Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Multinationale fase 1b-2 studie van eerstelijns enasidenib plus azacitidine voor AML met IDH2-mutatie (0)
2021-10-20 12:00   ( Nieuws )
Tags:  AG221-AML-005 trial newly diagnosed mutant IDH2 AML enasidenib plus azacitidine
Dr. Courtney DiNardoEnasidenib is een orale remmer van gemuteerde IDH2-eiwitten. De multinationale fase 1b-2 AG221-AML-005 heeft toevoeging van enasidenib aan azacitidine geëvalueerd voor niet-eerder behandeld AML met IDH2-mutatie in patiënten die niet in aanmerking komen voor intensieve chemotherapie. Dr. Courtney DiNardo (MD Anderson Cancer Center, Houston TX) en collega’s publiceren de studie in The Lancet Oncology.1

De studie, uitgevoerd in 43 centra in twaalf landen, includeerde volwassen patiënten met een ECOG performance status 2 of beter. In het fase 1b-gedeelte van de studie kregen zes patiënten oraal enasidenib 100 mg of 200 mg eens per dag, plus subcutaan azacitidine 75 mg/m2 eenmaal daags gedurende de eerste zeven dagen van vier-weekse cycli. Er waren geen doserings-limiterende toxiciteiten. De enasidenib 100 mg per dag dosering werd gekozen voor fase 2.

In fase 2 werden 101 patiënten 2:1 gerandomiseerd naar enasidenib plus azacitidine (n=68) of alleen azacitidine (n=33). De mediane leeftijd was 75 jaar (IQR 71-78). Het primair eindpunt was percentage patiënten met overall respons nadat alle patiënten tenminste een jaar gevolgd waren. De ORR was 74% (95%-bti 61-84) met enasidenib plus azacitidine versus 36% (20-55) met alleen azacitidine (OR 4,9; p=0,0003). Ernstige treatment-related adverse events werden gerapporteerd voor 43% respectievelijk 44% van de patiënten in de twee groepen. Er waren geen graad 5 TRAEs.

De onderzoekers concluderen dat onder patiënten met nieuw-gediagnostiseerd IDH2-gemuteerd AML de combinatie van enasidenib plus azacitidine goed verdragen werd en resulteerde in significant betere ORR dan azacitidine monotherapie.

1.DiNardo CD, Schuh AC, Stein EM et al. Enasidenib plus azacitidine versus azacitidine alone in patients with newly diagnosed, mutant-IDH2 acute myeloid leukaemia (AG221-AML-005): a single-arm phase 1b and randomised, phase 2 trial. Lancet Oncol 2021; epub ahead of print

Summary: The multinational phase 1b-2 AG221-AML-005 trial found that among patients with newly diagnosed, IDH2-mutated AML who were not eligible for intensive chemotherapy, addition of enasidenib to azacitidine was well tolerated and significantly improved overall response rate compared with azacitidine monotherapy.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multicenterstudie van allogene haploïdentieke donor BMT met PTCy voor myelofibrose in chronische fase (0)
2021-10-19 15:00   ( Nieuws )
Tags:  myelofibrosis allogeneic blood or marrow transplantation post-transplantation cyclophosphamide
Dr. Tania JainDe feasibility van allogene bloed- of beenmergtransplantatie (haplo-BMT) met posttransplantatie cyclofosfamide (PTCy) voor chronische-fase myelofibrose (MF) is niet duidelijk. Een retrospectieve multicenterstudie in de Verenigde Staten en Canada heeft deze feasibiliteit onderzocht. Dr. Tania Jain (Johns Hopkins University, Baltimore MD) en collega’s publiceren de studie in Leukemia.1

De studie includeerde 69 MF-patiënten die haplo-BMT met PTCy ondergingen. De mediane leeftijd ten tijde van de transplantatie was 63 jaar (range 41-74). De conditioneringsregimes waren van verlaagde intensiteit in 54% en niet-myeloablatief in 39%. Perifeer-bloed grafts werden gebruikt in 86%. De mediane follow-up was 23,1 maanden (range 1,6-75,7).

