Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Pembrolizumab voor MSI-H metastatisch castratieresistent prostaatcarcinoom (0)
2020-08-12 15:00   ( Nieuws )
Tags:  MSI-H mCRPC pembrolizumab
Dr. Pedro BarataImmuuncheckpoint-blokkade voor niet-geselecteerd gevorderd prostaatcarcinoom heeft tot op heden slechts beperkt succes gehad. Het is denkbaar dat immuuncheckpointremmers betere werkzaamheid hebben voor prostaatcarcinoom met microsatelliet-instabiliteit. Een kleine studie in acht centra in de Verenigde Staten heeft de werkzaamheid van pembrolizumab voor MSI-H metastatisch castratieresistent prostaatcarcinoom geïnventariseerd. Dr. Pedro Barata (Tulane University, New Orleans LA) en collega’s publiceren de studie in een Short Report het Journal for ImmunoTherapy of Cancer.1

De studie includeerde negen patiënten met mCRPC en met next-generation sequencing in circulerend tumor DNA vastgesteld MSI-H. De mediane PSA was 29,3 ng/dl. De metastasen waren in bot (vijf patiënten), klieren (n=3), lever (n=1), en weke delen (n=1). De patiënten kregen pembrolizumab, mediaan 16,0 maanden na de diagnose mCRPC (range 0,7-20,6) en na mediaan 2 eerdere lijnen behandeling voor CRPC (range 0-4). De mediane tijd op pembrolizumab was 9,9 maanden. Vier patiënten hadden tenminste 50% PSA-afname na mediaan 4 weken (range 3-12) behandeling, onder wie drie met afname meer dan 99%. Onder de vijf patiënten die evalueerbaar waren voor radiografische respons werd respons gezien in drie patiënten, onder wie één met complete respons. Op het moment van data-cutoff voor de nu gepubliceerde analyse kregen vier patiënten nog steeds pembrolizumab, hadden vier patiënten de behandeling gediscontinueerd wegens progressie en één vanwege COVID-19 infectie.

De onderzoekers concluderen dat gebruik van liquide biopten voor het identificeren van MSI-H ziekte in patiënten met mCRPC feasible was, en dat pembrolizumab in een aanzienlijk percentage van deze patiënten actief was.

1.Barata P, Agarwal N, Nussenzweig R et al. Clinical activity of pembrolizumab in metastatic prostate cancer with microsatellite instability high (MSI-H) detected by circulating tumor DNA. J ImmunoTher Cancer 2020-001065

Summary: A case series of nine patients at eight centers in the United States demonstrated activity of pembrolizumab for mCRPC with MSI-H detected in ctDNA.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Impact van prognostische parameters in HR-positief lobulair versus niet-lobulair mammacarcinoom (0)
2020-08-12 14:00   ( Nieuws )
Tags:  HR-positive breast cancer prognostic parameters in lobular versus nonlobular disease
Prof. Hans KreipeInvasief lobulair mammacarcinoom (BC) is het tweede meest-voorkomende BC-subtype. Een retrospectieve analyse van de prospectieve PlanB studie van de Westdeutsche Studiengruppe heeft prognostische factoren geïnventariseerd in patiënten met HR-positief vroeg-stadium lobulair versus niet-lobulair BC. Prof. Hans Kreipe (Medizinische Hochschule Hannover) en collega’s publiceren de analyse in Cancer.1


PlanB includeerde 2585 patiënten, onder wie 353 (14%) met centraal-beoordeeld lobulair BC en 2232 (86%) met niet-lobulair BC. De mediane follow-up was 60 maanden. Lobulair BC was geassocieerd met hogere tumorklasse, hogere lymfeklierstatus, lagere histologische graad, lagere Ki67-index, en lage of intermediaire recurrence score (RS): de prevalentie van hoge RS (range 26-100) was een factor drie lager in de patiënten met lobulair BC dan in de patiënten met niet-lobular BC (8% versus 24%; p<0,001). De vijf-jaars ziektevrije overleving verschilde echter niet significant tussen beide groepen (92,1% versus 92,3%; p=0,673). In multivariate analyse waren prognostische parameters voor DFS in lobulair BC graad 3 ziekte (HR 5,06; 95%-bti 1,91-13,39) en pN3 (HR 12,16; 95%-bti 3,87-38,24) maar niet RS. Prognostische parameters in niet-lobulair BC waren graad 3 ziekte (HR 1,65; 95%-bti 1,11-2,44), pN3 (HR 3,68; 95%-bti 1,60-8,46), en hoge RS (HR 2,49; 95%-bti 1,69-3,68).

