Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Impact van uitstel van chirurgie na neoadjuvante chemotherapie op oncologische uitkomsten van HNSCC (0)
2021-02-28 14:30   ( Nieuws )
Tags:  head and neck squamous cell carcinoma timing of surgery after neoadjuvant chemotherapy
Dr. Carol LewisNeoadjuvante chemotherapie (NACT) voor squameus celcarcinoom van hoofd en hals (HNSCC) wordt toegepast voor downstaging van gevorderde ziekte en voor het verlagen van het risico van afstandsmetastase (DM). Er is geen informatie over de impact van tijd tot chirurgie (TTS) na NACT voor HNSCC op oncologische uitkomsten. Een retrospectieve studie van MD Anderson Cancer Center (Houston TX) heeft deze impact onderzocht. Dr. Carol Lewis en collega’s publiceren de studie in Cancer.1

De studie includeerde alle MDACC-patiënten die tussen maart 2016 en maart 2019 NACT gevolgd door chirurgie met curatieve intentie ondergingen voor HNSCC (n=100). De mediane follow-up was 24,7 maanden. ROC-analyse identificeerde 34 dagen als beste cutoff waarde voor TTS. Vergeleken met TTS korter dan 34 dagen was langere TTS niet geassocieerd met drie-jaars overall survival en drie-jaars locoregionaal recidiefpercentages, maar wel met significant slechter drie-jaars DM-percentage (56% versus 90%; p=0,001) en significant lager drie-jaars ziektevrije-overlevingspercentage (26% versus 64%; p=0,006). Factoren die in multivariate analyse geassocieerd waren met slechter drie-jaars DM-percentage waren TTS 34 dagen of langer (HR 4,92; 95%-bti 1,84-13,13) en extracapsulaire extensie (HR 3,01; 95%-bti 1,13-8,00). De enige onafhankelijke voorspeller voor TTS 34 dagen of langer was meer dan 10% verlies van lichaamsgewicht (HR 5,53; 95%-bti 1,02-30,24).

De onderzoekers concluderen dat de studie suggereert dat vroege chirurgie na NACT voor HNSCC geassocieerd was met betere oncologische uitkomsten.

  • 1.Kiong KL, Yao CMKL, Lin F-Y et al. Delay to surgery after neoadjuvant chemotherapy in head and neck squamous cell carcinoma affects oncologic outcomes. Cancer 2021; epub ahead of print

Summary: A retrospective study at MD Anderson Cancer Center (Houston, TX) investigated impact of time to surgery after neoadjuvant chemotherapy for HNSCC on oncologic outcomes. Compared with TTS less than 34 days, longer TTS was not associated with 3-year OS or 3-year locoregional recurrence rates, but was associated with significantly worse 3-year distant metastasis rate (56% versus 90%; p=0.001) and worse 3-year DFS (26% versus 64%; p=0.006).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 2-studie van olaparib voor solide tumoren met IDH1/IDH2-mutaties (0)
2021-02-28 13:00   ( Nieuws )
Tags:  IDH1 IDH2-mutant solid tumors olaparib
Prof. Joseph EderTumoren met neomorfe mutaties in IDH1 of IDH2 hebben gestoord herstel van homologe-recombinatieschade, resulterend in gevoeligheid voor PARP-remming. De Olaparib Combination Trial is een fase 2-studie van de PARP-remmer olaparib monotherapie voor solide tumoren met IDH1/2-mutaties, met objectieve respons en klinisch profijt als primaire eindpunten. Prof. Joseph Eder (Yale School of Medicine, New Haven CT) en collega’s publiceren resultaten van de studie in JCO Precision Oncology.1

De studie includeerde vijf patiënten met chondrosarcoom, één patiënt met pulmonair epitheloïd hemangio-endothelioom, en vier patiënten met cholangiocarcinoom, alle met next-generation sequencing gedetecteerde IDH1/2-mutaties. De patiënten kregen olaparib 300 mg tweemaal daags. Onder de vijf patiënten met chondrosarcoom was er één met partiële respons en twee met stabiele ziekte gedurende langer dan 7 maanden, voor een CBR 60%. De patiënt met hemangio-endothelioom had stabiele ziekte gedurende 11 maanden. Onder de patiënten met cholangiocarcinoom was er geen met klinisch profijt.

De onderzoekers concluderen dat de behandeling veilig was, en dat er aanwijzingen waren voor activiteit van olaparib voor IDH1/2-gemuteerd chondrosarcoom en pulmonair epitheloïd hemangio-endothelioom.

