Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Uitkomsten van secundaire solide-tumor maligniteiten in patiënten met myeloom (0)
2018-11-20 16:04   ( Nieuws )
Tags:  myeloma secondary solid tumor malignancies
Dr. Adam OlszewskiVorderingen in behandelingen hebben geresulteerd in verlenging van de overleving van patiënten met myeloom. Het aantal patiënten met myeloom en een secundaire maligniteit neemt toe. Dr. Adam Olszewski (Brown University, Providence RI) en collega’s hebben een analyse uitgevoerd van de uitkomsten van secundaire solide-tumor maligniteiten onder patiënten met myeloom. Ze publiceren de analyse online in Cancer.1

De analyse is gebaseerd op gegevens in de SEER-database voor de periode van begin 2004 tot eind 2015. De onderzoekers analyseerden kenmerken en overleving van patiënten met myeloom en secundaire maligniteiten van borst, prostaat, long, colon/rectum, en blaas of melanoom. Elke patiënt werd op basis van leeftijd, geslacht, ras, en jaar van diagnose gematcht met vijftig patiënten met dezelfde solide maligniteit maar zonder myeloom.

De analyse laat zien dat borst-, prostaat-, of longmaligniteit in patiënten met myeloom vaker in een eerder stadium werden gediagnostiseerd dan in patiënten zonder myeloom, terwijl de stadium-distributie voor melanoom, colorectaalcarcinoom, en blaascarcinoom niet significant verschillde tussen patiënten met versus zonder myeloom. Voor alle maligniteiten met uitzondering van longmaligniteiten was de overall mortaliteit significant hoger onder patiënten met myeloom dan onder patiënten zonder myeloom (HRs uiteenlopen van 1,84 tot 2,84). Echter, de cumulatieve incidentiefunctie van solide maligniteit-gerelateerde mortaliteit verschilde niet, en werd ingehaald door myeloom-gerelateerde mortaliteit (23% tot 35% na vijf jaar). In patiënten met longcarcinoom was de maligniteit-gerelateerde mortaliteit lager onder patiënten met myeloom dan onder patiënten zonder myeloom (subHR 0,59; 95%-bti 0,52-0,68) ook na correctie voor stadium van de ziekte.

De onderzoekers concluderen dat de analyse het belang onderstreept van curatieve-intentie behandeling voor secundaire maligniteiten onder patiënten met myeloom.

1.Barth P, Castillo JJ, Olszewski AJ. Outcomes of secondary tumor malignancies among patients with myeloma: a population-based study. Cancer 2018; epub ahead of print

Summary: An analysis of the SEER database found that secondary solid tumor malignancies in patients with myeloma were associated with significantly higher overall mortality than the same malignancies in patients without myeloma, with the exception of lung cancer, which had 40% lower mortality among patients with myeloma compared to patients without myeloma, even after adjustment for stage of disease.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Adherentie aan aanbeveling van surveillance-coloscopie na verwijdering van gevorderd adenoom (0)
2018-11-20 15:03   ( Nieuws )
Tags:  surveillance colonoscopy after advanced adenoma removal
Dr. Jessica ChubakOm de incidentie en mortaliteit van colorectaalcarcinoom te verlagen wordt surveillance-coloscopie aanbevolen binnen drie jaar na het verwijderen van gevorderde adenomen. De adherentie aan deze aanbeveling is niet duidelijk. Dr. Jessica Chubak (Kaiser Permanente Washington Health Research Institute, Seattle) en collega’s hebben een analyse uitgevoerd van de adherentie aan deze aanbeveling in vier geïntegreerde gezondheidszorg leverende instellingen in de Verenigde Staten. Ze publiceren de analyse vandaag online in Cancer Epidemiology Biomarkers & Prevention.1

De vier instellingen zijn Kaiser Permanente Northern California, Kaiser Permanente Southern California, Kaiser Permanente Washington, en Parkland Health & Hospital System. De analyse includeerde 6909 patiënten in de leeftijd van vijftig tot negentig jaar, die in 2010 index coloscopie ondergingen waarbij tenminste drie adenomen en/of tenminste één adenoom met villeuze/tubulovilleuze histologie werd gevonden (high risk findings) en verwijderd.

