Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Prevalentie van hoog-risicokenmerken en rol van adjuvante chemotherapie in unilateraal retinoblastoom (0)
2019-09-22 15:00   ( Nieuws )
Tags:  unilateral retinoblastoma high-risk features adjuvant chemotherapy
Dr. Patricia Chévez-BarriosEen prospectieve multicenterstudie van de Children’s Oncology Group heeft de prevalentie onderzocht van histopathologische hoog-risico kenmerken (HRFs) in patiënten die enucleatie ondergaan voor unilateraal retinoblastoom, en heeft de waarde van adjuvante chemotherapie voor de preventie van recidief geëvalueerd. Dr. Patricia Chévez-Barrios (Houston Methodist Hospital, TX) en collega’s publiceren de studie online in het Journal of Clinical Oncology.1 De studie includeerde 321 patiënten met nieuw-gediagnostiseerde ziekte die na enucleatie en centraal pathologisch onderzoek adjuvante chemotherapie kregen in geval van aanwezigheid van HRFs. Patiënten zonder HRFs werden geobserveerd.

Het centraal pathologisch onderzoek zag betrokkenheid van het postlaminair gedeelte van de nervus opticus in 53 patiënten (16,5%), en massieve (3 mm of groter) posteriore uveale invasie in 42 patiënten (13,1%). Vijftien patiënten (4,7%) hadden concomitant peripapillaire 3 mm of groter choroïd en postlaminaire nervus opticus betrokkenheid. Patiënten met deze HRFs kregen adjuvante chemotherapie, resulterend in de twee-jaars gebeurtenisvrije overleving van 96% (95%-bti 89-98). In de groep patiënten zonder HRFs die observatie kregen was de twee-jaar EFS 99% (95%-bti 96-100). Voor alle patiënten tezamen was de twee-jaars EFS 98% (95%-bti 96-99).

De onderzoekers concluderen dat de studie de prevalentie heeft vastgesteld van HRFs die gebruik van adjuvante chemotherapie noodzakelijk maken. Kinderen zonder deze HRFs kunnen adjuvante chemotherapie wellicht vermijden.

1.Chévez-Barrios P, Eagle RC, Krailo M et al. Study of unilateral retinoblastoma with and without histopathological high-risk features and the role of adjuvant chemotherapy: a Children’s Oncology Group study. J Clin Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A study by the Children's Oncology Group investigated histopathological high-risk features (HRFs) for recurrence in patients undergoing enucleation for unilateral retinoblastoma. The study found that 1.5 mm or greater of postlaminar optic nerve involvement and 3 mm or greater peripapillary choroidal invasion were HRFs requiring adjuvant chemotherapy.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Impact van ras/etniciteit op overleving van Hodgkin lymfoom in kinderen en adolescenten (0)
2019-09-22 13:29   ( Nieuws )
Tags:  Hodgkin lymphoma in children and adolescents survival by race ethinicity
Dr. Justine KahnBevolkings-gebaseerde studies van kinderen en adolescenten met Hodgkin lymfoom (HL) hebben slechtere overleving laten zien in niet-blanke patiënten (non-Hispanic black en Hispanic). Een analyse van de Children’s Oncology Group (COG) heeft onderzocht of deze dispariteit blijft bestaan na correctie voor klinische en behandelings-gerelateerde variabelen. Dr. Justine Kahn (Columbia University, New York) en collega’s publiceren de analyse online in het Journal of Clinical Oncology.1

De gepoolde analyse includeerde 1605 patiënten in de leeftijd tot en met 21 jaar die deelnamen aan drie fase 3-studies van de COG, uitgevoerd tussen begin 2002 en eind 2012. De mediane follow-up was 6,9 jaar. De cumulatieve incidentie van recidief was 17%. De niet-gecorrigeerde vijf-jaars gebeurtenisvrije overleving was 83% (SE 1,2%) en de niet-gecorrigeerde vijf-jaars overall survival was 97% (SE <1%). De EFS en OS waren niet verschillend per ras/etniciteit. In multivariate analyse was het risico van overlijden echter een factor 1,88 groter in de nonwhite groep (95%-bti 1,1-3,3) vergeleken met de groep blanke patiënten. De vijf-jaars postrelapse overlevingswaarschijnlijkheid was 90% in de groep non-Hispanic whites (NHWs), 66% in de groep NHBs, en 80% in de groep Hispanics (p<0,01). Vergeleken met de postrelapse mortaliteit in NHWs was het risico van postrelapse mortaliteit verhoogd met een factor 2,7 (95%-bti 1,2-6,2) in Hispanics en met een factor 3,5 (95%-bti 1,5-8,2) in NHBs.

