Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Osimertinib voor leptomeningeale metastasen van EGFR-mutatiepositief niet-kleincellig longcarcinoom (0)
2019-12-08 16:00   ( Nieuws )
Tags:  BLOOM study EGFR mutation-positive NSCLC with leptomeningeal metastases osimertinib
Prof. Myung-Ju AhnIn 3% tot 4% van de patiënten met gevorderd NSCLC worden leptomeningeale metastasen (LMs) gezien. De incidentie van LMs is hoger (ongeveer 9%) in patiënten met gevorderd NSCLC met EGFR-mutatie. Deze patiënten hebben een slechte prognose, met mediane overall survival van 3 tot 10 maanden vanaf de diagnose. Osimertinib is een derde-generatie irreversibele EGFR-TKI, die vanuit het bloed in de hersenen kan doordringen. De multinationale fase 1-studie BLOOM heeft de werkzaamheid van osimertinib voor LMs van EGFR-mutatiepositief NSCLC onderzocht. Het dose finding gedeelte van de studie is in 2017 gepubliceerd. Prof. Myung-Ju Ahn en collega’s publiceren nu online in het Journal of Clinical Oncology deel B van de studie, betreffende de werkzaamheid van osimertinib in patiënten met LMs van EGFR-mutatiepositief NSCLC na progressie op eerdere EGFR-TKI.1

Deel B van BLOOM werd uitgevoerd in vijf centra in Zuid-Korea en één centrum in Taiwan. De studie includeerde 41 patiënten, die osimertinib 160 mg eenmaal daags kregen. De LM-ORR was 62% (95%-bti 45-78) met een mediane duur van respons 15,2 maanden (7,5-15,5). De overall-ORR was 41% (26-58) met mediane duur van respons 8,3 maanden (5,6-16,5). De mediane lokaal-beoordeelde progressievrije overleving was 8,6 maanden (5,4-13,7) en de mediane overall survival was 11,0 maanden (8,0-18,0). Klaring van tumorcellen uit het CSF werd bevestigd in 28% (15-44) van 40 patiënten. Het neurologisch functioneren verbeterde in 12 van 21 patiënten met abnormaal functioneren bij inclusie.

De onderzoekers concluderen dat osimertinib relevante therapeutische werkzaamheid en acceptabele veiligheid had in patiënten met LM van EGFR-mutatiepositief NSCLC na progressie op eerdere EGFR-TKI.

1.Yang JCH, Kim S-W, Kim D-W et al. Osimertinib in patients with epidermal growth factor receptor mutation-positive non-smal-cell lung cancer and leptomeningeal metastases: the BLOOM study. J Clin Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: Part B of the phase 1 study BLOOM evaluated the third-generation EGFR-TKI osimertinib for EGFR-mutated NSCLC with leptomeningeal metastases after progression on previous EGFR-TKI. Osimertinib showed meaningful therapeutic efficacy in the CNS and a manageable safety profile. The median OS was 11.0 months. CSF tumor clearance was confirmed in 28% of patients, and neurologic function was improved in 57% of patients with an abnormal assessment at baseline. 


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 3-studie van adjuvant capecitabine na standaard (neo)adjuvante chemotherapie voor vroeg TNBC (0)
2019-12-08 14:29   ( Nieuws )
Tags:  GEICAM 2003-11_CIBOMA 2004-01 study TNBC adjuvant capecitabine
Prof. Miguel MartinOperabel triple-negatief mammacarcinoom (TNBC) heeft met standaard-therapie een hoger risico van recidief dan niet-TNBC mammacarcinoom. De fase 3-studie GEICAM/2003-11_CIBOMA/2004-01 van de Spaanse en Latijns-Amerikaanse onderzoekersgroepen GEICAM, CIBOMA, en LACOG heeft de waarde onderzocht van verlenging van adjuvant capecitabine na voltooiing van standaard chemotherapie voor vroeg-stadium TNBC. Prof. Miguel Martin (Universidad Complutense, Madrid) en collega’s publiceren de studie online in het Journal of Clinical Oncology.1

