Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Associatie tussen dyslipidemie en risico van longcarcinoom in mannen: prospectieve studie in China (0)
2018-12-13 15:58   ( Nieuws )
Tags:  lung cancer dyslipidemia
Onderzoekers van de Chinese Akademie van Medische Wetenschappen en Peking Universiteit (Beijing) hebben een prospectieve cohortstudie uitgevoerd van de associatie tussen dyslipidemie en het risico van longcarcinoom in mannen. Dr. Zhangyan Lyu en collega’s publiceren de studie online in het International Journal of Cancer.1 De studie includeerde 109.798 mannen met baseline informatie over niveaus van totaal cholesterol (TC), triglyceriden (TG), LDL-cholesterol (LDL-C), en HDL-cholesterol (HDL-C). De mannen werden tussen 2006 en 2015 gevolgd voor incidentie van longcarcinoom.

Tijdens negen jaar follow-up werden in het cohort 986 incidente gevallen van longcarcinoom gediagnostiseerd. In multivariate analyse was het risico van longcarcinoom verhoogd in zowel mannen in het laagst kwintiel van TC (HRQ1 vsQ2 1,27; 95%-bti 1,02-1,60) als in mannen in het hoogste kwintiel van TC (HRQ5vsQ2 1,60; 95%-bti 1,04-1,63); de U-vormige associatie werd bevestigd in resticted cubic spline analyse. Ook zowel lage TG (HRQ1vsQ2 1,24; 95%-bti 0,99-1,54) als hoge TG (HRQ5vsQ2 1,27; 95%-bti 1,01-1,59) waren geassocieerd met verhoogd risico van longcarcinoom, evenals laag LDL-C (HRQ1vsQ2 1,38; 95%-bti 1,11-1,72). Ook bij analyse van gezamenlijk TC, TG, en LDL-C was het aantal abnormale indicatoren lineair geassocieerd met verhoogd risico van longcarcinoom (p voor trend <0,001): mannen met drie abnormale indicatoren hadden vergeleken met mannen met drie normale indicatoren een verdubbeld risico van longcarcinoom (HR 2,02; 95%-bti 1,62-2,54). Deze associaties waren ook statistisch significant onder mannen die rapporteerde nooit gerookt te hebben.

De onderzoekers concluderen dat de studie suggereert dat dyslipidemie een modificeerbare risicofactor voor longcarcinoom zou kunnen zijn.

1.Lyu Z, Li N, Wang G et al. Independent and joint associations of blood lipids and lipoproteins with lung cancer risk in Chinese males: a prospective cohort study. Int J Cancer 2018; epub ahead of print

Summary: A prospective study in a cohort of Chinese males (n=109,798; follow-up ten years) found significant associations between dyslipidemia and risk of lung cancer.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Risico van MDS en AML na G-CSFs in oudere patiënten met non-Hodgkin lymfoom (0)
2018-12-13 14:42   ( Nieuws )
Tags:  NHL G-CSFs secondary MDS AML
Dr. Gregory CalipGranulocyte colony-stimulating factors (G-CSFs) worden gebruikt voor de preventie van complicaties van chemotherapie-gerelateerde neutropenie. G-CSFs zijn echter geassocieerd met verhoogd risico van ontwikkeling van tweede primair MDS en AML. Dr. Gregory Calip (University of Illinois at Chicago) en collega’s hebben een studie uitgevoerd om dit risico te kwantificeren in oudere patiënten met non-Hodgkin lymfoom (NHL). Ze publiceren de studie online in Cancer.1

De retrospectieve cohortstudie is gebaseerd op gegevens in de SEER-Medicare database. De onderzoekers identificeerden 18.245 patiënten ouder dan 65 jaar met een diagnose NHL tussen begin 2001 en eind 2011, en een mediane follow-up van 3,5 jaar. Iets meer dan de helft (56%) van de patiënten kregen chemotherapie en/of immunotherapie. G-CSF werd het meest gebruikt in patiënten die rituximab plus multipele-chemotherapieregimes kregen. Tijdens de follow-up werd tweede primair MDS/AML gediagnostiseerd in 666 patiënten (3,76%). Gebruik van G-CSF was geassocieerd met 28% verhoogd risico van MDS/AML (HR 1,28; 95%-bti 1,01-1,62) met een trend van verhoogd risico met hogere dosering (p trend <0,01). De risicoverhoging werd consistent gezien bij gebruik van filgrastim (tien of meer doses HR 1,67; 95%-bti 1,25-2,23) maar niet bij gebruik van pegfilgrastim (tien of meer doses HR 1,11; 95%-bti 0,84-1,45).

