Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Stereotactische ablative radiotherapie voor gynecologische oligometastatische en oligoprogressieve tumoren (0)
2024-06-14 12:00   ( Nieuws )
Tags:  gynecologic oligometastatic and oligoprogressive tumors SABR
Dr. Eric LeungDe rol van stereotactische ablatieve radiotherapie (SABR) voor gynecologische maligniteiten is niet goed bekend. Een retrospectieve studie in vijf centra in Canada en de Verenigde Staten heeft de cumulatieve incidentie van redicief en overlevingsuitkomsten na SABR voor oligometastatische (ten hoogste vijf metastatische lesies) en oligoprogressieve (ten hoogste vijf lesies met progressie terwijl de overige lesies gecontroleerd bleven) gynecologische tumoren geïnventariseerd. Dr. Eric Leung (University of Toronto) en collega’s publiceren de studie in JAMA Oncology.1

De studie includeerde 215 patiënten met 320 lesies van endometrium, ovarium, cervix, en vulva of vagina, die tussen begin 2011 en eind 2020 SABR kregen voor oligometastatische of oligoprogressieve ziekte. De mediane leeftijd op het moment van de primaire diagnose was 59 jaar (range 23-86) en de mediane follow-up na SABR was 18,5 maanden (range 0,1-124,5). Na vijf jaar was de cumulatieve incidentie van lokaal recidief 18,5%; de cumulatieve incidentie van afstandsrecidief 73,5%; en het overall survival (OS) percentage 33,1%. De mediane chemotherapievrije overleving (CFS) was 21,7 maanden. Factoren die in multivariate analyse geassocieerd waren met lokaal recidief waren nodale metastase, lesiegrootte, biologische effectieve dosering, behandelingsindicatie, centrum van behandeling, en type primaire ziekte. OS en CFS waren significant geassocieerd met lesiegrootte. De toxiciteiten van SABR waren beperkt (één patiënt met graad 3 acute toxiciteit en twaalf patiënten met graad 3 of 4 late toxiciteit; geen graad 5 TRAEs).

De onderzoekers concluderen dat SABR resulteerde in uitstekende lokale controle, en dat sommige patiëntengroepen duurzame afstandscontrole en OS bereikten. In selecte groepen kon chemotherapie worden uitgesteld, met reductie van geassocieerde toxiciteit.

1.Donovan EK, Lo SS, Beriwal S et al. Stereotactic ablative radiotherapy for gynecological oligometastatic and oligoprogressive tumors. JAMA Oncol 2024.1796

Summary: A retrospective study at five centers in Canada and the USA found that among patients with gynecologic oligometastatic and oligoprogressive tumors, stereotactic ablative radiotherapy resulted in promising outcomes in select groups of patients.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Off-label brigatinib voor ALK-positief anaplastisch grootcellig lymfoom na falen van brentuximab vedotin (0)
2024-06-13 15:00   ( Nieuws )
Tags:  ALK-positive ALCL brigatinib after failure of BV
ALK-positief anaplastisch grootcellig lymfoom (ALCL), voornamelijk in kinderen en jongvolwassenen, wordt gekenmerkt door aanwezigheid van ALK-translocatie op chromosoom 2p23. Brentuximab vedotin (BV) is de geprefereerde therapie, zowel in eerste lijn als voor recidiverende of refractaire ziekte. Patiënten in wie BV-therapie faalt hebben een slechte prognose, met mediane overall survival 2,9 maanden en twee-jaars OS-percentage 27%. Het is denkbaar dat ALK-remmers in deze setting van waarde kunnen zijn. Een multicenter studie in Frankrijk heeft off-label behandeling met brigatinib voor ALK-positief ALCL na falen van BV geëvalueerd. Dr. David Sibon (Henri Mondor Universiteitsziekenhuis, Créteil) en collega’s publiceren de studie in The New England Journal of Medicine.1

De studie, in twaalf centra van de French Lymphoma Study Association, includeerde vijftien patiënten, die gedurende zeven lead-in dagen brigatinib 90 mg eenmaal daags kregen, gevolgd door 180 mg eenmaal daags tot progressie of niet-acceptabele toxiciteit. Geen van de patiënten discontinueerde brigatinib wegens adverse events; in drie patiënten was doseringsverlaging vereist. Objectieve respons werd gezien in veertien patiënten (93%) en complete respons in elf (73%). Tijd tot complete respons liep uiteen van 8 tot 325 dagen. Brigatinib was een brug naar allogene stamceltransplantatie in zeven patiënten met respons. De mediane follow-up was 26 maanden. De figuur laat zien dat de twee-jaar percentages met progressievrije overleving en overall survival 73% respectievelijk 87% waren.

