Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Prognostische impact van interim-PET tijdens R-CHOP behandeling voor gevorderd mantelcellymfoom (0)
2019-11-18 14:58   ( Nieuws )
Tags:  MCL R-CHOP interim PET
Prof. Seok-Goo ChoHoewel 18F-FDG-PET gewoonlijk wordt gebruikt voor initiële stadiumbepaling en evaluatie van de therapeutische respons van agressieve lymfomen, is er nog geen consensus over de prognostische waarde van de bepaling in mantelcellymfoom (MCL). Een retrospectieve studie in Zuid-Korea heeft de correlaties van interim-PET (iPET) en end-of-treatment PET (ePET) respons met overleving geanalyseerd. Prof. Seok-Goo Cho (Katholieke Universiteit van Korea, Seoel) en collega’s publiceren de studie online in het British Journal of Haematology.1

De studie includeerde 89 achtereenvolgende patiënten die frontline R-CHOP kregen voor gevorderd MCL De patiënten ondergingen PET voor aanvang, na de derde R-CHOP cyclus (interim), en na voltooiing van de behandeling. De figuur toont de belangrijkste resultaten van de studie. I-PET positiviteit was sterk geassocieerd met inferieure vijf-jaars overall survival (HR 7,84; p<0,0001) en vijf-jaars progressievrije overleving (HR 3,34; p<0,0001). OS en PFS waren het meest gunstig in patiënten met een negatieve iPET en een negatieve ePET (‘early metabolic responders’), gevolgd door patiënten met een positieve iPET en een negatieve ePET (‘delayed metabolic responders’), patiënten met een negatieve iPET en een positieve ePET (‘loss-metabolic responders’), en tenslotte de patiënten met een positieve iPET en een positieve ePET (‘never metabolic responders’).

De onderzoekers concluderen dat de studie suggereert dat iPET prognostisch is voor OS en PFS na frontline R-CHOP voor MCL.

1.Jeon Y-W, O J-H, Park K-S et al. Prognostic impact of interim positron emission tomography in mantle cell lymphoma patients treated with frontline R-CHOP. Br J Haematol 2019; epub ahead of print

Summary: A retrospective study in South Korea found that in patients receiving frontline R-CHOP for mantle cell lymphoma interim PET (iPET) and end-of-treatment PET (ePET) were independent predictors of survival.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie tussen blootgesteld zijn aan platina en oorzaak-specifieke mortaliteit van patiënten met testiscarcinoom (0)
2019-11-18 13:58   ( Nieuws )
Tags:  testicular cancer platinum exposure cause-specific mortality
Dr. Michael SchaapveldHet is bekend dat behandeling voor testiscarcinoom (TC) geassocieerd is met verscheidene late morbiditeiten, waaronder tweede maligne neoplasmen (SMNs) en ischemische hartziekte (IHD). Er is echter weinig informatie beschikbaar over oorzaak-specifieke excess mortaliteit onder patiënten die platina-bevattende chemotherapie voor TC hebben gekregen. Een multicenter cohortstudie in Nederland heeft deze oversterfte geïnventariseerd. Dr. Michael Schaapveld (NKI) en collega’s publiceren de studie online in Cancer.1

De studie includeerde 6042 patiënten die tussen begin 1976 en eind 2006 behandeld waren voor TC. Tijdens mediaan 17,6 jaar follow-up overleden 800 patiënten, onder wie 40,3% aan TC. De cumulatieve mortaliteit 25 jaar na de TC-behandeling was 9,6% (95%-bti 8,5-10,7).

In vergelijking met de algemene bevolking hadden nonseminoom-patiënten een 2,0 tot 11,6 maal verhoogde mortaliteit van long-, maag-, pancreas-, rectum- en niermaligtiteiten en van wekedelensarcoom en leukemie; een 1,9 maal verhoogde IHD-mortaliteit, en een 3,9 maal verhoogde pneumoniemortaliteit. Seminoompatiënten hadden een 2,5 tot 4,6 maal verhoogde mortaliteit van maag-, pancreas-, en blaasmaligniteiten en leukemie. Radiotherapie en chemotherapie waren geassocieerd met 2,1 (95%-bti 1,8-2,5) respectievelijk 2,5 (95%-bti 2,0-3,1) maal verhoogde SMN-mortaliteit.

