Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Multinationale retrospectieve cohortstudie van cabozantinib voor hersenmetastasen van niercelcarcinoom (0)
2021-10-22 15:00   ( Nieuws )
Tags:  RCC brain metastases cabozantinib
Prof. Toni ChoueiriPatiënten met hersenmetastasen van niercelcarcinoom (RCC BMs) zijn ondervertegenwoordigd in klinische studies, en er is geen effectieve systemische behandeling. Cabozantinib heeft robuuste klinische activiteit in metastatisch RCC, maar de werkzaamheid van cabozantinib voor RCC BMs is niet bekend. Een multinationale retrospectieve cohortstudie heeft deze werkzaamheid geïnventariseerd. Prof. Toni Choueiri (Dana-Farber Cancer Institute, Boston MA) en collega’s publiceren de studie in JAMA Oncology.1

De studie, uitgevoerd in vijftien centra in vier landen, includeerde 88 patiënten met in any line of treatment cabozantinib monotherapie-behandelde RCC BMs in twee cohorten. Cohort A (n=33) bestond uit patiënten met progressieve BMs zonder concomitante hersenen-gerichte lokale therapie, en cohort B (n=55) bestond uit patiënten met stabiele of progressieve BMs die concomitante hersenen-gericht lokale therapie kregen. Primaire eindpunten waren intracraniële radiologische respons en toxische effecten van cabozantinib.

De mediane follow-up was 17 maanden (range 2-74). Intracraniële respons werd gezien in 55% (95%-bti 36-73) van de patiënten in cohort A en 47% (33-61) van de patiënten in cohort B. In cohort A werd extracraniële respons gezien in 48% (31-66) met mediane tijd tot falen van behandeling 8,9 maanden (5,9-12,3) en mediane overall survival 15 maanden (9,0-30,0). In cohort B werd extracraniële respons gezien in 38% (25-52) met mediane TTF 9,7 maanden (6,0-13,2) en mediane OS 16 maanden (12,0-21,9). Cabozantinib werd goed verdragen, zonder onverwachte toxische effecten of neurologische adverse events. Er waren geen behandelings-gerelateerde graad 5 AEs.

De onderzoekers concluderen dat cabozantinib aanzienlijke intracraniële activiteit had met een acceptabel veiligheidsprofiel in patiënten met RCC BMs.

1.Hirsch L, Martinez Chanza N, Farah S et al. Clinical activity and safety of cabozantinib for brain metastases in patients with renal cell carcinoma. JAMA Oncol 2021.4544

Summary: A multinational retrospective cohort study found that cabozantinib had considerable intracranial activity and an acceptable safety profile in patients with brain metastases from renal cell carcinoma.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Kiemlijn pathogene varianten in voor maligniteiten predisponerende genen in ILC-patiënten (0)
2021-10-22 13:30   ( Nieuws )
Tags:  invasive lobular carcinoma of the breast germline PVs in cancer predisposition genes
Prof. Fergus CouchDe betrokkenheid van pathogene varianten (PVs) in cancer predisposition genes (CPGs) in invasief lobulair mammacarcinoom (ILC) is niet goed bekend. Een multicenterstudie in de Verenigde Staten heeft de bijdrage van PVs aan het risico van ILC geïnventariseerd. Prof. Fergus Couch (Mayo Clinic, Rochester MN) en collega’s publiceren de studie in het Journal of Clinical Oncology.1

De studie includeerde 2999 vrouwen met ILC in een bevolkings-gebaseerd cohort en 3796 vrouwen met ILC de klinische multigen-panel testen ondergingen. De onderzoekers bepaalden de frequentie van PVs in ATM, BARD1, BRCA1, BRCA2, BRIP1, CDH1, CHEK2, PALB2, PTEN, RAD51C, RAD51D, en TP53. De frequentie van PVs in CPGs onder vrouwen met ILC was 6,5% in het klinische cohort en 5,2% in het bevolkings-gebaseerde cohort. In case-control analyse waren PVs in CDH1 en BRCA2 geassocieerd met een hoog ILC-risico (OR hoger dan 4) en PVs in CHEK2, ATM, en PALB2 met een matig verhoogd ILC-risio (OR 2 tot 4). PVs in BRCA1 en CHEK2 p.Ile157Thr waren niet geassocieerd met klinisch relevant ILC-risico (OR lager dan 2). Vergeleken met infiltrerend ductaal carcinoom (IDC) waren in ILC PVs in CDH1 verrijkt met meer dan een factor 10 en PVs in BRCA1 substantieel verlaagd.

