Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Multinationale fase 3-studie van eerstelijns nivolumab plus ipilimumab voor niet-resectabel MPM (0)
2021-01-22 16:00   ( Nieuws )
Tags:  CheckMate 743 trial unresectable malignant pleural mesothelioma
Prof. Paul BaasGoedgekeurde systemische behandelingen voor maligne pleuraal mesothelioom (MPM) zijn bepekrt tot chemotherapie, met slechts matige overlevingswinst. In andere tumortypen, waaronder NSCLC, is klinisch profijt gezien van de combinatie van nivolumab en ipilimumab. De multinationale fase 3-studie CheckMate 743 heeft deze combinatie als eerstelijns behandeling voor niet-resectabel MPM geëvalueerd. Prof. Paul Baas (NKI Amsterdam) en collega’s publiceren de studie in The Lancet.1

CheckMate 473 werd uitgevoerd in 103 centra in 21 landen. De studie includeerde volwassen patiënten met niet-eerder behandeld histologisch bevestigd niet-resectable MPM en een ECOG performance status 0 of 1. De patiënten werden 1:1 gerandomiseerd naar ten hoogste twee jaar nivolumab 3 mg/kg iedere twee weken plus ipilimumab 1 mg/kg iedere zes weken; of zes cycli platina plus pemetrexed chemotherapie. Het primaire eindpunt van de studie was overall survival.

De studie includeerde 713 patiënten van wie 605 werden gerandomiseerd naar nivolumab plus ipilimumab (n=303) of chemotherapie (n=302). De mediane leeftijd was 69 jaar (IQR 64-75) en 77% waren mannen. Op het moment van de geprespecificeerde interimanalyse was de mediane follow-up 29,7 maanden (IQR 26,7-32,9). De mediane OS was 18,1 maanden met nivolumab plus ipilimumab versus 14,1 maanden met chemotherapie (HR 0,74; p=0,002). Het twee-jaars OS-percentage was 41% in de nivolumab-ipilimumabgroep versus 27% in de chemotherapiegroep. Graad 3 of 4 treatment-related adverse events werden gerapporteerd voor 30% versus 32%. In de nivolumab-ipilimumabgroep overleden drie patiënten aan behandelingsgerelateerde oofzaken, versus één in de chemotherapiegroep.

De onderzoekers concluderen dat nivolumab plus ipilimumab vergeleken met standaard-chemotherapie als eerstelijns behandeling voor niet-resectabel MPM resulteerde in statistisch significante en klinisch relevante verbetering van de OS.

1.Baas P, Scherpereel A, Nowak AK et al. First-line nivolumab plus ipilimumab in unresectable malignant pleural mesothelioma (CheckMate 473): a multicentre, randomised, open-label, phase 3 trial. Lancet 2021; epub ahead of print

Summary: The multinational phase 3 study CheckMate 473 compared the combination of nivolumab plus ipilimumab versus standard chemotherapy as first-line treatment for unresectable malignant pleural mesothelioma. The median OS was 18.1 months in the nivo+ipi group versus 14.1 months in the chemotherapy group (HR 0.74; p=0.0020).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie tussen aspirinegebruik en risico van colorectaalcarcinoom in zeventigplussers (0)
2021-01-22 15:00   ( Nieuws )
Tags:  aspirin use and CRC risk in older adults
Prof. Andrew ChanGebruik van aspirine wordt aangeraden voor de preventie van colorectaalcarcinoom (CRC) in personen in de leeftijd van vijftig tot zestig jaar met specifieke cardiovasculair-risicoprofielen. De in 2018 gepubliceerde gerandomiseerde ASPREE-studie liet echter gebrek aan werkzaamheid zien in ouderen in de leeftijd van zeventig jaar of ouder. Een gepoolde analyse van de Nurses’ Health Study (NHS) en de Health Professionals Follow-up Study (HPFS) heeft nu de associatie tussen aspirinegebruik en het CRC-risico nader onderzocht in een grote groep zeventigplussers. Prof. Andrew Chan (Massachusetts General Hospital, Boston) en collega’s publiceren de analyse in JAMA Oncology.1