In multivariate analyse hadden patiënten na platina-bevattende chemotherapie vergeleken met patiënten die geen platina-bevattende chemotherapie hadden gekregen een 2,5 maal verhoogde SMN-mortaliteit (95%-bti 1,8-3,5) en een 2,1 maal verhoogde IHD-mortaliteit (95%-bti 1,5-4,2). De HR voor SMN-mortaliteit nam toe met 0,29 (95%-bti 0,19-0,39) per toename van de platina-dosering met 100 mg/m2 (p voor trend <0,001).


De onderzoekers concluderen dat onder TC-patiënten platina-bevattende chemotherapie geassocieerd is met een doserings-afhankelijke toename van het risico van SMN-mortaliteit.

1.Groot HJ, van Leeuwen FE, Lubberts S et al. Platinum exposure and cause-specific mortality among patients with testicular cancer. Cancer 2019; epub ahead of print

Summary: A multicenter cohort study in The Netherlands found that among survivors of testicularcancer exposure to platinum-containing chemotherapy was associated with a dose-dependent increase of mortality due to second malignant neoplasms.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Gewichtsverloop na systemische adjuvante therapie voor mammacarcinoom (0)
2019-11-18 12:57   ( Nieuws )
Tags:  adjuvant chemotherapy for breast cancer weight trajectories
Dr. Kirsten NyropToename van het lichaamsgewicht na een diagnose mammacarcinoom (BC) is een bekend verschijnsel, maar niet universeel. Er is behoefte aan methoden om patiënten met verhoogd risico van toename van lichaamsgewicht te identificeren. Een studie van de University of North Carolina (Chapel Hill) heeft het verloop van het lichaamsgewicht van patiënten met vroeg-stadium BC tijdens de eerste twee jaar na voltooiing van de primaire behandeling geïnventariseerd. Dr. Kirsten Nyrop en collega’s publiceren de studie online in Breast Cancer Research and Treatment.1

De studie includeerde 625 volwassen vrouwen met een diagnose stadium 0 tot en met 3 mammacarcinoom tussen begin 1995 en eind 2016. Onder deze vrouwen waren 29% niet-blank en 37% premenopauzaal bij diagnose. De BMI bij diagnose was normaal (BMI18-25) in 33%, terwijl 27% overgewicht had (BMI 25-30) en 40% obesitas (BMI 30 of hoger). Twee jaar na de behandeling had 31% van de vrouwen tenminste 2 kg lichaamsgewicht verloren, 34% was op gewicht gebleven binnen een marge van 2 kg, en 35% was meer dan 2 kg zwaarder geworden. Factoren die geassocieerd waren met 2kg of meer gewichtstoename waren premenopauzale status (versus postmenopauzaal HR 1,65; 95%-bti 1,34-2,04), ontvangst van enig type chemotherapie (HR 1,36; 95%-bti 1,04-1,77), en anthracycline-gebaseerde chemotherapie gevolgd door endocriene therapie (HR 1,60; 95%-bti 1,01-2,45). Anti-HER2 therapie en transitie van pre- naar postmenopauzaal tijdens de twee jaar durende follow-up waren niet significant geassocieerd met gewichtstoename. In multivariate analyse gecorrigeerd voor type behandeling bleef menopauzale status de enige significant met gewichtstoename geassocieerde factor.

De onderzoekers concluderen dat verloop van lichaamsgewicht in vrouwen met vroeg-stadium BC sterkt uiteenliep met verschillende behandelingen. Premenopauzale patiënten hadden het hoogste risico van gewichtstoename.

1.Nyrop KA, Deal AM, Shachar SS et al. Weight trajectories in women receiving systemic adjuvant therapy for breast cancer. Breast Cancer Res Treat 2019; epub ahead of print

Summary: A study at the University of North Carolina (Chapel Hill) found that weight trajectories in women during the first two years after systemic adjuvant therapy for early breast cancer varied greatly by treatment plan. Premenopausal patients were at the highest risk for weight gain.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Uitkomsten van prostaatcarcinoom voor of na solide-orgaantransplantatie (0)
2019-11-17 16:00   ( Nieuws )
Tags:  prostate cancer outcomes following solid-organ transplantation
Dr. Stanley LiauwHet is bekend dat immuunsuppressieve regimes die geassocieerd zijn met het ontvangen van getransplanteerde organen het risico van het ontwikkelen van maligniteiten verhogen. Een analyse van de SEER-Medicare database heeft de uitkomsten geïnventariseerd van prostaatcarcinoom voor of na het ontvangen van een getransplanteerd orgaan. Dr. Stanley Liauw (University of Chicago IL) en collega’s publiceren de analyse online in het Journal of the National Cancer Institute.1

