Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Impact van comorbiditeiten op ziektestadium bij diagnose longcarcinoom in Amerikaanse militairen (0)
2020-01-28 15:58   ( Nieuws )
Tags:  stage at lung cancer diagnosis comorbidities
Het US Military Health System (MHS) levert vergelijkbare gezondheidszorg aan alle Amerikaanse militairen. Een analyse binnen het MHS heeft de associatie onderzocht tussen comorbiditeiten het het stadium van longcarcinoom op het moment van diagnose. Prof. Kangmin Zhu (Murtha Cancer Center Research Program, Bethesda MD) en collega’s publiceren de analyse online in Cancer Causes & Control.1

De analyse, gebaseerd op gegevens in het Central Cancer Registy van het Amerikaanse Department of Defense, includeerde 4768 patiënten met primair NSCLC. Comorbiditeiten werden gedefinieerd als ziekten die worden meegewogen in de Charlson Comorbidity Index en die werden gediagnostiseerd binnen drie jaar voor de NSCLC-diagnose. Vroeg-stadium NSCLC werd gedefinieerd als stadium I of II; laat stadium als stadium III of IV. Vergeleken met patiënten zonder comorbiditeiten hadden patiënten met eerdere comorbiditeiten een lagere waarschijnlijkheid van diagnose in laat stadium. Onder specifieke comorbiditeiten was COPD geassocieerd met 22% lagere waarschijnlijkheid van NSCLC-diagnose in laat stadium (versus geen COPD OR 0,78; 95%-bti 0,68-0,90) terwijl congestief hartfalen (OR 1,30; 95%-bti 1,00-1,69) en levercirrose/chronische hepatitis (OR 1,87; 95%-bti 1,24-2,82) een verhoogd risico hadden van NSCLC-diagnose in laat stadium.

De onderzoekers concluderen dat onder NSCLC-patiënten in een equal access health system specifieke comorbiditeiten uiteenlopende associaties hebben met laat stadium bij diagnose.

1.Lin J, McGlynn KA, Nations JA et al. Comorbidity and stage at diagnosis among lung cancer patients in the US military health system. Cancer Causes Control 2020; epub ahead of print

Summary: An analysis within the group of beneficiaries of the US Military Health System found that among NSCLC patients in an equal access health system, the likelihood of late stage at diagnosis differed by specific comorbid diseases.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Vroege donoridentificatie verbetert overleving van patiënten met hoog-risico AML in eerste remissie (0)
2020-01-28 15:00   ( Nieuws )
Tags:  high-risk AML early donor identification
Dr. John PagelAllogene hematopoïetische stamceltransplantie (alloHCT) vergeleken met alleen consolidatietherapie is geassocieerd met verbetering van de uitkomsten van patiënten met high-risk cytogenetics AML in eerste complete remissie (CR1). Slechts ongeveer 40% van deze patiënten ondergaat in de praktijk alloHCT. Een multicenterstudie in de Verenigde Staten en Canada heeft de waarde onderzocht van een georganiseerde benadering gericht op vroege identificatie van geschikte donoren voor deze patiënten. Dr. John Pagel (Swedish Cancer Institute, Seattle WA) en collega’s publiceren de studie online in JCO Oncology Practice.1


De studie includeerde 738 patiënten (mediane leeftijd 49 jaar; range 18 tot en met 60) van wie bij inclusie de cytogenetische kenmerken van de ziekte getest werden. Onder deze patiënten waren er 159 met high-risk cytogenetics (22%). Deze patiënten ondergingen HLA-typering. Ze werden verwezen voor consultatie met een transplantatieteam om in CR1 alloHCT te ondergaan.

CR1 werd bereikt door 107 van de 159 patiënten (67%) waarna 70 van deze 107 patiënten (65%) in CR1 alloHCT ondergingen (vergeleken met 40% in historische controles; p<0,001). De mediane tijd van het bereiken van CR1 tot alloHCT was 77 dagen (range 20-356). De mediane recidiefvrije overleving na de transplantatie was 11,5 maanden (range 4-47), en de mediane overall survival was 14 maanden (range 4-44). In landmark-analyse was de twee-jaars OS onder de patiënten die transplantatie ondergingen significant beter dan die van patiënten die geen transplantatie ondergingen (48% versus 35%; p=0,031).