De onderzoekers concluderen dat oudere NHL-patiënten die G-CSFs kregen een verhoogd risico van MDS/AML hadden. De risicoverhoging werd alleen gezien bij gebruik van filgrastim maar niet van pegfilgrastim.

1.Calip GS, Moran KM. Sweiss KI et al. Myelodysplastic syndrome and acute myeloid leukemia after receipt of granulocyte colony-stimulating factors in older patients with non-Hodgkin lymphoma. Cancer 2018; epub ahead of print

Summary: An analysis of the SEER-Medicare database found that, in patients older than 65 years with non-Hodgkin lymphoma, receipt of G-CSFs was associated with increased risk of second primary MDS/AML.The risk elevation was specific for filgrastim (ten or more doses) and was not seen with pegfilgrastim.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Klinische karakterisering van pruritus geassocieerd met immunotherapie voor maligniteiten (0)
2018-12-13 13:47   ( Nieuws )
Tags:  immunotherapy-related pruritus
Dr. Mario LacoutureImmunotherapie kan resulteren in goede respons in patiënten met maligniteiten, maar kan gepaard gaan met adverse events die leiden tot onderbreking van de behandeling, afname van de kwaliteit van leven, en morbiditeit. Een van deze AEs is pruritus, gerapporteerd in 14% tot 47% van patiënten die werden behandeld met immuuncheckpointremmers (ICIs), met ernst uiteenlopend van mild in de meeste patiënten tot debiliterend in 1% tot 3%. Dr. Mario Lacouture (Memorial Sloan Kettering Cancer Center, New York) en collega’s hebben een studie uitgevoerd om de ICI-gerelateerde pruritus onder patiënten met maligniteiten klinisch te karakteriseren. Ze publiceren de studie online in JAMA Dermatology.1

De studie includeerde 79 patiënten met ICI-gerelateerde pruritus die waren verwezen naar de oncodermatologieklinieken van Sloan Kettering en de Frederico II universiteit in Napels. De gemiddelde leeftijd was 63 jaar (SD 13 jaar), en 51 patiënten waren mannen (65%). De primaire diagnose was genitourinaire maligniteit in 28 patiënten (35%), melanoom in 16 (20%), en gastroïntestinale maligniteit in 12 (15%). Vijfentwintig patiënten (32%) waren verwezen vanwege pruritus in normaal-lijkende huid, en 36 (46%) hadden pruritus met maculopapulaire eruptie. Tweeënveertig patiënten werden verwezen tijdens de eerste zes ICI-cycli.

De impact van pruritus op de kwaliteit van leven werd geëvalueerd met de vijf-punten ItchyQoL, die een indruk geeft van de ernst van pruritusklachten, functionele status, en emotioneel welzijn. De gemiddelde ItchyQoL-score was 2,29 (SD 0,79), met een hogere gemiddelde score voor vrouwen dan voor mannen (2,53 versus 2,16; p=0,04). De hoogste gemiddelde scores werden gezien op het symptomen-domein (2,46; SD 0,75), gevolgd door functie (2,31; SD 0,92) en emotie (2,16; SD 0,95). De mediane jeukgraad op een 100-mm VAS was 72 (IQR 47-82). Tussen patiënten met versus zonder een eruptie waren geen significante verschillen in demografie, aantal cycli voorafgaand aan presentatie, ernst van pruritus, of QoL.

De onderzoekers concluderen dat pruritus gerelateerd aan ICI voor maligniteiten een substantiële belasting vormt voor kwaliteit van leven van patiënten die naar een dermatoloog verwezen worden.

1.Phillips GS, Freites-Martinez A, Wu J et al. Clinical characterization of immunotherapy-related pruritus among patients seen in 2 oncodermatology clinics. JAMA Dermatol 2018; epub ahead of print

Summary: This study gives a clinical characterisation of pruritus associated with immunotherapy for cancer. Among patients referred to a dermatologist immunotherapy-related pruritus represents a substantial burden on quality of life.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Radicale prostatectomie versus observatie voor gelokaliseerd prostaatcarcinoom: lange-termijn follow-up (0)
2018-12-13 11:38   ( Nieuws )
Tags:  prostate cancer radical prostatectomy versus watchful waiting
Dr. Anna Bill-AxelsonEr is weinig evidentie voor lange-termijn relatieve werkzaamheid van radicale prostatectomie (RP) versus watchful waiting (WW) voor gelokaliseerd prostaatcarcinoom. Een studie in Zweden randomiseerde 695 mannen met gelokaliseerd prostaatcarcinoom naar RP of WW en volgde ze gedurende bijna dertig jaar. Dr. Anna Bill-Axelson (Universiteitsziekenhuis Uppsala) en collega’s publiceren de studie vandaag online in The New England Journal of Medicine.1



