Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Eerstelijns SRS versus WBRT voor hersenmetastasen van kleincellig longcarcinoom (0)
2020-06-05 15:00   ( Nieuws )
Tags:  FIRE-SCLC Cohort Study small cell lung cancer brain metastases first-line SRS versus WBRT
Dr. Chad RusthovenStereotactische radiochirurgie (SRS) is de aanbevolen behandeling voor beperkte hersenmetastasen (BMs) van de meeste typen maligniteiten, maar voor patiënten met BMs van kleincellig longcarcinoom (SCLC) zijn er weinig gegevens over de werkzaamheid van SRS. De multicenter FIRE-SCLC (first-line radiosurgery for small-cell lung cancer) cohortstudie heeft eerstelijns SRS voor SCLC-BMs vergeleken met whole-brain radiotherapy (WBRT). Dr. Chad Rusthoven (University of Colorado, Aurora) en collega’s publiceren de studie online in JAMA Oncology.1



De studie includeerde 539 mannen en 171 vrouwen (mediane leeftijd 68,5 jaar; IQR 62-74) die eerstelijns SRS voor SCLC-BMs kregen in 28 centra in zes landen. De uitkomsten werden vergeleken met resultaten in een gepubliceerde dataset van eerstelijns WBRT voor SCLC-BMs. In het SRS-cohort was de mediane overall survival (gerekend vanaf de SRS) 8,5 maanden; uiteenlopend van 11,0 maanden voor patiënten met één BM tot 5,5 maanden voor patiënten met elf of meer BMs. De mediane tijd tot CNS-progressie (TTCP) was 8,1 maanden en de mediane CNS progressievrije overleving (CNS-PFS; composiet-eindpunt van tijd van SRS tot overlijden of CNS-progressie) was 5,0 maanden. In propensity-score gematchte analyse was WBRT geassocieerd met betere TTCP dan SRS (HR 0,38; p<0,001) maar niet met betere OS (mediaan 5,2 maanden met WBRT versus 6,5 maanden met SRS; p=0,003) of betere CNS-PFS (mediaan 3,8 maanden met WBRT versus 4,0 maanden met SRS; p=0,79).

De onderzoekers concluderen dat SRS een optie kan zijn voor patiënten met BMs van SCLC.

1.Rusthoven CG, Yamamoto M, Bernhardt D et al. Evaluation of first-line radiosurgery vs whole-brain radiotherapy for small cell lung cancer brain metastases. The FIRE-SCLC cohort study. JAMA Oncol 2020.1271

Summary: The FIRE-SCLC Cohort Study compared first-line SRS versus WBRT for brain metastases from SCLC. WBRT was associated with improved time to central nervous system progression (HR 0.38; p<0.001) but not with improved OS (median 6.5 months with SRS versus 5.2 months with WBRT; p=0.003) or improved CNS PFS (median 4.0 months with SRS versus 3.8 months with WBRT; p=0.79).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multicenter fase 2-studie van lenvatinib voor gevorderd of metastatisch thymuscarcinoom (0)
2020-06-05 14:00   ( Nieuws )
Tags:  REMORA study advanced or metastatic thymic carcinoma lenvatinib
Dr. Noboru YamamotoEr is geen standaard-behandeling voor gevorderd of metastatisch thymuscarcinoom na progressie op platina-gebaseerde chemotherapie. Lenvatinib is een nieuwe remmer van VEGFR-, FGFR-, RET-, cKit-, en andere kinasen. De mutlicenter Japanse fase 2-studie REMORA inventariseerde werkzaamheid en veiligheid van lenvatinib als tweedelijns behandeling voor thymuscarcinoom. Dr. Noboru Yamamoto (ziekenhuis van het Nationaal Maligniteitencentrum, Tokio) en collega’s publiceren de studie online in The Lancet Oncology.1

REMORA werd uitgevoerd in acht centra in Japan. Inclusiecriteria waren leeftijd twintig jaar of ouder, tenminste één meetbare lesie, en ECOG performance status 0 of 1. De patiënten kregen oraal lenvatinib 24 mg eens per dag tot ziekteprogressie of niet-acceptabele toxiciteit. Het primaire eindpunt van de studie was centraal-beoordeelde objectieve respons. De studie includeerde 42 patiënten, die allen behandeld werden. De mediane follow-up was 15,5 maanden (IQR 13,1-17,5). Objectieve respons werd gezien in zestien patiënten (ORR 38%; 90%-bti 25,6-52,0) en stabiele ziekte in vierentwintig patiënten (57%). De meest-frequente graad 3 treatment-related adverse events waren hypertensie (64% van de patiënten) en palmair-plantair erythrodysesthesiesyndroom (7%). Er waren geen graad 5 TRAEs.

