Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Multinationale fase 3-studie van toevoegen van ibrutinib aan R-CHOP voor nieuw-gediagnostiseerd NGC-DLBCL (0)
2019-03-24 16:00   ( Nieuws )
Tags:  PHOENIX study non-germinal center B-cell DLBCL ibrutinib
Dr. Anas YounesIn eerdere studies is activiteit gezien van ibrutinib voor non-germinal center B-cel (NGC)-DLBCL. De multinationale fase 3-studie PHOENIX onderzocht de waarde van toevoegen van ibrutinib aan R-CHOP voor niet-eerder behandeld NGC-DLBCL. Prof. Anas Younes (Memorial Sloan Kettering Cancer Center, New York) en collega’s publiceren de studie online in het Journal of Clinical Oncology.1



De studie includeerde 838 patiënten, met een mediane leeftijd van 62,0 jaar. Iets meer dan driekwart (75,9%) van de patiënten had geactiveerd B-cel (ABC) type ziekte. De patiënten werden 1:1 gerandomiseerd naar oraal ibrutinib 560 mg eenmaal daags plus R-CHOP (n=419) of placebo plus R-CHOP. Het primaire eindpunt van de studie was gebeurtenisvrije overleving in de ITT-populatie en de ABC-populatie. Secundaire eindpunten waren progressievrije overleving, overall survival, en veiligheid.

Toevoegen van ibrutinib aan R-CHOP resulteerde niet in significante verbetering van de EFS in de ITT-populatie (HR 0,934) of de ABC-populatie (HR 0,949). Een vooraf-geplande analyse liet zien dat er een significante interactie was tussen behandelingsresultaat en leeftijd. Onder patiënten jonger dan zestig jaar resulteerde toevoeging van ibrutinib aan R-CHOP in significante verbetering van EFS (HR 0,579), PFS (HR 0,566), en OS (HR 0,330) en lichte toename van serious adverse events (35,7% versus 28,6%) hoewel het percentage patiënten die tenminste zes cycli R-CHOP kregen vergelijkbaar was in beide armen (92,9% versus 93,0%). Onder patiënten in de leeftijd van zestig jaar of ouder resulteerde toevoeging van ibrutinib aan R-CHOP in slechtere EFS, PFS, en OS; en in toename van SAEs (63,4% versus 38,2%) en in afname van het percentage van patiënten met tenminste zes cycli R-CHOP (73,3% versus 88,8%).

De onderzoekers concluderen dat de studie niet het primaire eindpunt in de ITT- of ABC-populatie bereikte. Echter, in patiënten jonger dan zestig jaar resulteerde toevoegen van ibrutinib aan R-CHOP in significante verbetering van EFS, PFS, en OS, met hanteerbare veiligheid. In patiënten van zestig jaar of ouder was toevoeging van ibrutinib aan R-CHOP geassocieerd met verhoogde toxiciteit en slechtere werkzaamheidsuitkomsten.

1.Younes A, Sehn LH, Johnson P et al. Randomized phase III trial of ibrutinib and rituximab plus cyclophosphamide, doxorubicine, vincristine, and prednisone in non-germinal center B-cell diffuse large B-cell lymphoma. J Clin Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: The international phase 3 study PHOENIX compared ibrutinib plus R-CHOP versus placebo plus R-CHOP for previously untreated non-germinal center B-cell DLBCL. The study found no EFS improvement in the ibrutinib arm among all patients or among patients with activated B-cell disease. However, among patients aged younger than 60 years addition of ibrutinib to R-CHOP improved EFS, PFS, and OS with manageable safety. Among patients aged 60 years or older, ibrutinib plus R-CHOP was associated with increased toxicity and worse outcomes.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 3-studie van toevoegen van busulfan aan melfalan-conditionering voor autoHCT voor multipel myeloom (0)
2019-03-24 14:29   ( Nieuws )
Tags:  multiple myeloma autoHCT busulfan plus melphalan conditioning
Dr. Qaiser BashirIn retrospectieve studies zijn aanwijzingen gezien dat toevoegen van busulfan aan melfalan-conditionering voorafgaand aan autologe hematopoïetische celtransplantatie (autoHCT) voor multipel myeloom zou kunnen resulteren in langere progressievrije overleving. Een fase 3-studie van MD Anderson Cancer Center (Houston TX) heeft deze hypothese prospectief getoetst. Dr. Qaiser Bashir en collega’s publiceren de studie online in The Lancet Haematology.1