Tussen oktober 1989 en maart 1999 werden 347 mannen gerandomiseerd naar RP en 348 naar WW. Per 31 december 2017 waren 261 mannen in de RP-groep (75,2%) en 292 mannen in de WW-groep (83,9%) overleden, onder wie 71 in de RP-groep (20,5%) en 110 in de WW-groep (32,4%) aan prostaatcarcinoom (RR 0,55; p<0,001). Het number needed to treat om overlijden aan any cause te vermijden was 8,4. Na 23 jaar follow-up bedroeg de gemiddelde overlevingswinst met RP 2,9 extra levensjaren. Binnen de RP-groep was extracapsulaire extensie geassocieerd met vijfmaal verhoogd risico van overlijden aan prostaatcarcinoom, en was een Gleason score hoger dan 7 geassocieerd met een tienmaal hogere PC-mortaliteit dan een Gleason score 6 of lager.

De onderzoekers concluderen dat mannen met gelokaliseerd prostaatcarcinoom en een lange levensverwachting baat hadden bij radicale prostatectomie.

1.Bill-Axelson A, Holmberg L, Garmo H et al. Radical prostatectomy or watchful waiting in prostate cancer – 29 year follow-up. N Engl J Med 2018;379:2319-2329

Summary: A study in Sweden randomized men with localized prostate cancer to radical prostatectomy or watchful waiting. At 23 years of follow-up, a mean of 2.9 extra years of life were gained with radical prostatectomy.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Klinische bruikbaarheid van ctDNA voor genotypering van gevorderd-stadium long-adenocarcinoom (0)
2018-12-12 16:01   ( Nieuws )
Tags:  genotyping lung adenocarcinoma ctDNA
Dr. Luis Paz-AresOngeveer 30% van de tumorbiopten van patiënten met gevorderd-stadium long-adenocarcinoom bevat onvoldoende weefsel voor succesvolle moleculaire genotypering. Een multicenter studie in Spanje heeft de klinische waarde onderzocht van next-generation sequencing (NGS) van circulerend tumor DNA (ctDNA) voor genotypering van de ziekte in deze patiënten. Dr. Luis Paz-Ares (Hospital Universitario 12 de Octubre, Madrid) en collega’s publiceren de studie online in Annals of Oncology.1

De studie includeerde 93 patiënten van twaalf Spaanse centra. Biopten van deze patiënten bevatten onvoldoende weefsel voor EGFR-, ALK-, of ROS1-genotypering. In 83 van deze patiënten (89%) werd ctDNA gedetecteerd. NGS van ctDNA werd uitgevoerd met een 73-genenpanel. Niveau 1-4 potentieel actionabele genomische veranderingen werden gevonden in ctDNA van 53 patiënten (57% van 93), waaronder niveau 1-2A actionabele veranderingen in ctDNA van dertien patiënten (14%). De frequenties van elk van deze genomische veranderingen waren consistent met wat is gezien in niet-geselecteerde long-adenocarcinomen. De meerderheid van de patiënten (62%), in het bijzonder de patiënten met actionabele veranderingen (87%) had meer dan één pathogene variant in het ctDNA. De mediane turnaround time voor de genomische testresultaten was 13 dagen. Twaalf patiënten kregen genotype-gematchte behandeling op basis van de ctDNA-analyses, en hadden het verwachte klinische profijt. Patiënten met co-occurring pathogene veranderingen hadden significant kortere mediane overleving dan patiënten zonder deze veranderingen (multivariaat HR 5,35; p=0,01).

De onderzoekers concluderen dat in patiënten met gevorderd long-adenocarcinoom en onvoldoende tumorweefsel voor genotypering, NGS van ctDNA actionabele varianten kon detecteren waardoor tijdige initatie van genotype-gematchte therapie mogelijk werd.