De onderzoekers concluderen dat lenvatinib een veelbelovende optie kan zijn voor patiënten met eerder-behandeld thymuscarcinoom.

1.Sato J, Satouchi M, Itoh M et al. Lenvatinib in patients with advanced or metastatic thymic carcinoma (REMORA): a multicentre, phase 2 trial. Lancet Oncol 2020; epub ahead of print

Summary: The Japanese multicenter phase 2 study REMORA found activity (response in 38% plus stable disease in 57% of patients) of lenvatinib for advanced or metastatic thymic carcinoma. The most frequent grade 3 TRAEs were hypertension in 64% and palmar-plantar erythrodyesthesia syndrome in 7%.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Vergelijking van uitkomsten van reduced-intensity conditionerings-regimes in alloHCT voor non-Hodgkin lymfoom (0)
2020-06-05 13:03   ( Nieuws )
Tags:  allogenic transplant for NHL outcomes of various RIC-NMAC conditioning regimes
Prof. Mehdi HamadaniReduced-intensity conditioning en nonmyeloablative conditioning (RIC-NMAC) regimes worden frequent gebruikt in allogene hematopoïetsche celtranspolantatie (alloHCT) voor non-Hodgkin lymfoom (NHL). Er is geen duidelijkheid over het optimale RIC-NMAC regime voor deze transplantatie. Een analyse van gegevens in het register van het Center for International Blood and Marrow Transplant Research heeft uitkomsten van verschillende regimes vergeleken. Prof. Mehdi Hamadani (CIBMTR, Milwaukee WI) en collega’s publiceren de analyse online in JAMA Oncology.1

De analyse includeerde gegevens van 1823 volwassen NHL-patiënten (1186 mannen; gemiddelde leeftijd 54,8 jaar; SD 9,9) die alloHCT ondergingen, met gematchte verwante of niet-verwante donoren, tussen begin 2008 en eind 2016. De patiënten kregen één van vier RIC-NMAC regimes: fludarabine-intraveneus busulfan (Flu-B; n=458), fludarabine-melfalan (Flu-Mel140; n=885), fludarabine-cyclofosfamide (Flu-Cy; n=391), of Flu-Cy met 2 Gy total body irradiation (Flu-Cy-2GyTBI; n=89). Het primaire eindpunt van de analyse was overall survival.

De vier-jaars OS was 58% in het Flu-Bu cohort, 67% in het Flu-Cy-2GyTBI cohort, 49% in het Flu-Mel140 cohort, en 63% in het Flu-Cy cohort (p<0,001). Na correctie voor leeftijd, Karnofsky performance score, HCT-comorbiditeitindex, NHL-subtype, remissiestatus bij HCT, en gebruik van ATG of alemtuzumab, was het mortaliteitsrisico significant hoger met Flu-Mel140 dan met Flu-Bu (HR 1,34; p<0,001). Vergeleken met het Flu-Cy cohort had het Flu-Mel140 cohort een hoger risico van cGVHD (HR 1,38; p<0,001). Flu-Mel140 vergeleken met Flu-Bu was geassocieerd met hoger risico van nonrelapse mortaliteit (HR 1,78; p<0,001).

De onderzoekers concluderen dat het meest-intense RIC-NMAC regime, Flu-Mel140, geassocieerd was met slechtere OS en hoger NRM. De overige regimes resulteerden in vergelijkbare OS.

1.Ghosh N, Ahmed S, Ahn KW et al. Association of reduced-intensity conditioning regimens with overall survival among patients with non-Hodgkin lymphoma undergoing allogeneic transplant. JAMA Oncol 2020; epub ahead of print

Summary: An analysis of data from adult NHL patients in the Center for International Blood and Marrow Transplant Research registry compared outcomes of various reduced-intensity conditioning regimes for alloHCT. The more intense Flu-Mel140 had a negative association with overall survival and may be associated with higher nonrelapse mortality. The Flu-Bu and Flu-Cy regimens with or without 2GyTBI provided comparable overall survival.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Impact van tijd tussen diagnose en behandeling op prognose van patiënten met AML (0)
2020-06-05 11:27   ( Nieuws )
Tags:  AML time from diagnosis to treatment prognosis
Prof. Christoph RölligIn fitte patiënten met nieuw-gediagnostiseerd AML wordt onmiddellijke start van de behandeling aanbevolen vanwege de slechte prognose van niet-behandelde acute leukemie. Een analyse van een grote groep van real-world patiënten in Duitsland heeft de associatie onderzocht van tijd tussen diagnose en behandeling (TDT) met de prognose van AML-patiënten. Prof. Christoph Röllig (Universitätsklinikum Carl Gustav Carus, Dresden) en collega’s publiceren de analyse online in Blood.1

