Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Impact van imaging-modaliteit bij surveillance voor gunstige-histologie Wilms tumor op overleving na recidief (0)
2018-10-19 15:02   ( Nieuws )
Tags:  WT Children’s Oncology Group NWTS-5
Dr. Jeffrey DomeComputed tomography (CT) wordt in toenemende mate gebruikt in de routinematige surveillance voor het detecteren van recidief van Wilms tumor (WT). CT is duur en stelt de patiënten bloot aan niet-verwaarloosbare stralingsdoseringen. Een analyse van de Children’s Oncology Group evalueerde de meerwaarde van CT-surveillance versus chest x-ray (CXR) en abdominaal ultrasound (US) in patiënten met gunstige-histologie WT. Dr. Jeffrey Dome (George Washington University, Washington DC) en collega’s publiceren de analyse online in het Journal of Clinical Oncology.1

De retrospectieve analyse is gebaseerd op resultaten van de vijfde National Wilms Tumor Study (NWTS-5). Onder de deelnemers van de studie waren 281 patiënten met recidiverend unilateraal gunstige-histologie WT. Recidief was gedetecteerd op basis van signs/symptoms (SS) in 25%, surveillance met CXR/US in 48,5%, en surveillance met CT in 26,5%. Vijf jaar na relapse was nog 67% van de patiënten in leven (95%-bti 61% tot 72%). De vijf-jaars OS na SS-detectie was 59% (95%-bti 46% tot 72%) versus 70% (95%-bti 63% tot 77%) na surveillance imaging. Dit verschil was niet statistisch significant (p=0,23). Er was ook geen significant verschil in vijf-jaars overleving na detectie van recidief met CT (65%) versus detectiemet CXR/US (73%; p=0,20). Recidieven die werden gedetecteerd met CT hadden een significant (p=0,003) kortere mediane tijd van diagnose tot recidief (0,60 jaar) dan SS-detectie (0,91 jaar) of CXR/US-detectie (0,86 jaar).

De onderzoekers concluderen dat CT in de surveillance voor gunstige-histologie WT niet resulteert in betere overleving dan CXR/US. Achterwege laten van CT kan besparen op kosten en blootstelling van patiënten aan relatief hoge stralingsdoseringen zonder de overleving te compromitteren.

1.Muller EA, Chi Y-Y, Hibbits E et al. Impact of surveillance imaging modality on survival after recurrence in patients with favorable-histology Wilms tumor: a report from the Children’s Oncology Group. J Clin Oncol 2018; epub ahead of print

Summary: A retrospective analysis of the fifth National Wilms Tumor Study found that in patients with favorable-histology WT, elimination of CT scans from surveillance programs is unlikely to compromise survival but would result in substantial reduction in radiation exposure and health care cost.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Lange-termijn uitkomsten van toevoegen van carboplatine aan neoadjuvant anthracycline/taxaan voor TNBC (0)
2018-10-19 14:01   ( Nieuws )
Tags:  triple-negative breast cancer GeparSixto trial
Prof. Sibylle LoiblDe Duitse neoadjuvante GeparSixto studie heeft eerder laten zien dat toevoegen van carboplatine aan taxaan- en anthracycline-gebaseerde chemotherapie resulteerde in verhoging van het percentage met pathologisch complete respons onder patiënten met triple-negatief mammacarcinoom. Prof. Sibylle Loibl (German Breast Group, Neu-Isenburg) en collega’s publiceren online in Annals of Oncology analyses voor de eindpunten ziektevrije overleving en overall survival in GeparSixto.1

De studie includeerde 351 vroeg-stadium TNBC-patiënten, die werden gerandomiseerd naar paclitaxel plus niet-gepegyleerd liposomaal doxorubicine (PM) of PM plus carboplatine (PMCb). De mediane follow-up was 47,3 maanden. De ziektevrije overleving (HR 0,56; p=0,022) maar niet de overall survival was significant beter in de PMCb-arm dan in de PM-arm.