Het percentage patiënten met een volgende coloscopie tussen 6 maanden en 3,5 jaar na de index coloscopie liep voor de vier instellingen uiteen van 18,3% tot 59,5%. Patiënten met tenminste drie ‘gewone’ adenomen bij de index coloscopie hadden een hogere waarschijnlijkheid van surveillance coloscopie dan patiënten met één of twee villeuze/tubulovilleuze adenomen bij de index coloscopie. Surveillance coloscopie was eveneens meer waarschijnlijk voor patiënten in de leeftijd van 60 tot 75 jaar en minder waarschijnlijk voor patiënten in de leeftijd van 75 tot 90 jaar vergeleken met patiënten die 50 tot 55 jaar oud waren bij index coloscopie. Geslacht, ras, en comorbiditeiten waren niet geassocieerd met ondergaan van surveillance coloscopie.

De onderzoekers concluderen dat surveillance coloscopie binnen het aanbevolen interval na index coloscopie met high risk findings niet algemeen was en varieerde met instelling, leeftijd, en aantal adenomen.

1.Chubak J, McLerran D, Zheng Y et al. Receipt of colonoscopy following diagnosis of advanced adenomas: an analysis within integrated healthcare delivery systems. Cancer Epidemiol Biomarkers Prev 2018; epub ahead of print

Summary: An analysis within four U.S. integrated healthcare delivery systems found that colonoscopy within the recommended interval (3 years) following advanced adenoma removal was underutilized and varied by healthcare system (18,3% to 59,5%), age, and number of adenomas.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Gerandomiseerde studie van eicosapentaeenzuur en/of aspirine voor de preventie van colorectaaladenomen (0)
2018-11-20 14:07   ( Nieuws )
Tags:  SEAFOOD Polyp Prevention Trial EPA aspirin colorectal adenomas
Prof. Mark HullVan zowel het meervoudig onverzadigd vetzuur eisosapentaeenzuur (C20:5 n-3; EPA) als aspirine is werkzaamheid gezien voor de chemopreventie van colorectaalcarcinoom, met een uitstekend veiligheidsprofiel. De Engelse gerandomiseerde Systemic Evaluation of Aspirin and Fish Oil (SEAFOOD) Polyp Prevention Trial onderzocht deze werkzaamheid in personen met coloscopisch gedetecteerde sporadische colorectale neoplasie. Prof. Mark Hull (University of Leeds UK) en collega’s publiceren de studie online in The Lancet.1

SEAFOOD werd uitgevoerd in 53 centra in Engeland. De studie includeerde patiënten met high risk findings in het Engelse Bowel Cancer Screening Programme (drie of meer adenomen waarvan tenminste één 10 mm of groter, of tenminste vijf kleinere adenomen). Ze werden voor de duur van twaalf maanden 1:1:1:1 gerandomiseerd naar EPA 2 g per dag (n=179), aspirine 300 mg per dag (n=177), EPA plus aspirine (n=177), of placebo (n=176). Het primaire eindpunt van de studie was adenoma dection rate (ADR; het percentage patiënten met tenminste één adenoom) bij de surveillance coloscopie na een jaar interventie. De ADR was 63% in de EPA-groep, 61% in de aspirinegroep, 61% in de combinatiegroep, en 61% in de placebogroep. EPA en aspirine werden goed verdragen, hoewel het aantal gastroïntestinale adverse events verhoogd was in de EPA-groep (146 AEs) vergeleken met 85 in de placebogroep, 86 in de aspirinegroep en 68 in de combinatiegroep.

De onderzoekers concluderen dat noch EPA noch aspirine noch de combinatie geassocieerd was met lagere ADR in patiënten met coloscopische high risk findings.