De analyse includeerde 2263 patiënten met gegevens in het SAL (Studienallianz Leukämie)-AML register die intensieve inductiebehandeling hadden ondergaan en tenminste twaalf maanden follow-up hadden. De mediane TDT was 3 dagen (IQR 2-7). De twee-jaars overall survival percentages met TDT nul tot en met vijf, zes tot en met tien, elf tot en met vijftien, en meer dan vijftien dagen waren respectievelijk 51, 48, 44, en 50% (p=0,211). In multivariabele analyse gecorrigeerd voor bekende prognostische variabelen was de HR voor TDT als continue variabele 1,00 (p=0,617). Er waren ook geen verschillen tussen TDT-groepen als alleen patiënten jonger dan éénenzestig jaar of alleen patiënten ouder dan zestig jaar, of alleen patiënten met hoge of juist alleen patiënten met lage leukocytengetallen in de analyses werden betrokken.

De onderzoekers concluderen dat het in geval van klinisch stabiele patiënten met nieuw-gediagnostiseerd AML verantwoord kan zijn te wachten op uitslagen van genetische en andere laboratoriumtesten om de best-beschikbare behandeloptie te kunnen kiezen.

1.Röllig C, Kramer M, Schliemann C et al. Does time from diagnosis to treatment affect the prognosis of patients with newly diagnosed acute myeloid leukemia? Blood 2020; epub ahead of print

Summary: An analysisof a large set of real-world clinically stable newly diagnosed AML patients in Germany found no association of time between diagnosis and start of treatment (TDT) and prognosis. The two-year OS rates with TDT 0-5,6-10,11-15, and more than 15 days were 51%, 48%, 44%, and 50% (p=0.211). It may be feasible to wait for genetic and other laboratory test results in order to assign clinically stable patients to the best available treatment option.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Case-control studie van lage-dosering metronome versus conventionele chemotherapie voor metastatisch mammacarcinoom (0)
2020-06-04 15:00   ( Nieuws )
Tags:  MBC low-dose metronomic versus conventional chemotherapy
Dr. Marco BattistaHet doel van de behandeling van metastatisch mammacarcinoom (MBC) is bereiken van ziektecontrole met behoud van kwaliteit van leven. Lage-dosering metronome chemotherapie (LDMC), gedefinieerd als continue toediening van chemotherapie in doseringen die aanzienlijk lager zijn dan de hoogst verdragen dosering van conventionele chemotherapie (CCT), is wellicht een optie voor MBC. Een case-control studie van de Johannes Gutenberg-Universität in Mainz (Duitsland) heeft LDMT vergeleken met CCT voor MBC. Dr. Marco Battista en collega’s publiceren de studie online in Breast Cancer Research and Treatment.1




De studie includeerde 40 MBC-patiënten die oraal cyclofosfamide 50 mg eenmaal daags en methotrexaat 2,5 mg eens per twee dagen kregen. Elk van deze patiënten werd vergeleken met twee MBC-patiënten die CCT kregen (n=80), gematcht voor leeftijd, aantal eerdere lijnen chemotherapie, en hormoonreceptorstatus. Het primaire eindpunt van de studie was ziektecontrole gedurende tenminste 24 weken.

De figuur laat zien dat de 24-weeks DCR 30,0% was met LDMC versus 22,5% met CCT (p=0,380). De mediane progressievrije overleving was 12,0 weken in beide groepen (p=0,218), en de mediane duur van respons was 31,0 versus 20,5 weken (p=0,383). De figuur laat ook zien dat LDMC in geen van de onderscheiden subgroepen inferieur was aan CCT.

De onderzoekers concluderen dat LDMC een waardevolle behandeling kan zijn voor LMBC.