Homologe recombinatiedeficiëntie (HRD) werd gedefinieerd als HRD-score ≥ 42 en/of aanwezigheid van BRCA-mutaties in de tumoren. HRD-status kon worden bepaald voor 193 TNBC-patiënten (61,3%); HRD-positiviteit werd gezien in 136 van 193 tumoren (70,5%). HRD was voorspellend voor pCR (OR 2,60; p=0,008). Toevoegen van carboplatine aan PM resulteerde in toename van pCR van 33,9% tot 63,5% in HRD-tumoren (p=0,001) maar slechts marginaal in tumoren zonder HRD (van 20,0% tot 29,6%; p=0,0540; p voor interactie 0,327). Voor tumoren met hoge HRD-score maar geen BRCA-mutaties was de pCR ook hoger in de PMCb-arm (63,2%) dan in de PM-arm (31,7%; OR 3,69; p=0,005). Ziektevrije overleving was beter in de carboplatine-arm, zowel in HRD-positieve tumoren (HR 0,49; p=0,059) als in tumoren zonder HRD (HR 0,44; p=0,086).

De onderzoekers concluderen dat toevoegen van carboplatine aan neoadjuvant PM voor TNBC resulteerde in significante verbetering van DFS maar niet OS. HRD en HRD-score in niet BRCA-gemuteerd TNBC waren voorspellers van respons. HRD was geen voorspeller van profijt van carboplatine.

1.Loibl S, Weber KE, Timms KM et al. Survival analysis of carboplatin added to an anthracycline/taxane-based neoadjuvant chemotherapy and HRD score as predictor of response – final results from GeparSixto. Ann Oncol 2018; epub ahead of print

Summary: The German GeparSixto trial showed earlier that adding carboplatin to neoadjuvant taxane- and anthracycline-based chemotherapy improved pCR rates in triple-negative breast cancer. Final analysis of survival results shows that addition of carboplatin also improved disease-free survival but not overall survival. Homologous recombination deficiency in TNBC and HRD score in TNBC without tumor BRCA mutations were predictors of response. HRD did not predict for carboplatin benefit.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Serumbepaling voor checken van non-adherentie aan hormoontherapie voor mammacarcinoom (0)
2018-10-19 13:03   ( Nieuws )
Tags:  breast cancer hormonal therapy serum assessment of non-adherence CANTO trial
Dr. Barbara PistilliAdherentie aan hormoontherapie gedurende vijf tot tien jaar wordt aanbevolen voor patiënten met HR-positief mammacarcinoom. Studies van adherentie aan deze aanbeveling waren tot op heden gebaseerd op door patiënten zelf-gerapporteerde adherentie. Het is denkbaar dat deze zelf-gerapporteerde adherentie niet in alle gevallen strookt met de werkelijkheid. Dr. Barbara Pistilly (Institut Gustave Roussy, Villejuif) presenteert vandaag op de Annual Meeting van ESMO in München een studie van serumgehalten van tamoxifen om de adherentie te bepalen.1

CANTO is een Franse multicenter prospectieve studie die 12.000 patiënten met recent-gediagnostiseerd mammacarcinoom zal includeren om lange-termijn toxiciteiten van de behandeling te inventariseren. De gepredifinieerde substudie CANTO COMPLETE wordt uitgevoerd in premenopauzale patiënten die adjuvante endocriene therapie voorgeschreven hebben gekregen. De nu gepresenteerde analyse heeft betrekking op 1128 patiënten die tenminste een jaar tamoxifen voorgeschreven hadden gekregen. Op basis van serumgehalten van tamoxifen werd 18,2% van de patiënten beoordeeld als niet-adequaat adherent (tamoxifengehalte lager dan 60 ng/ml); 5,0% als slecht-adherent (15-60 ng/ml); en 13,2% als niet-adherent (lager dan 15 ng/ml). Tenminste 50% van de patiënten met objectieve slechte of niet-adherentie rapporteerde tamoxifen te gebruiken als voorgeschreven.

De onderzoekers concluderen dat zelf-rapportage door patiënten geen geschikte basis is voor het beoordelen van adherentie.

