Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Kenmerken die geassocieerd zijn met slechte uitkomst van bevacizumab voor recidiverend glioblastoom (0)
2018-12-10 15:54   ( Nieuws )
Tags:  recurrent glioblastoma bevacizumab
Dr. Cheng Hong TohDr. Cheng Hong Toh (Chang Gung Universiteit, Taiwan) en collega’s hebben een studie uitgevoerd van de associatie van MRI-waarneembare en klinische factoren die predictief zijn voor de werkzaamheid van bevacizumab voor recidiverend glioblastoom. Ze publiceren de studie vandaag online in het Journal of Neuro-Oncology.1 De studie includeerde 103 patiënten die tussen begin 2008 en eind 2017 in het ziekenhuis van de universiteit bevacizumab monotherapie kregen voor glioblastoom na falen van standaard-behandeling.

Patiënten met MRI-gedetecteerde baseline (voor aanvang van standaard-behandeling) multicentrische tumoren hadden na start van de bevacizumab-behandeling slechtere drie-maands progressievrije overleving (OR 4,07; p=0,042). Ook afstandsrecidief was een significante voorspeller van slechtere drie-maands PFS (OR 28,5; p<0,001). In multivariate analyse was afstandsrecidief de enige onafhankelijke voorspeller van PFS (HR 3,94; p<0,001). Onafhankelijke voorspellers van overall survival waren baseline multicentrische tumoren (HR 1,97; p=0,028), afstandsrecidief (HR 4,73; p<0,001) en leptomeningeale disseminatie (HR 2,28; p=0,044).

De onderzoekers concluderen dat baseline multicentrische tumoren, afstandsrecidief, en leptomeningeale disseminatie voorspellend waren voor slechtere overleving onder patiënten die bevacizumab kregen voor recidiverend glioblastoom. MRI zou kunnen bijdragen aan de selectie van patiënten die profijt hebben bij bevacizumab voor recidiverend glioblastoom.

1.Toh CH, Liau C-T, Wei K-C, Castillo M. Baseline multicentric tumors, distant recurrences, and leptomeningeal dissemination predict poor survival in patients with recurrent glioblastomas receiving bevacizumab. J Neuro-Oncology 2018; epub ahead of print

Summary: A retrospective study in Taiwan found that MRI-detected baseline multicentric tumors, distant recurrences, and leptomeningeal dissemination predicted poor survival among patients receiving bevacizumab for recurrent glioblastoma. Conventional MRI may help selecting patients with recurrent glioblastoma for bevacizumab treatment.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Immunologische bijwerkingen van ruxolitinib voor steroïd-refractaire acute en chronische GVHD in kinderen (0)
2018-12-10 15:00   ( Nieuws )
Tags:  steroid refractory GVHD in children ruxolitinib
Dr. Marta Gonzàlez VicentEr zijn aanwijzingen voor werkzaamheid van ruxolitinib voor steroïd-refractaire graft-versus-hsot disease, hoewel het remmende effect op activering van T-cellen het risico van opportunistische infecties zou kunnen verhogen. Dr. Marta Gonzàlez Vicent (Hospital del Niño Jesús, Madrid) en collega’s hebben een single center studie uitgevoerd van immunologische bijwerkingen van ruxolitinib voor steroïd-refractair GVHD in kinderen. Ze publiceren de studie online in het American Journal of Hematology.1

De studie includeerde 22 kinderen die transplantatie ondergingen en ruxolitinib kregen voor acute GVHD (n=13) of chronische GVHD (n=9). De overall response rate was hoog, met ORR 77% (n=10) in acute en 89% (n=8) in chronische GVHD. De behandeling was geassocieerd met toename van CD4 effector memory en afname van CD4 central memory en CD4 regulatory T-cell percentages. Patiënten met complete respons op ruxolitinib hadden hogere percentages NK-cellen voor de behandeling dan patiënten zonder complete respons. De behandeling resulteerde in toename van CD4-lymfocyten en afname van CD8 in NK-cellen in de responders. Infecties door virussen, bacteriën, en schimmels werden gezien in respectievelijk 54%, 18%, en 13%. De cumulatieve incidentie van relapse was 19±9%, en de cumulatieve incidentie van nonrelapse mortaliteit was 28±10%. De twee-jaars overall survival was 62±11%, en de twee-jaars ziektevrije overleving was 58±11%.

