Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Prospectieve studie van associatie van stoppen met roken na diagnose NSCLC met progressie en mortaliteit (0)
2021-07-27 15:00   ( Nieuws )
Tags:  NSCLC postdiagnosis smoking cessation progression and mortality
Dr. Paul BrennanOngeveer de helft van de patiënten die wereldwijd een diagnose NSCLC krijgen zijn actieve rokers. Een prospectieve studie in Rusland heeft de associatie van stoppen met roken na een NSCLC-diagnose met progessie van de ziekte en mortaliteit geïnventariseerd. Dr. Paul Brennan (IARC Lyon) en collega’s publiceren de studie in Annals of Internal Medicine.1

De studie includeerde patiënten die tussen mei 2007 en juli 2016 een nieuwe diagnose stadium I, II, of IIIA NSCLC kregen in het Blokhin Nationaal Medisch Onderzoekscentrum of het Eerste Klinisch Oncologisch Stadsziekenhuis, beide in Moskou. De patiënten werden jaarlijks gevolgd tot eind 2020. De nu gepubliceerde analyse heeft betrekking op 517 patiënten die op het moment van diagnose actieve rokers waren (tenminste één sigaret per dag gedurende meer dan een jaar voor de diagnose) en die hun rookstatus na de diagnose rapporteerden.

Gedurende gemiddeld zeven jaar follow-up overleden 325 deelnemers (63,8%) onder wie 271 aan NSCLC (53,2%), en werden 172 gevallen van tumorprogressie gezien (lokaal recidief of metastase). Onder de 220 patiënten die (naar eigen zeggen) gestopt waren met roken was de mediane overall survival vanaf de diagnose 21,6 maanden langer dan onder de 297 patiënten die waren blijven roken (6,6 versus 4,8 jaar; p=0,001). De vijf-jaars OS-percentages waren 60,6% versus 48,6% (p=0,001) en de vijf-jaars PFS-percentages waren 54,4% versus 43,8% (p=0,001). Na correctie voor mogelijk verstorende variabelen was stoppen met roken geassocieerd met verlaagde all-cause mortaliteit (HR 0,67; 95%-bti 0,53-0,85), ziektespecieke mortaliteit (0,75; 0,58-0,98), en ziekteprogressie (0,72; 0,56-0,92).

De onderzoekers concluderen dat binnen de beperking van de zelf-gerapporteerde interventie stoppen met roken na een NSCLC-diagnose geassocieerd was met substantiële verbetering van PFS en OS (visual abstract).

1.Sheikh M, Mukeriya A, Shangina O et al. Postdiagnosis smoking cessation and reduced risk for lung cancer progression and mortality. A prospective cohort study. Ann Intern Med 2021;177:

Summary: A prospective study in Moscow found that smoking cessation after NSCLC diagnosis was associated with substantially improved PFS and OS (visual abstract).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Verlaging van posttransplantatie recidiefpercentages met van donor verkregen vermeerderde NK-cellen (0)
2021-07-27 14:00   ( Nieuws )
Tags:  transplantation for myeloid malignancies donor-derived expanded NK-cells to prevent relapse
Dr. Stefan CiureaAllogene hematopoïetische stamceltransplantatie (alloHSCT) is een curatieve behandelstrategie voor gevorderde hematologische maligniteiten. Recidief na de transplantatie is een uitdaging. Een fase 1-2 studie van MD Anderson Cancer Center (Houston TX) heeft gebruik van donor-verkregen natural killer (NK)-cellen voor het verminderen van posttransplantatie recidief geëvalueerd. Dr. Stefan Ciurea en collega’s publiceren het fase 2-gedeelte van de studie in Leukemia.1