De onderzoekers concluderen dat deze resultaten gebruik van brigatinib voor ALK-positief ALCL na falen van BV steunen.

1.Veleanu L, Lamant L, Sibon D. Brigatinib in ALK-positive ALCL after failure or brentuximab vedotin. N Engl J Med 2024;390:2129-2130

Summary: A multicenter study in France found promising activity of brigatinib for ALK-positive anaplastic large-cell lymphoma after failure of brentuximab vedotin.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Optimale tijd tussen chirurgie voor colorectaalcarcinoom en start van adjuvante chemotherapie: post-hoc analyse van SCOT (0)
2024-06-13 13:30   ( Nieuws )
Tags:  SCOT post hoc analysis time for CRC surgery and start of adjuvant chemotherapy
Dr. Mikail GögenurEr is geen consensus over de optimale tijd tussen chirurgie voor colorectaalcarcinoom (CRC) en de start van adjuvante chemotherapie. Een post-hoc analyse van de multinationale fase 3-studie SCOT heeft de optimale starttijd van adjuvante chemotherapie onderzocht. Dr. Mikail Gögenur (Zealand Universiteitsziekenhuis, Køge, Denemarken) en collega’s publiceren de analyse in JAMA Surgery.1

SCOT werd uitgevoerd in 244 centra in zes landen. De studie randomiseerde patiënten die curatieve chirurgie ondergingen voor hoog-risico stadium II of III CRC naar drie versus zes maanden adjuvante chemotherapie. De nu gepubliceerde analyse includeerde 5719 patiënten (gemiddelde leeftijd 63,4 ± 9,3 jaar; 39,4% vrouwen) met complete informatie over datum van chirurgie en start van adjuvante chemotherapie en lange-termijn follow-up. Het primaire eindpunt van de analyse was ziektevrije overleving (DFS) in de groep met start van de adjuvante chemotherapie binnen zes weken na chirurgie versus de groep met langer interval tussen chirurgie en adjuvante chemotherapie.

De vroege-startgroep telde 914 patiënten en de late-startgroep 4805. De mediane tijd tussen chirurgie en start van adjuvante chemotherapie was 56 dagen (IQR 41-66). De mediane duur van follow-up was 72,0 maanden (IQR 47,3-88,1). Het vijf-jaars DFS-percentage was 78,0% (95%-bti 75,3-80,8) in de vroege-startgroep en 73,2% (72,0-74,5) in de late-startgroep. In gecorrigeerde Cox regressieanalyse was late versus vroege start van adjuvante chemotherapie geassocieerd met significant slechtere DFS (HR 1,24; p=0,01). Er waren geen significante verschillen tussen beide groepen in het optreden van adverse events tijdens de eerste cyclus of tijdens de gehele behandelperiode.

De onderzoekers concluderen dat onder patiënten die curatieve chirurgie ondergingen voor hoog-risico stadium II of III CRC, start van de adjuvante chemotherapie meer dan zes weken na chirurgie geassocieerd was met slechtere DFS.

1.Gögenur M, Rosen W, Iveson T et al. Time from colorectal cancer surgery to adjuvant chemotherapy. Post hoc analysis of the SCOT randomized trial. JAMA Surg 2024.1555

Summary: Post hoc analysis of the multinational phase 3 SCOT trial found that among patients with high-risk stage II and III colorectal cancer, starting adjuvant chemotherapy more than 6 weeks after surgery was associated with worse disease-free survival, without sgiificant impact of timing of adjuvant chemotherapy on adverse events.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie tussen deprivatie van de woonomgeving en mammacarcinoom-mortaliteit onder zwarte en blanke vrouwen (0)
2024-06-13 12:00   ( Nieuws )
Tags:  neighborhood deprivation and breast cancer mortality among Black and White women
Dr. Lauren McCulloughDeprivatie van de woonomgeving is geassocieerd met verhoogde mammacarcinoom-mortaliteit (BCSM) onder blanke vrouwen, maar er zijn inconsistente resultaten gezien onder zwarte vrouwen. Een bevolkings-gebaseerde cohortstudie op basis van gegevens in het Georgia Cancer Registry (GCR) heeft de associatie tussen deprivatie van de woonomgeving en BCSM in zwarte en blanke vrouwen geïnventariseerd. Dr. Lauren McCullough (Emory University, Atlanta GA) en collega’s publiceren de studie in JAMA Network Open.1