De onderzoekers concluderen dat ruxolitinib een veelbelovende behandeling voor steroïd-refractaire GVHD in kinderen is, maar wel gepaard gaat met belangrijke veranderingen in het immuunsysteem. Er is behoefte aan farmacokinetische studies om de optimale dosering te bepalen, en aan studies van optimale surveillance en antimicrobiële profylaxe.

1.Gonzàlez Vicent M, Molina B, Gonzàlez de Pablo J et al. Ruxolitinib treatment for steroid refractory acute and chronic graft versus host disease in cheildren: clinical and immunologic results. Am J Hematol 2018; epub ahead of print

Summary: A single center study in Spain found that ruxolitinib is a promising treatment for steroid refractory acute and chronic GVHD in children, but also induces changes in the immune system, such as increase of CD4 effector memory cells and decrease in natural killer and regulatory T cells. Pharmacokinetic studies of optimal dose of ruxolitinib are needed.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Tijdsinterval tot biochemisch falen als surrogaat-eindpunt in lokaal-gevorderd prostaatcarcinoom (0)
2018-12-10 14:00   ( Nieuws )
Tags:  locally advanced prostate cancer time interval to biochemical failure
Dr. James DignamVoor de behandeling van prostaatcarcinoom is er behoefte aan eindpunten die een betrouwbare indruk geven van prognose en van profijt van behandeling (surrogaat-eindpunten). Dergelijke surrogaat-eindpunten zijn onderzocht in de context van radiotherapie en korte-termijn androgeendeprivatietherapie (ADT), maar tot op heden nog niet onder lange-termijn (24 maanden) ADT, een bewezen therapie voor hoog-risico gelokaliseerde ziekte. Dr. James Dignam (University of Chicago IL) en collega’s hebben in een analyse van de NRG/RTOG 9202 studie de waarde onderzocht van tijdsinterval tot biochemisch falen (IBF) als surrogaat-eindpunt. Ze publiceren de analyse online in het Journal of Clinical Oncology.1

De studie randomiseerde 1520 mannen met lokaal-gevorderd prostaatcarcinoom naar korte-termijn ADT (4 maanden) versus lange-termijn ADT (28 maanden). De studie liet zien dat lange-termijn ADT superieur was aan korte-termijn ADT voor zowel de klinische eindpunten prostaatcarcinoom-specifieke overleving (PCSS) en overall survival (OS) als voor het surrogaat-eindpunt IBF. Mannen die na drie jaar vrij waren van BF hadden relatief-risicoverlagingen van 39% voor OS en 73% voor PCSS. Na correctie voor de drie-jaars IBF status waren het OS- en PCSS-profijt van lange-termijn ADT versus korte-termijn ADT niet langer significant. Onder mannen die na drie jaar BF hadden was 50% van de daaropvolgende mortaliteit toe te schrijven aan prostaatcarcinoom, versus 19% onder mannen die na drie jaar vrij van BF waren.

De onderzoekers concluderen dat de IBF voldeed aan de criteria voor een valide surrogaat-eindpunt voor PCSS en OS onder lange-termijn ADT in lokaal-gevorderd prostaatcarcinoom. IBF kan wellicht ook dienen voor het monitoren van risico na initiële behandeling.

1.Dignam JJ, Hamstra DA, Lepor H et al. Time interval to biochemical failure as a surrogate end point in locally advanced prostate cancer: analysis of randomized trial NRG/RTOG 9202. J Clin Oncol 2018; epub ahead of print

Summary: An analysis of the NRG/RTOG 9202 randomized trial found that in locally advanced prostate cancer the IBF (time interval to biochemical failure) was a valid surrogate end point for disease-free survival and overall survival. The IBF may serve as end point in clinical trials and may also aid in risk monitoring after initial treatment.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Behandeling en overleving van patiënten met BRAF V600-gemuteerd mNSCLC in de klinische praktijk (0)
2018-12-10 13:00   ( Nieuws )
Tags:  BRAF V600-mutated mNSCLC real-world treatment and survival
Dr. Leora HornEr zijn weinig gegevens beschikbaar over behandelpatronen en uitkomsten van patiënten met BRAF-V600 gemuteerd metastatisch niet-kleincellig longcarcinoom in de klinische praktijk. Dr. Leora Horn (Vanderbilt University, Nashville TN) en collega’s hebben een studie uitgevoerd van real-world behandelingen en uitkomsten van deze patiënten in zeven academische centra in de Verenigde Staten tussen begin 2009 en eind 2016. Ze publiceren de studie online in Lung Cancer.1