De onderzoekers concluderen dat de impact van RS op DFS verschillend is tussen lobulair en niet-lobulair BC. Risicoschattingen in lobulair BC dienen niet (alleen) gebaseerd te zijn op RS.

1.Christgen M, Gluz O, Harbeck N et al. Differential impact of prognostic parameters in hormone receptor-positive lobular breast cancer. Cancer 2020; epub ahead of print

Summary: The West German Study Group PlanB trial found that in patients with HR-positive early breast cancer lobular disease was associated with low and intermediate recurrence score, although the 5-year DFS was similar to that of nonlobular breast cancer. The effect of RS in lobular BC appeared to be different from that in nonlobular BC. For risk assessment, the RS needs to be complemented by clinicopathological parameters.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Impact van aspirinegebruik op maligniteitenincidentie en –mortaliteit onder ouderen (0)
2020-08-12 13:00   ( Nieuws )
Tags:  ASPREE study aspirin cancer in older adults
Prof. John McNeilGerandomiseerde gecontroleerde studies, vooral uitgevoerd onder jongere deelnemers, hebben laten zien dat regelmatig gebruik van aspirine geassocieerd was met uitstel van de ontwikkeling van maligniteiten. De placebo-gecontroleerde ASPREE-studie (aspirin in reducing events in the elderly) in Australië en de Verenigde Staten heeft onderzocht of dit effect ook in oudere personen gezien wordt. In 2018 is gepubliceerd dat de all-cause en maligniteitenmortaliteit in de aspirinegroep hoger waren dan in de placebogroep. Prof. John McNeil (Monash University, Melbourne) en collega’s publiceren nu in het Journal of the National Cancer Institute een gedetailleerde analyse van de maligniteitenincidentie en -mortaliteit in de studie.1

De studie includeerde 19.114 Australische en Amerikaanse 70-plussers (onder minderheden in de VS 65-plussers) zonder cardiovasculaire ziekte, dementie, of fysieke disabiliteit. De deelnemers werden dubbelblind gerandomiseerd naar lage-dosering aspirine (100 mg eenmaal daags) of placebo. Tijdens mediaan 4,7 jaar follow-up werden 981 maligniteiten gezien in de aspirinegroep en 952 in de placebogroep. Er waren geen significante verschillen tussen beide groepen voor incidentie van alle maligniteiten (HR 1,04; 95%-bti 0,95-1,14), hematologische maligniteiten (0,98;0,73-1,30), of solide maligniteiten (1,05; 0,95-1,15), inclusief afzonderlijke tumortypen. Aspirinegebruik was wel geassocieerd met verhoogd risico van incidente gemetastatiseerde maligniteiten (HR 1,19; 95%-bti 1,00-1,43) of bij diagnose al stadium 4 maligniteiten (1,22;1,02-1,45) en met verhoogde mortaliteit van maligniteiten die bij presentatie stadium 3 (2,11;1,03-4,33) of stadium 4 (1,31; 1,04-1,64) waren.

De onderzoekers concluderen dat in oudere volwassenen regelmatig gebruik van aspirine geassocieerd was met ongunstig effect op latere stadia in de ontwikkeling van maligniteiten, hetgeen suggereert dat in ouderen aspirine de progressie van maligniteiten kan versnellen.

1.McNeil JJ, Gibbs P, Orchard SG et al. Effect of aspirin on cancer incidence and mortality in older adults. J Natl Cancer Inst 2020; epub ahead of print

Summary: The randomized placebo-controlled ASPREE study in Australia and the United States found that among older adults (70+) aspirin 100 mg once daily was associated with increased risk of incident cancer that had metastasized (HR 1.14; 95% CI 1.00-1.43) or was stage 4 at diagnosis (HR 1.22; 95% CI 1.02-1.45) and with higher risk of death from cancers that presented at stage 3 (HR 2.11; 95% CI 1.03-4.33) or stage 4 (HR 1.31; 95%-bti 1.04-1.64). In older persons aspirin may accelerate the progression of cancer.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 3-studie van brigatinib versus crizotinib voor gevorderd ALK-remmer naïef ALK-positief NSCLC (0)
2020-08-12 12:00   ( Nieuws )
Tags:  ALTA-1L second interim analysis ALK-positive NSCLC brigatinib
Prof. Ross CamidgeDe multinationale fase 3-studie ALTA-1L vergeleek de volgende-generatie ALK-remmer brigatinib met crizotinib voor gevorderd ALK-remmer naïef ALK-positief niet-kleincellig longcarcinoom. In 2018 zijn de resultaten gepubliceerd van de eerste interimanalyse die liet zien dat na 99 PFS-gebeurtenissen de PFS significant beter was in de brigatinib-arm (HR 0,49; p<0,001). Prof. Ross Camidge (University of Colorado Hospital Cancer Center, Aurora) en collega’s publiceren nu in het Journal of Clinical Oncology resultaten van de tweede geplande interimanalyse, na 150 PFS-gebeurtenissen en 24,9 maanden follow-up in de brigatinib-arm.1