In de GCR identificeerden de onderzoekers 36.795 patiënten met een diagnose stadium I tot en met IIIA mammacarcinoom tussen begin 2010 en eind 2017, met follow-up tot eind 2022. De gemiddelde leeftijd bij diagnose was 60,3 ± 13,1 jaar. Van deze patiënten waren 30,0% non-Hispanic Black (NHB) en 70% non-Hispanic White (NHW). Tijdens de follow-up overleden 1214 NHB-patiënten (41,3%) en 1728 NHW-patiënten (58,7%). Als maat voor deprivatie van de woonomgeving gebruikten de onderzoekers de Neighborhood Deprivation Index (NDI). NDI was geassocieerd met toegenomen BCSM (kwintiel 5 versus 1: HR 1,36; 95%-bti 1,19-1,55). Deze associatie werd alleen gezien onder NHW-patiënten (kwintiel 5 versus 1: HR 1,47; 95%-bti 1,21-1,79) en niet onder NHB-patiënten (1,12; 0,91-1,38). Deze associaties veranderden niet na correctie voor ruraliteit, raciale samenstelling van de woonomgeving, of andere kenmerken van de woonomgeving.

De onderzoekers concluderen dat deprivatie van de woonomgeving geassocieerd was met BCSM onder NHW- maar niet NHB-patiënten.

1.Barber LE, Maliniak ML, Moubadder L et al. Neighborhood deprivation and breast cancer mortality among black and white women. JAMA Network Open 2024;7:e2416499

Summary: A population-based cohort study using Georgia Cancer Registry data found that neighorhood deprivation was associated with increased breast cancer mortality among non-Hispanic White women, but not among non-Hispanic Black women, regardless of the modifying neighborhood characteristics considered.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Neoadjuvant doublet of triplet chemotherapie of doublet plus radiotherapie voor lokaal-gevorderd slokdarm squameus celcarcinoom (0)
2024-06-12 15:00   ( Nieuws )
Tags:  JCOG1109 NExT trial NeoCF NeoCF+D NeoCF+RT
Dr. Ken KatoNeoadjuvante therapie is de standaard-behandeling voor patiënten met lokaal-gevorderd squameus celcarcinoom van de slokdarm (LA OSCC). De prognose blijft echter slecht. Meer-intensieve neoadjuvante behandeling zou wellicht de uitkomsten kunnen verbeteren. De fase 3-studie JCOG1109 NExT in 44 centra in Japan heeft uitkomsten met neoadjuvant doublet chemotherapie (NeoCF), neoadjuvante triplet chemotherapie (NeoCF+D), en NeoCF plus chemotherapie (RT) voor LA OSCC vergeleken. Dr. Ken Kato (National Cancer Center Hospital, Tokio) en collega’s publiceren de studie in The Lancet.1


Het NeoCF regime bestond uit twee cycli fluorouracil op dagen één tot en met vijf plus cisplatine op dag één, gescheiden door een interval van drie weken. NeoCF+D was drie cycli fluorouracil op dagen één tot en met vijf, cisplatine of dag één, en docetaxel of dag één, iedere drie weken. NeoCF+RTwas twee cycli fluorouracil op dagen één tot en met vier plus cisplatine op dag één, gescheiden door een interval van vier weken, plus 41,4 Gy radiotherapie. De behandelingen werden gevolgd door oesofagectomie met regionale lymfeklierdissectie. Het primaire eindpunt was overall survival.

De studie includeerde 601 LA OSCC-patiënten (529 mannen en 72 vruwen) in de leeftijd van 18 tot en met 75 jaar, met een ECOG performance status 0 of 1. De NeoCF groep bestond uit 199 patiënten, de NeoCF+D groep uit 202, en de NeoCF+RT groep uit 200. De mediane duur van follow-up was 50,7 maanden (IQR 23,8-70,7). Het drie-jaars OS-percentage was 72,1% met NeoCF+D; 68,3% met NeoCF+RT, en 62,6% met NeoCF. De OS met NeoCF+D was significant beter dan met NeoCF (HR 0,68; p=0,006). De OS was niet significant beter met NeoCF+RT dan met NeoCF (HR 0,84; p=0,12).

Treatment-related adverse events resulterend in discontinuering van de neoadjuvante behandeling waren meer frequent met NeoCF+D (9%) dan met NeoCF+RT (6%) of met NeoCF (4%). Er waren tijdens de neoadjuvante therapie drie graad 5 TRAEs in de NeoCF groep, vier in de NeoCF+D groep, en twee in de NeoCF+RT groep. In-hospital deaths na chirurgie waren drie in de NeoCF groep, twee in de NeoCF+D groep, en één in de NeoCF+RT groep.