De analyse includeerde 94.540 deelnemers van NHS (1980-2014) en HPFS (1986-2014) in de leeftijd van zeventig jaar of ouder, na exclusie van deelnemers met geschiedenis van een maligniteit (behalve niet-melanoom huidmaligniteit) en inflammatoire darmziekte. De gemiddelde leeftijd was 76,4 jaar onder de vrouwen en 77,7 jaar onder de mannen. Tijdens 996.463 persoonsjaren follow-up werden in het cohort 1431 incidente gevallen van CRC gediagnostiseerd. Na correctie voor andere risicofactoren was regelmatig gebruik van aspirine geassocieerd met significant lager risico van CRC op of na de leeftijd van zeventig jaar (versus niet-regelmatig gebruik HR 0,80; 95%-bti 0,72-0,90). Deze inverse associatie werd echter alleen gezien onder deelnemers die al voor de leeftijd van zeventig jaar begonnen met regelmatig aspirinegebruik (HR 0,80; 95%-bti 0,67-0,95) en was niet statistisch significant onder deelnemers die pas op of na de leeftijd zeventig jaar begonnen met regelmatig aspirinegebruik (HR 0,92; 95%-bti 0,76-1,11).

De onderzoekers concluderen dat onder personen in de leeftijd van zeventig jaar of ouder regelmatig aspirinegebruik geassocieerd was met verlaagd CRC-risico, mits het gebruik begonnen was voor de leeftijd van zeventig jaar.

1.Guo C-G, Ma W, Drew DA et al. Aspirin use and risk of colorectal cancer among older adults. JAMA Oncol 2021; epub ahead of print

Summary: Pooled analysis of two large US cohort studies showed that among older adults (n=94,540; aged 70 years or older) initiating regular aspirin use after age 70 years was not associated with lower CRC risk. Those who used aspirin regularly before age 70 years and continued into their 70s or later had a reduced risk of CRC (HR 0.80; 95%-bti 0.67-0.95).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Impact van ras/etniciteit op associatie tussen 21-gene recurrence score en mammacarcinoom-specifieke overleving (0)
2021-01-22 14:00   ( Nieuws )
Tags:  21-gene recurrence score and BCSS impact of race ethnicity
Dr. Kent HoskinsDe 21-gene recurrence score (RS) van patiënten met primair vroeg-stadium ER-positief mammacarcinoom wordt gebruikt voor het identificeren van patiënten die kunnen profiteren van adjuvante chemotherapie. Het is niet duidelijk of ras en etniciteit van invloed zijn op de performance van RS. Een retrospectieve cohortstudie op basis van gegevens in de SEER-database heeft de prognostische accuratesse van RS in groepen vrouwen van verschillende rassen of etniciteiten geïnventariseerd. Dr. Kent Hoskins (University of Illinois, Chicago) en collega’s publiceren de studie in JAMA Oncology.1

In de database identificeerden de onderzoekers 86.033 volwassen patiënten met een diagnose eerste primair stadium I tot en met III ER-positief mammacarcinoom en bekende RS. De gemiddelde leeftijd was 57,6 jaar (SD 10,6). Van deze patiënten was 74,4% non-Hispanic White; 7,8% nHB; 9,2% Hispanic; 8,0% Asian/Pacific Islander; en 0,4% American Indian/Alaska Native.

Vergeleken met NHW-vrouwen hadden NHB-vrouwen een significant hogere waarschijnlijkheid van een RS hoger dan 25 (13,7% versus 17,7%; p<0,001). Onder vrouwen met oksel-kliernegatieve tumoren was na correctie voor leeftijd, tumorkenmerken en behandeling binnen elk stratum van RS de mammacarcinoom-specifieke mortaliteit hoger voor NHB dan voor NHW vrouwen (RS 0-11 subdistribution hazard ratio 2,54; RS 11-26 sHR 1,64; en RS 26 en hoger sHR 1,48). De prognostische accuratesse van de RS was significant lager voor NHB dan voor NHW vrouwen (C index 0,656 versus 0,700; p=0,002).

De onderzoekers concluderen dat NHB- vergeleken met NHW-patiënten hogere waarschijnlijkheid hadden van RS 25 of hoger, en vergeleken met NHW-patiënten met vergelijkbare RS hoger risico hadden te overlijden aan okselklier-negatief mammacarcinoom.