De onderzoekers concluderen dat in kinderen en adolescenten die moderne behandeling kregen voor HL de EFS niet verschilde per ras/etniciteit, maar dat de gecorrigeerde OS significant slechter was in nonwhites vanwege hogere postrelapse mortaliteit.

1.Kahn JM, Kelly KM, Pei Q et al. Survival by race and ethnicity in pediatric and adolescent patients with Hodgkin lymphoma: a Children’s Oncology Group study. J Clin Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: An analysis by the Cildren's Oncology Group investigated the impact of race/ethnicity on survival of Hodgkin lymphoma in children and adolescents. The analysis found no difference by race/ethnicity in EFS, but the adjusted OS was significantly worse in nonwhite patients due to increased postrelapse mortality in this population.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 1-2 studie van palliatieve drievoudige metronome chemotherapie na platina voor mondholtecarcinoom (0)
2019-09-22 12:00   ( Nieuws )
Tags:  platinum-refractory early failure oral cancer metronomic methotrexate-celecoxib-erlotinib
Prof. Kumar PrabhashPlatina-resistent squameus celcarcinoom van de mondholte (OCSCC) heeft een slechte prognose en beperkte behandelopties. Een fase 1-2 studie van Tata Memorial Centra (Mumbai, India) heeft de werkzaamheid van orale palliatieve drievoudige metronome chemotherapie met methotrexaat-celecoxib-erlotinib voor gevorderd platina-resistent of early failure OCSCC onderzocht. Prof. Kumar Prabhash en collega’s publiceren de studie online in het Journal of Clinical Oncology.1



Het eindpunt van fase 1 (vijftien patiënten) was de optimale dosering van wekelijks methotrexaat gecombineerd met erlotinib 150 mg eens per dag en celecoxib 200 mg tweemaal daags. De optimale dosering was methotrexaat 9 mg/m2 eens per week. Het eindpunt van fase 2 (91 patiënten) was de drie-maands progressievrije overleving. De mediane follow-up was 6,8 maanden (range 0-16,8). Objectieve respons werd gezien in 39 patiënten (ORR 42,9%; 95%-bti 33,2-53,1). De drie-maands PFS was 71,1% (95%-bti 60,5-79,3) en de zes-maands overall survival was 61,2% (95%-bti 49,2-67,8). De gemiddelde FACT-Head and Neck Trial Outcome Index score was op dag 8 van de behandeling verbeterd met 6,1 punten (p=0,001) en bleef rondom deze waarde gehandhaafd.

De onderzoekers concluderen dat metronome chemotherapie met erlotinib, methotrexaat en celecoxib werkzaam was voor platina-refractair OCSCC.

1.Patil VM, Noronha V, Joshi A et al. Phase I/II study of palliative triple metronomic chemotherapy in platinum-refractory/early-failure oral cancer. J Clin Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A phase 1-2 study in India found that triple oral metronomic chemotherapy with erlotinib, methotrexate, and celecoxib was efficacious for platinum-refractory oral cavity cancer.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Mate van botmineraaldichtheidsverlaging en fractuurrisico in lange-termijn overlevers van leukemie of lymfoom tijdens de jeugd (0)
2019-09-21 15:00   ( Nieuws )
Tags:  childhood leukemia and lymphoma survivors BMD fractures
Dr. Nina Kadan-LottickOverlevers van leukemie of lymfoom dat is gediagnostiseerd op jeugdige leeftijd hebben een verhoogd risico van lage botmineraaldichtheid (BMD). Een studie van Yale School of Medicine (New Haven CT) en University of Washington (Seattle) heeft dit risico gekwantificeerd, en gezocht naar factoren die geassocieerd zijn met lage BMD en naar de associatie van lage BMD met het voorkomen van fracturen. Dr. Nina Kadan-Lottick (Yale) en collega’s publiceren de studie online in Cancer.1