De overall survival, relapsevrije overleving, en graft-versus-host disease-vrije RFS na drie jaar waren 72% (95%-bti 59-81), 44% (29-59), en 30% (17-43), terwijl de cumulatieve incidentie van non-relapse mortaliteit en relapse na drie jaar 23% (14-34) en 31% (17-47) waren. Miltgrootte 22 cm of meer of eerdere splenectomie (HR 6,36; p=0,002) en gebruik van beenmerg grafts (HR 4,92; p=0,004) waren geassocieerd in hogere incidentie van relapse. Cumulatieve incidentie van acute GVHD graad 3 of 4 was 10% na drie maanden, en chronische GVHD werd gezien in 8%. Neutrofiel engraftment werd gerapporteerd voor 94% van de patiënten, na mediaan 20 dagen (range 14-70).

De onderzoekers concluderen dat haplo-BMT met PTCy feasible was in patiënten met myelofibrose.

1.Kunte S, Rybicki L, Viswabandya A et al. Allogeneic blood or marrow transplantation with haploidentical donor and post-transplantation cyclophosphamide in patients with myelofibrosis: a multicenter study. Leukemia 2021; epub ahead of print

Summary: A retrospective study in the USA and Canada found that haploidentical blood or marrow transplantation with post-transplantation cyclophosphamide for chronic phase myelofibrosis was feasible. Splenomegaly 22 cm or more and bone marrow grafts were associated with a higher incidence of relapse.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Schlafen 11 (SLFN11)-niveau als voorspeller van uitkomsten van op DNA-schaderespons gerichte behandelingen (0)
2021-10-19 13:30   ( Nieuws )
Tags:  DNA damage response targeting treatments SLFN11
Dr. Sophie WillisSchlafen11 (SLFN11) is een DNA/RNA-helicase enzym. In preklinische experimenten is gezien dat SLFN11-deficiënte cellen resistent zijn tegen DNA-schade veroorzakende verbindingen (DDAs) zoals nanolipsomaal irinotecan, trabectidine, platina-chemotherapie en PARP-remmers. Onderzoekers van AstraZeneca (Cambridge, UK) hebben een klinisch toepasbare SLFN11-immuunhistochemische assay ontwikkeld en gevalideerd. Dr. Sophie Willis en collega’s publiceren in het British Journal of Cancer een retrospectieve analyse van correlaties van SLFN11-niveaus in tumoren en uitkomsten van patiënten die DDAs en PARP-remmers kregen voor kleincellig longcarcinoom en ovariumcarcinoom.1

De analyse laat zien dat een hoog vergeleken met laag SLFN11-niveau in SCLC geassocieerd was met betere overall survival met eerstelijns platina plus etoposide. Er was geen sterke associatie van SLFN11-niveau met respons van ovariumcarcinoom-patiënten op paclitaxel-platina. Multivariate analyse van patiënten met recidiverend platina-gevoelig ovariumcarcinoom in het placebo-gecontroleerde fase 2 olaparib-onderhoud Study 19 liet zien dat tumorniveaus van SLFN11 geassocieerd waren met gevoeligheid voor olaparib. In deze studie hadden patiënten met hoog SLFN11 een lagere PFS-HR dan patiënten met laag SLFN11, hoewel in beide groepen profijt van olaparib versus placebo werd gezien.

De onderzoekers concluderen dat de studie klinische evidentie levert voor de rol van bepalen van SLFN11 als DDA-therapie selectiebiomarker in SCLC. De rol van SLFN11 als predictieve biomarker voor de werkzaamheid van PARP-remmer vereist nader onderzoek.

1.Willis SE, Winkler C, Roudier MP et al. Retrospective analysis of Schlafen11 (SLFN11) to predict the outcomes to therapies affecting the DNA damage response. Br J Cancer 2021; epub ahead of print

Summary: A retrospective analysis of small cell lung cancer and ovarian cancer patients found that levels of Schlafen11 (SLFN11) were predictive of response of SCLC to DNA damaging agents, while the role of SLFN11 as a PARP inhibitor predictive biomarker is not yet clear.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Effecten van HER2-veranderingen in EGFR-gemuteerd niet-kleincellig longcarcinoom (0)
2021-10-19 11:58   ( Nieuws )
Tags:  EGFR mutant NSCLC effects of HER2 alterations
Dr. Misako NagasakaHER2-veranderingen (mutatie en amplificatie) worden gezien in meerdere tumortypen, waaronder niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC). Een retrospectieve analyse van NSCLC-monsters die next-generation sequencing ondergingen heeft prevalentie en type van HER2-veranderingen met of zonder EGFR-comutatie en impact op uitkomsten geïnventariseerd. Dr. Misako Nagasaka (Wayne State University School of Medicine, Detroit MI) en collega’s publiceren de analyse in Clinical Lung Cancer.1