De studie includeerde 876 patiënten met operabel klierpositief, of kliernegatief met tumor 1 cm of groter, TNBC na eerdere neoadjuvante of adjuvante anthracycline- of taxaan-gebaseerde chemotherapie. De mediane leeftijd was 49 jaar; 55,9% had kliernegatieve ziekte; 73,9% had basal fenotype; en 67,5% had anthracyline- plus taxaan-chemotherapie gekregen. De patiënten werden gerandomiseerd naar acht cycli capacitabine 2000 mg/m2 op dagen één tot en met veertien van drie-weekse cycli (n=448) of observatie (n=428). De randomisatie geschiedde gestratificeerd naar centrum, type eerdere chemotherapie, betrokken axillaire klieren, en centraal-bepaald fenotype (basal versus nonbasal). Het primaire eindpunt van de studie was ziektevrije overleving.

De mediane follow-up was 7,3 jaar. De mediane DFS was niet significant langer in de capecitabine-arm dan in de observatie-arm (HR 0,82; p=0,136). In de groep patiënten met nonbasal fenotype was de DFS wel significant langer met capecitabine dan met observatie (HR 0,53; versus HR 0,94 onder patiënten met basal fenotype; interactietest p=0,07). De overall survival was eveneens significant langer met capecitabine dan met observatie in de groep patiënten met nonbasal fenotype (HR 0,42; versus HR 1,23 in de groep patiënten met basal fenotype; interactietest p=0,005). Capecitabine werd getolereerd volgens verwachting, met 75,2% van de patiënten die acht cycli voltooiden.

De onderzoekers concluderen dat verlenging van adjuvant capecitabine niet resulteerde in statistisch significante verlenging van DFS onder alle patiënten, maar wel resulteerde in statistisch significante verlenging van DFS en OS in de groep patiënten met nonbasal fenotype.

1.Lluch A, Barrios CH, Torrecillas L et al. Phase III trial of adjuvant capecitabine after standard neo-adjuvant chemotherapy in patients with early triple-negative breast cancer (GEICAM/2003-11_CIBOMA/2004-01). J Clin Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: The phase 3 study GEICAM/2003-11_CIBOMA/2004-01 in Spain and Latin America evaluated extended adjuvant capecitabine after completion of standard chemotherapy for early-stage TNBC. Adding extended capecitabine did not result in statistically significant improvement in DFS among all patients, but a preplanned subset analysis showed improvement of DFS and OS in patients with nonbasal phenotype.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 2-studie van neoadjuvant trastuzumab-pertuzumab met CRT voor resectabel HER2-positief slokdarmadenocarcinoom (0)
2019-12-08 12:58   ( Nieuws )
Tags:  TRAP study HER2-positive EAC neoadjuvant trastuzumab plus pertuzumab
Prof. Hanneke van LaarhovenIn verschillende studies was 15% tot 43% van de slokdarmadenocarcinomen (EACs) HER2-positief. In HER2-positief mammacarcinoom resulteerde duale HER2-blokkade in een overlevingsvoordeel. De Nederlandse multicenter fase 2-studie TRAP evalueerde duale HER2-blokkade met trastuzumab en pertuzumab toegevoegd aan neoadjuvante chemoradiotherapie (nCRT) voor HER2-positief EAC. Prof. Hanneke van Laarhoven (Amsterdam UMC) en collega’s publiceren de studie online in het Journal of Clinical Oncology.1

De studie includeerde 40 patiënten (31 mannen, mediane leeftijd 63 jaar) met resectabel EAC. De patiënten kregen standaard nCRT (carboplatine-paclitaxel plus 41,4 Gy RT) met trastuzumab 4 mg/kg op dag één, 2 mg/kg per week gedurende weken twee tot en met zes, en 6 mg/kg per week gedurende weken zeven, tien, en dertien; plus pertuzumab 840 mg eens per drie weken. Het primaire eindpunt was feasibiliteit, gedefinieerd als voltooiing van de behandeling met trastuzumab en pertuzumab door tenminste 80% van de patiënten.

