Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Associatie tussen bijwerkingen en respons op anti-PD1/L1 therapie voor gevorderd urotheelcarcinoom (0)
2019-05-23 15:00   ( Nieuws )
Tags:  advanced urothelial cancer anti-PD-1 L1 adverse events
Dr. Richard PazdurBehandeling met anti-PD1/L1 antilichamen resulteert in respons in een subset van de patiënten met gevorderd urotheelcarcinoom, maar is ook geassocieerd met adverse events. Dr. Richard Pazdur (FDA, Silver Spring MD) en collega’s hebben een gepoolde analyse uitgevoerd van zeven studies die de relatie rapporteerden tussen adverse events of special interest (AESIs) of immune-mediated adverse events (imAEs; gedefinieerd als AESIs die werden behandeld met corticosteroïden) en respons op de behandeling. Ze publiceren de analyse online in het Journal of Clinical Oncology.1

De vijf studies telden tezamen 1747 patiënten met lokaal-gevorderd of metastatisch urotheelcarcinoom. Vijf van de studies includeerden patiënten die eerder platina-gebaseerde therapie hadden gekregen; de twee overige studies hadden deelnemers die niet in aanmerking kwamen voor cisplatine. In de zeven studies tezamen werden met de behandeling samenhangende AESIs gerapporteerd voor 64% van de patiënten met respons (op de anti-PD1/L1 therapie) versus 34% van de patiënten zonder respons; imAEs werden gerapporteerd voor 28% van de patiënten met respons versus 12% van de patiënten zonder respons. Onder de patiënten met respons en een met de behandeling samenhangende AESI rapporteerde 57% de AESI voordat de respons was vastgesteld. Onder de patiënten met respons was de overall survival langer in de patiënten met een met de behandeling samenhangende AESI dan in patiënten zonder een dergelijke AESI (HR 0,45; 95%-bti 0,39-0,52).

De onderzoekers concluderen dat onder patiënten die anti-PD1/L1 therapie kregen voor gevorderd urotheelcarcinoom de responders vergeleken met de nonresponders een hogere waarschijnlijkheid hadden van het rapporteren van een met de behandeling samenhangende AESI of imAE.

1.Maher VE, Fernandes LL, Weinstock C et al. Analysis of the association between adverse events and outcome in patients receiving a programmed death protein 1 or programmed death ligand 1 antibody. J Clin Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A pooled analysis of seven trials of anti-PD-1/L1 therapy for locally advanced or metastatic urothelial cancer found that patients who responded to treatment were more likely to report a related adverse event of special interest or immune-mediated adverse event. This relationship did not seem to be due to the increased duration of exposure in responding patients.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Incidentie van en risicofactoren voor keratinocytcarcinoom na ontvangst van solide-orgaantransplantatie (0)
2019-05-23 14:01   ( Nieuws )
Tags:  keratinocyte carcinoma solid organ transplant
Dr. An-Wen ChanKeratinocytcarcinoom (KC, ook bekend als nonmelanoma skin cancer), is een maligniteit die frequent wordt gezien in ontvangers van solide-orgaantransplantatie. Een cohortstudie in Canada heeft incidentie van en risicofactoren voor post-transplantatie KC geïnventariseerd. Dr. An-Wen Chan (Women’s College Hospital, Toronto) en collega’s publiceren de studie online in JAMA Dermatology.1



De studie includeerde 10.198 volwassen patiënten die tussen begin 1994 en eind 2012 in Ontario ontvangers waren van een eerste nier-, lever-, hart-, of longtransplantatie met functionerende graft. Ze werden gevolgd tot eind 2013. De mediane leeftijd op het moment van transplantatie was 51 jaar (IQR 41-59); de meeste ontvangers waren mannen (64,8%) en blank (58,5%). Post-transplantatie KC werd gediagnostiseerd in 1690 patiënten (16,6%) mediaan 3,96 jaar (IQR 1,94-7,09) na de transplantatie. De incidentie van post-transplantatie KC kwam daarmee uit op 2,63 per 100 patiëntjaren (95%-bti 2,51-2,76). Vergeleken met de algemene bevolking was het KC-risico in ontvangers van transplantatie significant hoger (SIR 6,61; 95%-bti 6,31-6,93).