De studie includeerde 25 patiënten met gevorderde myeloïde maligniteiten. HapIoïdentieke donoren stonden op dag zestien voor de transplantatie een halve liter bloed af voor de productie van de NK-cellen die ex vivo vermeerderd werden, en ondergingen beenmerg harvest. Op dagen -2, +7, en +28 werden de NK-cellen (1 x 105 tot 1 x 108 cellen per kg per dosis) toegediend aan de patiënten. De uitkomsten van de patiënten (cases) werden vergeleken met die van 160 gematchte patiënten in de database van CIBMTR (controls). De figuur laat zien dat met mediaan 24 maanden follow-up het twee-jaars recidiefpercentage 4% was in de groep cases versus 38% in de groep controls (p=0,014), en het twee-jaars ziektevrije overlevingspercentage 66% versus 44% was (p=0,1). Er was slechts één recidief onder de cases, in een patiënten met een hoog niveau van donor-specifieke anti-HLA antilichamen (DSA) voor transplantatie. Het twee-jaars recidiefpercentage onder de patiënten zonder DSA was 0% onder de cases versus 40% onder de controls, en het twee-jaars DFS-percentage was 72% versus 44%, met een DFS-HR in de controls versus cases van 2.64 (p=0,029). De twee-jaars nonrelapse mortality was niet significant verschillend tussen beide groepen (p=0,37).

De onderzoekers concluderen dat toediening van donor-verkregen vermeerderd NK-cellen veilig was en geassocieerd met verbetering voor de eindpunten recidief en DFS.

1.Ciurea SO, Kongtim P, Soebbing D et al. Decrease post-transplant relapse using donor-derived expanded NK-cells. Leukemia 2021; epub ahead of print





  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Correlatie tussen surrogaat-eindpunten en overall survival in patiënten met gevorderd NSCLC of CRC (0)
2021-07-27 13:00   ( Nieuws )
Tags:  advanced NSCLC or CRC correlation between surrogate end points and overall survival
Dr. Kenneth KehlVoor patiënten met maligniteiten die deelnemen aan klinische studies worden respons op behandeling en ziekteprogressie beoordeeld volgens RECIST-criteria. Buiten het kader van klinische studies worden uitkomsten gewoonlijk geregistreerd in niet-gestructureerde rapporten of aantekeningen in dossiers. Progressievrije overleving (PFS), tijd tot discontinuering van de behandeling (TTD), en tijd tot volgende behandeling (TTNT) zijn veel-gebruikte eindpunten. Een retrospectieve cohortstudie van patiënten van vier academische centra heeft de associatie tussen deze eindpunten en overall survival geïnventariseerd. Dr. Kenneth Kehl (Dana-Farber Cancer Institute, Boston MA) en collega’s publiceren de studie in JAMA Network Open.1

De studie includeerde patiënten die behandeling voor stadium IV NSCLC (n=1161) of CRC (n=1150) begonnen bij Dana-Farber, Memorial Sloan Kettering Cancer Center (New York), Princess Margaret Cancer Centre (Toronto), of Vanderbilt-Ingram Cancer Center (Nashville). De mediane OS na start van de eerstelijns therapie was 28,9 maanden voor de NSCLC patiënten en 42,0 maanden voor de CRC-patiënten. De onderzoekers bepaalden de assocatie met OS voor TTD, TTNT, PFS gebaseerd op alleen imaging-rapporten beoordeeld door een radioloog, PFS gebaseerd op alleen oordeel van een medisch oncoloog, PFS gebaseerd op hetzij imaging of oordeel van de medisch oncoloog (welk van beide als eerste kwam), en PFS op basis van zowel imaging als ook beoordeling door de oncoloog.

Zowel voor NSCLC als voor CRC was PFS op basis van overeenkomende beoordeling door radioloog en medisch oncoloog het best geassocieerd met OS (NSCLC: ρ=0,76; 95%-bti 0,73-0,79; CRC: ρ=0,73; 95%-bti 0,69-0,75). TTD was het minst geassocieerd met OS (NSCLC: ρ=0,45; 95%-bti 0,40-0,50; CRC: ρ=0,13; 95%-bti 0,06-0,19). TTNT was matig geassocieerd met OS (NSCLC: ρ=0,60; 95%-bti 0,55-0,64; CRC: ρ=0,39; 95%-bti 0,32-0,46).