Er waren geen onverwachte safety events. Drieëndertig patiënten (82,5%) voltooiden de behandeling. R0-resectie werd uitgevoerd in alle patiënten die chirurgie ondergingen, met pathologisch complete respons in dertien patiënten (34%). De mediane follow-up was 32,1 maanden. De drie-jaars progressievrije overleving was 72%, en de drie-jaars overall survival was 71%. Vergeleken met een propensity score-gematcht cohort (exploratieve analyse) was toevoeging van duale HER2-blokkade aan nCRT geassocieerd met significante verlenging van de OS (HR 0,58; 95%-bti 0,34-0,97). Patiënten met overexpressie van HER2 3+ hadden significant betere overleving (p=0,007) en patiënten met Grb7-positieve tumoren hadden significant betere respons op behandeling (p=0,016).

De onderzoekers concluderen dat toevoeging van trastuzumab en pertuzumab aan nCRT voor HER2-positief EAC feasible was en resulteerde in significant betere overleving dan was gezien in een historische controlegroep.

1.Stroes CI, Schokker S, Creemers A et al. Phase II feasibility and biomarker study of neoadjuvant trastuzumab and pertuzumab with chemoradiotherapy for resectable human epidermal growth factor receptor-2 positive esophageal adenocarcinoma: TRAP study. J Clin Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: The multicenter phase 2 study TRAP in the Netherlands found that dual-agent HER2 blockade with trastuzumab and pertuzumab, added to neoadjuvant chemoradiotherapy for HER2-positive esophageal adenocarcinoma, was feasible and had promising activity in comparison with historical controls.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Noninferiorteits-studie van APBI versus WBI na borstsparende chirurgie voor DCIS of kliernegatief mammacarcinoom (0)
2019-12-07 15:58   ( Nieuws )
Tags:  RAPID trial DCIS and node-negative breast cancer partial versus whole breast irradiation
Dr. Timothy WhelanBestraling van de gehele borst (WBI) eens per dag gedurende drie tot vijf weken na borstsparende chirurgie (BCS) voor mammacarcinoom (BC) verlaagt het risico van lokaal recidief, met goede cosmetische resultaten. Accelerated partial breast irradiation (APBI), gedurende één week naar het tumorbed, is ontwikkeld om meer conveniënte behandeling mogelijk te maken. De multinationale gerandomiseerde RAPID-studie heeft de noniferioriteit van external beam APBI ten opzichte van WBI onderzocht. Dr. Timothy Whelan (Juravinski Cancer Centre, Hamilton, Ontariao, Canada) en collega’s publiceren de studie online in The Lancet.1

RAPID werd uitgevoerd in 33 centra in Canada, Australië, en Nieuw-Zeeland. De studie includeerde vrouwen in de leeftijd van 40 jaar of ouder, met DCIS of kliernegatief BC. De patiënten werden gerandomiseerd naar external beam APBI (38,5 Gy in tien fracties tweemaal per dag over 5 tot 8 dagen; n=1044) of WBI (42,5 Gy in zestien fracties eenmaal per dag over 21 dagen, of 50 Gy in 25 fracties eenmaal per dag over 35 dagen; n=1010). Het primaire eindpunt van de studie was ipsilateraal recidief (IBTR).

De mediane follow-up was 8,6 jaar (IQR 7,3-9,9). De acht-jaars cumulatieve IBTR was 3,0% (95%-bti 1,9-4,0) in de APBI-groep versus 2,8% (95%-bti 1,8-3,9) in de WBI-groep; overeenkomend met een HR voor APBI versus WBI 1,27 (90%-bti 0,84-1,91) waarmee APBI voldeed aan het noninferioriteitscriterium (bovengrens van het 90%-bti lager dan 2,02). Acute stralingstoxiciteit graad 2 of hoger (binnen drie maanden na begin van de radiotherapie) was minder frequent met APBI dan met WBI (28% versus 45%; p<0,0001) maar late stralingstoxiciteit graad 2 of hoger was meer frequent met APBI (32% versus 13%; p<0,0001). Ongunstige cosmetische uitkomst na drie jaar, vijfjaar, en zeven jaar werd vaker gezien in de APBI-groep dan in de WBI-groep.