De onderzoekers concluderen dat vroeg cytogenetisch testen in combinatie met een georganiseerde poging vroeg geschikte donoren te vinden resulteerde in CR1 transplantatiepercentage van 65% in hoog-risico AML patiënten. Transplantatie was geassocieerd met verbetering van de OS.

1.Pagel JM, Othus M, Garcia-Manero G et al. Rapid donor identification improves survival in high-risk first-remission patients with acute myeloid leukemia. JCO Oncol Pract 2020; epub ahead of print

Summary: A multicenter study in the USA found that early cytogenetic testing with an organized effort to identify a suitable allogeneic HCT donor for high-risk AML patients in first complete remission resulted in a transplantation rate of 65%, which led to an improvement in OS when compared with OS of patients who did not undergo transplantation.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Overlevingsimpact van anti-TNF voor steroid-refractaire toxiciteit van ICI-behandeling voor melanoom (0)
2020-01-28 13:57   ( Nieuws )
Tags:  ICIs for melanoma anti-TNF for steroid refractory toxicity survival
Dr. Karijn SuijkerbuijkStimulering van het antitumor-immuunsysteem door blokkade van PD-1 of CTLA-4 kan resulteren in ernstige toxiciteit die immuunsuppressieve therapie vereist. Een analyse van het prospectieve Nederlandse Melanoombehandelingsregister heeft de associatie van deze toxiciteit met overleving onderzocht, en ook de impact van het toxiciteitsmanagement op de overleving geïnventariseerd. Dr. Karijn Suijkerbuijk (UMC Utrecht) en collega’s publiceren de analyse online in Clinical Cancer Research.1

De analyse includeerde 1250 patiënten met gevorderd melanoom, die tussen begin 2012 en eind 2017 in eerste lijn immuuncheckpointremmers (ICIs) kregen. Er waren 589 patiënten die anti-PD1 monotherapie kregen, 576 patiënten die ipilimumab kregen, en 85 die combinatietherapie kregen. De behandeling resulteerde in graad 3 of hogere toxiciteit in 312 patiënten (25%). De mediane overall survival onder de patiënten met ernstige toxiciteit was 23 maanden, vergeleken met 15 maanden onder de patiënten zonder ernstige toxiciteit (gecorrigeerd HR 0,77; 95%-bti 0,63-0,96). Onder de patiënten die anti-TNF met of zonder steroïden kregen voor steroïd-refractaire toxiciteit was de mediane OS 17 maanden, vergeleken met 27 maanden onder de patiënten die alleen steroïden kregen (HR 1,61; 95%-bti 1,03-2,51).

De onderzoekers concluderen dat ernstige ICI-gerelateerde toxiciteit geassocieerd was met langere OS, maar dat management van deze toxiciteit met anti-TNF dit overlevingsvoordeel verlaagde.

1.Verheijden RJ, May AM, Blank CU et al. Association of anti-TNF with decreased survival in steroid refractory ipilimumab and anti-PD1 treated patients in the Dutch Melanoma Treatment Registry. Clin Cancer Res 2020; epub ahead of print

Summary: An analysis of the Dutch Melanoma Treatment Registry found that melanoma patients experiencing severe ICI toxicity had prolonged overall survival; however this survival advantage was abrogated when anti-TNF was administered for steroid-refractory toxicity.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Gerandomiseerde fase 2-studie van TAS-102 met of zonder bevacizumab voor chemorefractair mCRC (0)
2020-01-28 12:50   ( Nieuws )
Tags:  chemorefractory metastatic colorectal cancer TAS-102 bevacizumab
Prof. Per PfeifferIn patiënten met chemorefractair metastatisch colorectaalcarcinoom (mCRC) was behandeling met TAS-102 vergeleken met placebo geassocieerd met significant overall survival profijt. Een multicenter gerandomiseerde fase 2-studie in Denemarken heeft de waarde onderzocht van toevoeging van bevacizumab aan deze behandeling. Prof. Per Pfeiffer (Universiteit van Zuid-Denemarken, Odense) en collega’s publiceren de studie online in The Lancet Oncology.1