De onderzoekers concluderen dat PFS gebaseerd op oordeel van zowel een radioloog als een behandelend medisch oncoloog het surrogaat-eindpunt was dat het best gecorreleerd was met OS.

1.Kehl KL, Riely GJ, Lepisto EM et al. Correlation between surrogate end points and overall survival in a multi-institutional clinicogenomic cohort of patients with non-small cell lung cancer or colorectal cancer. JAMA Network Open 2021;4:e2117547

Summary: A cohort study including patients starting treatment for advanced NSCLC or CRC at four academic centers found that PFS based on both a radiologist and a treating oncologist determining that a progression event had occurred was the surrogate endpoint most highly correlated with OS for analysis of observational clinicogenomic data.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Sequentieel versus concomitant bevacizumab plus chemotherapie voor metastatisch colorectaalcarcinoom (0)
2021-07-27 12:00   ( Nieuws )
Tags:  mCRC bevacizumab plus chemotherapy sequential or concomitant schedule
Dr. Antonio AvalloneCombinatie van angiogeneseremming met cytoxische chemotherapie is een standaard-behandeling voor metastatisch colorectaalcarcinoom (mCRC). Er zijn preklinische aanwijzingen dat normalisatie van de vasculatuur van de tumor vier tot vijf dagen na toediening van bevacizumab optreedt. De Italiaanse multicenter fase 3 OBELICS-studie (‘optimization of bevacizumab scheduling within chemotherapy’) heeft de impact onderzocht van toediening van bevacizumab vier dagen voor de chemotherapie. Dr. Antonio Avallone (Istituto Nazionale Tumori, Napels) en collega’s publiceren de studie in JAMA Network Open.1

OBELICS, uitgevoerd in drie centra, includeerde patiënten in de leeftijd van 18 tot en met 75 jaar met niet-resectabel mCRC waarvoor ze ten hoogste één eerdere lijn systemische behandeling hadden gekregen. De patiënten kregen twaalf twee-weekse cycli van standaard mFOLFOX of mCAPOX plus bevacizumab. De patiënten werden gerandomiseerd na toediening van bevacizumab vier dagen voor de chemotherapie (experimentele arm) of op dezelfde dag als de chemotherapie (standaard arm). Het primaire eindpunt was percentage patiënten met objectieve respons.

De studie includeerde 230 patiënten (136 mannen; mediane leeftijd 62,3 jaar) die werden gerandomiseerd; beide armen telden 115 patiënten. De mediane duur van follow-up was 68,3 maanden. De figuur laat zien dat er tussen de experimentele arm en de standaard arm geen significant verschillen waren in ORR (56,6% versus 57,4%; p=0,89) of progressievrije overleving (mediaan 11,7 maanden versus 10,5 maanden; p=0,15). Er was wel een significant verschil in overall survival (mediaan 29,8 maanden versus 24,1 maanden; HR 0,73; p=0,04). In de experimentele arm vergeleken met de standaard arm was een lager percentage patiënten met ernstige diarree (5,3% versus 16,5%; p=0,006) en misselijkheid (1,8% versus 7,0%; p=0,05) en waren hogere scores voor fysiek functioneren (p=0,02) en constipatie (p=0,003).

De onderzoekers concluderen dat sequentiele vergeleken met concomitante toediening van bevacizumab en chemotherapie voor mCRC niet resulteerde in verbetering van de ORR (het primaire eindpunt) maar wel in verbetering van de OS, verlaging van de frequentie van sommige bijwerkingen, en verbetering van scores voor fysiek functioneren.