De hoogste tien-jaars cumulatieve incidentie werd gezien in de subsets van patiënten met geschiedenis van pre-transplantatie huidmaligniteit (66,5%), patiënten ouder dan vijftig jaar op het moment van transplantatie (27,5% voor 51 tot en met 65 jaar; 40,5% voor ouder dan 65 jaar), en blanke patiënten (24,1%). De sterkste onafhankelijke risicofactoren voor post-transplantatie KC waren hogere leeftijd bij transplantatie (aHR 9,27; 95%-bti 7,08-12,14 voor ouder dan 65 jaar versus jonger dan 36 jaar), blank ras (versus zwart aHR 8,50; 95%-bti 4,03-17,91), pre-transplantatie invasieve huidmaligniteit (aHR 4,30; 95%-bti 3,72-4,98), en post-transplantatie precancerous huidlesies (aHR 4,32; 95%-bti 3,77-4,95).

De onderzoekers concluderen dat ontvangers van solide-orgaantransplantatie vergeleken met de algemene bevolking een ruim zesmaal verhoogd risico van KC hadden, en dat het risico vooral verhoogd was onder oudere en blanke ontvangers en onder ontvangers met geschiedenis van huidmaligniteiten of voorlopers daarvan.

1.Park CK, Fung K, Austin PC et al. Incidence and risk factors of keratinocyte carcinoma after first solid organ transplant in Ontario, Canada. JAMA Dermatol 2019; epub ahead of print

Summary: A cohort study in Canada found that the incidence of keratinocyte carcinoma was substantially increased in receivers of solid organ transplant (SIR 6.61), particularly in patients who were older at transplant, where white, and had a history of cancerous or precancerous skin tumors. 


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie tussen fysieke activiteit tijdens adolescentie en later risico van colorectaal adenoom in vrouwen (0)
2019-05-23 13:08   ( Nieuws )
Tags:  Nurses’ Health Study II physical activity during adolescence risk of colorectal adenoma
Dr. Nana KeumFysieke activiteit in de volwassen levensfase is consistent geassocieerd gezien met lager risico van colorectaalcarcinoom. Het is niet bekend of fysieke activiteit tijdens de adolescentie een rol speelt in de colorectale carcinogenese. Een analyse in het cohort van de Nurses’ Health Study II heeft deze kwestie onderzocht. Dr. Nana Keum (Harvard School of Public Health, Boston MA) en collega’s publiceren de analyse analyse online in het British Journal of Cancer.1

De analyse includeerde 28.250 vrouwen die in 1997 informatie gaven over hun fysieke activiteit tijdens de adolescentie (leeftijd 12 tot en met 22 jaar) en vanaf 1998 tot en met 2011 tenminste één darm-endoscopie ondergingen. Tijdens deze follow-up werden in 2373 van de deelneemsters colorectaaladenomen gedetecteerd. Zelf-gerapporteerde fysieke activiteit tijdens de adolescentie was invers geassocieerd met het risico van colorectaaladenoom, onafhankelijk van de fysieke activiteit later in het leven: voor vrouwen die als adolescent 72 MET-h per week fysieke activiteit hadden versus vrouwen met minder dan 21 MET-h/week was de OR van colorectaaladenoom 0,89 (p trend = 0,03). Vrouwen met een hoge fysieke activiteit tijdens adolescentie (≥53,3 MET-h/week) en tijdens de volwassen levensfase (≥23,1 MET-h/week) hadden vergeleken met vrouwen met lage activiteit in beide levensfasen een significant lager risico van alle adenomen (OR 0,76; 95%-bti 0,66-0,88) en van gevorderde adenomen (OR 0,61; 95%-bti 0,45-0,82).

De onderzoekers concluderen dat de analyse suggereert dat fysieke activiteit tijdens de adolescentie geassocieerd is met lager risico van colorectaaladenomen later in het leven.