Onder de 12.946 NSCLC-patiënten waren er 321 (2,5%) met een HER2-verandering in NSCLC (mutatie in 197 en amplificatie in 134). De mediane leeftijd was 65 jaar, 62% van de patiënten waren vrouwen, en 84% had adenocarcinoom. HER2 exon 20 insertiemutatie was met 69% de meest-voorkomende HER2-mutatie. EGFR-mutaties werden gezien in NSCLC van 1551 patiënten (12%). Onder de monsters met EGFR-mutaties hadden 24 (1,5%) concurrente HER2-verandering (8 mutatie en 16 amplificatie). Patiënten met concurrente EGFR-mutatie en HER2-amplificatie hadden mediaan langere tijd van behandeling met EFGR-TKIs dan patiënten met EGFR-mutatie zonder HER2-amplificatie (HR 2,284; p=0,004).

De onderzoekers concluderen dat in een minderheid van NSCLC-monsters met EGFR-mutaties ook HER2-veranderingen werden gezien. Concurrente EGFR-mutatie en HER2-amplificatie was geassocieerd met langere tijd op EGFR-TKIs dan EGFR-mutatie zonder HER2-amplificatie.

1.Nagasaka M, Singh V, Baca Y et al. The effects of HER2 alterations in EGFR mutant non-small cell lung cancer. Clin Lung Cancer 2021.08.012

Summary: Next-generation sequencing of 12,946 NSCLC samples found HER2 alterations in 321 patients (197 mutation and 134 amplification). Among EGFR mutated samples, concurrent HER2 alteration was seen in 1.5%. EGFR mutated patients with concurrent HER2 amplification had longer time on EGFR TKI.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multicenter fase 1-2 studie van osimertinib voor NSCLC met EGFR exon 20 insertiemutatie (0)
2021-10-18 15:00   ( Nieuws )
Tags:  EGFRex20ins mutation-positive NSCLC osimertinib
Prof. Kenzo SoejimaEr zijn preklinische aanwijzingen voor mogelijke werkzaamheid van de derdegeneratie EGFR-remmer osimertinib voor niet-kleincellig longcarcinoom met insertiemutatie in exon 20 van EGFR (EGFRex20ins+ NSCLC). Een multicenter fase 1-2 studie in Japan heeft osimertinib voor EGFRex20ins+ NSCLC geëvalueerd. Prof. Kenzo Soejima (Keio Universiteitsziekenhuis, Tokio) en collega’s publiceren de studie in Lung Cancer.1

De studie includeerde twaalf patiënten met EGFRex20ins+ NSCLC, die standaard-dosering osimertinib kregen (80 mg eenmaal daags). Geen van de patiënten had objectieve respons, zeven hadden stabiele ziekte (58,3%) en vijf hadden progressieve ziekte (41,7%). De mediane progressievrije overleving was 3,8 maanden, en de mediane overall survival was 15,8 maanden. In exploratieve analyse was er een statistisch significante positieve correlatie tussen de plasmaconcentratie van osimertinib en PFS (R=0,9912; p=0,0001), hetgeen wijst op een mutatietype-specifieke contratie-afhankelijke werkzaamheid van osimertinib voor EGFRex20ins+ NSCLC.

De onderzoekers concluderen dat standaard-dosering osimertinib beperkte activiteit had voor EGFRex20ins+ NSCLC, maar dat de exploratieve analyse suggereert dat hogere dosering wel effectief was.