1.Pistilli B et al. ESMO Annual Meeting 2018; abstr. 185O-PR

Summary: The French multicenter prospective CANTO study will include 12,000 patients with recently diagnosed stage I-III breast cancer. The aim of the study is to characterize long-term toxicities of treatment. The predefined substudy CANTO COMPLETE, in premenopausal patients who have been prescribed adjuvant endocrine therapy, looked at adherence using serum assessment of tamoxifen and patients self-declaration. The serum assessment showed less than adequate adherence in 36.4% of the patients. At least 50% of the patients with undetectable or low tamoxifen levels did not report they were not taking their tamoxifen as prescribed.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Individualisering van fluoropyrimidinetherapie op geleide van DPYD-genotypering (0)
2018-10-19 12:01   ( Nieuws )
Tags:  fluoropyrimidine therapy DPYD genotyping
Dr. Linda HenricksBehandeling met fluoropyrimidine (FP) kan resulteren in ernstige toxiciteit in tot 30% van de patiënten. Deze toxiciteit is in veel gevallen toe te schrijven aan verlaagde activiteit van het enzym dihydropyrimidinedehydrogenase (DPD) dat een rol speelt bij de afbraak van FP. De verlaagde DPD-activiteit hangt vaak samen met genetische varianten in het DPYD-gen dat voor DPD codeert. Een Nederlandse multicenter studie onderzocht of het mogelijk is in de klinische praktijk patiënten prospectief te screenen op dragerschap van de vier meest relevante varianten, om de FP-dosering voor individuele patiënten aan te passen. Dr. Linda Henricks (NKI) presenteert de studie vandaag op de Annual Meeting van ESMO in München. De studie is vandaag ook online gepubliceerd in The Lancet Oncology.1

De studie werd uitgevoerd in zeventien Nederlandse ziekenhuizen. De studie includeerde 1103 patiënten met alle tumortypen waarvoor FP-behandeling geschikt werd geacht. Voor aanvang van de behandeling ondergingen de patiënten genotypering voor DPYD*2a, c.2846A>T , c.1679T>G, en c.1236G>A. De DPYD-wildtype patiënten kregen vervolgens standaard FP-dosering, DPYD*2a- en c.1679T>G-patiënten kregen 50% van de standaarddosering, en c.2846A>T- en c.1236G>A-patiënten kregen 25% van de standaarddosering. Het primaire eindpunt van de studie was frequentie van graad 3 en hoger FP-gerelateerde toxiciteiten over de gehele duur van de behandeling, vergeleken met de toxiciteiten in een historisch cohort waarin alle patiënten standaard FP-dosering hadden gekregen.

Onder de 1103 patiënten waren 1018 DYPD-wildtype patiënten en 85 heterozygote DPYD-variantdragers. De incidentie van FP-gerelateerde ernstige toxiciteit was hoger in de variantdragers dan in de wildtype-patiënten (39% van de patiënten versus 23%; p=0,0013). Onder de DPYD*2A-dragers was het relatief risico van ernstige FP-gerelateerde toxiciteit 1,31 (95%-bti 0,63-2,73) voor genotype-geleide dosering versus 2,87 (2,14-3,86) in het historische cohort. Onder de c.1679C>T-dragers was er geen toxiciteit met genotype-geleide dosering versus een relatief risico van 4,30 (2,10-8,80) in het historische cohort. Onder de c.2846A>T-dragers was het relatief risico 2,00 (1,19-3,34) met genotype-geleide dosering versus 3,11 (2,25-4,28) in het historische cohort. Onder de c.1236G>A-drager was het relatief risico 1,69 (1,1,8-2,42) met genotype-geleide dosering versus 1,72 (1,22-2,42) in het historische cohort.

De onderzoekers concluderen dat prospectieve DPYD-genotypering resulterend in aanpassing van de FP-dosering in de dagelijkse praktijk feasible was en resulteerde in verlaagde FP-toxiciteit in dragers van relevante DPYD-varianten.