In de database identificeerden de onderzoekers 163.676 niet-metastatisch prostaatcarcinoom-patiënten ouder dan 65 jaar, onder wie 620 (4,2%) met een transplantatie tot tien jaar voor (n=320) of tot vijf jaar na (n=300) de diagnose prostaatcarcinoom. Ze vergeleken de uitkomsten in deze patiënten met uitkomsten van 3100 gematchte patiënten die geen transplantatie hadden ondergaan. De tien-jaars overall mortality was 55,7% in het cohort met transplantatie versus 42,4% in het cohort zonder transplantatie (p<0,001). De tien-jaars prostaatcarcinoom-specifieke mortaliteit was 6,0% in het cohort met transplantatie versus 7,6% in het cohort zonder transplantatie (p=0,70). Ook in gecorrigeerde modellen, onder meer gecorrigeerd voor verschillen in therapie, werd geen verschil in PCSM tussen beide groepen gezien. Onder de 334 mannen die transplantatie hadden ondergaan en T1-2N0 goed/matig-gedifferentieerde laag-risico ziekte hadden was de PCSM niet significant verschillend tussen mannen die behandeld werden en mannen die actieve surveillance ondergingen (HR 0,92; 95%-bti 0,47-1,81).

De onderzoekers concluderen dat onder mannen ouder dan 65 jaar met prostaatcarcinoom ontvangst van een getransplanteerd orgaan geassocieerd was met hogere OM maar niet PCSM. Ontvangst van een getransplanteerd orgaan is op zichzelf geen reden om te kiezen voor behandeling in plaats van actieve surveillance voor prostaatcarcinoom.

1.Liauw SL, Ham SA, Das LC et al. Prostate cancer outcomes following solid-organ transplantation: a SEER-Medicare analysis. J Natl Cancer Inst 2019; epub ahead of print

Summary: An analysis of the SEER-Medicare database found that among prostate cancer patients older than 65 years, an organ transplant before or after the prostate cancer diagnosis was associated with higher overall mortality (compared to patients without transplant) but not higher prostate cancer-specific mortality.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Prognostische en predictieve betekenis van consensus moleculaire subgroepen in metastatisch colorectaalcarcinoom (0)
2019-11-17 14:29   ( Nieuws )
Tags:  colorectal cancer prognostic and predictive relevance of CMSs
Prof. Sebastian StintzingDe Consensus Molecular Subgroup (CMS)-indeling onderscheidt colorectaalcarcinoom in vier groepen op basis van genexpressiesignaturen. De relevantie van deze indeling voor de behandeling is nog niet goed gedefinieerd. Een exploratieve analyse van resultaten van de FIRE3-studie heeft de prognostische en predictieve betekenis van CMSs van metastatisch CRC onderzocht. Prof. Sebastian Stintzing (Charité Universitätsmedizin Berlijn) en collega’s publiceren de analyse online in Annals of Oncology.1

FIRE3 vergeleek eerstelijns FOLFIRI plus cetuximab versus FOLFIRI plus bevacizumab voor KRAS exon 2 wildtype mCRC. De CMS-categorie kon worden bepaald in tumoren van 438 patiënten: 14% was CMS1, 37% was CMS2, 15% was CMS3, en 34% was CMS4. Onder de RAS-wildtype tumoren (n=315) was de verdeling 12% CMS1, 41% CMS2, 11% CMS3, en 34% CMS4. De CMS-distributie in rechts- versus linkszijdige tumoren was CMS1 27% versus 11%, CMS2 28% versus 45%, CMS3 10% versus 12%, en CMS4 35% versus 32%. Onafhankelijk van de behandeling was CMS een sterk prognostische factor voor ORR (p=0,051), PFS (p<0,001), en OS (p<0,001). Binnen de RAS-wildtype populatie was in CMS4 de OS significant beter in de FOLFIRI-cetuximab arm dan in de FOLFIRI-bevacizumab arm. In CMS3 was er een trend van betere OS met FOLFIRI-cetuximab dan met FOLFIRI-bevacizumab. In CMS1 en CMS2 had de behandelarm geen invloed op de OS.

De onderzoekers concluderen dat de CMS-categorie prognostisch is in mCRC. De langere OS met FOLFIRI-cetixumab versus FOLFIRI-bevacizumab in FIRE3 werd gedreven door CMS3 en CMS4.