1.Hull MA, Sprange K, Hepburn T et al. Eicosapentaenoic acid and aspirin, alone and in combination, for the prevention of colorectal adenomas (seAFOod Polyp Prevention trial): a multicentre, randomised, double-blind, placebo-controlled, 2 x 2 factorial trial. Lancet 2018; epub ahead of print

Summary: The English randomised, double-blind, placebo-controlled 2 x 2 factorial SEAFOOD Polyp Prevention Trial randomized patients after colonoscopy with high risk findings to EPA, aspirin, both EPA and aspirin, or placebo for 12 months. The study found that neither EPA nor aspirin nor the combination were associated with a reduction in the proportion of patients with at least one colorectal adenoma at the surveillance colonoscopy after the intervention.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 2-studie van trastuzumab plus docetaxel voor gevorderd HER2-positief ductus salivarius carcinoom (0)
2018-11-20 12:59   ( Nieuws )
Tags:  HER2-positive salivary duct carcinoma
Er is weinig evidentie voor de werkzaamheid van systemische therapie voor gevorderd speekselwegcarcinoom (SDC) omdat deze ziekte weinig voorkomt. Een fase 2-studie in Japan heeft de waarde onderzocht van de combinatie van trastuzumab plus docetaxel voor lokaal-gevorderd, recidiverend, of metastatisch HER2-positief SDC. Dr. Toshitaka Nagao (Tokio Medische Universiteit) en collega’s publiceren de studie online in het Journal of Clinical Oncology.1

De patiënten kregen trastuzumab loading dose 8 mg/kg gevolgd door 6 mg/kg iedere drie weken, plus docetaxel 70 mg/m2 iedere drie weken. Het primaire eindpunt van de studie was percentage patiënten met overall respons. Onder de 57 evalueerbare patiënten was de ORR 70,2% (95%-bti 56,6%-81,6%). Het percentage patiënten met respons of stabiele ziekte was 84,2% (95%-bti 72,1%-92,5%). De mediane progressievrije overleving was 8,9 maanden en de mediane overall survival was 39,7 maanden. De meest-frequente adverse events waren anemie (91%), verlaagd leukocytengetal (89%) en neutropenie (88%). Graad 4 neutropenie werd gezien in 60% en graad 3 febriele neutropenie in 14%. Er waren geen gevallen van graad 2 of hoger hartfalen of LVEF lager dan 50%.

De onderzoekers concluderen dat de combinatie van trastuzumab en docetaxel bemoedigende activiteit had voor gevorderd HER2-positief SDC, met een manageable toxiciteitenprofiel.

1.Takahashi H, Tada Y, Saotomo T et al. Phase II trial of trastuzumab and docetaxel in patients with human epidermal growth factor receptor 2-positive salivary duct carcinoma. J Clin Oncol 2018; epub ahead of print

Summary: A single-center, single-arm, open-label phase II study in Japan found that the combination of trastuzumab and docetaxel had encouraging efficacy for advanced HER2-positive salivary duct carcinoma (ORR 70,2%, CBR 84,2%, median OS 39,7 months) with a manageable toxicity profile.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Verloop in de tijd van risico van tweede gebeurtenissen na DCIS in de klinische praktijk (0)
2018-11-19 15:58   ( Nieuws )
Tags:  risk of second event after DCIS
Dr. Brian SpragueDe patronen van lange-termijn ziektevrije overleving na chirurgie, radiotherapie, en endocriene therapie voor DCIS in de algemene praktijk zijn niet goed bekend. Een studie onder patiënten in Vermont heeft deze patronen onderzocht. Dr. Brian Sprague (University of Vermont, Burlington) en collega’s publiceren de studie online in Breast Cancer Research and Treatment.1

In het Vermont Breast Cancer Surveillance System identificeerden de onderzoekers 1252 vrouwen met een diagnose DCIS tussen begin 1994 en eind 2012. Tijdens mediaan 7,8 jaar follow-up hadden 192 van deze vrouwen een tweede diagnose mammacarcinoom. Onder vrouwen die alleen borstsparende chirurgie hadden ondergaan nam de incidentie van tweede gebeurtenissen af van 3,1% per jaar in de eerst vijf jaar na de behandeling tot 1,7% per jaar na tien jaar. Onder vrouwen die borstsparende chirurgie plus adjuvante radiotherapie hadden gekregen nam de incidentie van tweede gebeurtenissen toe van 1,8% per jaar tijdens de eerst vijf jaar na de behandeling tot 2,8% per jaar na tien jaar (p voor trend <0,05 vergeleken met alleen borstsparende chirurgie). De incidentie nam ook toe met de tijd na behandeling onder vrouwen die borstsparende chirurgie plus adjuvante radiotherapie plus endocriene therapie hadden gekregen.

