Summary: A cohort study at the University of Manitoba (Winnipeg) found that interval breast cancers were highly prevalent in women participating in population screening, had less favorable characteristics, and were associated with a more than 3-fold higher risk of breast cancer death compared with screening-detected breast cancers.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Plinabuline versus pegfilgrastim voor preventie van neutropenie door chemotherapie voor NSCLC (0)
2020-09-25 15:00   ( Nieuws )
Tags:  chemotherapy-induced neutropenia in adult NSCLC-patients plinabulin vs pegfilgrastim
Prof. Douglas BlayneyPlinabuline is een nieuw non-granulocyte colony-stimulating factor (NG-CSF) middel met zowel antineoplastische als neutropenie-preventieve werkzaamheid. De multinationale fase 2-studie PROTECTIVE-1 heeft plinabuline vergeleken met pegfilgrastim (G-CSF) voor de preventie van chemotherapie-geïnduceerde neutropenie in patiënten die docetaxel kregen voor NSCLC. Prof. Douglas Blayney (Stanford Cancer Institute, CA) en collega’s publiceren de studie in JAMA Oncology.1

PROTECTIVE-1 werd uitgevoerd in negentien centra in China, Oekraïne, Rusland, en de Verenigde Staten. Deelnemers waren volwassen patiënten met progressief NSCLC na platina-gebaseerde chemotherapie. De patiënten kregen vier drie-weekse cycli docetaxel 75 mg/m2 op dag één van elke cyclus. Ze werden gerandomiseerd naar plinabuline 5 mg/m2, plinabuline 10 mg/m2, plinabuline 20 mg/m2 (alle op dag één),of pegfilgrastim 6 mg (op dag twee). De patiënten stonden tijdens de eerste cyclus dagelijks bloedmonsters af voor het bepalen van gehalten van bloedcellen. Het primaire eindpunt was vaststellen van de aanbevolen fase 3-dosering, op basis van de dagen met ernstige neutropenie (DSN) gedurende de eerste cyclus.

De studie includeerde 56 patiënten (38 mannen en 17 vrouwen) die werden gerandomiseerd (14 patiënten per groep). Een van de patiënten in de pegfilgastrimgroep moest uit de analyses geëxcludeerd wegens abusievelijke behandeling met plinabuline. Er waren dus 55 patiënten die werden geëvalueerd. De gemiddelde leeftijd was 61,3 jaar (SD 10,2). Met elke verhoging van de plinabuline-dosering nam de incidentie van neutropenie af. De gemiddelde DSN was 0,15 dagen (SD 0,38) met pegfilgrastim 6 mg versus 0,36 dagen (SD 0,93) met plinabuline 20 mg/m2 (SD 0,93). Het verschil (p=0,76) lag binnen de vooraf-gespecificeerde noninferioriteits-marge van 0,65 dagen. Er waren geen onverwachte veiligheidssignalen.

De onderzoekers concluderen dat enkele dosis-per-cyclus plinabuline 20 mg/m2 dezelfde bescherming tegen neutropenie bood als pegfilgastrim 6 mg. In het volgende fase 3-gedeelte van de studie zal plinabuline 40 mg vaste dosering (equivalent aan 20 mg/m2) worden vergeleken met pegfilgastrim 6 mg.

1.Blayney DW, Zhang Q, Feng J et al. Efficacy of plinabulin vs pegfilgrastim for prevention of chemotherapy-induced neutropenia in adults with non-small cell lung cancer. A phase 2 randomized clinical trial. JAMA Oncol 2020.4429

Summary: The multinational randomized phase 2 study PROTECTIVE-1 compared plinabulin versus pegfilgrastim for prevention of neutropenia in adult patients who received docetaxel for NSCLC. Single dose-per-cycle plinabulin had similar neutropenia protection benefit as pegfilgrastim. With each escalation of the plinabulin dose, the incidence of any grade of neutropenia decreased.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Meta-analyse van associatie tussen gebruik van antibiotica en risico van colorectaalcarcinoom (0)
2020-09-25 14:00   ( Nieuws )
Tags:  antibiotic use and risk of colorectal cancer meta-analysis
Dr. Nele BrusselaersEr zijn enige aanwijzingen voor een associatie tussen gebruik van antibiotica en het risico van colorectaalcarcinoom. Een systematisch overzicht en meta-analyse van gepubliceerde studies heeft het bestaan van de associatie onderzocht, en ook de impact van het antibioticaspectrum, plaats in het colorectum, en gebruikte dosering op de associatie geïnventariseerd . Dr. Nele Brusselaers (Karolinska Instituut, Stockholm) en collega’s publiceren de analyse in het British Journal of Cancer.1

In de literatuur tot februari 2020 identificeerden de onderzoekers tien publicaties, over studies met tezamen 4,1 miljoen deelnemers van wie er 73.550 tijdens de follow-up CRC ontwikkelden. Het gepoolde CRC-risico was verhoogd onder deelnemers die ooit antibiotica gebruikt hadden (gepoolde effect size 1,17; 95%-bti 1,05-1,30). Deze associatie werd alleen gezien voor gebruik van breed-spectrum antibiotica (ES 1,70; 95%-bti 1,26-2,30) maar niet van narrow-spectrum antibiotics (ES 1,11; 95%-bti 0,93-1,32). Er waren geen sterke aanwijzingen voor een doserings-respons relatie, en de risicopatronen waren vergelijkbaar voor colon- en rectumcarcinoom.

De onderzoekers dat de met antibioticumgebruik samenhangende CRC-risicoverhoging alleen werd gezien onder gebruikers van breed-spectrum antibiotica.

1.Simin J, Fornes R, Liu Q et al. Antibiotic use and risk of colorectal cancer: a systematic review and dose-response meta-analysis. Br J Cancer 2020; epub ahead of print

Summary: A meta-analysisof ten publications (studies with 4.1 million partcipants; 73,550 CRC cases) found that the association of antibiotic use and CRC risk differed between broad- end narrow-spectrum antibiotics, and possibly within the colorectal continuum.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)