De studie includeerde patiënten met nieuw-gediagnostiseerd multipel myeloom in de leeftijd tot en met zeventig jaar en tenminste stabiele ziekte. Ze werden gerandomiseerd naar busulfan plus melfalan (n=104) of alleen melfalan (n=98) als conditionering voorafgaand aan de autoHCT. Negentig dagen na de autoHCT was partiële respons of beter gezien in 98% van de patiënten in de busulfan plus melfalan-groep en 97% van de patiënten in de alleen-melfalan groep. De mediane follow-up was 22,6 maanden in de busulfan plus melfalan-groep en 20,2 maanden in de alleen-melfalan groep. De mediane PFS was 64,7 maanden met busulfan plus melfalan versus 43,5 maanden met alleen melfalan (HR 0,53; p=0,022). Er waren in de eerste honderd dagen na de transplantatie geen behandelingsgerelateerde overlijdensgevallen. Graad 2 of 3 mucositis werd gezien in 74% van de patiënten met busulfan plus melfalen versus 14% van de patiënten met alleen melfalan.

De onderzoekers concluderen dat de studie suggereert dat busulfan plus melfalan als conditioneringsregime voorafgaand aan autoHCT voor nieuw-gediagnostiseerd multipel myeloom superieur is aan alleen melfalan.

1.Bashir Q, Thall PF, Milton DR et al. Conditioning with busulfan plus melphalan versus melphalan alone before autologous haematopoietic cell transplantation for multiple myeloma: an open-label, randomized, phase 3 trial. Lancet Haematol 2019; epub ahead of print

Summary: A phase 3 study at MD Anderson Cancer Center (Houston) found that in patients with newly diagnosed multiple myeloma autologous HCT after conditioning with busulfan plus melphalan resulted in longer progression-free survival than after conditioning with melphalan alone (median 64.7 months versus 43.5 months; HR 0.53; p=0.022).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Biomarkercombinatie voorspelt pCR van HER2-positief mammacarcinoom op neoadjuvante chemotherapievrije behandeling (0)
2019-03-24 12:58   ( Nieuws )
Tags:  HER2-positive breast cancer neoadjuvant lapatinib plus trastuzumab without chemotherapy
Dr. Rachel SchiffDe multicenter fase 2-studie TBCRC 006 includeerde 66 patiënten met stadium II of III HER2-positief mammacarcinoom, die neoadjuvante behandeling kregen met gerichte therapie (lapatinib plus trastuzumab) zonder chemotherapie. In 2013 is gepubliceerd dat de behandeling resulteerde in pathologisch complete respons (pCR) in 28% van de patiënten. Dr. Rachel Schiff (Baylor College of Medicine, Houston TX) en collega’s hebben een analyse uitgevoerd van biomarkers die het bereiken van pCR in de studie voorspelden. Ze publiceren de analyse online in Annals of Oncology.1

De analyse includeerde patiënten die neoadjuvant lapatinib plus trastuzumab (plus endocriene therapie voor ER-positieve tumoren). In een centraal laboratorium werd in 56 baseline-tumormonsters met FISH HER2-amplificatie bepaald. HER2 copy number (CN) en FISH ratios, en PI3K-routestatus (gedefinieerd met PIK3CA-mutaties of PTEN-niveaus) konden worden bepaald voor 41 tumoren.

Onder de 56 patiënten met bekende HER2-amplificatie waren er dertien (23%) die pCR bereikten. Geen van de elf patiënten met HER2-ratio lager dan 4 en/of CN lager dan 10 bereikte pCR, terwijl onder de 45 patiënten met HER2-ratio 4 of hoger en/of CN 10 of hoger dertien patiënten pCR bereikten (29%). Onder de achttien patiënten met tumoren met intacte PI3K-route waren er zeven die pCR bereikten, terwijl dat slechts voor één van drieëntwintig patiënten met PI3K-routeveranderingen het geval was (39% versus 4%; p=0,0133). Onder de zestien patiënten met HER2-ratio 4 of hoger plus intacte PI3K-route werd pCR bereikt door zeven patiënten, vergeleken met slechts één van vijfentwintig patiënten die niet aan deze criteria voldeden (44% versus 4%; p=0,0031).

De onderzoekers concluderen dat de analyse suggereert dat er een klinisch subtype mammacarcinoom bestaat dat wordt gekenmerkt door hoge HER2-amplificatie en intacte PI3K-route. Dit subtype heeft een goede respons op HER2-gerichte therapie zonder chemotherapie.