De studie, die werd uitgevoerd in vier Deense centra, includeerde volwassen patiënten met mCRC refractair of intolerant tegen fluoropyrimidine, irinotecan, oxaliplatin, cetuximab of panitumumab, en een WHO performance status 0 of 1. De patiënten kregen vier-weekse cycli van oraal TAS-102 35 mg/m2 tweemaal daags op dagen één tot en met vijf en acht tot en met twaalf, zonder (n=47) of met (n=46) intraveneus bevacizumab 5 mg/kg op dagen één en vijftien. De behandeling werd voortgezet tot progressie of niet-acceptabele toxiciteit optrad. Het primaire eindpunt van de studie was lokaal-beoordeerde progressievrije overleving.

De mediane follow-up was 10,0 maanden (IQR 6,8-14,0). De mediane PFS was 2,6 maanden met alleen TAS-102 versus 4,6 maanden met TAS-102 plus bevacizumab (HR 0,45; p=0,0015). De meest-frequente graad 3 of hoger adverse event was neutropenie (38% met TAS-102 monotherapie versus 67% met TAS-102 plus bevacizumab). Ernstige adverse events werden gezien in 45% versus 41% in deze beide groepen. Er waren geen graad 5 AEs van de behandeling.

De onderzoekers concluderen dat TAS-102 plus bevacizumab vergeleken met alleen TAS-102 resulteerde in statistisch significante en klinisch relevante verbetering van de PFS, met tolerabele toxiciteit.

1.Pfeiffer P, Yilmaz M, Möller S et al. TAS-102 with or without bevacizumab in patients with chemorefractory metastatic colorectal cancer: an investigator-initiated, open-label, randomised, phase 2 trial. Lancet Oncol 2020; epub ahead of print

Summary: A randomized phase 2 study at four centers in Denmark found that addition of bevacizumab to TAS-102 was associated with significant and clinically relevant improvement in progression-free survival of patients with chemorefractory metastatic colorectal cancer. The toxicity was tolerable.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Werkzaamheid van tweede- of laterelijns immuuncheckpointremmers voor sarcomatoïd carcinoom van de long (0)
2020-01-27 16:00   ( Nieuws )
Tags:  Werkzaamheid van tweede- of laterelijns immuuncheckpointremmer voor sarcomatoïd carcinoom van de long
Prof. Marie WislezImmuuncheckpointremmers (ICIs) hebben geresulteerd in verbetering van de prognose van verscheidene typen maligniteiten. De werkzaamheid van ICIs voor sarcomatoïd carcinoom van de long (LSC) is nog niet bekend. Een retrospectieve multicenterstudie in Frankrijk heeft werkzaamheid onderzocht van tweede- of laterelijns ICIs voor LSC. Prof. Marie Wislez (Hôpital Cochin, Parijs) en collega’s publiceren de studie online in het Journal of Thoracic Oncology.1

De studie includeerde 27 mannen en 10 vrouwen die tussen begin 2011 en eind 2017 ICIs kregen voor LSC. De mediane leeftijd was 63,2 jaar (range 36,8-79,7); 35 patiënten waren huidige of voormalige rokers. ICIs (vooral nivolumab; 32 patiënten) werden gegeven als tweedelijns behandeling in 54% en als derde- of laterelijns behandeling in 46%. Respons werd gezien in vijftien patiënten (ORR 40,5%) en stabiele ziekte in nog negen patiënten (DCR 64,8%). De mediane PD-L1 expressie was 70% (range 0-100). Respons was niet significant geassocieerd met PD-L1 status van de tumoren, hoewel er een trend was van hogere PD-L1 expressie in LSC met respons vergeleken met stabiele ziekte of progressieve ziekte. De mediane tumormutatiebelasting was 18 mutaties per megabase (range 4-39). Er was een trend van hogere TMB in LSC met respons vergeleken met stabiele ziekte of progressieve ziekte. De mediane overall survival was 12,7 maanden (range 0,3-45,7).

De onderzoekers concluderen dat de studie activiteit heeft laten zien van tweede- of laterelijns ICIs voor LSC.