1.Avallone A, Piccirillo MC, Nasti G et al. Effect of bevacizumab in combination with standard oxaliplatin-based regimens in patients with metastatic colorectal cancer. A randomized clinical trial. JAMA Network Open 2021;4:e2118475

Summary: The Italian multicenter phase 3 OBELICS study evaluated two schedules of twelve cycles of bevacizumab plus oxiplatin-based chemotherapy for metastatic colorectal cancer: bevacizumab adminstrated 4 days before chemotherapy or on the the same day as chemotherapy. There were no significant differences between the two arms in ORR or PFS, but OS, HRQOL and some adverse events were significantly better in the sequential administration arm.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Cohortstudie van associatie tussen nierfunctie en risico van maligniteiten (0)
2021-07-26 15:00   ( Nieuws )
Tags:  kidney function and cancer risk
Dr. Jennifer LeesMaligniteiten worden veel gezien in patiënten met nierfalen, vooral in patiënten die dialyse of nierplantatie nodig hebben. Nierfalen is relatief infrequent, maar milde nierziekte (glomerular filtration rate; GFR 60-89 ml/min/1,73m2) komt naar schatting voor bij eenderde van de algemene bevolking, is gewoonlijk asymptomatisch, en wordt niet routinematig gemonitord. Een studie in het cohort van de UK Biobank heeft de associatie tussen nierfunctie en het risico van maligniteiten geïnventariseerd. Dr. Jennifer Lees (University of Glasgow) en collega’s publiceren de studie in EClinicalMedicine.1

De studie includeerde 431.263 personen met gegevens in de UK Biobank tussen begin 2007 en eind 2010, met geschiedenis van een maligniteit als exclusiecriterium. Tijdens mediaan 11,3 jaar follow-up (IQR 10,6-12,0) werden onder de deelnemers 41.745 maligniteiten gediagnostiseerd en overleden 11.764 deelnemers aan een maligniteit. Baseline GFR bepaald op basis van cystatine C (eGFRcys) was geassocieerd met incidentie (per afname met 10 ml/min/1,73 m2 HR 1,04; 95%-bti 1,03-1,04) en mortaliteit (1,06; 1,05-1,07) van maligniteiten. GFR bepaald op basis van creatinine was niet geassocieerd met incidentie of mortaliteit van maligniteiten.

Vergeleken met eGFRcys ≥ 90 ml/min/1,73m2 waren eGFRcys60-89 (HR 1,04; 95% bti 1,02-1,07) en eGFRcys<60 (HR 1,19; 1,14-1,24) geassocieerd met verhoogd risico van incidente maligniteit. Ook urine albumine:creatinine ratio 3 mg/mmol of hoger versus lager dan 3 mg/mmol was geassocieerd met verhoogd risico van incidente maligniteit (HR 1,09; 95%-bti 1,06-1,12). eGFRcys60-89 (HR 1,15; 95%-bti 1,10-1,21), eGFRcys<60 (HR 1,48; 1,38-1,59) en uACR≥ 3mg/mmol (HR 1,17;1,11-1,24) waren geassocieerd met verhoogde mortaliteit van maligniteiten.

De onderzoekers concluderen dat verlaagde nierfunctie bepaald op basis van cystatine C en urine albumine:creatine ratio geassocieerd waren met verhoogd risico van incidente maligniteit en overlijden aan maligniteit.

1.Lees JS, Ho F, Parra-Soto S et al. Kidney function and cancer risk: an analysis using creatinine and cystatin C in a cohort study. EclinicalMedicine 2021;101030