1.Hoskins KF, Danciu OC, Ko NY et al. Association of race/ethnicity and the 21-gene recurrence score with breast cancer-specific mortality among US women. JAMA Oncol 2021; epub ahead of print

Summary: A retrospective cohort study among women with stage I-III ER-positive breast cancer found that, compared with NHW women, black women were more likely to have a high-risk recurrence score. Compared with NHW women with comparable recurrence scores, AA women were more likely to die of axillary node-negative breast cancer. The authors conclude that the recurrence score should be calibrated in population with greater racial or enthnic diversity.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Metastaselocaties en overleving van histologische varianten van metastatisch niercelcarcinoom (0)
2021-01-22 13:00   ( Nieuws )
Tags:  mRCC histologic varants metastasis sites association with survival
Dr. Daniel HengEr is aanzienlijke biologische en klinische variatie tussen histologische varianten van metastatisch niercelcarcinoom (mRCC). Een analyse van gegevens van mRCC-patiënten van veertig centra in negen landen heeft metastaselocaties en overlevingsassociaties van deze locaties geïnventariseerd voor heldercellig (ccRCC), papillair (pRCC), en chromofoob (chrRCC) niercelcarcinoom. Dr. Daniel Heng (University of Calgary, Canada) en collega’s publiceren de analyse in JAMA Network Open.1

In de database van het International mRCC Database Consortium identificeerden de onderzoekers patiënten die tussen begin 2002 en eind 2019 systemische therapie startten voor mRCC. Patiënten met gemengd histologisch subtype werden geëxcludeerd. Primaire eindpunten van de analyse waren locaties van de metastasen en overall survival vanaf het begin van de systemische therapie. Patiënten met meerdere metastasen werden geïncludeerd in analyses van alle relevante groepen.


Onder de 10.105 patiënten in de analyse (72,4% mannen) was de mediane leeftijd 60 jaar (IQR 53-67) en ondergingen 8526 (85,4%) nefrectomie. De meeste patiënten (92%) hadden ccRCC, 7% hadden pRCC, en 2% hadden chrRCC. De figuur laat zien dat de metastaselocaties sterk uiteenliepen tussen de verschillende histologische subtypen. De locaties waren geassocieerd met OS, uiteenlopend van mediane OS 16 maanden onder patiënten met pleurametastasen tot 50 maanden onder patiënten met pancreasmetastasen. Ongeacht metastaselocatie was er onder patiënten met pRCC vergeleken met ccRCC een trend van slechtere OS.

De onderzoekers concluderen dat metastaselocaties uiteenlopen voor verschillende histologische subtypen van mRCC en geassocieerd zijn met OS.

1.Dudani S, de Velasco G, Wells JC et al. Evaluation of clear cell, papillary, and chromophobe renal cell carcinoma metastasis sites and association with survival. JAMA Network Open 2021;4:e2021869

Summary: Analysis of data of 10,105 mRCC patients from the IMDC database showed that sites of metastatic involvement differed according to histologic subtype and were associated with overall survival.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 3-studie van toevoeging van focale boost naar de tumor aan EBRT voor gelokaliseerd prostaatcarcinoom (0)
2021-01-21 16:00   ( Nieuws )
Tags:  FLAME trial EBRT for localized prostate cancer focal boost
Prof. Uulke van der HeideEr is behoefte aan meer-werkzame behandelingen voor gelokaliseerd prostaatcarcinoom. De fase 3-studie Focal Lesion Ablative Microboost in Prostate Cancer (FLAME) in Nederland en België heeft de waarde onderzocht van toevoeging van een multiparametrisch MRI-geleide focale boost naar de tumor in patiënten die EBRT kregen voor intermediair- of hoog-risico gelokaliseerde ziekte. Prof Uulke van der Heide (NKI Amsterdam) en collega’s publiceren de studie in het Journal of Clinical Oncology.1

De studie includeerde 571 patiënten die tussen begin 2009 en eind 2015 EBRT kregen (77 Gy in fracties van 2,2 Gy) naar de gehele prostaat, met voor de patiënten in de focal boost arm ook simultaan 95 Gy (fracties tot 2,7 Gy) naar de tumor, waarbij risico-organen werden ontzien. Het primaire eindpunt was de vijf-jaars biochemische ziektevrije overleving (bDFS). Na vijf jaar follow-up was 92% van de patiënten in de focal boost arm versus 85% van de patiënten in de controle-arm vrij van biochemische progressie (HR 0,45; p<0,001). Er waren geen verschillen tussen beide armen in prostaatcarcinoom-specifieke overleving (p=0,49) of overall survival (p=0,50). De cumulatieve incidentie van late graad 2 of hoger genito-urinaire toxiciteit was 28% met focal boost versus 23% zonder focal boost, en de incidentie van graad 2 of hoger GI toxiciteit was 13% versus 12%. Deze verschillen waren niet statistisch significant. Dit gold ook voor verschillen in gezondheids-gerelateerde kwaliteit van leven.