  • 1.Eder JP, Doroshow DB, Do KT et al. Clinical efficay of olaparib in IDH1/IDH2-mutant mesenchymal sarcomas. JCO Precision Oncol 2021; epub ahead of print

Summary: The Olaparib Combination Trial evaluated olaparib for solid tumors with IDH1/2-mutations. The treatment was safe, and there was preliminary evidence of efficacy in three of five patients with mesenchymal sarcomas and in one of one patient with pulmonary epitheloid hemangioendothelioma.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Prospectieve evaluatie van cardiotoxiciteit van doxorubicine voor gevorderd wekedelensarcoom (0)
2021-02-27 16:00   ( Nieuws )
Tags:  ANNOUNCE trial soft tissue sarcoma cardiotoxicity of doxorubicin
Prof. Robin JonesEr is geen duidelijkheid over de cardiotoxiciteit van anthracyclines in patiënten met sarcoom. Een analyse in het cohort van de multinationale fase 3-studie ANNOUNCE heeft cardiotoxiciteit van doxorubicine in patiënten met gevorderd wekedelensarcoom (STS) prospectief onderzocht. Prof. Robin Jones (Institute of Cancer Research, London UK) en collega’s publiceren de analyse in Clinical Cancer Research.1

ANNOUNCE includeerde anthracycline-naïeve patiënten met lokaal-gevorderd of metastatisch STS en LVEF tenminste 50%. De patiënten kregen ten hoogste acht cycli doxorubicine 75 mg/m2. Cardioprotectief dexrazoxaan kon worden toegevoegd als de behandelaar dat wenselijk achtte. Eindpunten waren symptomatische cardiale adverse events en verslechtering van de LVEF, gedefinieerd als afname tot lager dan 50% of afname met meer dan 10% vanaf de baseline waarde.

Er waren 504 patiënten die tenminste één cyclus doxorubicine kregen. De mediane cumulatieve dosering was 450,3 mg/m2 (range 72,3-634,0). Er waren 153 patiënten die minder dan 450 mg/m2 kregen, 159 patiënten die 450 tot 600 mg/m2 kregen, en 89 patiënten die 450 tot 600 mg/m2 kregen. Dexrazoxaan werd meer frequent toegevoegd bij hogere cumulatieve doxorubicinedosering (in 38,6% van de patiënten die minder dan 450 mg/m2 kregen; 88,5% van de patiënten die 450 tot 600 mg/m2 kregen; en 90% van de patiënten die 600 mg/m2 of meer kregen).

De mediane follow-up voor cardiotoxiciteit was 28 weken. Verslechtering van de LVEF werd gezien in 40,5% van de patiënten met een cumulatieve dosering tot 450 mg/m2; in 51,6% van de patiënten met cumulatieve dosering 450 tot 600 mg/m2; en in 56,2% van de patiënten met cumulatieve dosering hoger dan 600 mg/m2. Graad 3 of hoger cardiale AEs werden gezien in 2%, 3%, en 1,1% in de drie groepen.

De onderzoekers concluderen dat de follow-up kort was, maar dat de analyse suggereert dat in de context van coadministratie van dexrazoxaan doxorubicine voor gevorderd STS kan worden gegeven in cumulatieve dosering hoger dan 450 mg/m2.

  • 1.Jones RL, Wagner AJ, Kawai A et al. Prospective evaluation of doxorubicin cardiotoxicity in advanced soft tissue sarcoma patients treated in the ANNOUNCE phase 3 randomized trial. Clin Cancer Res 2021; epub ahead of print

Summary: Prospective evaluation of cardiotoxicity of doxorubicin for advanced soft tissue sarcoma in the phase 3 ANNOUNCE trial suggests that doxorubicin can be administered at high cumulative doses (> 450 mg/m2) with a low rate of cardiotoxicities, in the context of dexrazoxane co-administration.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Impact van risico-aangepaste therapie voor pediatrisch Hodgkin lymfoom op lange-termijn risico van morbiditeit (0)
2021-02-27 14:30   ( Nieuws )
Tags:  risk-adapted therapy for pediatric Hodgkin lymphoma impact on long-term risk of morbidity
Prof. Kevin OeffingerDe behandelingen voor pediatrisch Hodgkin lymfoom (HL) zijn sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw aanzienlijk veranderd. Het is denkbaar dat deze invoering van risico-aangepaste behandeling heeft geleid tot verlaging van het risico van ernstige morbiditeit in overlevers. Een analyse in het cohort van de Childhood Cancer Survivor Study heeft deze veronderstelling getoetst. Prof. Kevin Oeffinger (Duke University, Durham NC) en collega’s publiceren de analyse in het Journal of Clinical Oncology.1