1.Stintzing S, Wirapati P, Lenz H-J et al. Consensus molecular subgroups (CMS) of colorectal cancer (CRC) and 1st-line efficacy of FOLFIRI plus cetuximab or bevacizumab in the FIRE3 (AIO KRK-0306) trial. Ann Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: An exploratory analysis of results of the FIRE3 study found that the Consensus Molecular Subgroup classification is prognostic for mCRC. Prolonged OS induced by FOLFIRI plus cetuximab compared to FOLFIRI plus bevacizumab appeared to be driven by CMS3 and CMS4. There is no direct impact of CMS classification on clinical decision-making.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie tussen androgeenreceptorexpressie en respons van mammacarcinoom op chemotherapie in neoadjuvante studies (0)
2019-11-17 13:00   ( Nieuws )
Tags:  TECHNO and PREPARE trials AR expression in breast cancer chemotherapy response
Prof. Isabell WitzelEr is geen consensus over de prognostische en/of predictieve betekenis van expressie van de androgeenreceptor (AR) in mammacarcinoom. Een analyse van twee Duitse studies heeft deze betekenis nader onderzocht. Prof. Isabell Witzel (UMC Hamburg) en collega’s publiceren de analyse online in het British Journal of Cancer.1

De studies in kwestie waren de neoadjuvante TECHNO-studie (118 patiënten met HER2-positieve ziekte) en de neoadjuvante PREPARE-studie (321 patiënten met HER2-positieve of HER2-negatieve ziekte). Voor de nu gepubliceerde analyse bepaalden de onderzoekers de expressie van AR-mRNA met RT-qPCR. De mRNA-niveaus waren hoog in de tumoren van 92 van 160 patiënten met HER2-positieve ziekte (61,3%) maar vrijwel niet-detecteerbaar in de tumoren van patiënten met HER2-negatieve ziekte (slechts detecteerbaar in 3 van 69 tumoren; 4,3%; p<0,0001). In alle patiënten tezamen waren hoge AR-mRNA niveaus geassocieerd met lagere percentages patiënten met pathologisch complete respons (per eenheid OR 0,77; p=0,0002) maar ook met betere prognose in termen van langere ziektevrije overleving (HR 0,57; p=0,0054) en overall survival (HR 0,43; p=0,0011). In de PREPARE-studie was verschil in OS tussen patiënten met hoge en patiënten met lage AR1-mRNA niveaus alleen te zien in de groep patiënten die standaard chemotherapie kregen (HR 0,41; 95%-bti 0,22-0,74) maar niet in de groep patiënten die dose-dense chemotherapie kregen (HR 1,05; 95%-bti 0,52-2,13).

De onderzoekers concluderen de AR-mRNA niveaus de respons van mammacarcinoom op chemotherapie kunnen voorspellen.

1.Witzel I, Loibl S, Wirtz R et al. Androgen receptor expression and response to chemotherapy in breast cancer patients treated in the neoadjuvant TECHNO and PREPARE trial. Br J Cancer 2019; epub ahead of print

Summary: An analysis of the neaodjuvant studies TECHNO and PREPARE found that high AR mRNA levels was associated with lower pCR rates but longer disease-free and overall survival.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Vijf-jaars follow-up resultaten van fase 1b-studie van vemurafenib en cobimetinib voor BRAF-gemuteerd melanoom (0)
2019-11-16 16:00   ( Nieuws )
Tags:  BRIM7 study vemurafenib and cometinib for BRAF-mutant melanoma
Prof. Antoni RibasReactivering van de MAPK-singaalroute via MEK is het meest gebruikelijke resistentiemechanisme tegen BRAF-remmer monotherapie. De multinationale fase 1b-studie BRIM7 heeft de waarde onderzocht van gecombineerde BRAF- en MEK-remming voor metastatisch melanoom met BRAF V600-mutatie. Prof. Antoni Ribas (University of California, Los Angeles) en collega’s publiceren vijf-jaars follow-up resultaten van de studie online in Clinical Cancer Research.1

De studie includeerde patiënten in twee cohorten: 63 patiënten die niet eerder met BRAF-remmer behandeld waren, en 66 patiënten met progressie op eerdere behandeling met de BRAF-remmer vemurafenib. De patiënten in beide cohorten kregen een combinatie van vemurafenib plus de MEK-remmer cobimetinib in verschillende doseringsschema’s. In 2014 is gepubliceerd dat met het schema vemurafenib 720 of 980 mg tweemaal daags in combinatie met cobimetinib 60 mg eenmaal daags gedurende de eerste drie weken van vier-weekse cycli partiële respons werd bereikt in 87% van het BRAF-remmer naïeve cohort en 15% van het vemurafenib-voorbehandelde cohort. Voor het expansiegedeelte van de studie werden deze twee regimes aangehouden.