De retrospectieve chart review includeerde 72 patiënten (44 vrouwen, 28 mannen) met BRAF-V600 gemuteerd mNSCLC, die niet deelnamen of deelgenomen hadden aan een BRAF-gerelateerde klinische studie. Op het moment van diagnose van metastatische ziekte was de mediane leeftijd 65 jaar (range 44-90 jaar) geweest. Tweeënvijftig patiënten hadden tenminste één lijn systemische therapie voor metastatische ziekte gekregen. Het meest-gebruikte eerstelijns regime was platina-gebaseerde doublet chemotherapie (76,9% van de eerstelijns-behandelde patiënten); geen van de patiënten kreeg eerstelijns gerichte therapie met een BRAF/MEK-remmer. Twintig patiënten kregen gerichte therapie als tweede- of laterelijns behandeling. Op het moment van chart review waren 38 patiënten overleden. De mediane overall survival vanaf de diagnose metastatische ziekte was 31,0 maanden (95%-bti 14,5-63,8 maanden) voor alle patiënten; 56,6 maanden (95%-bti 13,4-89,1 maanden) voor patiënten die gerichte therapie gekregen hadden; en 27,2 maanden (95%-bti 10,6-64,6 maanden) voor patiënten die geen gerichte therapie gekregen hadden).

De onderzoekers concluderen dat de overlevingstijd van patiënten met BRAF-V600 gemuteerd mNSCLC langer was dan verwacht op basis van indirecte vergelijking met historische cohorten van patiënten zonder bekende oncogene drijvers. Ontvangers van gerichte therapie hadden numeriek langere overleving dan patiënten die geen gerichte therapie kregen.

1.Horn L, Bauml J, Forde PM et al. Real-world treatment patterns and survival of patients with BRAF V600-mutated metastatic non-small cell lung cancer. Lung Cancer 2018; epub ahead of print

Summary: A study of treatment patterns and survival of patients with BRAF V600-mutated metastatic NSCLC in routine clinical practice at seven US academic centers found that the survival time was higher than expected based on indirect comparisons with historical NSCLC cohorts for whom no oncogenic driver (BRAF or otherwise) was present. Recipients of targeted therapy had a numerical longer OS from metastatic onset than patients receiving usual care.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Uitkomsten van bestraling van regionale lymfeklieren in vroeg-stadium mammacarcinoom (0)
2018-12-09 16:00   ( Nieuws )
Tags:  early stage breast cancer regional lymph node irradiation
Prof. David DodwellEr is geen zekerheid over de waarde van radiotherapie naar regionale lymfeklieren na chirurgie voor vroeg-stadium mammacarcinoom. Een multinationaal consortium van onderzoekers heeft een individual patient data meta-analysis uitgevoerd van gecontroleerde studies van nodale RT. Prof. David Dodwell (University of Oxford UK) presenteerde de meta-analyse op het San Antonio Breast Cancer Symposium.1

De meta-analyse includeerde veertien studies (13.132 vrouwen), begonnen tussen 1961 en 2003, die nodale bestraling vergeleken met geen nodale bestraling na chirurgie voor vroeg-stadium mammacarcinoom. In 3260 vrouwen werd tijdens de follow-up recidief gezien, 2545 vrouwen overleden aan mammacarcinoom, en 4147 vrouwen overleden aan any cause.

Acht van de studies (2178 vrouwen) begonnen tussen 1961 en 1978, met mediane follow-up 9,2 jaar en gemiddelde geschatte dosering naar het hart van meer dan 8 Gy. In deze studies had nodale RT geen effect op recidief (RR 0,98; p=0,83) of mammacarcinoom-specifieke mortaliteit (RR 1,05; p=0,54), maar was wel geassocieerd met hogere all-cause mortaliteit (RR 1,18; p=0,004). In de zes latere studies (begonnen 1989-2003; 10.954 vrouwen) met mediane follow-up 9,1 jaar, was de gemiddelde geschatte dosering naar het hart lager dan 8 Gy. In deze studies was nodale RT geassocieerd met verlaagd recidief (RR 0,86; p=0,0006), verlaagde ziektespecifieke mortaliteit (RR 0,81; p<0,0001), en verlaagde overall mortaliteit (RR 0,86; p=0,0002). Er was geen significant verschil in recidief tussen verschillende bestraalde regio’s (axilla, supraclaviculaire fossa, internal mammary chain).