De analyse includeerde 2996 tenminste vijf-jaar overlevers van pediatrisch HL dat was gediagnostiseerd tussen begin 1970 en eind 1999. De overlevers waren bij inclusie gemiddeld 35,6 jaar oud (range 12-58). De cumulatieve incidentie van any graad 3 tot en met 5 aandoening op de leeftijd 35 jaar was 31,4% (95%-bti 29,2-33,5), met een tweemaal hogere waarschijnlijkheid van graad 3 tot en met 5 aandoeningen onder vrouwelijke overlevers dan onder mannelijke overlevers (HR 2,1; 95%-bti 1,8-2,4).

Tussen de 1970s en de 1990s was er een 20% afname (HR 0,8; 95%-bti 0,7-0,9) in decennium-specifiek risico van een graad 3 tot en met 5 aandoening (p voor trend 0,002). Overlevers die een recidief doorgemaakt hadden en/of hematopoïetische celtransplantatie hadden ondergaan, en overlevers die high-dose extended field radiotherapy hadden gekregen hadden een verhoogd risico van graad 3 tot en met 5 aandoeningen (HR 1,2; 95%-bti 0,9-1,5). Vergeleken met overlevers die waren behandeld met chest radiotherapy 35 Gy of meer in combinatie met anthracycline of alkylerend agens hadden overlevers die moderne behandeling voor laag- of intermediair-risico HL 40% lager risico van graad 3 tot en met 5 aandoeningen (HR 0,6; 95%-bti 0,4-0,8).

De onderzoekers concluderen dat risico-aangepaste therapie voor pediatrisch HL geresulteerd heeft in significante afname van ernstige lange-termijn uitkomsten.

  • 1.Oeffinger KC, Stratton KL, Hudson MM et al. Impact of risk-adapted therapy for pediatric Hodgkin lymphoma on risk of long-term morbidity: a report from the Childhood Cancer Survivor Study. J Clin Oncol 2021; epub ahead of print

Summary: Analysis of the Childhood Cancer Survivor Study found that risk-adapted therapy for pediatric Hodgkin lymphoma has resulted in a significant reduction in serious long-term outcomes.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie tussen chemotherapie en risico van ziekte van Alzheimer in overlevers van colorectaalcarcinoom (0)
2021-02-27 13:00   ( Nieuws )
Tags:  chemotherapy for CRC risk of Alzheimers disease in survivors
Dr. Igor AkushevichEr zijn tegenstrijdige aanwijzingen voor de aard van de associaties tussen chemotherapie voor colorectaalcarcinoom (CRC) en het risico van de ziekte van Alzheimer (AD) en andere neurocognitieve aandoeningen (ND) in overlevers. Een analyse van de SEER-Medicare database heeft deze associaties geïnventariseerd. Dr. Igor Akushevich (Duke University, Durham NC) en collega’s publiceren de analyse in JCO Oncology Practice.1



In de database identificeerden de onderzoekers 135.834 patiënten met een CRC-diagnose na de leeftijd 65 jaar tussen begin 1998 en eind 2007. In inverse probability weighting-gecorrigeerde analyse was gebruik van chemotherapie geassocieerd met verlaagd risico van AD (HR 0,791; 95%-bti 0,758-0,824) en verlaagd risico van de meerderheid van de overige ND inclusief AD-gerelateerde ziekten (HR 0,823; 95%-bti 0,802-0,844), permanente dementie (HR 0,807; 95%-bti 0,782-0,832), en seniele dementie (HR 0,772; 95%-bti 0,745-0,801). Chemotherapie was geassocieerd met verhoogd risico van cerebrale degeneratie exclusief AD (HR 1,067; 95%-bti 1,033-1,102). De associatie van chemotherapie met AD bleef bestaan na stratificatie voor chemotherapie-agens, en bleef significant tot zes jaar na de diagnose.

De onderzoekers concluderen dat gebruik van chemotherapie voor CRC na leeftijd 65 jaar geassocieerd was met verlaagd risico van AD en andere ND in overlevers.