De onderzoekers concluderen dat PVs in ATM, BRCA2, CDH1, CHEK2, en PALB2, maar niet in BRCA1, geassocieerd zijn met verhoogd ILC-risico. De overeenkomsten in PV-frequenties in ILC en IDC suggereren dat histologie (lobulair versus ductaal) geen invloed dient te hebben op de keus van al of niet genetisch testen.

1.Yadav S, Hu C, Nathanson KL et al. Germline pathogenic variants in cancer predisposition genes among women with invasive lobular carcinoma of the breast. J Clin Oncol 2021; epub ahead of print

Summary: A multicenter study in the USA found that pathogenic variants in ATM, BRCA2, CDH1, CHEK2, and PALB2 are associated with increased risk of invasive lobular carcinoma (ILC) of the breast, whereas BRCA1 PVs are not. The similar overall PV frequencies in ILC and invasive ductal carcinoma (IDC) suggest that cancer histology should not influence the decision to proceed with genetic testing.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Genomische abnormaliteiten van TP53 definiëren risicogroepen in pediatrisch B-cel non-Hodgkin lymfoom (0)
2021-10-22 11:53   ( Nieuws )
Tags:  pediatric B-NHL TP53 genomic abnormalities
Prof. Vikki RandKinderen met B-cel non-Hodgkin lymfoom (B-NHL) hebben een goede kans van overleven, maar de huidige klinische risicostratificatie plaatst de helft van de patiënten in een hoog-risicogroep die zeer intensieve chemo-immuuntherapie krijgt. TP53-veranderingen zijn geassocieerd met ongunstige uitkomsten in veel typen maligniteiten. De impact van TP53-veranderingen op uitkomsten van pediatrisch B-NHL is niet bekend. Een retrospectieve multicenterstudie in het Verenigd Koninkrijk heeft deze impact onderzocht. Prof. Vikki Rand (Teesside University, Middlesbrough) en collega’s publiceren de studie in Leukemia.1

De onderzoekers analyseerden B-NHL monsters van 95 kinderen die tussen begin 1993 en eind 2014 waren behandeld. TP53-veranderingen werden gezien in monsters van 54,7% van de patiënten, en waren onafhankelijk geassocieerd met significant slechtere drie-jaars progressievrije overleving (70% versus 100%; p<0,001) en drie-jaars overall survival (78% versus 100%; p=0,002). Onder patiënten met klinisch gedefinieerde hoog-risico ziekte (stadium III met hoog LDH of stadium IV) hadden patiënten zonder TP53-veranderingen significant betere drie-jaars PFS (100% versus 55,6%; p=0,005) en drie-jaars OS (100% versus 66,7%; p=0,019) dan patiënten met TP53-veranderingen.

De onderzoekers concluderen dat TP53-veranderingen klinische risicogroepen in pediatrisch B-NHL definiëren. Analyse van deze verandering kan meer-gepersonaliseerde behandelingen mogelijk maken.

1.Newman AM, Zaka M, Zhou P et al. Genomic abnormalities of TP53 define distinct risk groups of paediatric B-cell non-Hodgkin lymphoma. Leukemia 2021; epub ahead of print

Summary: A multicenter retrospective study in the UK found that among patients with pediatric B-cell non-Hodgkin lymphoma presence of TP53 alterations defined distinct clinical risk groups.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Vijf-jaars overall survival uitkomsten na laparoscopisch versus open distale gastrectomie voor lokaal-gevorderd maagcarcinoom (0)
2021-10-21 15:00   ( Nieuws )
Tags:  CLASS-01 trial locally advanced gastric cancer laparoscopic versus open distal gastrectomy
De Chinese Laparoscopic Gastrointestinal Surgical Study (CLASS-01) vergeleek laparoscopische versus open distale gastrectomie voor lokaal-gevorderd maagcarcinoom. In 2019 is gepubliceerd dat er geen statistisch significant verschil tussen beide groepen was in drie-jaars ziektevrije overleving (76,5% versus 77,8%). Prof. Guoxin Li (Zuidelijke Medische Universiteit, Guangzhou) en collega’s publiceren in JAMA Surgery vijf-jaars overall survival uitkomsten van de studie.1

CLASS-01 werd uitgevoerd in veertien centra in China. De studie includeerde 1056 patiënten met klinisch stadium T2, T3, of T4a maagcarcinoom zonder bulky nodes of afstandsmetastasen. De patiënten werden (gestratificeerd naar centrum, leeftijd, stadium, en histologische kenmerken) gerandomiseerd naar laparoscopische distale gastrectomie (n=528) of open distale gastrectomie (n=528) met D2 lymfadenectomie.