1.Machado de Rezende LF, Lee DH, Keum N et al. Physical activity during adolescence and risk of colorectal adenoma later in life: results from the Nurses’ Health Study II. Br J Cancer 2019; epub ahead of print

Summary: An analysis in the cohort of the Nurses’ Health Study II found that physical activity during adolescence, independent of physical activity during adulthood, was associated with lower risk of colorectal adenoma later in life (for ≥ 72 MET-h/week versus < 21 MET-h/week HR 0.89; p trend= 0.03).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie tussen deelname aan gerandomiseerde mammacarcinoomstudie en overall survival (0)
2019-05-23 11:47   ( Nieuws )
Tags:  particpating in randomized breast cancer study overall survival
Prof. Yasuo OhashiEr zijn enige aanwijzingen voor een trial effect, inhoudende dat deelname aan een studie op zichzelf geassocieerd is met langere overleving. Een analyse in Japan heeft het bestaan van dit effect onderzocht. Prof. Yasuo Ohashi (Chuo Universiteit, Tokio) en collega’s publiceren de analyse online in Breast Cancer Research and Treatment.1 De prospectieve analyse vergeleek overall survival van deelneemsters versus vergelijkbare niet-deelneemsters aan de SELECT BC studie.

SELECT BC vergeleek S1-chemotherapie met taxaan-chemotherapie als eerstelijns behandeling voor metastatisch mammacarcinoom. De mediane OS van de deelneemsters was 36,8 maanden. De groep niet-deelneemsters bestond uit patiënten die voldeden aan de inclusiecriteria van SELECT BC, en deelname aangeboden hadden gekregen, maar geweigerd hadden. In deze groep was de mediane OS 25,2 maanden (HR versus deelneemsters 1,48; p=0,022). Ook bij vergelijking van patiënten die als deelneemsters of niet-deelneemsters dezelfde behandeling hadden gekregen (S1 of taxaan) was de mediane OS significant langer in de deelneemstersgroep (36,8 maanden versus 22,0 maanden; HR 2,03; p=0,006).

De onderzoekers concluderen dat de analyse het bestaan van een trial effect zou kunnen suggereren.


1.Ohno S, Mukai H, Narui K et al. Participants in a randomized controlled trial had longer overall survival than non-participants: a prospective cohort study. Breast Cancer Res Treat 2019; epub ahead of print

Summary: An analysis in Japancompared overall survival of breast cancer patients participating in the SELECT BC study (S1 versus taxane as first-line treatment for metastatic breast cancer) and non-participants with the same characteristics and the same treatment as the participants. The median overall survival was 36.8 months in the participants group versus 22.0 months in the non-participants group (HR 2.03; p=0.006).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie tussen gebruik van statines en risico van levermaligniteiten in twee bevolkings-gebaseerde studies (0)
2019-05-22 15:05   ( Nieuws )
Tags:  liver cancer risk statin use
Dr. Aaron ThriftEpidemiologische studies van de associatie tussen gebruik van statines en risico van levermaligniteiten hebben tot tegenstrijdige resultaten geleid. Dr. Aaron Thrift (Baylor College of Medicine, Houston TX) en collega’s hebben deze associatie onderzocht in twee grote bevolkings-gebaseerde studies. Ze publiceren hun bevindingen online in het International Journal of Cancer.1

De eerste studie was een patiënt-controlestudie in de database van de Scottish Primary Care Clinical Informatics Unit (PCCIU). Voor iedere patiënt met primaire levermaligniteit (n=434) selecteerden de onderzoekers vijf voor geslacht en leeftijd gematchte controlepersonen (n=2103) in de database. Gebruikers van statines hadden een 39% lager risico van levermaligniteit dan niet-gebruikers (gecorrigeerd OR 0,61; 95%-bti 0,43-0,87). De tweede studie was een prospectieve analyse in het cohort van de UK Biobank. Tussen 2006 en 2010 includeerde het cohort 475.768 deelnemers die informatie gaven over (onder veel meer) hun statinegebruik. Tijdens de follow-up ontwikkelden 182 deelnemers incidente levermaligniteit. Zelf-gerapporteerd statinegebruik bij inclusie was geassocieerd met significant verlaagd risico van ontwikkeling van levercelcarcinoom (HCC; gecorrigeerd HR 0,48; 95%-bti 0,24-0,94) maar niet intrahepatisch galwegcarcinoom (IBDC; gecorrigeerd HR 1,09; 95%-bti 0,45-2,64).