1.Henricks LM, Lunenburg CATC, de Man F et al. DPYD genotype-guided dose individualisation of fluoropyrimidine therapy in patients with cancer: a prospective safety analysis. Lancet Oncol 2018; epub ahead of print

Summary: A multicenter study in The Netherlands showed that prospective DPYD genotyping was feasible in routine clinical practice, and DPYD genotype-based dose reduction improved safety of fluoropyrimidine treatment.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Gebruik van complementaire en alternatieve middelen door sarcoompatiënten en risico’s van drug-drug interacties (0)
2018-10-18 14:55   ( Nieuws )
Tags:  sarcoma complementary and alternative medications drug-drug interactions
Prof. Peter HohenbergerDr. Audrey BellesoeurGebruik van complementaire en alternatieve geneesmiddelen (CAM) tegelijk met gerichte of chemotherapie kan resulteren in onverwachte bijwerkingen. Op de ESMO Annual Meeting, die morgen in München begint, zullen twee presentaties (abstracts aan het eind van de persberichten in de link) gewijd zijn aan het gebruik van CAM door patiënten met sarcoom, en aan mogelijke interacties van CAM en andere middelen met chemotherapie of tyrosinekinaseremmers.1,2 Dr. Kiangenda-Tresor Sungu-Winkler (Universitätsklinikum Mannheim) rapporteert over een survey onder sarcoompatiënten om CAM-gebruik te inventariseren, en dr. Audrey Bellesoeur (Université Paris Descartes) bespreekt mogelijke drug-drug interactions (DDI).

De Duitse groep, onder leiding van prof. Peter Hohenberger, stuurde in de eerste vier maanden van 2018 vragenlijsten naar ambulante sarcoompatiënten van de kliniek in Mannheim. De vragenlijsten waren eerder gevalideerd voor gebruik onder patiënten met melanoom en mammacarcinoom. Onder de sarcoompatiënten waren 325 respondenten, met een gemiddelde leeftijd van 53 jaar (50% vrouwen, 47% mannen, 3% geen geslacht vermeld). Iets meer dan de helft (51%) rapporteerde ooit CAM gebruikt hebben, en 15% gebruikte CAM tijdens de ziekte, gelijktijdig met de behandeling. Als redenen werden genoemd: het immuunsysteem een boost geven (78% van de patiënten), helpen een beter gevoel te krijgen (76%), stress te verminderen (53%), en klachten of bijwerkingen van de behandeling te verminderen (36%). Tot de gebruikte CAM behoren vitaminen- en mineralensupplementen, Chinese of geneeskrachtige kruiden, homeopathie, acupunctuur, meditatie, yoga, Tai Chi, en overstappen naar een ketogeen of veganistisch voedingspatroon.

De retrospectieve Franse studie includeerde 122 wekedelen- en 80 botsarcoompatiënten (103 mannen, mediane leeftijd 50 jaar) voor begin van de chemotherapie (86%) of TKIs (14%). Het mediane aantal medicaties dat de patiënten gebruikten was drie, en 65 patiënten (32%) gebruikten tenminste vijf middelen. CAM-gebruik werd gerapporteerd door 17%. Tijdens de studieperiode (2014-2018) werden 37 majeure DDI geïdentificeerd, waarvan 29% met CAM.

1.Sungu-Winkler K-T et al. ESMO Annual Meeting 2018, abstr.1655P_PR
2.Bellesoeur A et al. ESMO Annual Meeting 2018, abstr. 1632P_PR

Summary: Two presentations at the ESMO Annual Meeting, starting tomorrow in Munich, will discuss the use of complementary and alternative medications in sarcoma patients, and the risk of drug-drug interactions of CAM and other medications with chemotherapy and TKIs. The abstracts of the presentations can be found after the press releases in the link.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Overleving na definitieve radiotherapie met cisplatine of cetuximab voor locoregionaal-gevorderd HNSCC (0)
2018-10-18 13:43   ( Nieuws )
Tags:  head and neck cancer radiotherapy cisplatin cetuximab
Dr. Michael XiangCisplatine en cetuximab zijn systemische behandelingen die beide veel worden gebruikt in combinatie met definitieve radiotherapie (RT) voor maligniteiten van hoofd en hals. De relatieve werkzaamheid van beide behandelingen is niet duidelijk. Dr. Michael Xiang (Stanford University CA) en collega’s hebben een analyse uitgevoerd van definitieve RT met concurrent cisplatine versus definitieve RT met concurrent cetuximab voor locoregionaal-gevorderd (stadium IIIB-IV) squameus celcarcinoom van de orofarynx, larynx, of hypofarynx. Ze publiceren de analyse online in Cancer.1