De studie includeerde 542 patiënten (51,5% meisjes/vrouwen) die tussen begin 2004 en september 2016 tenminste twee jaar na voltooiing van de therapie BMD-surveillance met DEXA ondergingen in twee overlevers-klinieken. De gemiddelde leeftijd was 15,5 jaar (range 4,4-52,2) en de gemiddelde tijd na voltooiing van de therapie was 6 jaar (range 2,0-35,1). Onder deze patiënten waren er 116 met geschiedenis van een post-therapie (niet-vinger)fractuur. Lage BMD van de lendenwervel (meer dan 1 SD lager dan de norm) werd vastgesteld in 17,2% van de overlevers, en zeer lage BMD (meer dan 2 SD lager dan de norm) in 3,5%. Deze frequenties liepen aanzienlijk uiteen tussen subgroepen, met bijvoorbeeld zeer lage BMD in 10,8% van de overlevers met een leeftijd bij diagnose van vijftien tot twintig jaar. Factoren die in multivariate analyse significant geassocieerd waren met lage BMD waren hogere leeftijd bij diagnose, blank ras, en ondergewicht. Overlevers met lage BMD hadden vergeleken met overlevers met normale BMD verhoogd risico van fracturen (OR 2,2; 95%-bti 1,3-3,7), met name van long-bone fracturen (OR 2,7; 95%-bti 1,5-4,7).

De onderzoekers concluderen dat onder overlevers van childhood leukemia/lymphoma oudere leeftijd bij diagnose, blank ras, en ondergewicht geassocieerd waren met verhoogd risico van lage BMD van de lumbale wervels. Lage BMD was geassocieerd met verhoogd risico van fracturen.

1.Bloomhardt HM, Sint K, Ross WL et al. Severity of reduced bone mineral density and risk of fractures in long-term survivors of childhood leukemia and lymphoma undergoing guideline-recommended surveillance for bone health. Cancer 2019; epub ahead of print

Summary: A study of childhood leukemia/lymphoma survivors undergoing guideline-recommended DEXA surveillance found that patients who were older at diagnosis, white, and underweight were at the highest risk of low lumbar spine bone mineral density. Low BMD was associated with a greater risk of fractures, emphasizing the clinical importance of surveillance.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Evaluatie van continue tumorgrootte-gebaseerde eindpunten als surrogaten voor overall survival in mCRC (0)
2019-09-21 13:29   ( Nieuws )
Tags:  metastatic colorectal cancer continuous tumor-size-based end points overall survival
Prof. Tomasz BurzykowskiBepaling van de tumorgrootte voor, tijdens, en na de behandeling voor metastatisch colorectaalcarcinoom kan een indruk geven van de werkzaamheid van de behandeling. Een gepoolde analyse van twintig gerandomiseerd studies heeft onderzocht of tumorgrootte-gebaseerde eindpunten een geschikt surrogaat vormen voor overall survival van patiënten met mCRC. Prof. Tomasz Burzykowski (International Drug Development Institute, Leuven) en collega’s publiceren de analyse online in JAMA Network Open.1

De in de analyse geïncludeerde studies onderzochten alleen chemotherapie, antiangiogene middelen, en anti-EGFR middelen als eerstelijns behandeling voor mCRC. Er waren veertien chemotherapie-vergelijkingen in 4280 patiënten. In deze vergelijkingen was de associatie van effecten op tijd-tot-nadir met OS matig (R2 0,63; 95%-bti 0,30-0,96) en de associatie van effecten op diepte-van-nadir met OS slecht (R2 0,08; 95%-bti 0-0,37). Voor elf vergelijkingen van antiangiogene middelen (n=4854) waren de corresponderende R2-waarden 0,25 (95%-bti 0-0,72) en 0,06 (95%-bti 0-0,35), en voor de acht vergelijkingen van anti-EGFR middelen (n=2684) 0,24 (95%-bti 0-0,83) en 0,21 (95%-bti 0-0,78).

De onderzoekers concluderen dat noch tijd-tot-nadir noch diepte-van-nadir een acceptabel surrogaat voor OS was in eerstelijns behandeling van mCRC.

1.Burzykowski T, Coart E, Saad ED et al. Evaluation of continuous tumor-size-based end points as surrogates for overall survival in randomized clinical trials in metastatic colorectal cancer. JAMA Network Open 2019;2:e1911750