De onderzoekers concluderen dat beide studies een consistente inverse associatie hebben laten zien tussen gebruik van statines en het risico van levermaligniteit. In het UK Biobank cohort werd de associatie alleen gezien voor HCC maar niet voor IBDC.

1.Tran KT, McMenamin UC, Coleman HG et al. Statin use and risk of liver cancer: evidence from two population-based studies. Int J Cancer 2019; epub ahead of print

Summary: A case control study in Scotland and a prospective cohort study in the UK found that use of statins is associated with lower risk of liver cancer. The risk reduction was seen for hepatocellular carcinoma but not intrahepatic bile duct carcinoma.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Vergelijking van incidentie van pneumonitis geassocieerd met verschillende immunotherapieën voor gevorderd NSCLC (0)
2019-05-22 14:08   ( Nieuws )
Tags:  treatments for advanced NSCLC incidence of pneumonitis
Dr. Haisam AbidIn eerdere studies is prevalentie van expressie van PD-L1 in gevorderd NSCLC gezien in tumoren van 24% tot 60% van de patiënten. Immunotherapieën zoals pembrolizumab, nivolumab, durvalumab, en atezolizumab verbeteren de overleving van een subset van de patiënten, maar zijn geassocieerd met adverse events, waaronder pneumonitis. Een retrospectieve meta-analyse van gerandomiseerde fase 3-studies heeft de incidentie van met de genoemde behandeling samenhangende pneumonitis geïnventariseerd. Dr. Haisam Abid (Bassett Healthcare Network, Cooperstown NY) presenteert de meta-analyse later vandaag op de Annual Meeting van de American Thoracic Society in Dallas.1

De meta-analyse includeerde 3638 volwassen patiënten die deelnamen aan zes RCTs (PACIFIC, KEYNOTE 024, CheckMate 026, CheckMate 017, CheckMate 057, en OAK). In PACIFIC was de incidentie van pneumonitis 37,4% van de patiënten met durvalumab versus 27,1% met placebo (RR 1,37). In KEYNOTE 024 was de incidentie van penumonitis 8,4% met pembrolizumab versus 1,32% in de controle-arm (RR 6,37). Voor nivolumab werd in de drie CheckMate studie een gemiddelde incidentie van pneumonitis gezien in 1,30% versus 0% in de controle-armen. In OAK was de incidentie van pneumonitis 0,81% met atezolizumab versus 0,16% in de controle-arm (RR 4,99).

De onderzoekers concluderen dat het risico van pneumonitis het hoogst was met pembrolizumab, gevolgd door atezolizumab. Pneumonitis kwam minder vaak voor in patiënten die werden behandeld met nivolumab en durvalumab. De hoge incidentie van pneumonitis in de PACIFIC-studie kan worden verklaard uit het feit dan patiënten in beide armen radiotherapie kregen.

1.Abid H et al. American Thoracic Society Annual Meeting, abstr. A7283

Summary: A retrospective meta-analysis of six randomized phase III clinical trials found that among patients with advanced or metastatic NSCLC the risk of developing pneumonitis is highest with use of pembrolizumab, followed by atezolizumab. Pneumonitis is less common in patients treated with nivolumab and durvalumab.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Expressie van PD-L1 is geassocieerd met ongunstige uitkomsten van EGFR-TKIs voor EGFR-gemuteerd longadenocarcinoom (0)
2019-05-22 12:59   ( Nieuws )
Tags:  EGFR-mutated lung adenocarcinoma EGFR-TKIs PD-L1 expression
Expressie van PD-L1 is geassocieerd met klinische uitkomsten van blokkade van de PD1-route in NSCLC. Hoge expressie van PD-L1 is gezien in ongeveer 30% van de patiënten zonder EGFR-mutatie of ALK-rearrangement. Een studie in Zuid-Korea heeft de associatie onderzocht tussen expressie van PD-L1 en de uitkomsten van EGFR-TKIs voor EGFR-gemuteerd longadenocarcinoom. Dr. Wan Jeon (Kyung Hee Universiteit, Seoel) presenteert de studie later vandaag op de Annual Meeting van de American Thoracic Society in Dallas.1