  • 1.Akushevich I, Yaskin AP, Kravchenko J, Kertai MD. Chemotherapy and the risk of Alzheimer’s disease in colorectal cancer survivors: evidence from the Medicare system. JCO Oncology Practice 2021; epub ahead of print




  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Risicoverlagende salpingo-ovariëctomie en risico van mammacarcinoom in vrouwen met BRCA1/2 pathogene varianten (0)
2021-02-26 16:00   ( Nieuws )
Tags:  germline BRCA1 2 pathogenic variants association of RRSO with breast cancer risk
Dr. Laurent BriollaisVrouwen met pathogene varianten in BRCA1 en BRCA2 hebben een hoog risico van het ontwikkelen van ovariumcarcinoom en mammacarcinoom. Deze vrouwen ondergaan gewoonlijke intensieve surveillance en kunnen ook chirurgische interventies overwegen, zoals risicoverlagende mastectomie of risicoverlagende salpingo-ovariëctomie (RRSO). Er is evidentie voor werkzaamheid van RRSO in de preventie van ovariumcarcinoom, maar de associatie met mammacarcinoom is minder duidelijk. Een studie in Canada heeft deze associatie onderzocht. Dr. Laurent Briollais (Prosserman Centre for Health Research, Toronto) en collega’s publiceren de studie in JAMA Oncology.1

De studie includeerde families die tussen 1996 en 2000 waren opgenomen in het Breast Cancer Family Registry met een erfelijke pathogene variant in BRCA1 (498 families; 2650 vrouwen) of BRCA2 (378 families; 1925 vrouwen). RRSO was geassocieerd met verlaagd risico van mammacarcinoom in de eerste vijf jaar na chirurgie onder dragers van BRCA1 pathogene varianten (HR 0,28; 95%-bti 0,10-0,63) en onder dragers van BRCA2 pathogene varianten (0,19; 0,06-0,71); in de periode vanaf vijf jaar na de chirurgie was RRSO nog steeds geassocieerd met verlaagd risico van mammacarcinoom onder dragers van BRCA1 pathogene varianten (0,64; 0,38-0,97) maar niet onder dragers van BRCA2 pathogene varianten (0,99; 0,84-1,00). Onder de dragers van BRCA1 respectievelijk BRCA2 pathogene varianten die op leeftijd 40 jaar RRSO hadden ondergaan was het cumulatieve risico van mammacarcinoom op leeftijd 70 jaar 49,7% respectievelijk 52,7%; vergeleken met 61,0% respectievelijk 54,0% onder vrouwen die geen RRSO ondergingen.

De onderzoekers concluderen dat de studie suggereert dat RRSO geassocieerd is met verlaagd risico van mammacarcinoom in de eerste vijf jaar na chirurgie onder dragers van BRCA1 en BRCA2 pathogene varianten, en met een langer beschermend effect onder dragers van BRCA1 pathogene varianten.

  • 1.Choi Y-H, Terry MB, Daly MB et al. Association of risk-reducing salpingo-oophorectomy with breast cancer risk in women with BRCA1 and BRCA2 pathogenic variants. JAMA Oncol 2021; epub ahead of print

Summary: A study in Canada found that among women carrying pathogenic variants in BRCA1 and BRCA2, risk-reducing salpingo-oophorectomy was associated with a reduced risk of breast cancer in the immediate 5 years after surgery. In women with pathogenic variants in BRCA1 there was also a longer-term association of RRSO with cumulative breast cancer risk.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Profijt van genoomprofileren van gevorderde solide tumoren in de klinische praktijk (0)
2021-02-26 15:00   ( Nieuws )
Tags:  advanced solid tumors clinical benefit of genomicprofiling
Prof. Arul ChinnaiyanGebruik van next-generation sequencing (NGS) van gevorderde solide tumoren voor het identificeren van klinisch actionabele genomische targets neemt toe in de klinische praktijk, maar het klinisch profijt van deze testen is niet goed bekend. Een studie van de University of Michigan (Ann Arbor) heeft dit profijt geïnventariseerd. Prof. Arul Chinnaiyan en collega’s publiceren de studie in JAMA Oncology.1