De studie randomiseerde patiënten met ALK-remmer naïef ALK-positief NSCLC naar brigatinib 180 mg eenmaal daags (n=137) of crizotinib 250 mg tweemaal daags (n=138). De figuur laat zien dat zowel de centraal-beoordeelde PFS (mediaan 24,0 versus 11,0 maanden; HR 0,49; p<0,0001) als de lokaal-beoordeelde PFS (mediaan 29,4 versus 9,2 maanden; HR 0,43; 95%-bti 0,31-0,61) beter waren met brigatinib dan met crizotinib. Er was geen significant verschil tussen beide armen voor overall survival (HR 0,92; 95%-bti 0,57-1,47), mogelijk vanwege crossover naar brigatinib na progressie op crizotinib (n=61). Er waren geen nieuwe veiligheidssignalen. Brigatinib vergeleken met crizotinib vertraagde de mediane tijd tot verslechtering van algemene gezondheidsstatus/kwaliteit van leven (HR 0,70; p=0,049).

De onderzoekers concluderen dat brigatinib voor gevorderd ALK-remmer naïef ALK-positief NSCLC vergeleken met crizotinib superieure werkzaamheid, verdraagbaarheid, en QOL-impact had.

1.Camidge DR, Kim HR, Ahn M-J et al. Brigatinib vesus crizotinib in advanced ALK inhibitor-naïve ALK-positive non-small cell lung cancer: second interim analysis of the phase III ALTA-1L trial. J Clin Oncol 2020; epub ahead of print

Summary: The multinational phase 3 study ALTA-1L compared brigatinib versus crizotinib for ALK-inhibitor naïve advanced ALK-positive NSCLC. The second prespecified interim analysis of the study showed superior PFS in the brigatinib group. Brigatinib also delayed median time to worsening of global health status/QOL scores compared with crizotinib (HR 0.70; p=0.049).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie van graanconsumptie of inname van voedingsvezel met risico van blaascarcinoom (0)
2020-08-11 15:00   ( Nieuws )
Tags:  bladder cancer risk grain consumption and dietary fiber intake
Dr. Anke WesseliusHogere consumptie van vollegraanproducten en hogere inname van voedingsvezel zijn geassocieerd met lagere risico’s van insulineresistentie, hyperinsulinemie, en inflammatie. Deze factoren zijn bekend als predisponerende factoren voor maligniteiten. Een gepoolde analyse van individuele data van 574.726 deelnemers aan dertien prospectieve cohortstudies heeft de associaties van consumptie van volle- en geraffineerde graanproducten en de inname van voedingsvezel met het risico van blaascarcinoom geïnventariseerd. Dr. Anke Wesselius (Maastricht University) en collega’s publiceren de analyse in het American Journal of Clinical Nutrition.1

In gepoolde analyse was hogere consumptie van totaal vollegraanproducten geassocieerd met verlaagd risico van blaascarcinoom (hoogste versus laagste tertiel HR 0,87; 95%-bti 0,77-0,98; per toename van de consumptie met 1 SD HR 0,95; 95%-bti 0,91-0,99; p trend 0,023). Er was geen associatie tussen consumptie van geraffineerde graanproducten en het risico van blaascarcinoom. De inname van totaal voedingsvezel was geassocieerd met verlaagd risico van blaascarcinoom (hoogste versus laagste tertiel HR 0,86; 95%-bti 0,76-0,98; per 1 SD toename HR 0,91; 95%-bti 0,82-0,98; p trend 0,021). In doserings-responsanalyse was toename van de consumptie van vollegraanproducten met 5 g per dag geassocieerd met 3% verlaagd risico van blaascarcinoom (HR 0,97; 95%-bti 0,95-0,99) en was toename van de inname van totaal voedingsvezel met 5 g per dag geassocieerd met 4% verlaging van het risico van blaascarcinoom (HR 0,96; 95%-bti 0,94-0,98). Het risico van blaascarcinoom was het laagst in de groep met gecombineerde hoogste consumptie van vollegraanproducten en hoogste inname van voedingsvezel.