De nu gepubliceerde analyse heeft betrekking op vijf-jaars OS van 1039 patiënten (69,9% mannen; gemiddelde leeftijd 56,2 ± 10,7 jaar) die curatieve behandeling kregen. De vijf-jaars OS was 72,6% in de groep laparoscopische distale gastrectomie versus 76,3% in de groep met open distale gastrectomie (HR 1,17; p=0,19). Er waren geen significante verschillen tussen beide groepen in overlijden aan maagcarcinoom (p=0,34) of overlijden aan andere oorzaken (p=0,42). Er waren ook geen significante OS-verschillen tussen beide groepen voor verschillende tumorstadia.

De onderzoekers concluderen dat onder patiënten met lokaal-gevorderd maagcarcinoom laparoscopische distale gastrectomie met D2 lymfadenectomie (uitgevoerd door ervaren chirurgen in hoog-volume centra) resulteerde in similar vijf-jaars OS vergeleken met open distale gastrectomie met D2 lymfadenectomie (visual abstract).

1.Huang C, Liu H, Hu Y et al. Laparoscopic vs open distal gastrectomy for locally advanced gastric cancer. Five-year outcomes from the CLASS-01 randomized clinical trial. JAMA Surg 2021.5104

Summary: The multicenter CLASS-01 study in China found that among patients with locally advanced gastric cancer, laparoscopic distal gastrectomy with D2 lymphadenectomy (performed by experienced surgeons in high-volume specialized centers) resulted in similar 5-year overall survival compared with open distal gastrectomy (visual abstract).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie van menopauzale hormoontherapie met risico van slokdarm-adenocarcinoom: bevolkings-gebaseerde cohortstudie (0)
2021-10-21 13:30   ( Nieuws )
Tags:  esophageal adenocarcinoma menopausal hormone therapy
Prof. Jesper LagergrenMannen zijn sterk overtegenwoordigd onder patiënten met adenocarcinoom van de slokdarm (EAC). Een bevolkingsgebaseerde cohortstudie in Zweden heeft de hypothese onderzocht dat menopauzale hormoontherapie geassocieerd is met verlaagd risico van EAC. Prof. Jesper Lagergren (Karolinska Instituut, Stockholm) en collega’s publiceren de studie in het British Journal of Cancer.1



De studie includeerde alle vrouwen die tussen begin 2005 en eind 2018 in Zweden systemische menopauzale hormoontherapie gebruikten (n=296.964) en voor elk van deze vrouwen vijf at random gekozen voor leeftijd gematchte niet-gebruiksters (n=1.484.820). De analyse werd gecorrigeerd voor leeftijd, roken-gerelateerde diagnosen, eradicatie van Helicobacter pylori, gebruik van NSAIDs/aspirine, gebruik van statines, en hysterectomie. Ooit-gebruiksters van menopauzale hormoontherapie hadden een verlaagd risico van EAC (HR 0,78; 95%-bti 0,63-0,97). Deze associatie bleef onveranderd na verdere correctie voor refluxziekte (HR 0,78; 95%-bti 0,63-0,97) en obesitas/diabetes (HR 0,79; 95%-bti 0,63-0,98). De associatie werd gezien onder zowel gebruikers van alleen oestrogeen (HR 0,82; 95%-bti 0,60-1,12) als gebruikers van oestrogeen-progestogeen combinatie (HR 0,75; 95%-bti 0,56-1,00). De risicoreductie was het sterkst onder gebruikers die jonger waren dan zestig jaar (HR 0,57; 95%-bti 0,38-0,86).

De onderzoekers concluderen dat gebruik van menopauzale hormoontherapie geassocieerd kan zijn met verlaging van het EAC-risico.