Summary: A pooled analysis of twenty randomized studies investigated the role of continuous tumor-size-based end points as surrogates for overall survival in first-line treatment of metastatic colorectal cancer. The analysis found that neither time to nadir nor depth of nadir was an acceptable surrogate for OS.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie van vroeg-stadium mammacarcinoom en chemotherapie met risico van atriumfibrilleren (0)
2019-09-21 12:00   ( Nieuws )
Tags:  early-stage breast cancer chemotherapy atrial fibrillation
Dr. Husam Abdel-QadirEr zijn aanwijzingen voor een associatie tussen de diagnose van sommige maligniteiten en verhoogd risico van atriumfibrilleren (AF). Een retrospectieve studie van de Universiteit van Toronto en geaffilieerde ziekenhuizen heeft de associatie onderzocht tussen vroeg-stadium mammacarcinoom (EBC) en chemotherapie voor EBC en het AF-risico. Dr. Husam Abdel-Qadir (Women’s College Hospital) en collega’s publiceren de studie online in JAMA Network Open.1

De studie includeerde 68.113 vrouwen met een diagnose EBC tussen april 2007 en eind 2016, en voor elke patiënt drie controledeelneemsters (n=204.330) gematcht voor leeftijd en geschiedenis van borst-imaging. De gemiddelde leeftijd in beide groepen was 60 ± 13 jaar. Geschiedenis van AF werd geïnventariseerd om te onderzoeken of patiënten al voor de diagnose een verhoogd AF-risico hadden, en was pas voor analyses betreffende de periode na de diagnose een exclusiecriterium. Onder de patiënten had 44,3% stadium I EBC; 38,7% stadium II; en 13,4% stadium III.

In de periode voorafgaand aan inclusie was er geen verschil in AF-prevalentie tussen beide groepen (5,3% in de groep patiënten versus 5,2% in de groep controles; p=0,21). Tien jaar na de inclusie was de cumulatieve AF-incidentie 7,4% in de patiëntengroep versus 6,8% in de controlegroep (p<0,001). De gecorrigeerde HR was significant verhoogd in het eerste jaar na inclusie (HR 2,16; 95%-bti 1,94-2,41) en na het vijfde jaar (HR 1,20; 95%-bti 1,11-1,30) maar niet in de jaren twee tot en met vijf. Analyses na exclusie van AF in het eerste jaar lieten een cumulatieve AF-incidentie zien van 7,0% in de groep patiënten versus 6,5% in de groep controles. Onder de patiënten was het AF-risico hoger in de groep patiënten die chemotherapie kregen (aHR 1,23; 95%-bti 1,13-1,35) maar was AF niet geassocieerd met blootstelling aan anthracyclines of trastuzumab.

De onderzoekers concluderen dat EBC-patiënten voorafgaand aan de diagnose geen verhoogd AF-risico hadden. Na de diagnose was het AF-risico verhoogd in het eerste jaar en na het vijfde jaar. Het AF-risico was hoger in patiënten die chemotherapie kregen, maar was niet geassocieerd met specifieke bekend-cardiotoxiche middelen.

1.Abdel-Qadir H, Thavendiranathan P, Fung K et al. Association of early-stage breast cancer and subsequent chemotherapy with risk of atrial fibrillation. JAMA Network Open 2019;2:e1911838

Summary: A retrospective study in Toronto investigated the risk of atrial fibrillation in women with early-stage breast cancer compared to a cancer-free control group. The study found no higher prevalence of AF in patients before the cancer diagnosis. In the first year and five years or longer after the diagnosis the patients had a higher rate of AF than the controls. The rate of AF was higher in patients who received chemotherapy but appeared not to be associated with specific cardiotoxic agents.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Overlevingsimpact van toevoegen concurrente chemotherapie aan radiotherapie voor stadium I HPV-positief OPSCC (0)
2019-09-20 15:00   ( Nieuws )
Tags:  HPV-positive oropharyngeal squamous cell cancer
Dr. Zachary ZumstegPatiënten met klinisch stadium I HPV-positief squameus celcarcinoom van de orofarynx (OPSCC) volgens de 8e editie van de AJCC-klassering vormen een heterogene groep die volgens de 7e AJCC-editie werden onderscheiden in stadium I tot en met IVA. Deze patiënten kregen historisch disparate behandelregimes, met name met betrekking tot het gebruik van concurrente chemotherapie. Een analyse van de National Cancer Database heeft de overlevingsimpact onderzocht van het toevoegen van concurrente chemotherapie aan definitieve radiotherapie voor stadium 1 (AJCC-8; dus T1-2N0-2bM0) HPV-positief OPSCC. Dr. Zachary Zumsteg (Cedars-Sinai Medical Center, Los Angeles CA) en collega’s publiceren de analyse online in Cancer.1