1.Veeraghavan J, De Angelis C, Mao R et al. A combinatorial biomarker predicts pathologic complete response to neoadjuvant lapatinib and trastuzumab without chemotherapy in patients with HER2+ breast cancer. Ann Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: An analysis of the multicenter phase 2 study TBCRC 006 suggests that there is a clinical subtype in breast cancer with high HER2 amplification and intact PI3K pathway that is especially sensitive to HER2-targeted therapies without chemotherapy. A combination of HER2 FISH ratio and PI3K pathway status to identify patients with this subtype needs to be validated.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Impact van letrozol voor vroeg-stadium mammacarcinoom op musculoskeletale pijn in relatie tot vooraf-bestaande pijn (0)
2019-03-23 15:53   ( Nieuws )
Tags:  letrozole for early breast cancer musculoskeletal burden preexisting pain
Prof. Peter FaschingMusculoskeletale pijn is een van de meest-voorkomende adverse events tijdens adjuvante behandeling met aromataseremmers voor vroeg-stadium mammacarcinoom. De Duitse multicenter fase 4-studie onderzocht de impact van vooraf-bestaande musculoskeletale pijn op de ontwikkeling van letrozol-geïnduceerde pijn in spieren en gewrichten. Prof. Peter Fasching (Universiteit van Erlangen-Neurenberg) en collega’s publiceren de studie online in het International Journal of Cancer.1

De studie includeerde 1416 evaluabele patiënten, die gedurende het eerste jaar van de behandeling maandelijks een pijnvragenlijst beantwoordden, waarbij ze de pijn beoordeelden op een schaal van 0 (geen pijn) tot en met 10 (zeer ernstige pijn). De gerapporteerde pijn gemiddeld over alle tijdstippen en alle vrouwen was 4,3 (mediaan 4,3). In patiënten die geen vooraf-bestaande spierpijn rapporteerden was de gemiddelde pijn over alle tijdstippen 2,0 (mediaan 1,7). Onder vrouwen zonder vooraf-bestaande spierpijn nam de pijn tijdens de eerste zes maanden van de behandeling relatief sterk toe, met gemiddeld +0,9 (p<0,00001). Onder vrouwen die wel vooraf-bestaande pijn hadden was de toename van de pijn minder sterk (gemiddeld +0,3; p<0,001). Dit verschil in toename van de pijn verschilde statistisch significant tussen beide groepen (p<0,0001). De ontwikkeling van gewrichtspijn verschilde niet tussen beide groepen.

De onderzoekers concluderen dat vrouwen zonder vooraf-bestaande spierpijn of gewrichtspijn de sterkste toename van pijn ervaren na start van adjuvante letrozolbehandeling. Vrouwen met vooraf-bestaande spierpijn hebben significant hogere pijnwaarden. De belangrijkste toename van de pijn vindt plaats tijdens de eerste zes maanden van de behandeling.

1.Nabieva N, Häberle L, Brucker SY et al. Preexisting musculoskeletal burden and its development under letrozole treatment in early breast cancer patients. Int J Cancer 2019; epub ahead of print

Summary: The German multicenter phase IV trial PreFace included patients receiving adjuvant letrozole for early breast cancer. The study found that women without preexisting muscle/limb pain or joint pain had the greatest increase in pain after the start of letrozole treatment. Women with preexisting pain had significantly higher pain values. The main increase in pain values took place during the first 6 months of treatment.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Gerandomiseerde fase 2-studie van eerstelijns anlotinib versus sunitinib voor metastatisch niercelcarcinoom (0)
2019-03-23 14:29   ( Nieuws )
Tags:  mRCC anlotinib versus sunitinib
Verbeteringen in de behandeling van metastatisch niercelcarcinoom (mRCC) hebben geresulteerd in langere overleving van de patiënten. Tegelijkertijd is ook de aandacht toegenomen voor de impact van de verschillende behandelingen op het optreden van adverse events (AEs). Een multicenter gerandomiseerde fase 2-studie in China heeft eerstelijns anlotinib voor mRCC vergeleken met sunitinib, met veiligheid als belangrijk eindpunt. Dr. Jianhui Ma (Chinese Akademie van Medische wetenschappen, Beijing) en collega’s publiceren de studie online in The Oncologist.1