De onderzoekers concluderen dat APBI vergeleken met WBI noninferieur was voor het primaire eindpunt IBTR en voor het eindpunt acute toxiciteit, maar wel resulteerde in meer late toxiciteit en ongunstige cosmetische uitkomsten.

1.Whelan TJ, Julian JA, Berrang TS et al. External beam accelerated partial breast irradiation versus whole breast irradiation after breast conserving surgery in women with ductal carcinoma in situ and node-negative breast cancer (RAPID): a randomised controlled trial. Lancet 2019; epub ahead of print

Summary: The RAPID trial in Canada, Australia, and New Zealand found compared external beam accelerated partial breast irradiation versus whole breast irradiation after breast conserving surgery for DCIS or node-negative breast cancer. APBI was non-inferior to WBI in preventing IBTR. APBI versus WBI was associated with less acute toxicity but with an increase in moderate late toxicity and adverse cosmesis.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Lichaamssamenstelling, adherentie aan chemotherapie, en overleving na niet-metastatisch mammacarcinoom (0)
2019-12-07 14:29   ( Nieuws )
Tags:  nonmetastatic breast cancer body composition chemotherapy adherence survival
Dr. Elizabeth Cespedes FelicianoEr zijn aanwijzingen voor een associatie van lichaamssamenstelling (hoeveelheid en distributie van spier- en vetweefsel) met tolerantie van en adherentie aan chemotherapie. Een observationele cohortstudie van Kaiser Permanente Northern California (Oakland) heeft de assocatie onderzocht van lichaamssamenstelling met relatieve doseringsintensiteit (RDI, de verhouding tussen werkelijk ontvangen en geplande dosering) onder vrouwen die anthracycline- of taxaan-gebaseerde chemotherapie kregen voor niet-metastatisch mammacarcinoom (NMBC). Dr. Elizabeth Cespedes Feliciano en collega’s publiceren de studie online in JAMA Oncology.1

De studie includeerde 1395 vrouwen met een diagnose NMBC tussen begin 2005 en eind 2013. De gemiddelde leeftijd bij diagnose was 52,8 ± 10,2 jaar. De onderzoekers berekenden gehalten van intramusculair, visceraal, en subcutaan vet en skeletspierweefsel aan de hand van CT-scans gemaakt bij de diagnose. Het primaire eindpunt van de studie was lage RDI, gedefinieerd als RDI lager dan 0,85.

Het risico van lage RDI was significant geassocieerd met hogere viscerale adipositeit (per toename met 1 SD OR 1,19; 95%-bti 1,02-1,39) en hogere intramusculaire adipositeit (per 1 SD OR 1,16; 95%-bti 1,01-1,34). Hogere spiermassa was geassocieerd met verlaagd risico van hematologische toxische effecten (per 1 SD OR 0,84; 95%-bti 0,71-0,98). RDI lager dan 0,85 was geassocieerd met 30% hogere mammacarcinoom-specifieke mortaliteit (HR 1,30; 95%-bti 1,02-1,65). Lagere RDI verklaarde 20% (95%-bti 0,05-0,55) van de associatie van adipositas met mammacarcinoom-specifieke mortaliteit.

De onderzoekers concluderen dat hogere viscerale of intramusculaire adipositas geassocieerd waren met lagere RDI, en dat lagere RDI ten dele de associatie tussen adipositas en slechtere mammacarcinoom-specifieke overleving verklaarde.