De onderzoekers concluderen dat hogere consumptie van vollegraanproducten en inname van voedingsvezel, zowel apart als tezamen, geassocieerd waren met verlaagd risico van blaascarcinoom.

1.Yu EYW, Wesselius A, Mehrkanoon S et al. Grain and dietary fiber intake and bladder cancer risk: a pooled analysis of prospective cohort studies. Am J Clin Nutr 2020; epub ahead of print

Summary: A pooled analysis of individual data of 574,726 participants of 13 prospective cohort studies found that higher consumption of total whole grain and higher intakes of total dietary fiber were associated with reduced risk of bladder cancer.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Vergelijking van neoadjuvant paclitaxel, docetaxel en liposomaal paclitaxel voor mammacarcinoom (0)
2020-08-11 14:00   ( Nieuws )
Dr. Yong-Sheng WangVerschillende chemotherapie-regimes worden veel gebruikt voor de neoadjuvante behandeling (NAT) van mammacarcinoom. Een studie van de Eerste Medische Universiteit van Shandong (China) heeft de veiligheid en werkzaamheid vergeleken van neoadjuvant paclitaxel, docetaxel, en liposomaal paclitaxel. Dr. Yong-Sheng Wang en collega’s publiceren de studie in Breast Cancer Research and Treatment.1



De studie includeerde 647 patiënten die in Shandong NAT kregen. Borst-pathologische respons (bpCR) werd gezien in 198 van deze patiënten (30,6%): 28,6% in de paclitaxelgroep; 28,3% in de docetaxelgroep; en 39,3% in de liposomaal-paclitaxelgroep (p=0,067). Totale pathologische respons (tpCR; bpCR plus axillair-nodale pCR) werd gezien in 140 patiënten (21,6%): 13,3% in de paclitaxelgroep; 19,4% in de docetaxelgroep; en 34,4% in de liposomaal-paclitaxelgroep (p=0,026). De incidentie van graad 3 of 4 neutropenie, graad 1 of 2 perifere neurotoxiciteit, orale mucositis, anafylaxe, en palmair-plantair erythrodysesthesiesyndroom was significant lager in de liposomaal-paclitaxelgroep dan in de beide andere groepen (p<0,05 voor alle vergelijkingen).

De onderzoekers concluderen dat NAT met liposomaal paclitaxel, vergeleken met paclitaxel of docetaxel, resulteerde in niet-significant betere bpCR maar wel significant betere tpCR en in minder adverse events.

1.Bi Z, Chen P, Liu Y-B et al. Efficacy and safety analysis of paclitaxel, docetaxel, and liposomal paclitaxel after neoadjuvant therapy in breast cancer. Breast Cancer Res Treat 2020; epub ahead of print

Summary: A study at Shandong University (China) compared paclitaxel, docetaxel, and liposomal paclitaxel as neoadjuvant therapy for breast cancer. There were no significant differences in pCR between the groups, but the total pathologic complete response rate (including axillary nodal pathologic complete response) was higher in the liposomal paclitaxel group.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 3-studie van sorafenib-onderhoud na alloHSCT voor FLT3-ITD AML (0)
2020-08-11 13:00   ( Nieuws )
Tags:  FLT3-ITD AML allogeneic stem cell transplantion sorafenib maintenance
Prof. Qifa LiuIn retrospectieve studies is gezien dat in patiënten die allogene hematopoïetische stamceltransplantatie (alloHSCT) ondergingen voor AML met FLT3 internal tandem duplication (FLT3-ITD), sorafenib onderhoudsbehandeling zou kunnen bijdragen aan verlaging van het risico van relapse. Een multicenterstudie in China heeft werkzaamheid en tolerabiliteit van post-transplantatie sorafenib-onderhoud in deze patiëntenpopulatie onderzocht. Prof. Qifa Liu (Nanfang Ziekenhuis, Guangzhou) en collega’s publiceren de studie in The Lancet Oncology.1

De studie, uitgevoerd in zeven centra, includeerde patiënten in de leeftijd van achttien tot en met zestig jaar, een ECOG performance status 2 of beter, en complete remissie na alloHSCT voor FLT3-ITD AML, en hematopoïetisch herstel binnen zestig dagen na de transplantatie. De patiënten werden vanaf dertig tot zestig dagen na de transplantatie 1:1 gerandomiseerd naar sorafenib onderhoud (oraal 400 mg tweemaal per dag; n=100) of geen onderhoud (n=102). Het primaire eindpunt van de studie was cumulatieve incidentie van relapse in het eerste jaar na randomisatie.