De onderzoekers concluderen dat neoadjuvante triplet chemotherapie gevolgd door chirurgie resulteerde in significant OS-profijt vergeleken met doublet chemotherapie. Toevoegen van radiotherapie aan neoadjuvante doublet chemotherapie resulteerde niet in significante verbetering van de OS.

1.Kato K, Machida R, Ito Y et al. Doublet chemotherapy, triplet chemotherapy, or doublet chemotherapy plus radiotherapy as neoadjuvant treatment for locally advanced oesophageal cancer (JCOG1109 NExT): a randomised, controlled, open-label, phase 3 trial. Lancet 2024; epub ahead of print

Summary: A multicenter phase 3 trial in Japan found that among patients with locally advanced esophageal squamous cell carcinoma, neoadjuvant triplet chemotherapy followed by esophagectomy resulted in significant overall survival benefit compared with doublet chemotherapy, whereas addition of radiotherapy to neoadjuvant doublet chemotherapy did not significantly improve overall survival.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Gepoolde analyse van toevoegen van palbociclib aan endocriene therapie voor HER2-0 en HER2-laag metastatisch mammacarcinoom (0)
2024-06-12 13:30   ( Nieuws )
Tags:  PALOMA-2 and PALOMA-3 pooled analysis HER2-0 and HER2-low mBC
Dr. Sheng LuoDe combinatie van CDK4/6-remmers met endocriene therapie (ET) is de aanbevolen eerstelijns behandeling voor HR-positief/HER2-negatief metastatisch mammacarcinoom (mBC). Het profijt van toevoegen van CDK4/6-remmer aan eerstelijns ET voor de subgroepen met HER2-negatieve (0) en HER2-laagpositieve ziekte is nog niet duidelijk. Een gepoolde analyse van de PALOMA-2 en PALOMA-3 studies heeft dit profijt geïnventariseerd. Dr. Sheng Luo (Duke University School of Medicine, Durham NC) en collega’s publiceren de analyse in eBioMedicine.1



In PALOMA-2 werd in de HER2-0 populatie geen significant PFS-verschil gezien tussen palbociclib-letrozol en placebo-letrozol (p=0,34), terwijl in de HER2-laagpositieve populatie palbociclib-letrozol resulteerde in significant betere PFS dan placebo-letrozol (HR 0,52; p<0,0001). In PALOMA-3, met patiënten die progressie hadden gehad op eerdere ET, resulteerde palbociclib-fulvestrant in betere PFS dan placebo-fulvestrant in zowel de HER2-0 subgroep (HR 0,54; p=0,034) als de HER2-laagpositieve subgroep (HR 0,39; p<0,0001).

De onderzoekers concluderen dat toevoeging van palbociclib aan ET resulteerde in betere PFS in de HER2-laagpositieve subgroep, terwijl de toevoeging in de HER2-0 subgroep alleen resulteerde in betere PFS onder patiënten met progressie op eerdere ET.

1.Li H, Wu Y, Zou H et al. Clinical efficacy of CDK4/6 inhibitor plus endocrine therapy in HR-positive/HER2-0 and HER2-low-positive metastatic breast cancer: a secondary analysis of PALOMA-2 and PALOMA-3 trials. eBioMedicine 2024.105186

Summary: Pooled analysis of the PALOMA-2 and PALOMA-3 randomized trials found that among patients with HR-positive metastatic breast cancer addition of palbociclib to ET significantly improved PFS in HER2-low-positive patients, while HER2-0 patients derived limited benefit from this addition.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Subcutaan versus intraveneus amivantamab, beide samen met lazertinib, voor refractair EGFR-gemuteerd NSCLC (0)
2024-06-12 12:00   ( Nieuws )
Tags:  PALOMA-3 study refractory EGFR-mutated NSCLC amivantamab
Dr. Natasha LeighlFase 3-studies van intraveneus amivantamab hebben werkzaamheid laten zien voor EGFR-gemuteerd gevorderd niet-kleincellig longcarcinoom (aNSCLC). Een subcutane formulering zou de tolerabiliteit kunnen bevorderen en de toedieningstijd kunnen reduceren. De multinationale fase 3-studie PALOMA-3 heeft subcutaan amivantamab vergeleken met intraveneus amivantamab, beide in combinatie met lazertinib voor refractair EGFR-gemuteerd aNSCLC vergeleken. Dr. Natasha Leighl (Princess Margaret Cancer Centre, Toronto, Canada) en collega’s publiceren de studie in het Journal of Clinical Oncology.1