1.Zugazagoitia J, Ramos I, Trigo JM et al. Clinical utility of plasma-based digital next-generation sequencing in patients with advance-stage lung adenocarcinomas with insufficient tumor samples for tissue genotyping. Ann Oncol 2018; epub ahead of print

Summary: A multicenter study in Spain found that in patients with advanced lung cancers with insufficient tumor samples for tissue sequencing, digital next-generation sequencing of circulating tumor DNA detected actionable variants that frequently co-occurred with other potentially clinically relevant genomic alterations, allowing timely initiation of genotype-matched therapies.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Inter- en intralaboratorium variatie in gradering van DCIS in Nederland (0)
2018-12-12 15:02   ( Nieuws )
Tags:  DCIS grading inter- and intra-laboratory variation
Dr. Ivette DeckersIn een aanzienlijk percentage van DCIS-lesies is er slechts een gering risico van progressie naar invasief mammacarcinoom. De standaard-behandeling van DCIS is echter chirurgische excisie. Om patiënten te identificeren die veilig chirurgische behandeling kunnen vermijden is accurate gradering vereist. Dr. Ivette Deckers (PALGA, Houten) en collega’s hebben een real-life Nederland-brede studie uitgevoerd van de inter- en intralaboratorium variatie in gradering van DCIS. Ze publiceren de studie online in Breast Cancer Research and Treatment.1

De studie is gebaseerd op alle synoptische pathologierapporten van DCIS-resectiespecimina van PALGA tussen begin 2013 en eind 2016 (n=4952; 4901 patiënten; 36 laboratoria). De rapporteurs beoordeelden gemiddeld 12,5% van de specimina als graad I (range 6,1% tot 24,4%), 39,5% als graad II (range 18,2% tot 57,6%), en 48,0% als graad III (range 30,2% tot 72,7%). Na correctie voor case-mix rapporteerden veertien laboratoria (38,9%) een significant lagere (n=4) of hogere (n=10) proportie hooggradig DCIS (graad III) dan het referentielaboratorium, zoals de figuur laat zien (labroatorium 13 is het referentielaboratorium). De gecorrigeerde ORs liepen uiteen van 0,52 (95%-bti 0,31-0,87) tot 3,83 (95%-bti 1,42-10,39). Er waren eveneens significante verschillen in gradering door pathologen binnen afzonderlijke laboratoria.

De onderzoekers concluderen dat de studie substantiële inter- en intralaboratorium variatie in DCIS-gradering heeft gevonden. Ze stellen dat er dringend behoefte is aan nationale standaardisatie van graderingstechnieken.

1.Van Dooijeweert C, van Diest PJ, Willems SM et al. Significant inter- and intra-laboratory variation in grading of ductal carcinoma in situ of the breast: a nationwide study of 4901 patients in the Netherlands. Breast Cancer Res Treat 2018; epub ahead of print

Summary: A cohort study of 4901 DCIS patients in The Netherlands found substantial inter- and intra-laboratory variation in DCIS grading, not explained by differences in case-mix.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Interactie van BMI of middel-heup ratio met associatie van zonblootstelling en niet-melanoom huidmaligniteit (0)
2018-12-12 13:39   ( Nieuws )
Tags:  BMI WHR sun exposure nonmelanoma skin cancer
Dr. Delphine LeeDe incidentie van nonmelanoma skin cancer (NMSC) is hoger dan de incidentie van alle andere maligniteiten tezamen. Blootstelling van de huid aan zonlicht is een bekende risicofactor voor NMSC. Er zijn aanwijzingen voor een inverse assocatie tussen obesitas en het NMSC-risico. Dr. Delphine Lee (UCLA Medisch Centrum, Torrance) en collega’s hebben een analyse uitgevoerd van de interactie van BMI of middel-heup ratio (WHR) met de associatie van zonblootstelling en het NMSC-risico. Ze publiceren de analyse online in Cancer.1



De analyse includeerde 71.645 postmenopauzale vrouwen uit het cohort van het Women’s Health Initiative. Tijdens de follow-up werd NMSC gediagnostiseerd in 13.351 deelneemsters (18,6%). Vrouwen met een BMI ≥ 25,0 kg/m2 of een WHR ≥ 0,80 hadden lager risico van NMSC dan vrouwen met normaal gewicht (HR voor BMI 0,79 en HR voor WHR 0,89). Echter, de associatie tussen hogere zonblootstelling en het risico van NMSC was duidelijker onder vrouwen met een BMI ≥ 25,0 kg/m2 of een WHR ≥ 0,80 dan onder vrouwen met normaal gewicht (p voor interactie <0,001 voor BMI en 0,022 voor WHR).