De mediane follow-up was 21,3 maanden na de transplantatie (IQR 15,0-37,0). De één-jaar cumulatieve incidentie van relapse was 7,0% in de sorafenib-onderhoudsgroep versus 24,5% in de controlegroep (HR 0,25; p=0,0010). Er waren geen graad 5 adverse events. De meest-waargenomen graad 3 en 4 AEs in de eerste 210 dagen na de transplantatie waren infectie (25% in de sorafenibgroep versus 24% in de controlegroep; chronische GVHD (18% versus 17%), en hematologische toxiciteit (15% versus 7%).

De onderzoekers concluderen dat na alloHSCT voor FTL3-ITD AML sorafenib-onderhoud het risico van relapse significant verlaagde en goed verdragen werd.

1.Xuan L, Wang Y, Huang F et al. Sorafenib maintenance in patients with FTL3-ITD acute myeloid leukaemia undergoing allogeneic haematopoietic stem-cell transplantation: an open-label, multicentre, randomised phase 3 trial. Lancet Oncol 2020; epub ahead of print

Summary: A phase 3 study at seven hospitals in China found that after allogeneic stem cell transplantation for FTL3-ITD AML sorafenib maintenance reduced the risk of relapse (compared to no maintenance HR 0.25; p=0.0010) and was well tolerated.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 3-studie van eerstelijns sintilimab plus chemotherapie voor gevorderd niet-squameus NSCLC (0)
2020-08-11 12:00   ( Nieuws )
Tags:  locally advanced or metastatic non-squamous NSCLC sintilimab plus chemotherapy
Prof. Li ZhangIn een fase 1-studie is activiteit gezien van het anti-PD-1 anitlichaam sinitilimab in combinatie met chemotherapie voor niet-squameus niet-kleincellig longcarcinoom (nsqNSCLC). De Chinese multicenter fase 3-studie ORIENT-11 heeft eerstelijns sintilimab plus pemetrexed-platina chemotherapie voor lokaal-gevorderd of metastatisch nsqNSCLC geëvalueerd. Prof. Li Zhang (Sun Yat-sen Universiteit, Guangzhou) presenteerde de studie op het virtuele Presidential Synposium van de 2020 World Conference on Lung Cancer.1

De studie includeerde patiënten met niet-eerder behandeld lokaal-gevorderd of metatstatisch nsqNSCLC zonder sensitiserende EFGR- of ALK-mutaties. De patiënten werden 2:1 gerandomiseerd naar sintilimab (S-groep, n=266) of placebo (P-groep, n=131) toegevoegd aan vier cycli pemetrexed-platina, gevolgd door S of P in combinatie met pemetrexed onderhoud. Stratificatiefactoren waren geslacht, type platina, en PD-L1 expressie. Het primaire eindpunt van de studie was centraal-beoordeelde progressievrije overleving.

Na mediaan 8,9 maanden follow-up waren 198 van de 263 geplande PFS-gebeurtenissen gezien. De mediane PFS was 8,9 maanden in de S-groep versus 5,0 maanden in de P-groep (HR 0,482; p<0,00001). De figuur laat zien dat de werkzaamheid van S ook werd gezien in de subgroep van patiënten met tumoren met lage expressie van PD-L1. De mediane overall survival was niet bereikt, maar de OS was nominaal significant beter in de S-groep (HR 0,609; p=0,01921). De ORR was 51,9% in de S-groep versus 29,8% in de P-groep. De incidentie van graad 3 en hoger adverse events was 61,7% in de S-groep versus 58,8% in de P-groep. Er waren geen nieuwe-veiligheidssignalen.

De onderzoekers concluderen dat toevoegen van sintilimab aan eerstelijns chemotherapie voor lokaal-gevorderd of metastatisch nsqNSCLC geassocieerd was met significante verbetering van de PFS, met acceptabele veiligheid.

1.Zhang L. 2020 WCLC, Presidential Symposium, abstr. 1

Summary: The Chinese multicenter phase 3 study ORIENT-11 found that addition of suntilimab to first-line platinum-pemetrexed chemotherapy for locally advanced or metastatic non-squamous NSCLC significantly improved PFS, with acceptable safety.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)