1.Krajnak S, Schnatz C, Almstedt K et al. Low-dose metronomic chemotherapy as an efficient treatment option in metastatic breast cancer – results of an exploratory case-control study. Breast Cancer Res Treat 2020; epub ahead of print

Summary: A case-control study in Mainz (Germany) found similar efficacy of low-dose metronomic chemotherapy compared to conventional chemotherapy for metastatic breast cancer.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie tussen sociaal-economische status en overleving van mammacarcinoom in Noorwegen (0)
2020-06-04 14:00   ( Nieuws )
Tags:  young Norwegian breast cancer patients stage-specific survival socioeconomic status
Prof. Giske UrsinDe stadium-specifieke overleving van jonge patiënten met mammacarcinoom is sinds het jaar 2000 in veel landen verbeterd, mogelijk vanwege verbeteringen in diagnose en behandeling. Het is denkbaar dat in landen met universele toegang tot gezondheidszorg en nationale behandelrichtlijnen deze verbeteringen zijn opgetreden in alle sociaal-economische groepen. Een studie in Noorwegen heeft deze hypothese getoetst. Prof. Giske Ursin (Universiteit van Oslo) en collega’s publiceren de studie online in Breast Cancer Research and Treatment.1

De studie includeerde 7501 patiënten, in de leeftijd van 30 tot en met 48 jaar, met een diagnose mammacarcinoom in Noorwegen tussen begin 2000 en eind 2015. Er waren 2317 patiënten met gelokaliseerde ziekte, 4457 met regionale ziekte, 233 met afstandsmetastase, en 494 met onbekend stadium. De figuur toont de belangrijkste resultaten van de analyse. Tijdens de studieperiode was er een aanhoudende verbetering van de vijf-jaars relatieve overleving van regionaal- en distant-stadium ziekte onder patiënten met hoog opleidingsniveau en hoog inkomen (hoge SES) maar niet onder patiënten met lage SES. De vijf-jaars relatieve overleving van regionaal-stadium ziekte verbeterde tijdens de studieperiode van 85% naar 94% in de groep met hoge SES maar bleef constant op 84% voor de groep met lage SES. De vijf-jaars relatieve overleving van distant-stadium ziekte verbeterde tijdens de studieperiode van 22% naar 58% in de groep met hoge SES, maar bleef constant op 11% in de groep met lage SES.

De onderzoekers concluderen dat in Noorwegen, een land met universele toegang tot de gezondheidszorg en nationale behandelrichtlijnen, de overleving van regionaal- en distant-stadium mammacarcinoom in jonge patiënten verbeterde onder patiënten met hoge SES maar niet onder patiënten met lage SES.

1.Bree Trewin C, Johansson ALV, Hjerkind KV et al. Stage-specific survival has improved for young breast cancer patients since 2000: but not equally. Breast Cancer Res Treat 2020; epub ahead of print

Summary: A study in Norway found that between 2000 and 2015 the stage-specfic survival of young (30-48 years of age) breast cancer patients has improved markedly for high SES patients, but not for low SES patients.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Salvage ipilimumab-nivolumab na anti-PD-1/PD-L1 behandeling voor metastatisch niercelcarcinoom (0)
2020-06-04 13:00   ( Nieuws )
Tags:  mRCC salvage ipilimumab plus nivolumab after prior anti-PD-1 anti-PD-L1 therapy
Prof. Brian RiniImmuuncheckpointremmers (ICIs) zijn standaard initiële behandelingen voor metastatisch niercelcarcinoom (mRCC). In de meeste patiënten met aanvankelijke respons wordt na verloop van tijd progressie gezien. Een studie in vijf centra in de Verenigde Staten heeft de waarde onderzocht van salvage met combinatie van ipilimumab (anti-CTLA-4) en nivolumab (anti-PD-1) voor mRCC na progressie op anti-PD-1/PD-L1 therapie. Prof. Brian Rini (Taussig Cancer Institute, Cleveland OH) en collega’s publiceren de studie online in het Journal of Clinical Oncology.1

De studie includeerde 45 patiënten die eerder anti-PD-1 therapie hadden gekregen voor mRCC. De mediane leeftijd was 62 jaar (range 21-82). Alle patiënten hadden meer dan één metastaselocatie, en 38% had hersenmetastase. Op basis van IMDC-criteria had 20% gunstig-risico ziekte, 64% intermediair risico, 7% ongunstig risico (en 9% onbekend). Het mediane aantal eerdere lijnen behandeling was drie (range één tot zeven) waaronder een anti-PD-1 antilichaam voor 76% en een anti-PD-L1 antilichaam voor 24%. De mediane duur van behandeling met de vorige ICI was 13 maanden (range 1-75), en vijftien patiënten (33%) hadden irAEs ervaren.