De onderzoekers concluderen dat toevoegen van een focal boost naar de lesie geassocieerd was met significante verbetering van bDFS onder patiënten die EBRT kregen voor gelokaliseerd intermediair- en hoog-risico prostaatcarcinoom.

1.Kerkmeijer LGW, Groen VH, Pos FJ et al. Focal boost to the intraprostatic tumor in external beam radiotherapy for patients with localized prostate cancer: results from the FLAME randomized phase III trial. J Clin Oncol 2021; epub ahead of print

Summary: The randomized phase 3 FLAME study In The Netherlands and Belgium found that addition of a focal boost to the intraprostatic lesion improved the biochemical disease-free survival among patients receiving EBRT for localized intermediate- and high-risk prostate cancer. Prioritizing dose constraints of the organs at risk over the focal boost dose that could be achieved resulted in no increase of toxicity or impact on quality of life.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Prognostische waarde van Memorial Sloan Kettering Prognostic Score in mPDAC (0)
2021-01-21 15:00   ( Nieuws )
Tags:  metastatic pancreatic adenocarcinoma prognostic value of MPS
Dr. Andrew EpsteinDe Memorial Sloan Kettering Prognostic Score (MPS) is een composiet van de neutrofiel/lymfocyt-ratio (NLR) en het albuminegehalte. De MPS is een objectieve prognostische tool, die eenvoudiger beschikbaar is dan de Glasgow Prognostic Score. Een studie van Memorial Sloan Kettering Cancer Center heeft de prognostische waarde van MPS voor metastatisch pancreasadenocarcinoom (mPDAC) geïnventariseerd. Dr. Andrew Epstein en collega’s publiceren de studie in Cancer.1

De MPS is een score van 0, 1 of 2 punten. De score is 0 voor patiënten met albumine 4 g/dl of hoger en NLR 4 of lager, de score is 1 voor patiënten met één van beide kenmerken, en 2 voor patiënten met beide kenmerken. De studie includeerde patiënten die tussen begin 2011 en eind 2014 in MSKCC werden behandeld voor mPDAC. Multivariate analyse liet zien dat hogere MPS bij diagnose geassocieerd was met slechtere overall survival (MPS 2 versus MPS 0: HR1,41; 95%-bti 1,13-1,76), onafhankelijk van performance status, ziektekenmerken, en behandeling. De mediane OS voor patiënten met MPS 0, 1 en 2 was 12,9 respectievelijk 9,0 respectievelijk 5,4 maanden.

De onderzoekers concluderen dat MPS bij diagnose mPDAC een onafhankelijke voorspeller van OS was.

1.Lebenthal JM, Zheng J, Glare PM et al. Prognostic value of the Memorial Sloan Kettering Prognostic Score in metastatic pancreatic adenocarcinoma. Cancer 2021; epub ahead of print

Summary: A study at Memorial Sloan Kettering Cancer Center (New York) found that the MPS, an easily calculated composite of the neutrophil/lymphocyte-ratio and albumin, is an objective tool that may predict survival in mPDAC independently of the performance status, disease characteristics, and cancer therapy.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 2-studie van neoadjuvant pembrolizumab voor resectabel NSCLC (0)
2021-01-21 14:00   ( Nieuws )
Tags:  resectable NSCLC neoadjuvant pembrolizumab
Dr. Martin EichhornPD-1 remming na chirurgie voor niet-kleincellig longcarcinoom is geassocieerd met verbetering van oncologische uitkomsten. Een multicenter fase 2-studie in Duitsland heeft de waarde van neoadjuvant pembrolizumab voor resectabel NSCLC onderzocht. Dr. Martin Eichhorn (Universiteitsziekenhuis Heidelberg) en collega’s publiceren een vooraf geplande interim-veiligheidsanalyse van de studie in Lung Cancer.1

De analyse heeft betrekking op de eerste vijftien geïncludeerde patiënten. De patiënten hadden resectabel stadium II of IIIA NSCLC; dertien patiënten met adenocarcinoom en twee patiënten met squameus celcarcinoom. De patiënten kregen twee cycli intraveneus pembrolizumab 200 mg iedere drie weken voorafgaan aan chirurgie. Primaire eindpunten waren feasibiliteit en veiligheid van neoadjuvant pembrolizumab; antitumor-activiteit was een secundair eindpunt.