Summary: Cancer is more common in people with kidney failure. Mild kidney disease (GFR 60-89 ml/min/1.73m2) may be present in one third of the population, is usually asymptomatic, and is monitored infrequently. A cohort study using data from the UK Biobank found that mild kidney disease based on levels of cystatin C and albuminuria was associated with risk of incident cancer and cancer death.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Tijdstrends in overlevingsuitkomsten van AYA-maligniteiten in de VS van 1975 tot en met 2016 (0)
2021-07-26 14:00   ( Nieuws )
Tags:  survival outcomes for cancer in adolescents and young adults 1975-2016
Dr. Denise Riedel LewisHet vijf-jaars relatieve overlevingspercentage van adolescenten en jongvolwassenen (AYAs; leeftijd vijftien tot veertig jaar) met maligniteiten ligt op ongeveer 85%, maar varieert sterk met het type maligniteit. Een analyse van de SEER-database en gegevens van het National Center for Health Statistics heeft trends in deze overlevingsuitkomsten tussen begin 1975 en eind 2016 geïnventariseerd voor de negen typen maligniteiten met de hoogste mortaliteit onder AYAs. Dr. Denise Riedel Lewis (National Cancer Institute, Bethesda MD) en collega’s publiceren de analyse in Cancer.1



De analyse laat zien dat over de studieperiode significante (p<0,05) verbetering is opgetreden in vijf-jaars relatieve overleving van hersen- en andere zenuwstelseltumoren, colon- en rectumcarcinoom, long- en bronchuscarcinoom, AML en NHL. Er was slechts beperkte of geen verbetering in de overleving van mammacarcinoom in vrouwen, cervixcarcinoom, ovariumcarcinoom, en bot- en gewrichtssarcoom. De verbetering in overleving van colorectaalcarcinoom werd overschaduwd door toename van de incidentie onder AYAs.

De onderzoekers concluderen dat er gedurende de afgelopen veertig jaar verbetering is bereikt in de overleving van sommige maar niet alle typen AYA-maligniteiten.

1.Riedel Lewis D, Siembida EJ, Seibel NL et al. Survival outcomes for cancer types with the highest death rates for adolescents and young adults, 1975-2016

Summary: Analysis of data from the SEER cancer registry and the National Center for Health Statistics found that from 1975 to 2016 the five-year relative survival of some types of AYA cancers has improved (nervous system tumors, colon and rectum cancer, lung and bronchus cancer, AML and NHL) but limited or no improvement was found for survival of female breast cancer, cervical cancer, ovarian cancer, and bone and joint sarcomas.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Risico van veneuze trombo-embolie in patiënten die neoadjuvante chemotherapie krijgen voor ovariumcarcinoom (0)
2021-07-26 13:00   ( Nieuws )
Tags:  neoadjuvant chemotherapy for ovarian cancer risk of venous thromboembolism
Dr. Elizabeth JewellVeneuze trombo-embolie (VTE) is een belangrijke complicatie van maligniteiten en behandelingen voor maligniteiten. Een studie van Memorial Sloan Kettering Cancer Center (New York) heeft de incidentie van en risicofactoren voor VTE geïnventariseerd in patiënten die neoadjuvante chemotherapie (NACT) krijgen voor ovariumcarcinoom. Dr. Elizabeth Jewell en collega’s publiceren de studie in Gynecologic Oncology.1

Tussen begin april 2015 en eind september 2018 kregen 290 patiënten in MSKCC neoadjuvante chemotherapie voor ovariumcarcinoom. VTE, gedefinieerd als diepe veneuze trombose en/of pulmonaire embolie, werd vastgesteld in 75 van deze patiënten (25,9%). Veertig patiënten (13,8%) hadden VTE voor aanvang van de NACT, 27 andere patiënten (11,6%) ontwikkelden VTE tijdens de NACT-periode, zes (3,9%) tijdens de intraoperatieve en 28-daagse postoperatieve periode, en twee (1,3%) tijdens de adjuvante periode. FIGO stadium IV ziekte was de enige factor die geassocieerd was met verhoogd risico van new-onset VTE (OR 3,9; p=0,03).

De onderzoekers concluderen dat patiënten die NACT kregen voor ovariumcarcinoom een bijzonder hoog risico van VTE hadden, hetzij bij presentatie of tijdens de NACT.