In de NCDB identificeerden de onderzoekers 4473 patiënten met een diagnose HPV-positief stadium I OPSCC tussen begin 2010 en eind 2014, met gemiddeld 36,3 maanden follow-up. Ër waren 3127 patiënten (69,9%) die concurrente chemotherapie kregen, gedefinieerd als chemotherapie gegeven binnen zeven dagen vanaf het begin van de radiotherapie. In multivariate analyse was concurrente chemotherapie geassocieerd met verbetering van de overall survival (HR 0,782; p=0,012). De OS-impact van toevoeging van chemotherapie aan radiotherapie liep uiteen voor lymfeklier-positieve en lymfeklier-negatieve ziekte (p voor interactie 0,001). Concurrente chemotherapie was geassocieerd met verbeterde OS van patiënten met lymfeklier-positieve ziekte (in AJCC-7 nog stadium III-IVA; HR 0,682; p<0,001) maar niet van patiënten met lymfeklier-negatieve ziekte (AJCC-7 stadium I-II; HR 1,646; p=0,05). Deze associaties werden bevestigd in propensity score-gematchte analyses.

De onderzoekers concluderen dat onder patiënten met stadium I (AJCC-8) HPV-positief OPSCC toevoegen van concurrente chemotherapie aan definitieve radiotherapie geassocieerd was met verbetering van de overleving van patiënten met lymfeklier-positieve ziekte maar niet van patiënten met lymfeklier-negatieve ziekte.

1.Yoshida EJ, Luu M, Mallen-St. Clair J et al. Stage I HPV-positive oropharyngeal cancer: should all patients receive similar treatments? Cancer 2019; epub ahead of print

Summary: An analysis of the National Cancer Database found that among patients with HPV-positive stage I (AJCC 8th edition) OPSCC addition of concurrent chemotherapy to definitive radiotherapy was associated with improved overall survival in patients with lymph node-positive disease, but not in patients with lymph node-negative disease.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Overall mortaliteit na een diagnose mammacarcinoom in mannen versus vrouwen (0)
2019-09-20 14:00   ( Nieuws )
Tags:  breast cancer overall mortality in men versus women
Prof. Xiao-Ou ShuEr zijn aanwijzingen voor een hogere mortaliteit onder mannen dan onder vrouwen na een diagnose mammacarcinoom. Er is geen uitputtend onderzoek gedaan naar factoren die ten grondslag kunnen liggen aan deze dispariteit. Een analyse van de National Cancer Database heeft deze factoren geïnventariseerd. Prof. Xiao-Ou Shu (Vanderbilt University Medical Center, Nashville TN) en collega’s publiceren de analyse online in JAMA Oncology.1

In de NCDB identificeerden de onderzoekers 16.025 mannen (gemiddelde leeftijd bij diagnose 63,3 ± 13,0 jaar) en 1.800.708 vrouwen (59,9 ± 13,3 jaar) met een diagnose mammacarcinoom tussen begin 2004 en eind 2014. De overall mortaliteit was in alle stadia hoger onder mannen dan onder vrouwen. Tijdens mediaan 54,0 maanden follow-up overleed 24,9% van de mannen, en tijdens mediaan 60,5 maanden follow-up overleed 16,0% van de vrouwen. De drie-jaars OS was 86,4% onder mannen versus 91,7% onder vrouwen, en de vijf-jaars OS was 77,6% onder mannen versus 86,4% onder vrouwen. Overall waren klinische kenmerken en onderbehandeling geassocieerd met 63,3% van de overmaat sterfte onder mannen. Echter, ook na correctie voor klinische kenmerken, behandelingsfactoren, leeftijd, ras/etniciteit, en toegang tot zorg bleef geslacht een significante met overall mortaliteit samenhangende factor (HR 1,19; 95%-bti 1,16-1,23).

De onderzoekers concluderen dat mortaliteit na een diagnose mammacarcinoom hoger was onder mannen dan onder vrouwen. Deze dispariteit bleef bestaan na correctie voor klinische kenmerken, behandelingsfactoren, en toegang tot zorg. Er is behoefte aan studie van andere factoren (waaronder biologische kenmerken, behandelcompliantie, en leefstijlfactoren) om deze dispariteit te verklaren.

1.Wang F, Shu X, Meszoely I et al. Overall mortality after diagnosis of breast cancer in men vs women. JAMA Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: An analysis of the National Cancer Database found that mortality after cancer diagnosis was higher among male versus female breast cancer patients. This disparity persisted after accounting for clinical characteristics, treatment factors, and access to care.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)