1.Cespedes Feliciano E, Chen WY, Lee V et al. Body composition, adherence to anthracyline and taxane-based chemotherapy, and survival after nonmetastatic breast cancer. JAMA Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: An observational cohort study by Kaiser Permanente Northern California (Oakland) found that among patients receiving anthracycline or taxane-based chemotherapy for nonmetastatic breast cancer, excess adiposity, presenting as larger visceral or intramuscular adiposity, was associated with lower relative dose intensity. Lower RDI partially mediated the association of adiposity with worse breast cancer-specific survival.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multinationale fase 1-2a studie van dabrafenib voor BRAF V600-mutatiepositief pediatrisch laaggradig glioom (0)
2019-12-07 13:00   ( Nieuws )
Tags:  pediatric low-grade glioma dabrafenib
Prof. Darren HargravePediatrisch laaggradig glioom (pLGG) is de meest prevalente hersentumor in kinderen. Het is denkbaar dat patiënten met BRAF V600-mutatiepositief pLGG baat hebben bij behandeling met een BRAF-remmer. De BRAF-remmer dabrafenib wordt gebruikt voor sommige typen melanoom in volwassen patiënten. Een multinationale fase 1-2a studie heeft de werkzaamheid van dabrafenib voor pLGG geëvalueerd. Prof. Darren Hargrave (Great Ormond Street Hospital, Londen UK) en collega’s publiceren de studie online in Clinical Cancer Research.1

De studie werd uitgevoerd in achttien centra in acht landen. De studie includeerde patiënten in de leeftijd van één tot achttien jaar, met recidiverend, refractair, of progressief BRAF V600-mutatiepositief pLGG. Fase 1 van de studie, met vijftien patiënten, is eerder dit jaar gepubliceerd. De aanbevolen fase 2-dosering (RP2D) kwam uit op 5,25 mg/kg eenmaal daags voor kinderen jonger dan twaalf jaar, en 4,5 mg/kg eenmaal daags voor kinderen in de leeftijd van twaalf tot achttien jaar. Fase 2a includeerde nog zeventien patiënten die met de RP2D behandeld werden. Hargrave en collega’s publiceren nu objectieve respons en veiligheid voor beide fasen.

Na minimaal 26,2 maanden follow-up werden vijftien patiënten (47%) nog met dabrafrenib behandeld. De centraal-beoordeelde ORR voor alle 32 patiënten was 44% (95%-bti 26-62). Na één jaar was 85% van de patiënten progressievrij (95%-bti 64-94).Treatment-related adverse events werden gezien in 91% van de patiënten (vermoeidheid in 34%). Graad 3 of 4 TRAEs werden gezien in 28%.

De onderzoekers concluderen dat dabrafenib voor BRAF V600-mutatiepositief pLGG klinisch relevante activiteit en acceptabele tolerabiliteit had.

1.Hargrave DR, Bouffet E, Tabori U et al. Efficacy and safety of dabrafenib in pediatric patients with BRAF V600 mutation-positive relapsed or refractory low-grade glioma: results from a phase I/Iia study. Clin Cancer Res 2019; epub ahead of print

Summary: A multinational phase 1-2a study found meaningful clinical activity and acceptable tolerability of dabrafenib for BRAF V600-mutant pediatric low-grade glioma.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Immuuncheckpointremmers in patiënten met reeds bestaande inflammatoire darmziekte (0)
2019-12-06 16:00   ( Nieuws )
Tags:  ICI therapy in IBD patients GI adverse events
Dr. Yinghong WangImmuuncheckpointremmer (ICI)-therapie heeft geresulteerd in aanzienlijke successen in de behandeling van maligniteiten, maar verstoring van de regulering van het immuunsysteem kan resulteren in ernstige bijwerkingen. Een multinationale retrospectieve studie heeft het risico van ICI-therapie gerelateerde gastroïntestinale (GI)-bijwerkingen onderzocht in patiënten met reeds bestaande inflammatoire darmziekte (IBD). Dr. Yinghong Wang (MD Anderson Cancer Center, Houston TX) en collega’s publiceren de studie online in het Journal of Clinical Oncology.1

De studie werd uitgevoerd in veertien centra in vier landen. Tussen begin 2010 en eind 2015 kregen in de centra ongeveer 12.000 patiënten ICI-therapie voor maligniteiten, onder wie 102 met vooraf-bestaande IBD. Van deze 102 patiënten kregen 17 CTLA-4 gerichte therapie en 85 PD-1 of PD-L1 gerichte therapie. De helft van de patiënten had de ziekte van Crohn, en de andere helft ulceratieve colitis. De mediane tijd tussen de laatste actieve IBD-episode en het begin van de immuuntherapie was 5 jaar (IQR 3-12). Drieënveertig patiënten werden niet behandeld voor IBD.