De studie includeerde 418 patiënten met progressieve ziekte na osimertinib en platina-gebaseerde chemotherapie. De patiënten werden 1:1 gerandomiseerd naar subcutaan amivantamab plus lazertinib (n=206) of intraveneus amivantamab plus lazertinib (n=212). Farmacokinetische analyses lieten noninferioriteit van subcutane versus intraveneuze toediening zien. De objective response rate was 30% in de subcutane groep versus 33% in de intraveneuze groep; de mediane progressievrije overleving was 6,1 respectievelijk 4,3 maanden; en de mediane overall survival was significant langer in de subcutane groep dan in de intraveneuze groep (HR 0,62; p=0,02). Infusiereacties werden gezien in 13% versus 66%, en veneuze tromboëmbolie in 9% versus 14%. De mediane toedieningstijd van de eerste toediening was 4,8 minuten versus 5 uur. Op eerste dag van de toediening rapporteerde 85% versus 52% van de patiënten de behandeling convenient te vinden; aan het eind van de behandeling gold dit voor 85% versus 35%.

De onderzoekers concluderen dat subcutaan vergeleken met intraveneus amivantamab farmacokinetisch niet-inferieur was en resulteerde in minder infusiereacties, meer convenience, en langere overall survival.

1.Leighl NB, Akamatsu H, Lim SM et al. Subcutaneous versus intravenous amivantamab, both in combination with lazertinib, in refractory EGFR-mutated NSCLC: primary results from the phase 3 PALOMA-3 study. J Clin Oncol 2024.01001

Summary: The multinational phase 3 PALOMA-3 study found that among patients with previously treated EGFR-mutated aNSCLC, the combination of subcutaneous amivantamab and lazertinib was noninferior to the combination of intravenous amivantamab and lazertinib, offering a consistent safety profile with reduced infusion-related reactions, increased convenience, and prolonged survival.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Uitkomsten met radiotherapie met of zonder androgeendeprivatietherapie in zwarte en blanke mannen met prostaatcarcinoom (0)
2024-06-11 15:00   ( Nieuws )
Tags:  prostate cancer in Black and White men RT ADT
Dr. Brent RoseEr zijn aanwijzingen dat prostaatcarcinoom (PrC) in zwarte mannen meer gevoelig is voor radiotherapie (RT) dan PrC in blanke mannen. De relatieve uitkomsten met androgeendeprivatietherapie (ADT) in beide groepen zijn niet goed bekend. Een retrospectieve USA-brede cohortstudie van zwarte en blanke PrC-patiënten in het US Veterans Healthcare system heeft impact van ras en ADT op de uitkomsten na RT geïnventariseerd. Dr. Brent Rose (University of California San Diego, La Jolla) en collega’s publiceren de studie in JAMA Network Open.1

De studie includeerde 8716 zwarte en 17.826 blanke mannen die tussen begin 2000 en eind 2020 definitieve RT ondergingen voor niet-metastatisch PrC. Primaire eindpunten van de studie waren biochemisch recidief (BRC) en ontwikkeling van metastatische ziekte of PrC-mortaliteit na BCR. BCR werd tijdens de follow-up gezien in 5144 patiënten (1760 zwart en 3384 blank). De cumulatieve incidentie van BCR na tien jaar was niet significant verschillend tussen beide groepen (22,14% versus 20,13%; p=0,33). Onder patiënten die ADT kregen hadden zwarte vergeleken met blanke mannen een BCR-HR van 0,90 (p=0,03), terwijl onder patiënten die geen ADT kregen zwarte vergeleken met blanke mannen een BCR-HR hadden van 1,13 (p=0,002). Zwart ras was geassocieerd met lager risico van ontwikkeling van metastische ziekte na BCR (HR 0,90; p=0,02) en PrC-mortaliteit (sHR 0,72; p<0,001).

De onderzoekers concluderen dat zwarte vergeleken met blanke patiënten na RT voor PrC meer baat hebben bij ADT voor het eindpunt BCR. BCR in zwarte vergeleken met blanke patiënten was geassocieerd met lager risico van metastatische ziekte en PrC-mortaliteit.

1.Morgan KM, Riviere P, Nelson TJ et al. Androgen deprivation therapy and outcomes after radiation therapy in black patients with prostate cancer. JAMA Network Open 2024;7:e2415911

Summary: A multicenter retrospective cohort study in the USA found that Black patients receiving ADT after RT for prostate cancer, as compared to White patients, had a significantly lower risk of biochemical recurrence, but when not receiving ADT, had a greater risk of biochemical recurrence than White patients.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)