In de SEER-Medicare database identificeerden de onderzoekers 1395 patiënten, van wie 786 (56%) RT plus cisplatine kregen en 609 (44%) RT plus cetuximab. De mediane follow-up van overlevende patiënten was 3,5 jaar. Het primaire eindpunt van de analyse was head and neck cancer-specific mortality (CSM). De drie-jaars CSM was significant hoger in het cetuximab-cohort dan in het cisplatine-cohort (39% versus 25%; p<0,0001). In propensity score-gematchte analyse (414 patiënten) was de gecorrigeerde HR van CSM voor cetuximab versus cisplatine 1,65 (p<0,0001). Cetuximab vergeleken met cisplatine was geassocieerd met minder dysfagie, meer dermatitis, en ongeveer gelijke incidentie van mucositis.

De onderzoekers concluderen dat behandeling met RT plus cetuximab geassocieerd was met significant hogere CSM dan RT plus cisplatine.

1.Xiang M, Holsinger FC, Colevas AD et al. Survival of patients with head and neck cancer treated with definitive radiotherapy and concurrent cisplatin or concurrent cetuximab: a Surveillance, Epidemiology, and End Results-Medicare analysis. Cancer 2018; epub ahead of print

Summary: An analysis of the SEER-Medicare database showed that radiotherapy with concurrent cetuximab for locoregionally advanced HNSCC was associated with significantly higher cancer-specific mortality than radiotherapy with concurrent cisplatin (39% versus 25% at three years; p<0,0001).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 2-studie van omacetaxine-mepesuccinaat voor CMML of hoger-risico MDS na falen van hypomethylerende middelen (0)
2018-10-18 13:00   ( Nieuws )
Tags:  MDS CMML omacetaxine mepesuccinate
Dr. Nicholas ShortUitkomsten van patiënten met hoger-risico myelodysplastisch syndroom (MDS) na falen van hypomethylerende middelen (HMAs) zijn slecht, met een mediane overall survival van 4 tot 6 maanden. De translatieremmer omacetaxine-mepesuccinaat (OM) is veilig en werkzaam gebleken voor verscheidene myeloïde maligniteiten, maar is nog niet onderzocht voor MDS na HMA-falen. Een fase 2-studie in MD Anderson Cancer Center (Houston TX) heeft de veiligheid en werkzaamheid van OM voor hoger-risico MDS of CMML onderzocht. Dr. Nicholas Short en collega’s publiceren de studie online in het American Journal of Hematology.1

De studie includeerde 42 patiënten met een mediane leeftijd van 76 jaar. Ze kregen OM 1,25 mg/m2 subcutaan iedere twaalf uur gedurende drie achtereenvolgende dagen in een 4-7 weken schema. Het primaire eindpunt was ORR. In het gehele cohort bedroeg de ORR 33%. Patiënten met diploïde cytogenetica hadden een hogere waarschijnlijkheid van respons dan patiënten met cytogenetische abnormaliteiten (58% versus 23%; p=0,003). De mediane OS in het gehele cohort bedroeg 7,5 maanden, met een één-jaars OS 25%. Patiënten met diploïde cytogenetica hadden betere OS dan patiënten met cytogenetische abnormaliteiten (mediaan 14,8 versus 6,8 maanden; p=0,01). Twee patiënten hadden een respons die langer aanhield dan twee jaar (beide MDS met diploïde cytogenetica). De meest-waargenomen graad 3 of 4 adverse events waren infecties (26% van de patiënten), febriele neutropenie (10%) en hemorragie (7%).