1.Basaran D, Boerner T, Suhner J et al. Risk of venous thromboembolism in ovarian cancer patients receiving neoadjuvant chemotherapy. Gynecol Oncol 2021; epub ahead of print

Summary: A study at Memorial Sloan Kettering Cancer Center (New York, NY) found that among patients receiving neoadjuvant chemotherapy for ovarian cancer the overall risk of venous thromboembolism was higher than 25%; either before NACT (13.8%), during NACT (11.6%), during the intraoperative and 28-day postoperative period (3.9%), and during the adjuvant period (1.3%). 


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Finale overall survival analyse van eerstelijns atezolizumab plus bevacizumab en chemotherapie voor metastatisch nsqNSCLC (0)
2021-07-26 11:57   ( Nieuws )
Tags:  IMpower150 final overall survival analyses
Dr. Mark SocinskiDe multinationale fase 3-studie IMpower150 (240 centra in 26 landen) randomiseerde patiënten die niet eerder systemische therapie hadden gekregen voor metastatisch niet-squameus niet-kleincellig longcarcinoom (mnsqNSCLC) naar vier tot zes drie-weekse cycli van drie behandelingen: azetolizumab plus carboplatine plus paclitaxel (ACP; n=402), bevacizumab plus carboplatine plus paclitaxel (BCP; n=400), of atezolizumab plus bevacizumab plus carboplatine plus paclitaxel (ABCP; n=400). In 2018 is gepubliceerd dat met mediaan 15,5 maanden follow-up de progressievrije overleving en overall survival langer waren in de ABCP-groep dan in de BCP-groep, ongeacht PD-L1 expressiestatus en EGFR- of ALK-veranderingen. Dr. Mark Socinski (AdventHealth Cancer Institute, Orlando FL) en collega’s publiceren nu in het Journal of Thoracic Oncology finale OS-analyses van de studie.1

De mediane follow-up op het moment van de nu gepubliceerde analyse was 39,8 maanden. Vergelijking van OS voor ACP versus BCP liet een numeriek, maar niet statistisch significant, langere OS met ACP zien (mediaan 19,0 versus 14,7 maanden; HR 0,84; 95%-bti 0,71-1,00). De OS was wel significant langer met ABCP versus BCP (mediaan 19,5 versus 14,7 maanden; HR 0,80; 95%-bti 0,67-0,95). Exploratieve analyses in PD-L1 expressie gedefinieerde subgroepen lieten langer mediane OS zien met ABCP en ACP versus BCP in de PD-L1 hoog en de PD-L1 positieve subgroepen. In de PD-L1 negatieve subgroepen was de mediane OS similar met ACBP en ACP versus BCP. Er waren geen nieuwe veiligheidssignalen.

De onderzoekers concluderen dat bij de finale OS-analyse van de studie ACP vergeleken met BCP resulteerde in numeriek maar niet statistisch significant betere OS. Met twintig maanden extra follow-up was de OS nog steeds beter met ABCP dan met BCP.

1.Socinski MA, Nishio M, Jotte RM et al. IMpower150 final overall survival analyses for atezolizumab plus bevacizumab and chemotherapy in first-line metastatic nonsquamous non-small cell lung cancer. J Thor Oncol 2021.07.009

Summary: The multinational phase 3 IMpower150 study (240 centers in 26 countries) randomized patients with previously not systemically treated metastatic nonsquamous NSCLC to 4 to 6 cycles of atezolizumab plus carboplatin and paclitaxel (ACP), bevacizumab plus carboplatin and paclitaxel (BCP), or atezolizumab plus bevacizumab plus carboplatin and paclitaxel (ABCP). Final OS analyses after median 39.8 months of follow-up showed numerical, but not statistically significant improved OS with ACP versus BCP (median 19.0 versus 14.7 months; HR 0.84; 95% CI 0.71-1.00) and statistically significant OS benefit with ABCP versus BCP (median 15.5 versus 14.7 months; HR 0.80; 95% CI 0.67-0.95).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)