GI-bijwerkingen werden gezien in 41% van de IBD-patiënten, vergeleken met 11% van de niet-IBD controlepatiënten in de deelnemende centra (p<0,001). De GI-bijwerkingen in de IBD-patiënten werden gezien mediaan 62 dagen (IQR 33-123) dagen na start van de ICI-therapie. Tot deze bijwerkingen behoorden graad 3 of 4 diarree in 21% van de patiënten. In vier patiënten trad colonperforatie op, waarvoor twee patiënten chirurgie moesten ondergaan. De figuur toont de prevalentie van GI-irAEs in subgroepen. Anti-CTLA-4 therapie was geassocieerd met hoger risico van GI-bijwerkingen dan anti-PD/(L)1 therapie in univariate analyse (OR 3,19; p=0,037) maar niet in multivariate analyse (p=0,058).

De onderzoekers concluderen dat vooraf-bestaande IBD geassocieerd was met verhoging van het risico van ernstige GI-bijwerkingen in patiënten die ICI-therapie ondergingen.

1.Abu-Sbeih H, Faleck DM, Ricciuiti B et al. Immune checkpoint inhibitor therapy in patients with preexisting inflammatory bowel disease. J Clin Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A multinational retrospective study found that preexisting inflammatory bowel disease was associated with increased risk of severe GI adverse events in patients treated with immune checkpoint inhibitors.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multinationale fase 3-studie van tivozanib versus sorafenib voor eerder-behandeld gevorderd niercelcarcinoom (0)
2019-12-06 14:29   ( Nieuws )
Tags:  TIVO-3 study advanced renal cell carcinoma tivozanib
Prof. Brian RiniMet remmers van de VEGF-receptor zijn goede resultaten gezien in de behandeling voor niercelcarcinoom. In eerdere studies is gezien dat behandeling met een VEGFR-TKI werkzaam kan zijn in patiënten die eerder checkpointremmer-therapie hadden gekregen. De multinationale fase 3-studie TIVO-3 heeft werkzaamheid en veiligheid van de VEGFR-remmer tivozanib vergeleken met die van sorafenib als derde- of vierdelijns behandeling voor metastatisch niercelcarcinoom (mRCC). Prof. Brian Rini (Taussig Cancer Institute, Cleveland OH) en collega’s publiceren de studie online in The Lancet Oncology.1

TIVO-3 werd uitgevoerd in 120 centra in twaalf landen. De studie includeerde volwassen patiënten met mRCC waarvoor ze tenminste twee eerdere lijnen behandeling hadden gekregen, waaronder een VEGFR-remmer, maar niet tivozanib of sorafenib, en een ECOG performance status 0 of 1. De patiënten werden gerandomiseerd naar oraal tivozanib 1,5 mg eenmaal daags (n=175) of oraal sorafenib 400 mg tweemaal daags (n=175). Het primaire eindpunt was centraal-beoordeelde progressievrije overleving.

De mediane follow-up was 19,0 maanden (IQR 15,0-23,4). De mediane PFS was 5,6 maanden met tivozanib versus 3,9 maanden met sorafenib (HR 0,73; p=0,016). De meest-gerapporteerde graad 3 of 4 adverse event was hypertensie (20% van de patiënten in de tivozanib-arm versus 14% van de patiënten in de sorafenib-arm). Ernstige TRAEs werden gerapporteerd voo 11% versus 10%. Geen van de patiënten overleed aan de behandeling.

De onderzoekers concluderen dat tivozanib vergeleken met sorafenib als derde- of vierdelijns behandeling voor mRCC resulteerde in langere PFS.

1.Rini BI, Pal SK, Escudier BJ et al. Tivozanib versus sorafenib in patients with advanced renal cell carcinoma (TIVO-3): a phase 3, multicentre, randomised, controlled, open-label study. Lancet Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: The multinational phase 3 study TIVO-3 compared tivozanib with sorafenib as third-line or fourth-line therapy for metastatic renal cell carcinoma. The study found longer PFS with tivozanib (5.6 versus 3.9 months; HR 0.73; p=0.016).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)