De studie, uitgevoerd in dertien centra in China, includeerde 133 patiënten met niet-eerder behandeld mRCC. Ze werden 2:1 gerandomiseerd naar anlotinib (12 mg eenmaal daags gedurende de eerste twee weken van drie-weekse cycli; n=90) of sunitinib (50 mg eenmaal daags gedurende de eerste vier weken van zes-weekse cycli; n=43). Het primaire eindpunt was progressievrije overleving. De mediane PFS was niet significant verschillend tussen beide armen (17,5 maanden met anlotinib versus 16,6 maanden met sunitinib; p>0,05), hetgeen ook het geval was met de mediane overall survival (30,9 versus 30,5 maanden; p>0,05), de ORR (30,3% versus 27,9%) en percentage patiënten met ziektecontrole gedurende tenminste zes weken (97,8% versus 93,0%). Graad 3 en 4 adverse events waren significant minder frequent met anlotinib dan met sunitinib (28,9% versus 55,8%; p<0,01). AEs die minder frequent waren met anlotinib dan met sunitinib waren hand-voetsyndroom, ooglidoedemie, haar depigmentatie, vergeling van de huid, neutropenie, trombocytopenie, en anemie. De incidentie van SAEs was lager met anlotinib dan met sunitinib.

De onderzoekers concluderen dat eerstelijns anlotinib en sunitinib voor mRCC vergelijkbare klinische activiteit hadden, maar dat het veiligheidsprofiel van anlotinib gunstiger is.

1.Zhou A-P, Bai X, Song Y et al. Anlotinib versus sunitinib as first-line treatment for metastatic renal cell carcinoma: a randomized phase II clinical trial. The Oncologist 2019; epub ahead of print

Summary: A multicenter randomized phase 2 study in China compared first-line anlotinib with sunitinib voor metastatic renal cell carcinoma. The study found that anlotinib had similar clinical efficacy as sunitinib, but a more favorable safety profile (grade 3 or 4 AEs 28.9% versus 55.8%; p<0.01).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie van plasmaconcentratie van chemerine met risico van colorectaalcarcinoom (0)
2019-03-23 12:57   ( Nieuws )
Tags:  chemerin plasma concentration CRC risk
Dr. Krasmira AleksandrovaIn tal van studies is een associatie gezien tussen inflammatieprocessen en het risico van colorectaalcarcinoom (CRC). Chemerine is een recent ontdekte inflammatiebiomarker, die chemotactische, adipogene, en angiogene werking heeft. Een studie in het Potsdam-cohort van de European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) heeft de prospectieve associatie onderzocht van de concentratie van chemerin in de circulatie en het risico van incident CRC. Dr. Krasmira Aleksandrova (Deutsches Institut für Ernährungsforschung Potsdam) en collega’s publiceren de studie online in JAMA Network Open.1

Tussen augustus 1994 en oktober 1998 includeerde de studie 27.548 gezonde deelnemers. Bij inclusie stonden de deelnemers onder meer bloedmonsters af, waarin de chemerineconcentratie bepaald werd. Tijdens zestien jaar follow-up werd incident CRC gediagnostiseerd in 221 deelnemers. De onderzoekers vergeleken de baseline chemerine-plasmaconcentraties van deze deelnemers met die van 2329 deelnemers die tijdens de follow-up vrij bleven van CRC. In multivariate analyse gecorrigeerd voor bekende CRC-risicofactoren was hogere baseline-chemerineconcentratie van het plasma geassocieerd met verhoogd risico van CRC, met een HR 1,81 (p=0,007) voor het hoogste versus het laagste kwartiel van baseline-chemerine. De associatie was het sterkst voor proximaal coloncarcinoom (hoogste versus laagste kwartiel HR 3,97; p trend 0,001) en voor coloncarcinoom (hoogste versus laagste kwartiel HR 2,27; p trend 0,005) maar niet significant voor rectumcarcinoom (HR 1,27; p trend 0,35).

De onderzoekers concluderen dat de studie een lineaire associatie heeft gevonden tussen chemerine-concentratie en het risico van CRC, onafhankelijk van bekende CRC-risicofactoren.