De onderzoekers concluderen dat postmemnopauzale vrouwen met hoge BMI of WHR een lager risico hebben van NMSC dan vrouwen met normaal gewicht, maar met toenemende zonblootstelling neemt het risico in de groep met hogere BMI of WHR sneller toe dan in de groep met normaal gewicht.

1.Chan AA, Noguti JN, Pak Y et al. Interaction of body mass index or waist-to-hip ratio and sun exposure associated with nonmelanoma skin cancer: a prospective study from the Women’s Health Initiative. Cancer 2018; epub ahead of print

Summary: An analysis in the cohort of the Women's Health Initiative found that in postmenopausal women BMI ≥ 25 kg/m2 or waist/hip ratio ≥ 0,80 was associated with lower risk of nonmelanoma skin cancer, but the association between higher levels of sun exposure and higher risk of NMSC was more apparent among women with BMI ≥ 25 kg/m2 or WHR ≥ 0,80 compared with women with normal weight.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Patiënt-gerapporteerde uitkomsten gedurende vijf jaar na gehele- of gedeeltelijke-borst radiotherapie (0)
2018-12-12 12:58   ( Nieuws )
Tags:  IMPORT LOW study five-year PROs
Dr. Charlotte ColesDe Britse fase-3 studie IMPORT LOW includeerde patiënten met laag-risico mammacarcinoom na borstsparende chirurgie, en randomiseerde ze naar drie armen: 40 Gy gehele-borst radiotherapie (controle-arm), 36 Gy gehele-borst en 40 Gy partiële-borst radiotherapie (verlaagde-dosering arm) of alleen 40 Gy partiële-borst radiotherapie (partiële-borst arm), alles in vijftien fracties. De studie liet zien dat de verlaagde-dosering en partiële borst RT nietinferieur waren aan de gehele-borst RT. Dr. Charlotte Coles (Cambridge University UK) en collega’s publiceren nu online in het Journal of Clinical Oncology patiënt-gerapporteerde uitkomsten (PROs) van de studie na meer dan vijf jaar follow-up.1

Van de 71 IMPORT-LOW centra namen 41 centra deel aan de substudie van PROs. Van de 1333 deelneemsters bij deze centra namen 962 deel aan de PRO-substudie. Ze beantwoordden vragenlijsten bij baseline, na zes maanden, na een jaar, na twee jaar, en na vijf jaar. Er waren 557 patiënten (58%) die rapporteerden na vijf jaar geen matige of ernstige adverse events (AE) te ervaren. Deze figuur laat het verloop in de tijd zien van de AEs in de overige patiënten. Verandering in appearance van de borsten was de meest prevalente AE, en bleef persistent in de loop van de tijd (ongeveer 20% van de patiënten op elk van de tijdstippen). Prevalentie van hardheid, pijn, overgevoeligheid, oedeem, en huidveranderingen van de borsten namen af in de loop van de tijd (p<0,001 voor iedere AE), terwijl krimp van de borst toenam in de loop van de tijd (p<0,001). Analyses van de afzonderlijke groepen liet zien dat het per patiënt gemiddelde aantal AEs lager was in de partiële-borst arm (HR 0,77; p<0,001) en de verlaagde dosering arm (HR 0,83; p<0,001) vergeleken met de controle-arm, en in alle drie de groepen afnam in de loop van de tijd. Baseline-voorspellers van rapporteren van AEs tijdens de follow-up waren jongere leeftijd, grotere borstomvang/chirurgisch defect, lymfeklierpositiviteit, en hogere niveaus van angst/depressie.

De onderzoekers concuderen dat de meeste AEs afnamen in de loop van de tijd, en dat de patiënten in de partiële-borst en verlaagde-dosering armen minder AEs rapporteerden. De studie heeft ook baseline voorspellers van het later rapporteren van AEs geïndentificeerd.

1.Battacharya I, Haviland JS, Kirby AM et al. Patient-reported outcomes over 5 years after whole-or partial-breast radiotherapy: longitudinal analysis of the IMPORT LOW (CRUK/06/003) phase III randomized controlled trial. J Clin Oncol 2018; epub ahead of print

Summary: The British phase III study IMPORT LOW randomized low-risk breast cancer patients after breast conserving surgery to whole-breast or partial-breast or reduced-dose radiotherapy (and demonstrated noninferiority of the two latter treatments). Patient-reported outcomes during five years of follow-up the have been published now. Most AEs reduced over time, with fewer AEs in the partial-breast and reduced-dose groups. Younger age, larger breast size/surgical deficit, lymph node positivity, and higher levels of anxiety/depression were baseline predictors of subsequent AE reporting.

  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)