De onderzoekers concluderen dat in oudere studies bestraling van regionale lymfeklieren geassocieerd was met slechtere uitkomsten, en dat in meer recente studies (minder straling naar het hart) bestraling van regionale lymfeklieren geassocieerd was met verlaging van recidief, ziektespecifieke mortaliteit, en overall mortaliteit.

1.Dodwell D et al. SABCS 2018; abstr. GS4-02

Summary: A meta-analysis of randomized studies of regional lymph node irradiation after surgery for early stage breast cancer found that in older studies (1961-1978) irradiation increased the overall risk of death, probably explained by radiation exposure of the lungs and heart. Nodal RT in more recent studies (1989-2003) reduced breast cancer recurrence, breast cancer mortality, and overall mortality.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Meta-analyse van incidentie van adverse events met placebo in gerandomiseerde studies van maligniteiten (0)
2018-12-09 14:29   ( Nieuws )
Tags:  placebo adverse events in cancer trials
Dr. Matias Rodrigo ChacónIn een groot aantal placebogecontroleerde studies van moderne geneesmiddelen voor maligniteiten is activiteit van placebo gezien. Adverse events als gevolg van placebo in dergelijke studies zijn tot op heden niet systematisch onderzocht. Dr. Matias Rodrigo Chacón (Instituto Alexander Fleming, Buenos Aires) en collega’s hebben een meta-analyse uitgevoerd van dergelijke graad 3 of 4 placebo-AEs in adjuvante studies van gerichte middelen of van immunotherapie. Ze publiceren de meta-analyse online in JAMA Network Open.1

In de literatuur van begin 2000 tot half april 2015 vonden de onderzoekers tien voor het onderwerp relevante fase 3-studies die aan de inclusiecriteria voor de meta-analyse voldeden. De studies, met tezamen 11.143 patiënten, vergeleken TKIs, BRAF-, of MEK-remmers of immunotherapie-gerelateerde middelen met placebo, voor vier tumortypen (melanoom, NSCLC, GIST en RCC). De gemiddelde incidentie van enige-graad placebo-AEs was 85,1% en de gemiddelde incidentie van graad 3 of 4 AEs was 18% (95%-bti 15%-21%) met een hoog niveau van heterogeniteit (I2=86%). De meest-frequente placebo-AEs waren hypertensie, vermoeideid, en diarree. Het per studie gemiddelde percentage patiënten dat een studie discontinueerde vanwege placebo-AEs was 3,9% (95%-bti 2,7%-5,2%).

De onderzoekers concluderen dat toediening van placebo in moderne adjuvante studies geassocieerd was met substantiële incidentie van graad 3 of 4 AEs.

1.Chacón MR, Enrico DH, Burton J et al. Incidence of placebo adverse events in randomized clinical trials of targeted and immunotherapy cancer drugs in the adjuvant setting. A systematic review and meta-analysis. JAMA Network Open 2018; epub ahead of print

Summary: A systematic review and meta-analysis including 11,413 patients and 10 adjuvant, double-blind, randomized, placebo-controlled, phase 3 trials found that the incidence of grade 3 to 4 adverse events in the placebo groups was 18%.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Gerandomiseerde dubbelblinde studie van oxybutynine voor opvliegers in overlevers van mammacarcinoom (0)
2018-12-09 13:00   ( Nieuws )
Tags:  ACCRU study SC-1603 breast cancer survivors hot flashes oxybutynin
Dr. Roberto Leon-FerreHot flashes (HF) zijn geassocieerd aanzienlijke verslechtering van de kwaliteit van leven en met premature discontinuering van endocriene therapie voor mammacarcinoom. Oestrogeentherapie is effectief voor HF, maar is gecontraïndiceerd voor patiënten met HR-positief mammacarcinoom. De gerandomiseerde dubbelblinde placebo-gecontroleerde ACCRU-studie SC-1603 onderzocht de werkzaamheid en veiligheid van oybutynine voor HF in overlevers van mammacarcinoom. Dr. Roberto Leon-Ferre (Mayo Clinic, Rochester MN) presenteerde een interim-analyse van de studie op het San Antonio Breast Cancer Symposium.1

De studie includeerde vrouwen met HF tenminste 28 maal per week gedurende meer dan dertig dagen, met voldoende ernst voor het zoeken van behandeling. Ze werden gerandomiseerd naar oxybutynine 2,5 mg tweemaal daags gedurende zes weken (Oxy2.5-groep), oxybutynine 2,5 mg tweemaal daags gedurende een week gevolgd door vijf weken oxybutynin 5 mg tweemaal daags (Oxy5-groep) of zes weken placebo tweemaal daags (P-groep). Bij inclusie en vervolgens maandelijks beantwoordden de patiënten vragenlijsten over HF-klachten, HF related daily interference scale (HFRDIS), en bijwerkingen.