De onderzoekers concluderen dat OM veilig en actief was in patiënten met MDS of CMML na HMA-falen.

1.Short NJ, Jabbour E, Naqvi K et al. A phase II study of omacetaxine mepesuccinate for patients with higher-risk myelodyplastic syndrome and chronic myelomonocytic leukemia after failure of hypomethylating agents. Am J Hematol 2018; epub ahead of print

Summary: A phase 2 study at MD Anderson Cancer Center (Houston) found that omacetaxine mepesuccinate is safe and active for higher-risk MDS and CMML after failure of hypomethylating agents.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Schatting van tijd tot metastatisch recidief van mammacarcinoom (0)
2018-10-18 11:56   ( Nieuws )
Tags:  breast cancer time to metastasis
Dr. Angela MariottoBevolkings-representatieve risico’s van metastatisch recidief van maligniteiten zijn niet algemeen beschikbaar omdat de meeste kankerregistraties geen gegevens over recidief verzamelen. Gelet op de toenemende overleving van patiënten met maligniteiten is er een toenemende vraag naar betrouwbare informatie over het risico van recidief. Tot op heden is deze informatie alleen beschikbaar op basis van resultaten van specieke klinische studies, single-institution patiëntcohorten, en prospectieve cohortstudies. Deze gegevens kunnen niet worden gegeneraliseerd naar de gehele bevolking omdat slechts een zeer gering percentage van de patiënten deelneemt aan studies (in de VS geschat op 4%), en bovendien jonger en gezonder is dat de gehele patiëntenpopulatie. Dr. Angela Mariotto (National Cancer Institute, Bethesda MD) en collega’s hebben een studie uitgevoerd die laat zien dat het mogelijk is de tijd tot metastatisch recidief (van mammacarcinoom, maar in principe ook van andere maligniteiten) te schatten op basis van registratiegegevens. Ze publiceren de studie vandaag online in Cancer Epidemiology, Biomarkers & Prevention.1

De studie is gebaseerd op SEER-databasegegevens van een cohort van 381.430 vrouwen met een diagnose vroeg-stadium mammacarcinoom tussen begin 1992 en eind 2013. De onderzoekers pasten op de overlevingsdata een statistisch mixture-cure model toe. Het model berekent de tijd tussen diagnose en metastase (A) op basis van geregistreerde gegevens van tijd tussen diagnose en overlijden (B) en resultaten van studies van tijd tussen metastase en overlijden (C) waar B – C logischerwijze gelijk moet zijn aan A.

Het model laat zien dat in het mammacarcinoom-cohort het risico van recidief hoger is in vrouwen met diagnose op hogere leeftijd, eerdere kalenderperiode, meer gevorderd stadium, en HR-negatieve ziekte. Voor vrouwen gediagnostiseerd tussen 2000 en 2014 in de leeftijd van zestig tot vijfenzeventig jaar bedroeg het voorspelde percentage met recidief binnen vijf jaar 2,5%; 9,6%; en 34,5% voor stadia I, II, en III in geval van HR-positieve ziekte, en 6,5%; 20,2%; en 48,5% voor stadia I, II, en III in geval van HR-negatieve ziekte. Hoewel patiënten met HR-positieve ziekte dus een lager risico van recidief hebben in de eerste vijf jaar na de diagnose is hun risico in langere follow-up hoger.

De onderzoekers concluderen dat het mogelijk is informatie over risico van metastatisch recidief te verkrijgen uit beschikbare gegevens

1.Mariotto AB, Zou Z, Zhang F et al. Can we use survival data from cancer registries to learn about disease recurrence? The case of breast cancer. Cancer Epidemiol Biomarkers Prev 2018; epub ahead of print

Summary: A mixture-cure model analysis of the SEER database (1992-2013) showed that it is possible to extract information about the risk of metastatic recurrence of early-stage breast cancer. The risk of recurrence is higher for women diagnosed with breast cancer at older age, earlier period, more advanced stage, and HR negative tumors. But although HR-positive cases have a lower risk of recurrence soon after diagnosis, their risk persists longer than for HR-negative cases.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)