De onderzoekers concluderen dat het tijdsverloop van het lange-termijn risico van een tweede gebeurtenis in vrouwen na een diagnose DCIS uiteenloopt op een wijze die afhankelijk is van de initiële behandeling.

1.Sprague BL, Vacek PM, Herschorn SD et al. Time-varying risks of second events following a DCIS diagnosis in the population-based Vermont DCIS cohort. Breast Cancer Res Treat 2018; epub ahead of print

Summary: A study in the population-based Vermont DCIS cohort found that long-term risk of a second event after DCIS varies over time in a manner dependent on initial treatment.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Uitkomsten van radiotherapie voor stadium III NSCLC met occulte primaire versus bekende primaire lesies (0)
2018-11-19 14:59   ( Nieuws )
Tags:  non-small cell lung cancer unknown primary lesions
Dr. Paul RomesserNiet-kleincellig longcarcinoom met onbekende primaire lesie (OP-NSCLC) in mediastinale lymfeklieren is een zeldzame presentatie van NSCLC. Er is weinig informatie beschikbaar over uitkomsten van OP-NSCLC. Onderzoekers van Memorial Sloan Kettering Cancer Center (New York) hebben ervaringen met OP-NSCLC geïnventariseerd, en uitkomsten van definitieve radiotherapie voor OP-NSCLC vergeleken met uitkomsten voor gebruikelijk NSCLC. Dr. Paul Romesser en collega’s publiceren de studie online in Lung Cancer.1

De onderzoekers bestudeerden retrospectief dossiers van 605 patiënten die tussen begin 1998 en eind 2013 in MSKCC definitieve radiotherapie hadden gekregen voor stadium III NSCLC. Onder deze patiënten identificeerden ze 21 patiënten met OP-NSCLC (3,5%). Patiënten met OP-NSCLC vergeleken met gebruikelijk NSCLC hadden significant betere vijf-jaars intrathorax-controle (83,5% versus 24,2%; p<0,001), vijf-jaars freedom from distant metastasis (59,0% versus 26,3%; p=0,003), en vijf-jaars overall survival (61,6% versus 15,2%; p<0,001). In multivariate analyse was occult primary versus typical geassocieerd met 70% verlaging van het risico van thorax-falen, 55% verlaging van het risico van afstandsmetastase, en 70% verlaging van het risico van overlijden.

De onderzoekers concluderen dat deze studie van de grootste tot op heden gerapporteerde OP-NSCLC patiëntenserie heeft laten zien dat definitieve radiotherapie voor OP-NSCLC vergeleken met gebruikelijk NSCLC geassocieerd is met gunstige uitkomsten. De waarnemingen suggereren dat OP-NSCLC een distincte entiteit is met biologie die verschilt van die van gebruikelijk NSCLC.

1.Romesser PB, Bardash Y, Buonocore D et al. Outcomes of stage III NDCLC with occult primary vs. known primary lesions. Lung Cancer 2018; epub ahead of print

Summary: A study of the largest series of occult primary NSCLC reported to date compared outcomes of stage III OP-NSCLC with stage III NSCLC with known primary lesion. Definitive radiotherapy was associated with favorable locoregional control and survival in OP-NSCLC compared with typical NSCLC. This observation suggests that OP-NSCLC may be a distinct entity with biology different from that of typical NSCLC.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Impact van metastatische cardiofrenische lymfeklieren op overleving van gevorderd epitheliaal ovariumcarcinoom (0)
2018-11-19 14:00   ( Nieuws )
Tags:  epithelial ovarian cancer metastatic cardiophrenic lymph nodes
Dr. Philipp HarterMetatasen in cardiofrenische lymfeklieren (CPLN) in patiënten met epitheliaal ovariumcarcinoom (EOC) wijzen op FIGO stadium IVB ziekte. Dr. Philipp Harter (Kliniken Essen-Mitte, Duitsland) en collega’s hebben een studie uitgevoerd van de impact van positieve CPLN in gevorderd EOC op progressievrije overleving en overall survival, en van het mogelijk gunstige effect van resectie van CPLN. Ze publiceren de studie online in Gynecologic Oncology.1