1.Xie S-H, Santoni G, Lagergren J. Menopausal hormone therapy and risk of oesophageal adenocarcinoma in a population-based cohort study. Br J Cancer 2021; epub ahead of print

Summary: A population-based cohort study in Sweden found that menopausal hormone therapy was associated with decreased risk of esophageal adenocarcinoma.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multinationale prospectieve studie van prostaatcarcinoom-screening onder mannen met MMR-PVs (0)
2021-10-21 11:50   ( Nieuws )
Tags:  IMPACT study mismatch repair genes pathogenic variants prostate cancer screening
Prof. Rosalind EelesLynch syndroom (LS) is een zeldzaam erfelijk maligniteitensyndroom dat wordt veroorzaakt door pathogene varianten (PVs) in de mismatch repair (MMR)-genen MLH1, MSH2, MSH6, of PMS2. Het syndroom leidt predominant tot colorectaal- en endometriumcarcinoom, maar er zijn aanwijzingen dat mannen met LS ook een verhoogd risico hebben van vroeg-ontstaan agressief prostaatcarcinoom. In de multinationale prospectieve IMPACT-studie ondergaan mannen met PVs in MLH1, MSH2, en MSH6 in de leeftijd van veertig tot zeventig jaar jaarlijks PSA-screening. Prof. Rosalind Eeles (Institute of Cancer Research, Sutton UK) en collega’s publiceren resultaten van de eerste screeningsronde in The Lancet Oncology.1

IMPACT wordt uitgevoerd in 34 centra in acht landen. De studie includeerde 644 dragers van MMR-PVs en 318 voor leeftijd gematchte niet-dragers. De gemiddelde leeftijd was 52,8 ± 8,3 jaar. Alle mannen ondergingen PSA-screening, en mannen met een PSA-niveau hoger dan 3,0 ng/ml kregen transrectale US-geleide prostaatbiopsie aangeboden. In de eerste screeningsronde werd PSA-niveau hoger dan 3,0 ng/ml gezien in 56 mannen (6%) en ondergingen 35 mannen biopsie (4%). De overall incidentie van prostaatcarcinoom was 1,9% (18 van 962 mannen; 95%-bti 1,1-2,9). De incidentie van prostaatcarcinoom was 4,3% (95%-bti 2,3-7,2) onder de 305 MSH2-PV dragers; 3,0% (0,8-7,4) onder de 135 MSH6-PV dragers, en 0 onder de 204 MLH1-PV dragers. Prostaatcarcinoom werd gedetecteerd in één van 318 controlepersonen.

De onderzoekers concluderen dat na de eerste screeningsronde van IMPACT dragers van PVs in MSH2 en MSH6 hogere incidentie van prostaatcarcinoom hadden dan voor leeftijd gematchte niet-dragers. Deze resultaten steunen gerichte PSA-screening vanaf de leeftijd veertig jaar in mannen die bekend zijn met deze PVs.

1.Bancroft EK, Page EC, Brook MN et al. A prospective prostate cancer screening programme for men with pathogenic variants in mismatch repair genes (IMPACT): initial results from an international prospective study. Lancet Oncol 2021; epub ahead of print

Summary: The multinational prospective IMPACT study found that carriers of MSH2 and MSH6 pathogenic variants had a higher incidence of prostate cancer compared with age-matched non-carrier controls.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 2-studie van neoadjuvant en adjuvant nivolumab en lirilumab voor recidiverend resectabel HNSCC (0)
2021-10-20 15:00   ( Nieuws )
Tags:  recurrent HNSCC neoadjuvant and adjuvant nivolumab plus lirilumab
Dr. Glenn HannaIn veel gevallen is chirurgie de beste kans om ziektecontrole te bereiken in patiënten met locoregionaal recidiverend squameus celcarcinoom van hoofd en hals (HNSCC). Een fase 2-studie van Dana-Farber Cancer Institute en Brigham and Women’s Hospital (Boston MA) heeft duale immuuncheckpointremming met nivolumab (N, anti-PD-1) en lirilumab (L, anti KIR) voor en na salvage chirurgie in deze patiënten geëvalueerd. Dr. Glenn Hanna (DFCI) en collega’s publiceren de studie in Clinical Cancer Research.1



De studie includeerde 28 patiënten met locoregionaal recidiverend HNSCC. De mediane leeftijd was 66 jaar, 86% waren rokers, 96% hadden eerder bestraling gekregen, en de primaire site was mondholte (n=9), orofarynx (n=9), of larynx/hypofarynx (n=10). De patiënten kregen één tot drie weken voor de chirurgie N 240 mg plus L 240 mg, en na chirurgie zes cycli adjuvant N+L. Het primaire eindpunt was percentage ziektevrije patiënten na een jaar. Secundaire eindpunten waren veiligheid, preoperatieve radiologische respons, en overall survival.