1.Domblides C, Leroy K, Monnet I et al. Efficacy of immune checkpoint inhibitors in lung sarcomatoid carcinoma. J Thor Oncol 2020; epub ahead of print

Summary: A retrospective multicenter study in France found second- and later-line activity of immune checkpoint inhibitors for lung sarcomatoid carcinoma.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Ixazomib-lenalidomide-dexamethason voor recidiverend amyloïde lichte-keten amyloïdose (0)
2020-01-27 14:58   ( Nieuws )
Tags:  relapsed AL amyloidosis IRd
Prof. Ashutosh WechalekarEr is behoefte aan nieuwe behandelingen voor amyloïde lichte-keten (AL) amyloïdose. Een studie van University College London (UK) heeft de veiligheid en werkzaamheid onderzocht van de combinatie van ixazomib-lenalidomide-dexamethason (IRd) voor recidiverend AL amyloïdose. Prof. Ashutosh Wechalekar en collega’s publiceren de studie online in het British Journal of Haematology.1

De studie includeerde veertig patiënten, waarvan er één uit de analyses werd geëxcludeerd. Na drie maanden IRd werd in acht patiënten complete respons gezien (20,5%), eveneens in acht zeer goede partiële respons (20,5%), in zeven partiële respons (17,9%), en in zestien geen respons (41,0%). In zes patiënten werd vervolgens verbetering van de respons gezien, tot beste respons CR in tien (25,6%), VGPR in acht (20,5%), PR in zeven (17,9%), en NR in veertien (35,9%). Orgaanrespons in hart en nier werden gezien in 5,6% respectievelijk 13,3%. De mediane progressievrije overleving was 17,0 maanden (95%-bti 7,3-20,7) onder alle patiënten, en 28,8 maanden (95%-bti 20,6-37,0) in patiënten met CR en VGPR. De mediane overall survival was 29,1 maanden (95%-bti 24-33). Ernstige adverse events werden gezien in veertien patiënten (35,0%).

De onderzoekers concluderen dat IRd een orale behandeloptie was voor recidiverend AL amyloïdose die resulteerde in diepe repons in bijna de helft van de patiënten. De toxiciteit was manageable.

1.Cohen OC, Sharpley F, Gillmore JD et al. Use of ixazomib, lenalidomide and dexamethasone in patients with relapsed amyloid light-chain amyloidosis. Br J Haematol 2020; epub ahead of print

Summary: A study at University College London (UK) found that the combination of ixazomib-lenalidomide-dexamethasone was an oral treatment option with a manageable toxicity profile leading to deep responses in almost half of the patients with relapsed amyloid light-chain amyloidosis.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Vroege versus late cardiale gebeurtenissen na immuuncheckpointremmers voor maligniteiten (0)
2020-01-27 13:58   ( Nieuws )
Tags:  ICIs for cancer late cardiac adverse events
Dr. Joachim AlexandreIn recente studies zijn vroege (binnen negentig dagen na de start) cardiale bijwerkingen (CAEs) van immuunchceckpointremmers (ICIs) voor maligniteiten beschreven. Deze bijwerkingen, vooral acute en fulminante myocarditis, kunnen levensbedreigende zijn maar komen zelden voor (in ongeveer 1% van de patiënten). Er is minder informatie beschikbaar over het voorkomen van late CAEs (na negentig dagen of langer) na ICIs voor maligniteiten. Een Franse cohortstudie en database-analyse heeft late CAEs van ICIs voor maligniteiten geïnventariseerd en vergeleken met vroege CAEs. Dr. Joachim Alexandre (Centre Hospitalier Universitaire de Caen) en collega’s publiceren de studie en analyse online in het Journal for ImmunoTherapy of Cancer.1