In het BRAF-remmer naïeve cohort was de mediane overall survival met de combinatiebehandeling 31,8 maanden (95%-bti 24,5-NE). De landmark OS bereikte een plateau op 39,2% na vier jaar follow-up. In het vermurafenib-voorbehandelde cohort was de mediane OS 8,5 maanden (95%-bti 6,7-11,1) met een plateau op 14,2% na het derde jaar. Tijdens lange-termijn follow-up werd geen toename gezien van frequentie en ernst van adverse events, en er werden geen nieuwe toxiciteiten waargenomen.

De onderzoekers concluderen dat een subset van patiënten met gevorderd BRAF V600-gemuteerd melanoom gunstige lange-termijn uitkomsten had met de combinatie van vemurafenib en cobimetinib.

1.Ribas A, Daud A, Pavlick AC et al. Extended 5-year follow-up results of a phase 1b study (BRIM7) of vemurafenib and cobimetinib in BRAF-mutant melanoma. Clin Cancer Res 2019; epub ahead of print

Summary: The multinational phase 1b study BRIM7 found that a subset of patients with advanced BRAF V600-mutated melanoma treated with a combination of vemurafenib and cobimetinib achieved favorable long-term outcomes

  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 3-studie van toevoegen van isatuximab aan pomalidomide-dexamethason voor R/R multipel myeloom (0)
2019-11-16 14:29   ( Nieuws )
Tags:  ICARIA-MM study relapsed or refractory multiple myeloma isatuximab
Prof. Michel AttalIsatuximab is een monoklonaal antlichaam dat zich kan binden aan een specifieke epitoop op de menselijke CD38-receptor. In een fase 1b-studie is respons op isatuximab plus pomalidomide en lange-dosering dexamethason gezien in 65% van de patiënten met recidiverend of refractair multipel myeloom (R/R MM). De multinationale fase 3-studie ICARIA-MM onderzocht de impact van toevoegen van isatuximab aan pomalidomide-dexamethason. Prof. Michel Attal (Universiteitsziekenhuis Toulouse, Frankrijk) en collega’s publiceren de studie online in The Lancet.1

ICARIA-MM werd uitgevoerd in 102 centra in 24 landen. De studie includeerde volwassen MM-patiënten die tenminste twee eerdere lijnen behandeling hadden gekregen, waaronder lenalidomide en een proteasoomremmer. De patiënten werden gerandomiseerd naar vier-weekse cycli van intraveneus isatuximab 10 mg/kg op dagen één en vijftien vanaf cyclus twee, en ook op dagen acht en tweeëntwintig in de eerste cyclus, plus pomalidomide en lage-dosering dexamethason (isatuximabgroep; n=154) of alleen pomalidomide-dexamethason (controlegroep; n=153). De randomisering geschiedde gestratificeerd naar aantal eerdere lijnen therapie (2 of 3 versus 4 of meer) en leeftijd (74 jaar en jonger versus 75 jaar en ouder). Het primaire eindpunt van de studie was centraal-beoordeelde progressievrije overleving.

De mediane follow-up was 11,6 maanden (IQR 10,1-13,9). De mediane PFS was 11,5 maanden in de isatuximabgroep versus 6,5 maanden in de controlegroep (HR 0,596; p=0,001). De meest-gerapporteerde treatment-emergent adverse events waren infusiereacties (38% in de isatuximabgroep versus 0 in de controlegroep), bovenste-luchtweginfecties (28% versus 17%), en diarree (26% versus 20%). Graad 5 AEs werden gezien in 8% versus 9%). Graad 5 TRAEs werden gezien in één patiënt versus twee patiënten.

De onderzoekers concluderen dat toevoegen van isatuximab aan pomalidomide-dexamethason voor R/R MM resulteerde in significante verbetering van de progressievrije overleving. In deze video licht mede-auteur prof. Paul Richardson (Dana-Farber Cancer Institute, Boston MA) de studie nader toe.

1.Attal M, Richardson PG, Rajkumar SV et al. Isatuximab plus pomalidomide and low-dose dexamethasone versus pomalidomide and low-dose dexamethasone in patients with relapsed and refractory multiple myeloma (ICARIA-MM): a randomised, multicentre, open-label, phase 3 study. Lancet 2019; epub ahead of print

Summary: The multinational phase 3 study ICARIA-MM found that addition of isatuximab to pomalide-dexamethasone for relapsed and refractory multiple myeloma significantly improved progression-free survival.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)