1.Eichelmann F, Schulze MB, Wittenbecher C et al. Association of chemerin plasma concentration with risk of colorectal cancer. JAMA Network Open 2019;2:e190896

Summary: A prospective cohort study in Germany (n= 27,548 initially healthy participants, follow-up 16 years) found a linear association between baseline plasma concentration of chemerin and risk of colorectal cancer, independent of established CRC risk factors.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Niet-maligniteitgerelateerde mortaliteit in overlevers van AYA-maligniteiten (0)
2019-03-22 16:03   ( Nieuws )
Tags:  AYA cancer survivors noncancer mortality
Dr. Hazel NicholsOverlevers van maligniteiten hebben vergeleken met de algemene bevolking een verhoogd risico van niet-maligniteitengerelateerde mortaliteit, onder meer aan cardiovasculaire ziekte en infecties. Het is niet duidelijk of dit ook het geval is voor overlevers van maligniteiten op relatief jeugdige leeftijd (AYA cancer, leeftijd vijftien tot veertig jaar). Een analyse van de SEER-database heeft deze vraag onderzocht. Dr. Hazel Nichols (University of North Carolina, Chapel Hill) en collega’s publiceren de analyse online in Cancer.1

In de SEER-database over de periode van begin 1973 tot eind 2015 identificeerden de onderzoekers 235.541 AYAs met een maligniteit, van wie er tijdens meer dan 3,1 miljoen persoonsjaren follow-up 12.948 overleden aan noncancer causes. De noncancer mortality was onder deze AYAs significant verhoogd vergeleken met de algemene bevolking (Standardized Mortality Ratio 1,84; 95%-bti 1,80-1,87). De SMRs waren in het bijzonder verhoogd voor infectieziekten (SMR 5,13; 95%-bti 4,95-5,32), cardiovasculaire ziekte (SMR 1,55; 95%-bti 1,50-1,60), en nierziekten (SMR 2,40; 95%-bti 2,21-2,71). De associaties bleven bestaan gedurende langer dan twintig jaar na de diagnose van de maligniteit. De typen maligniteit die geassocieerd waren met de hoogste SMRs voor alle noncancer mortality waren leukemieën (SMR 5,26), Hodgkin lymfoom (SMR 3,12), non-Hodgkin lymfoom (SMR 6,33), tumoren van het centraal zenuwstelsel (SMR 3,38), hoofd-halsmaligniteiten (SMR 2,09), en cervix/uterus-maligniteiten (SMR 2,03).

De onderzoekers concluderen dat overlevers van AYA-maligniteiten een verhoogd risico van noncancer mortality hebben; de risicoverhoging blijft vele jaren na de diagnose van de maligniteit bestaan.

1.Anderson C, Lund JL, Weaver MA et al. Noncancer mortality among adolescents and young adults with cancer. Cancer 2019; epub ahead of print

Summary: An analysis of the SEER database found that AYAs with cancer have an elevated burden of mortality that persists many years after cancer diagnosis.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie tussen seksueel overgedragen infecties in het risico van epitheliaal ovariumcarcinoom (0)
2019-03-22 15:03   ( Nieuws )
Tags:  epithelial ovarian cancer risk sexually transmitted infections
Dr. Renée FortnerSeksueel overgedragen infecties (STIs) zijn geassocieerd met pelvische inflammatoire ziekte en verschillende typen pathologie van de eileider. Gelet op de tubale origine van sommige ovariumcarcinomen kunnen STIs relevant zijn voor hun etiologie. Dr. Renée Fortner (Deutsches Krebsforschungszentrum, Heidelberg) en collega’s hebben deze hypothese onderzocht in een patiënt-controlestudie binnen het cohort van de Nurses’ Health Study. Ze publiceren hun resultaten in het British Journal of Cancer.1

De onderzoekers bepaalden antilichamen die wezen op geschiedenis van infectie met Chlamydia trachomatis, Mycoplasma genitalium, herpes simplex virus type 2, en HPV 16, 18 en 45 in prediagnose plasmamonsters van 337 patiënten met epitheliaal ovariumcarcinoom in het cohort (n=257 invasief; n=80 borderline; n=170 invasief sereus ovariumcarcinoom) en 337 controledeelneemsters. Seropositiviteit tegen C. trachomatis was geassocieerd met verhoogd risico van ovariumcarcinoom overall (RR 2,07; 95%-bti 1,25-3,43). De associaties verschilden niet voor invasief, borderline, of invasief sereus ovariumcarcinoom. Er waren geen associaties met de andere STIs.

De onderzoekers concluderen dat de analyse suggereert dat infectie met C.trachomatis geassocieerd is met verhoogd risico van epitheliaal ovariumcarcinoom.

1.Fortner RT, Terry KL, Bender N et al. Sexually transmitted infections and risk of epithelial ovarian cancer: results from the Nurses’ Health Studies. Br J Cancer 2019; epub ahead of print

Summary: A case-control analysis within the cohort of the Nurses’ Health Studies found that Chlamydia trachomatis seropositivity was associated with higher risk of ovarian cancer (RR 2.07; 95% CI 1.25-3.43).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)