1.Yasuda H, Ichihara E, Sakakibara-Konishi J et al. A phase I/II study of osimertinib in EGFR exon 20 insertion mutation-positive non-small cell lung cancer. Lung Cancer 2021.10.006

Summary: A multicenter phase 1-2 study in Japan evaluated osimertinib for EGFR exom 20 insertion mutation-positive non-small cell lung cancer. Regular dose osimertinib (80 mg/day) had limited activity. An exploratory analysis suggested potential efficacy of higher dose osimertinib.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Impact van maligniteiten op risico van COVID-19 diagnose, hospitalisatie en overlijden (0)
2021-10-18 13:30   ( Nieuws )
Tags:  cancer and risk of COVID-19 diagnosis and severity
Dr. Talita Duarte-SallesPatiënten met maligniteiten hebben vaak een gecompromitteerd immuunsysteem. Het is denkbaar dat deze patiënten een verhoogd risico hebben van COVID-19 en slechte uitkomsten van de infectie. Een bevolkings-gebaseerde cohortstudie in Catalonië heeft de impact van maligniteiten op het risico van een COVID-19 diagnose, hospitalisatie, en overlijden geïnventariseerd. Dr. Talita Duarte-Salles (Fundació Institut Universitari Jordi Gol i Gurina, Barcelona) en collega’s publiceren de studie in het International Journal of Cancer.1



De studie was gebaseerd op gegevens in de SIDIAP-database van eerstelijns zorg van 4.618.377 volwassenen (ongeveer 80% van de bevolking van Catalonië) over de periode van 1 maart tot en met 6 mei 2020. Onder deze personen waren 260.667 patiënten (5,6%) met een diagnose van een maligniteit (uitgezonderd non-melanoma skin cancer). COVID-19 werd gedianostiseerd in 98.951 patiënten, onder wie 5,5% patiënten met maligniteiten. Directe hospitalisatie vanwege COVID-19 werd gerapporteerd voor 6335 personen, onder wie 16,4% patiënten met maligniteiten, en latere hospitalisatie vanwege COVID-19 werd gerapporteerd voor 6851 personen, onder wie 10,7% patiënten met maligniteiten. Overlijden zonder hospitalisatie trof 3227 personen, onder wie 18,5% patiënten met maligniteiten. Onder de gehospitaliseerde personen overleden 1963 personen, onder wie 22,5% patiënten met maligniteiten.

Een maligniteit was geassocieerd met verhoogd risico van COVID-19 diagnose (aHR 1,08; 95%-bti 1,05-1,11), directe COVID-19 hospitalisatie (1,33; 1,24-1,43), en overlijden na hospitalisatie (1,12; 1,01-1,25). De associaties waren sterker voor patiënten met meer recent gediagnostiseerde maligniteit, leeftijd jonger dan 70 jaar, en met hematologische maligniteiten.

De onderzoekers concluderen dat patiënten met maligniteiten een verhoogd risico hebben van COVID-19 diagnose, hospitalisatie, en overlijden.

1.Roel E, Pistillo A, Recalde M et al. Cancer and the risk of COVID-19 diagnosis, hospitalisation, and death: a population-base multi-state cohort study including 4,618,377 adults in Catalonia, Spain. Int J Cancer 2021; epub ahead of print

Summary: A population-based cohort study including 4,618,377 adults in Catalonia (Spain) found that cancer patients compared to the general population had increased risks of COVID-19 diagnosis (aHR 1.08; 95% CI 1.05-1.11), COVID-19 hospitalisation (1.33; 1.24-1.43), and death following COVID-19 hospitalisation (1.12; 1.01-1.25).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Combinatie van drie versus twee anti-emetica voor vertraagde CINV in oxaliplatine-behandelde CRC-patiënten (0)
2021-10-18 12:00   ( Nieuws )
Tags:  colorectal cancer chemotherapy-induced nausea and vomiting combination antiemetics
Veel patiënten die oxaliplatine-gebaseerde chemotherapie krijgen voor colorectaalcarcinoom hebben klachten van chemotherapy-induced nausea and vomiting (CINV). Een gepoolde analyse van twee prospectieve observationele studies en een fase 3-studie in Japan heeft combinatietherapie met drie versus twee anti-emetica voor controle van vertraagde CINV (delayed CINV, in deze analyse gedefinieerd als tussen één en zeven dagen na begin van de chemotherapie) vergeleken. Prof. Mototsugu Shimokawa (Universiteit van Yamaguchi) en collega’s publiceren de analyse in BMC Cancer.1

De analyse includeerde 661 patiënten (391 mannen en 270 vrouwen; mediane leeftijd 64 jaar). De patiënten in de twee-antiemeticagroep (n=441) kregen palonosetron plus een 5HT3-receptorantagonist. Patiënten in de drie-antiemeticagroep (n=220) kregen bovendien een neurokinine-1 receptorantagonist. De figuur laat zien dat het drie-middelen regime vertraagde CINV beter controleerde dan het twee-middelen regime. Deze figuur laat zien dat vertraagde CINV meer werd gezien in vrouwen dan in mannen, en dat vrouwen meer baat hadden bij het drie-middelen regime.