Dertien van vijftien patiënten voltooiden twee cycli neoadjuvant pembrolizumab. Graad 2 of 3 treatment-related adverse events werden gezien in vijf patiënten (33%). Postoperatieve morbiditeit werd gezien in één patiënt (7%), en de dertig-dagen mortaliteit was 0%. Majeure pathologische respons werd gezien in vier patiënten (27%), bevestigd door significante PET-CT gedetecteerde tumorrespons, hoewel de PET-resultaten in sommige patiënten niet matchten met de tumorbelasting.

De onderzoekers concluderen dat neoadjuvant pembrolizumab voor resectabel NSCLC feasible was. De therapie was geassocieerd met tolerabele toxiciteit en had geen ongunstige invloed op de resectie.

1.Eichhorn F, Klotz LV, Kriegsmann M et al. Neoadjuvant anti-programmed death-1 immunotherapy by pembrolizumab in resectable non-small cell lung cancer: first clinical experience. Lung Cancer 2021.01.018

Summary: Interim safety analysis of a phase 2 study in Germany found that among patients with resectable stage II/IIIA NSCLC neoadjuvant pembrolizumab therapy was feasible, was associated with tolerable toxicity, did not compromise tumor resection, and induced major pathologic response in 4 of 15 patients (27%).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associaties tussen kiemlijn pathogene varianten in 28 genen en risico van mammacarcinoom (0)
2021-01-21 12:51   ( Nieuws )
Tags:  CARRIERS consortium breast cancer risk germline pathogenic variants in 28 genes
Prof. Fergus CouchEr is behoefte aan bevolkings-gebaseerde schattingen van het risico van mammacarcinoom dat samenhangt met kiemlijn pathogene varianten in genen die mogelijk predisponeren voor maligniteiten. Het Amerikaanse Cancer Risk Estimates Related to Susceptibility (CARRIERS) consortium heeft een studie van deze associaties uitgevoerd. Prof. Fergus Couch (Mayo Clinic, Rochester MN) en collega’s publiceren de studie vandaag in The New England Journal of Medicine.1



De studie includeerde 32.247 vrouwen met mammacarcinoom en 32.544 controlevrouwen. De deelnemers werden getest op kiemlijn pathogene varianten in 28 bekende voor maligniteiten predisponerende genen. Pathogene varianten in 12 van deze genen werden gedetecteerd in 5,03% van de patiënten versus 1,63% van de de controlepersonen. Pathogene varianten in de 16 andere genen waren niet geassocieerd met het risico van mammacarcinoom. Tot de genen waarin pathogene varianten geassocieerd waren met sterke risicoverhoging behoorden BRCA1 (OR 7,62; 95%-bti 5,33-11,27) en BRCA2 (OR 5,23; 95%-bti 4,09-6,77). Pathogene varianten in PALB2 waren geassocieerd met matige risicoverhoging (OR 3,83; 95%-bti 2,68-5,63). Pathogene varianten in BARD1, RAD51C, en RAD51D waren geassocieerd met verhoogd risico van ER-negatief mammacarcinoom en TNBC, terwijl pathogene varianten in ATM, CDH1, en CHEK2 geassocieerd waren met verhoogd risico van ER-positief mammacarcinoom.

De onderzoekers concluderen dat de studie schattingen levert van prevalentie en risico van mammacarcinoom geassocieerd met pathogene varianten in specifieke genen.

1.Hu C, Hart SN, Gnanaolivu R et al. A population-based study of genes previously implicated in breast cancer. N Engl J Med 2021; epub ahead of print

Summary: A population-based study by the Cancer Risk Estimates Related to Susceptibility (CARRIERS) consortium found pathogenic variants in 12 breast cancer-predisposition genes in 5.03% of breast cancer patients and 1.63% of controls. Pathogenic variants in 16 candidate breast cancer-predisposition genes were not associated with increased risk of breast cancer.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)