Tussen begin mei 2011 en eind februari 2018 ondergingen 1138 patiënten genoomprofileren van gematcht tumor en normaal DNA (analyse van 1700 genen) en tumor RNA-sequencing. De sequencing was succesvol in 1015 patiënten (89,2%). Potentieel actionabele veranderingen werden gedetecteerd in 817 patiënten (80,5%) van wie 132 (16,2%) sequencing-geleide therapie kregen. Onder deze 132 patiënten waren er 49 (37,1%) met klinisch profijt na zes maanden en 26 (19,7%) met exceptionele respons, gedefineerd als behandeling gedurende twaalf maanden of langer. Pathogene kiemlijnvarianten werden geïdentificeerd in 160 patiënten (15,8% van het cohort), waaronder 49 pathogene kiemlijnvarianten met therapeutische relevantie. Onder de 55 patiënten met carcinoom met onbekende origine (CUP) identificeerde NGS de primaire site in 28 (50,9%); sequencing-geleide therapie in 13 patiënten resulteerde in klinisch profijt in 7 patiënten (53,8%) en exceptionele respons in 5 patiënten (38,5%).

De onderzoekers concluderen dat de studie steun biedt aan een aanbeveling voor gericht kiemlijntesten in alle patiënten met gevorderde maligniteiten en voor NGS-profilering van patiënten met CUP en andere zeldzame maligniteiten.

  • 1.Cobain EF, Wu Y-M, Vats P et al. Assessment of clinical benefit of integrative genomic profiling in advanced solid tumors. JAMA Oncol 2021; epub ahead of print

Summary: A study at the University of Michigan (Ann Arbor) found that in clinical practice next-generation sequencing of advanced solid tumors detected potentially actionable genomic alterations in 80.5% of patients. Of these 16.2% received sequencing-directed therapy, of whom 37.1% had clinical benefit, with exceptional responses in 19.7% of treated patiënts. Pathogenic germline variants were detected in 15.8%, including PGVs with therapeutic relevance in 4.8%.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multinationale fase 2-studie van idecabtagene vicleucel voor recidiverend of refractair multipel myeloom (0)
2021-02-26 14:00   ( Nieuws )
Tags:  RRMM ide-cel
Prof. Nikhil MunshiOndanks vorderingen in de behandelingen voor multipel myeloom worden vaak relapses gezien. Er is geen standaard-behandeling voor patiënten met ziekteprogressie na immuunmodulerende middelen, proteasoomremmers, en anti-CD38 antilichamen. Een multinationale fase 2-studie heeft de BCMA-gerichte CAR T-celtherapie idecabtagene vicleucel (ide-cel, ook bekend als bb2121) voor deze patiënten geëvalueerd. Prof. Nikhil Munshi (Dana-Farber Cancer Institute, Boston MA) en collega’s publiceren de studie in The New England Journal of Medicine.1

De studie includeerde 128 patiënten met recidiverend of refractair multipel myeloom, die mediaan zes eerdere lijnen therapie hadden gekregen (range drie tot zestien), waaronder een immuunmodulerend middel, een proteasoomremmer, en een anti-CD38 antilichaam. De patiënten kregen target doseringen van 150 x 106 tot 450 x 106 CAR-positieve T-cellen. Het primaire eindpunt van de studie was overall respons.

De mediane follow-up was 13,3 maanden. Partiële respons of beter werd gezien in 94 patiënten (73%) en complete respons in 42 patiënten (33%). Minimaal residuele ziekte (MRD)-negatieve status, met minimale afsnijwaarde 10-5 genucleëerde cellen, werd bevestigd in 33 patiënten (26%). De mediane progressievrije overleving was 8,8 maanden (95%-bti 5,6-11,6). Veel-waargenomen graad 3 of 4 toxische effecten waren neutropenie in 91% van de patiënten, anemie in 70%, en trombocytopenie in 63%. Cytokine release syndroom werd gezien in 84%, inclusief graad 3 of hoger in 5%. CAR-positieve T-cellen werden na zes maanden gedetecteerd in 29 van 49 patiënten (59%) en na twaalf maanden in 4 van 11 patiënten (36%).

De onderzoekers concluderen dat ide-cel respons induceerde in de meerderheid van zwaar-voorbehandelde patiënten met multipel myeloom, en dat MRD-negatieve status werd bereikt in 26%. Vrijwel alle patiënten hadden graad 3 of 4 toxiciteiten.

  • 1.Munshi NC, Anderson LD, Shah N et al. Idecabtagene vicleucel in relapsed and refractory multiple myeloma. N Engl J Med 2021;384:705-716

Summary: A multinational phase 2 study found that the CAR T-cell therapy idecabtagene vicleucel induced responses in a majority of heavily pretreated patients with refractory and relapsed myeloma, while MRD-negative status was achieved in 26% of treated patients. Almost all patients had grade 3 or 4 toxic effects.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)