De onderzoekers concluderen dat patiënten die oxaliplatine-gebaseerde chemotherapie kregen voor CRC betere controle van vertraagde CINV hadden met toevoegen van een NK1RA aan palonosetron en een 5HT3RA.

1.Shimokawa M, Hayashi T, Nishimua J et al. Pooled analysis of combination antiemetic therapy for chemotherapy-induced nausea and vomiting in patients with colorectal cancer treated with oxaliplatin-based chemotherapy of moderate emetic risk. BMC Cancer 2021;21:1111

Summary: Pooled analysis of two prospective observational studies and one phase III trial in Japan found that among patients receiving oxaliplatin-based chemotherapy for colorectal cancer, addition of a neurokinin-1 receptorantagonist to palonosetron and a 5HT3 receptor antagonist resulted in better control of delayed nausea and vomiting.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Adjuvant trastuzumab met of zonder chemotherapie voor stadium 1 pT1N0 HER2+ mammacarcinoom (0)
2021-10-17 15:00   ( Nieuws )
Tags:  stage 1 pT1N0 HER2+ breast cancer adjuvant trastuzumab with or without chemotherapy
Dr. Alberto MonteroIn ongeveer 20% van alle gevallen van mammacarcinoom (BC) wordt HER2-amplificatie (HER2+) gezien. In de fase 2 APT-studie was wekelijks paclitaxel-trastuzumab voor negatief HER2+ BC met tumoren kleiner dan 3 cm geassocieerd met zeven-jaars invasieve-ziektevrije overleving in 93% van de patiënten. De APT-studie was echter niet gerandomiseerd, en het is denkbaar dat in patiënten met pT1N0 HER2+ BC HER2-monotherapie tot vergelijkbare uitkomsten leidt als chemo-HER2 therapie. Een analyse van de National Cancer Database heeft overall survival uitkomsten vergeleken voor chemo-HER2 therapie versus alleen HER2-therapie in patiënten met pT1N0 HER2+ BC en tumoren kleiner dan 2 cm. Dr. Alberto Montero (Case Western Reserve University School of Medicine, Cleveland OH) en collega’s publiceren de analyse in Breast Cancer Research and Treatment.1


In de NCDB identificeerden de onderzoekers 23.281 patiënten met een primaire diagnose pT1N0M0 HER2+ BC tussen begin 2004 en eind 2017. Onder deze patiënten kregen 22.268 (96,7%) adjuvante chemo-HER2 therapie en 1013 (4,4%) adjuvante HER2-monotherapie. In 3:1 voor propensiteit gematchte analyse van 1995 patiënten die chemo-HER2 therapie kregen en 666 die HER2-monotherapie kregen, was chemo-HER2 versus HER2-monotherapie geassocieerd met bescheiden OS-voordeel (vijf-jaars OS 94,1% versus 90,6%; p=0,041).

De onderzoekers concluderen dat onder patiënten met pT1N0 HER2+ BC de overleving met chemo-HER2 therapie significant beter was dan met HER2-monotherapie. De vijf-jaars OS was echter met HER2-monotherapie hoger dan 90%. In geselecteerde patiënten met contraïndicaties voor cytotoxische chemotherapie, of die adjuvante chemotherapie weigeren, is adjuvante trastuzumab monotherapie een redelijk alternatief.

1.Cao L, Shenk R, Stabellini N et al. Adjuvant trastuzumab with or without chemotherapy in stage 1 pT1N0 HER2+ breast cancer: a National Cancer Database analysis. Breast Cancer Res Treat 2021; epub ahead of print

Summary: Analysis of the National Cancer Database found that among patients with pT1N0 HER2+ breast cancer, adjuvant trastuzumab plus chemotherapy resulted in modest OS advantage compared to adjuvant HER2 monotherapy (5-year OS 94.1% versus 90.6%; p=0.041). The authors conclude that in selected patients who have contraindications for cytotoxic chemotherapy, or decline adjuvant chemotherapy, adjuvant trastuzumab monotherapy was a reasonable alternative for chemo-HER2 therapy.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)