Van januari 2011 tot en met mei 2016 werden in Essen 458 patiënten met FIGO stadium IIIB of IV EOC behandeld. Na exclusie van patiënten die intervalchirurgie ondergingen, geen debulking chirurgie kregen, of onvoldoende pre-operatieve imaging hadden bleef een studiecohort van 350 patiënten over. CT-scans wezen uit dat 133 van deze patiënten (38%) negatieve CPLN hadden en 217 (62%) positieve CPLN. Onder patiënten met complete resectie van de tumor (n=223) waren er 98 (44%) met negatieve CPLN, een vijf-jaars PFS van 41%, en een vijf-jaars OS van 69%. De 125 patiënten met complete resectie en positieve CPLN (56%) was de vijf-jaars PFS 13% en de vijf-jaar OS 30%. Een gematcht-paar case-control analyse vond geen significante impact van CPLN-resectie op overleving.

De onderzoekers concluderen dat CPLN-metastasen in patiënten met macroscopisch complete resectie van EOC geassocieerd waren met slechtere PFS en OS. Impact van CPLN-resectie op overleving kon niet worden aangetoond.

1.Prader S, Vollmar N, du Bois A et al. Pattern and impact of metastatic cardiophrenic lymph nodes in advanced epithelial ovarian cancer. Gynecol Oncol 2018; epub ahead of print

Summary: A study in Essen (Germany) found that in advanced epithelial ovarian cancer presence of cardiophrenic lymph node (CPLN) metastases was associated with significantly impaired PFS and OS in patiënts with macroscopically complete resected tumors. Impact of CPLN resection on survival was not shown.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie tussen statinegebruik en risico van galwegmaligniteiten in de klinische praktijk (0)
2018-11-19 13:00   ( Nieuws )
Tags:  biliary tract cancer statin use
Dr. Zhiwei LiuDr. Zhiwei Liu (National Cancer Institute, Bethesda MD) en collega’s hebben een studie uitgevoerd van de associatie tussen gebruik van statines en het risico van galwegmaligniteiten (BTCs). Ze publiceren de studie online in Gut.1 De patiënt-controlestudie is gebaseerd op gegevens in de UK Clinical Practice Research Datalink (UKCPRD), een voor de Britse bevolking representatieve groep van huisartsenpraktijken met ongeveer tien miljoen patiënten.

De studie includeerde 3118 patiënten met primair BTC gediagnostiseerd tussen begin 1990 en eind 2017; plus voor elke patiënt vijf BTC-vrije controlepersonen (n=15.519) gematcht voor geslacht, geboortejaar, kalenderjaar, en tijd sinds inclusie in de UKCPRD. Exposure aan statines werd gedefinieerd als tenminste twee recepten voor een statine in het jaar voor de BTC-diagnose, of in het jaar voor de selectie als controlepersoon.

De analyse laat zien dat current statinegebruik versus niet-gebruik geassocieerd was met 12% lager risico van BTCs (OR 0,88; 95%-bti 0,79-0,98). Er was geen associatie van het risico met voormalig gebruik van statines. De verlaging van het risico was het meest uitgesproken voor lange-termijn gebruikers (voor associatie met aantal recepten p trend =0,016) en cumulatieve dosering van statines (p=0,008). Er was een vergelijkbare associatie tussen statinegebruik en risico van afzonderlijke typen BTC (galblaas, intra- en extrahepatisch cholangiocarcinoom, ampulla van Vater, gemengd type). De risicoverlaging was sterker onder patiënten met diabetes (OR 0,72; 95%-bti 0,57-0,91) dan onder patiënten zonder diabetes (OR 0,91; 95%-bti 0,81-1,03) met een p voor heterogeniteit van 0,007.

De onderzoekers concluderen dat, vergeleken met niet-gebruik van statines, current statinegebruik geassocieerd was met 12% verlaging van het BTC-risico. Er was geen associatie van voormalig statinegebruik met het risico.

1.Liu Z, Alsaggaf R, McGlynn KA et al. Statin use and reduced risk of biliary tract cancers in the UK Clinical Practice Research Datalink. Gut 2018; epub ahead of print

Summary: A case-control analysis of the UK Clinical Practice Research Datalink found that compared with non-use of statins, current statin use was associated with 12% lower risk of biliary tract cancers. No association was found with former statin use.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)