De interim-analyse heeft betrekking op 104 deelneemsters voor wie tenminste één post-baseline evaluatie beschikbaar was. Van de patiënten werd 62% tijdens de studie behandeld met tamoxifen of een aromataseremmer. In beide Oxy-groepen nam de gemiddelde HF-score significant sterker af dan in de P-groep (p=0,003 en p=0,002). De HFDRIS-analyse liet zien dat patiënten in beide Oxy-groepen vergeleken met P minder interferentie hadden voor de domeinen werk, sociale activiteiten, slaap, relaties, plezier in het leven, en overall kwaliteit van leven. Patiënten in de Oxy5-groep hadden ook betere stemming. Van de zes tot op heden bij Mayo in gerandomiseerde studies onderzochte werkzame middelen tegen HF had oxybutynine de sterkste werkzaamheid. De gerapporteerde adverse events met Oxy 2.5 waren maagpijn, diarree, misselijkheid, hoofdpijn, episoden van verwarring, droge mond, en droge ogen. AEs met Oxy5 waren constipatie, droge mond, en problemen met urineren. Er waren tussen de Oxy-armen en de P-arm geen verschillen in discontinuering.

De onderzoekers concluderen dat Oxy superieur is aan P voor het management van HF. Ondanks de gerapporteerde AEs was er geen verschil in discontinuering tussen de armen.

1.Leon-Ferre RA et al. SABCS 2018; abstr. GS6-02

Summary: The placebo-controlled randomized ACCRU study SC-1603 compared oxybutynin with placebo for hot flashes (HF) in survivors of breast cancer. The study found that oxybutyinin was associated with significant improvement in HF scores and frequency as well as improvement in HF interference with several quality of life measures. While patients on oxybutynin experienced more side effects than patients on placebo, rates of discontinuation due to adverse events were low.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multicenterstudie van ibrutinib voor Bing-Neel syndroom (0)
2018-12-08 15:58   ( Nieuws )
Tags:  Bing-Neel syndrome ibrutinib
Dr. Jorge CastilloBing-Neel syndroom (BNS) is een complicatie van Waldenströms macroglobulinemie (WM), die wordt gekenmerkt door betrokkenheid van het centraal zenuwstelsel. Er is geen gestandaardiseerde behandeling voor BNS. Een multinationale studie heeft de werkzaamheid en veiligheid van ibrutinib voor BNS onderzocht. Dr. Jorge Castillo (Dana-Farber Cancer Institute, Boston MA) en collega’s publiceren de studie online in Blood.1



De studie includeerde 28 WM-patiënten met een radiologische en/of cytologische BNS-diagnose, onder wie 11 met niet-eerder behandeld BNS. De mediane leeftijd bij BNS-diagnose was 65 jaar. De patiënten kregen oraal ibrutinib 560 of 420 mg eenmaal daags. Binnen drie maanden na start van de behandeing werd symptomatische verbetering gezien in 85% van de patiënten en radiologische verbetering in 60%. Bij beste respons had 85% van de patiënten verbetering of resolutie van de BNS-symptomen en was in 47% van de patiënten de ziekte niet meer detecteerbaar in het cerebrospinaal vocht. De twee-jaars gebeurtenisvrije overleving na start van ibrutinib was 81% (95%-bti 49-94%) e de vijf-jaars overall survival na start van ibrutinib was 86% (95%-bti 63-95%).

De onderzoekers concluderen dat ibrutinib een werkzame behandeling is voor BNS.

1.Castillo JJ, Itchaki G, Paludo J et al. Ibrutinib for the treatment of Bing-Neel syndrome: a multicenter study. Blood 2018; epub ahead of print

Summary: A multinational study found that ibrutinib induced rapid and durable improvements in patients with Bing-Neel syndrome, with a 2-year EFS rate of 81% and a 5-year OS rate of 86%.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)