De patiënten kregen ipilimumab-nivolumab salvage therapie. De mediane duur van follow-up was 12 maanden (range 0,8-21). Negen patiënten hadden partiële respons (ORR 20%), zeven patiënten hadden stabiele ziekte (16%), en 28 (62%) hadden progressieve ziekte (de 45e patiënt was lost to follow-up na vier cycli behandeling). De mediane progressievrije overleving was 4 maanden (range 0,8-19) en de mediane duur van respons was 7 maanden (2-17). Onder de negen patiënten met partiële respons hadden zes nog steeds partiële respons op het moment van de nu gepubliceerde analyse. Any grade irAEs werden gerapporteerd voor 64% van de patiënten en graad 3 irAEs voor 13%.

De onderzoekers concluderen dat de combinatie ipilimumab-nivolumab acceptabele toxiciteit had en antitumoractiviteit voor mRCC na eerdere behandeling met anti-PD-1/L1 ICI.

1.Gul A, Stewart TF, Mantia CM et al. Salvage ipilimumab and nivolumab in patients with metastatic renal cell carcinoma after prior immune checkpoint inhibitors. J Clin Oncol 2020; epub ahead of print

Summary: A multicenter study in the USA found activity with acceptable toxicity of the combination ipilimumab plus nivolumab as salvage regimen for mRCC after anti-PD-1 ICI-treatment.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Toevoegen van rituximab aan chemotherapie voor hooggradig matuur B-cel non-Hodgkin lymfoom in kinderen (0)
2020-06-04 11:37   ( Nieuws )
Tags:  high-risk mature B-cell non-Hodgkin’s lymphoma in children rituximab
Dr. Véronique Minard-ColinOnder volwassen patiënten met B-cel maligniteiten is toevoegen van rituximab aan chemotherapie geassocieerd met verlenging van de overleving. Een gezamenlijke fase 3-studie van de European Intergroup for Childhood Non-Hodgkin lymphoma en de Amerikaanse-Canadese Children’s Oncology Group heeft de waarde onderzocht van toevoegen van rituximab aan chemotherapie voor hooggradig matuur B-cel non-Hodgkin lymfoom in kinderen en adolescenten. Dr. Véronique Minard-Colin (Institut Gustave Roussy, Villejuif) en collega’s publiceren de studie vandaag online in The New England Journal of Medicine.1

De studie includeerde patiënten in de leeftijd tot achttien jaar met hoog-risico B-cel NHL (stadium III met verhoogd LDH of stadium IV). Onder de 328 patiënten waren 281 (85,7%) met Burkitt lymfoom. De patiënten kregen zes cycli lymphomes malins B (LMB)-chemotherapie met (n=164) of zonder (n=164) rituximab. Het primaire eindpunt was gebeurtenisvrije overleving. Tijdens mediaan 39,9 maanden follow-up werden gebeurtenissen gezien in 10 patiënten in de rituximab-LMB groep versus 28 in de LMB-groep. De drie-jaars EFS was 93,9% (95%-bti 89,1-96,7) met rituximab-LMB versus 82,3% (75,7-87,5) met alleen LMB (HR 0,32; p=0,00096).


In de rituximab-LMB groep overleden acht patiënten (vier ziektegerelateerd, drie behandelingsgerelateerd, en één aan een tweede maligniteit) versus twintig in de alleen-LMB groep (zeventien ziektegerelateerd, drie behandelingsgerelateerd) voor een OS-HR 0,37; 95%-bti 0,16-0,82). De incidentie van graad 4 of hoger acute adverse events was 33,3% met rituximab-LMB versus 24,2% met alleen LMB (p=0,07), vooral febriele neutropenie en infectie. Een jaar na inclusie hadden ongeveer tweemaal zoveel patiënten in de rituximab-LMB groep als in de alleen-LMB groep een laag IgG-niveau.

De onderzoekers concluderen dat toevoegen van rituximab aan LMB-chemotherapie voor hoog-gradig matuur B-cel NHL in kinderen en adolescenten resulteerde in langere EFS en OS, maar ook in hogere incidentie van hypogammaglobulinemie en mogelijk ook meer infecties.

1.Minard-Colin V, Aupérin A, Pillon M et al. Rituximab for high-risk, mature B-cell non-Hodgkin’s lymphoma in children. N Engl J Med 2020; epub ahead of print

Summary: A phase 3 study by the European Intergroup for Childhood Non-Hodgkin lymphoma and the Children’s Oncology Group found that addition of rituximab to standard LMB chemotherapie was associated with prolongation of event-free and overall survival among children and adolescents with high-grade, high-risk, mature B-cell non-Hodgkin’s lymphoma but also with a higher incidence of hypogammaglobulinemia and potentially more episodes of infection.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)