De neoadjuvante behandeling resulteerde in geen van de patiënten in uitstel van chirurgie. Graad 3 of hoger adverse events werden gezien in 11%. Op het moment van chirurgie hadden 27 patiënten radiologisch stabiele ziekte, en had één patiënt progressieve ziekte. Pathologische respons werd gezien in 12 van 28 patiënten (43%) onder wie 4 met majeure respons (tumor viabiliteit 10% of lager) en 8 met partiële respons (TV 50% of lager). Vijf patiënten (18%) hadden positieve marges. De mediane follow-up was 22,8 maanden. Onder de patiënten met pathologische respons waren de één-jaars DFS en één-jaar OS 55,2% (95%-bti 34,8-71,7) respectievelijk 85,7% (95%-bti 66,3-94,4) en de twee-jaars DFS en twee-jaars OS waren 64% respectievelijk 80%.

De onderzoekers concluderen dat neoadjuvant en adjuvant N+L goed verdragen werd en resulteerde in pathologische respons in 43% van de patiënten, gunstige DFS en uitstekende twee-jaars OS onder hoog-risico eerder-behandelde patiënten met pathologische respons.

1.Hanna GJ, ONeill A, Shin K-Y et al. Neoadjuvant and adjuvant nivolumab and lirilumab in patients with recurrent, resectable squamous cell carcinoma of the head and neck. Clin Cancer Res 2021; epub ahead of print

Summary: A phase 2 study at Dana-Farber Cancer Institute/Brigham and Women’s Hospital (Boston, MA) found that among patients with locoregionally recurrent HNSCC neoadjuvant and adjuvant dual immune checkpoint inhibition with nivolumab and lirilumab resulted in pathologic response in 43% of patients and favorable DFS and excellent two-year OS of patients exhibiting pathologic response.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Perioperatief circulerend tumor DNA als prognostische marker in operabel stadium I tot en met IIIA niet-kleincellig longcarcinoom (0)
2021-10-20 13:30   ( Nieuws )
Tags:  operable stage I-IIIA NSCLC perioperative ctDNA as prognostic marker
Circulerend tumor DNA (ctDNA) kan een niet-invasieve biomarker zijn voor het dynamisch monitoren van tumoren. Een prospectieve studie van Sun Yat-sen Universiteit (Guangzhou, China) heeft de waarde van perioperatieve ctDNA-analyse als prognostische marker in patiënten met operabel stadium I tot en met IIIA niet-kleincellig longcarcinoom onderzocht. Prof. Si-Yu Wang en collega’s publiceren de studie in Cancer.1

De studie includeerde 119 patiënten, die bloedmonsters afstonden voor aanvang van de chirurgie, één maand na de chirurgie, en vervolgens iedere drie tot zes maanden gedurende drie jaar. ctDNA werd gedetecteerd in prechirurgische monsters van 29 van 117 patiënten (24,7%) en was geassocieerd met slechtere recidiefvrije overleving (HR 2,42; p=0,022). ctDNA werd gedetecteerd in de eerste postchirurgische monsters van 12 van 116 patiënten (10,3%) en was eveens geassocieerd met slechtere RFS (versus patiënten zonder detecteerbaar ctDNA: HR 3,04; p=0,012). Tijdens de surveillance na de chirurgie hadden longitudinaal ctDNA-positieve patiënten vergeleken met de longitudinaal ctDNA-negatieve patiënten significant kortere RFS (HR 3,46; p<0,001) en overall survival (HR 9,99; p=0,010). Seriële ctDNA-analyse detecteerde recidief mediaan 8,71 maanden eerder dan radiologische analyse.

De onderzoekers concluderen dat onder patiënten met operabel NSCLC perioperatieve ctDNA-analyse recidief en overleving konden voorspellen, en dat seriële ctDNA-analyse recidief eerder kon identificeren dan routinematige radiologische imaging.

1.Li N, Wang B-X, Li J et al. Perioperative circulating tumor DNA as a potential prognostic marker for operable stage I to IIIA non-small-cell lung cancer. Cancer 2021; epub ahead of print

Summary: A prospective study at Sun Yat-sen University Cancer Center (Guangzhou, China) found that among patients with operable NSCLC, perioperative ctDNA analyses could predict recurrence and survival, and serial ctDNA analyses could identify recurrence/metastasis earlier than routine radiologic imaging.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)