De studie includeerde 71 patiënten die vanaf januari 2017 tot en met juni 2018 in twee ziekenhuizen in Seoel EGFR-TKIs kregen voor EGFR-gemuteerd longadenocarcinoom. De PD-L1 tumor proportion score (TPS) was lager dan 1% in 58,7% van de patiënten, tussen 1% en 50% in 30,7% van de patiënten, en 50% of hoger in 10.7% van de patiënten. Onder de 37 patiënten die eerstelijns EGFR-TKIs kregen was een TPS 1% of hoger geassocieerd met significant slechtere respons dan TPS lager dan 1% (45,7% versus 67,3%; p=0,005) en ook met een significant kortere mediane progressievrije overleving (9,3 maanden versus 14,2 maanden; p=0,024). In multivariate analyse was PD-L1 TPS 1% of hoger onafhankelijk geassocieerd met kortere PFS (HR 1,32; p=0,012).

De onderzoekers concluderen dat expressie van PD-L1 geassocieerd was met slechtere uitkomsten van EGFR-TKIs voor EGFR-gemuteerd longadenocarcinoom.

1.Jeon W et al. American Thoracic Society Annual Meeting 2019; abstr. A7291

Summary: A study in South Korea, presented today at the Annual Meeting of the American Thoracic Society in Dallas, found that PD-L1 expression predicted a poor response to EGFR-TKI among patients with EGFR-mutated lung adenocarcinoma.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multinationale fase 2-studie van nivolumab voor gevorderd-stadium klassiek Hodgkin lymfoom (0)
2019-05-22 12:00   ( Nieuws )
Tags:  CheckMate 205 study cHL nivolumab
Dr. Radhakrishnan RamchandrenBehandeling van nieuw-gediagnostiseerd vroeg-stadium klassiek Hodgkin lymfoom (cHL) met multiagent chemotherapie resulteert in hoge percentages patiënten met complete remissie en genezing. Uitkomsten van behandeling van gevorderd-stadium cHL (IIB met ongustig risico, III, en IV) zijn echter suboptimaal. Cohort D van de multinationale fase 2-studie CheckMate 205 onderzocht veiligheid en werkzaamheid van nivolumab (N) monotherapie gevolgd N plus doxorubicine, vinblastine, en dacarbazine (N-AVD) voor nieuw-gediagnostiseerd gevorderd-stadium cHL. Dr. Radhakrishnan Ramchandren (Univeristy of Tennessee, Knoxville) en collega’s publiceren resultaten van het cohort als Rapid Communication in het Journal of Clinical Oncology.1

Het cohort includeerde 51 volwassen patiënten met niet-eerder behandeld gevorderd-stadium cHL, onder wie 25 (49%) met International Prognostic Score 3 of hoger. Ze kregen 4 doses intraveneus N 240 mg iedere twee weken, gevolgd door twaalf doses N-AVD. Graad 3 of 4 adverse events werden gezien in 59% van de patiënten, met febriele neutropenie in 10%. Endocriene immuungerelateerde AEs waren niet hoger dan graad 2 en vereisten geen hoge-dosering corticosteroïden. Alle niet-endocriene irAEs resolveerden, waaronder als meest-gerapporteerde rash (5,9%). Aan het eind van de therapie was de overall response rate 84% (95%-bti 71-93), met 67% (52-79) complete remissie waarbij vijf patiënten niet-avalueerbaar waren en werden meegeteld als non-responders (IRC: Independent radiologic review; INV: beoordeeld door lokale onderzoekers). Na minimaal 9,4 maanden follow-up was de negen-maands progressievrije overleving 92%.

De onderzoekers concluderen dat N gevolgd door N-AVD geassocieerd was met veelbelovende werkzaamheid voor nieuw-gediagnostiseerd gevorderd-stadium cHL, met een acceptabel veiligheidsprofiel.

1.Ramchandren R, Domingo-Domènech E, Rueda A et al. Nivolumab for newly diagnosed advanced-stage classic Hodgkin lymphoma: safety and efficacy in the phase II CheckMate 205 study. J Clin Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: An analysis of cohort D of the phase II CheckMate 205 study found that four doses of nivolumab followed by twelve doses of nivolumab plus doxorubicin, vinblastine and dacarbazine dacarbazine had promising efficacy and safety for newly diagnosed, advanced-stage classical Hodgkin lymphoma.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)