De cohortstudie vergeleek negentien patiënten met vroege CAEs (mediane time to onset 14 dagen; IQR 8-62) met negentien patiënten met late CAEs (mediane TTO 304 dagen; IQR 180-422). De figuur laat zien dat de patiënten met late CAEs vergeleken met patiënten met vroege CAEs significant hogere incidentie hadden van hartfalen (47,4% versus 5,3%; p=0,01) en LVSD (73,7% versus 36,8%; p=0,049), maar minder supraventriculaire aritmie (10,5% versus 47,3%; p=0,03). Herstel van LVSD, cardiovasculaire mortaliteit, en overall mortaliteit waren niet significant verschillend tussen beide groepen. In de VigiBase (de WHO Individual Case Safety Database met meer dan achttien miljoen rapporten uit 130 landen) identificeerden de onderzoekers 437 patiënten met gerapporteerde vroege CAEs na ICIs voor maligniteiten (mediane TTO 21 dagen) en 159 patiënten met late CAEs (mediane TTO 178 dagen). Patiënten met late CAEs hadden significant meer frequent hartfalen (31,4% versus 21,1%; p=0,01).

De onderzoekers concluderen dat ICI-therapie voor maligniteiten geassocieerd is met verhoogd risico van late CAEs, vooral hartfalen met LVSD.

1.Dolladille C, Ederhy S, Allouche S et al. Late cardiac events in patients with cancer treated with immune checkpoint inhibitors. J ImmunoTher Cancer 2020;8:e000261

Summary: A cohort study and database analysis cohort study and database analysis in France identified heart failure with left ventricular systolic dysfunction as the most frequent late cardiac adverse events after immune checkpoint inhibitors for cancer.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Vroege D-index geleide versus empirische antifungustherapie voor persistente febriele neutropenie (0)
2020-01-27 13:00   ( Nieuws )
Tags:  persistent febrile neutropenia D-index-guided early antifugal therapy
Prof. Yoshinobu KandaEmpirische antifungustherapie (EAT) wordt aanbevolen voor persistente febriele neutropenie (FN), maar is in de meeste patiënten geassocieerd met overbehandeling. De D-index, berekend als het oppervlak omgeven door de neutrofielencurve en de horizontale lijn bij een neutrofielengetal van 500/μl, geeft een indruk van zowel de duur als de diepte van de neutropenie, en maakt real-time monitoring mogelijk van het risico van invasieve fungusinfectie in individuele patiënten. Een multicenter gerandomiseerde noninferioriteits-studie in Japan heeft een nieuwe benadering voor patiënten met persistent FN onderzocht, de D-index geleide vroege antifungustherapie (DET), waarin antifungustherapie wordt uitgesteld tot de D-index de waarde van 5500 bereikt of tot positieve serum- of imaging-testen worden vastgesteld. De studie vergeleek DET met EAT. Prof. Yoshinobu Kanda (Jichi Medische Universiteit, Saitama) en collega’s publiceren de studie online in het Journal of Clinical Oncology.1

De studie includeerde 413 patiënten die chemotherapie of hematopoïetische stamceltransplantatie onderging voor hematologische maligniteiten. Profylactisch gebruik van antifungiciden anders dan polyenen, echinocandinen, of voriconazol was toegestaan. Micafungine 150 mg per dag werd toegediend als EAT of DET. De incidentie van waarschijnlijke of bewezen fungusinfectie was 2,5% in de EAT-groep versus 0,5% in de DET-groep, waarmee noninferioriteit van DET versus EAT werd vastgesteld. De overleving na 42 dagen was 98,0% versus 98,6%, en de overleving na 84 dagen was 96,4% versus 96,2%. Gebruik van mucafungine was significant lager in de DET-groep (60,2% versus 32,5%; p<0,001).
De onderzoekers concluderen dat de DET-strategie vergeleken met de EAT-strategie geassocieerd was met verlaagd gebruik van mucafungine zonder verhoogde incidentie van fungusinfecties.


1.Kanda Y, Kimura S-i, Iino M et al. D-index-guided early antifungal therapy versus empirical antifungal therapy for persistent febrile neutropenia: a randomized controlled noninferiority trial. J Clin Oncol 2020; epub ahead of print

Summary: A randomized noninferiority trial in Japan compared empiric antifungal therapy (EAT) for febrile neutropenia versus D-index-guided early antifungal therapy (DET). The incidence of probable or proven invasive fungal infection was 2.5% with EAT versus 0.5% with DET. The use uf micafungin was sigificantly reduced in the DET group (60.2% versus 32.5%; p<0.001).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)