Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Fase 3-studie van post-reïnductie blinatumomab versus chemotherapie voor eerste-relapse B-ALL in kinderen en AYAs (0)
2019-12-10 13:00   ( Nieuws )
Tags:  COG AALL1331 study first relapse B-ALL in children and AYAs blinatumomab
Dr. Patrick BrownEerste relapse van B-ALL in kinderen en AYAs is een aanzienlijk klinisch probleem met hoge percentages patiënten met volgende relapse en overlijden na conventionele behandeling. Allogene hematopoïetische stamceltransplantatie (alloHSCT) wordt gezien als de voorkeursbehandeling in deze populatie, maar veel patiënten komen niet aan alloHSCT toe vanwege adverse events van chemotherapie of het niet bereikten van MRD-negatieve tweede remissie die geassocieerd is met optimale uitkomsten van alloHSCT. De multicenter fase 3-studie AALL1331 van de Children’s Oncology Group vergeleek het bispecifieke anti-CD3-CD19 antilichaam blinatumomab met standaard-chemotherapie voor intermediair- of hoog-risico (IR/HR) eerste-relapse B-ALL in patiënten in de leeftijd van één tot en met dertig jaar. Dr. Patrick Brown (Johns Hopkins University, Baltimore MD) presenteert de studie vandaag op de Annual Meeting van ASH in Orlando.1

De studie includeerde 208 patiënten, die werden gerandomiseerd naar standaard-chemotherapie (n= 103; arm A) of blinatumomab (n=105, arm B). De baseline kenmerken van beide groepen waren in evenwicht. Het primaire eindpunt van de studie was ziektevrije overleving. De figuur laat zien dat na mediaan 1,4 jaar follow-up de DFS superieur was met blinatumomab vergeleken met chemotherapie (twee-jaars DFS 41,0 ± 6,2% in arm A versus 59,3 ± 5,4% in arm B; p=0,05). Ook de twee-jaars overall survival was superieur met blinatumomab vergeleken met chemotherapie (twee-jaars OS 59,2 ± 6,0% in arm A versus 79,4 ± 4,5% in arm B). De met blinatumomab samenhangende AEs (CRS en neurotoxiciteit) resolveerden volledig. Van de patiënten in arm A onderging 45% alloHSCT; van de patiënten in arm B 73% (p<0,0001).

De onderzoekers concluderen dat blinatumomab superieur was aan standaard-chemotherapie als post-reïnductie consolidatie voorafgaand aan alloHSCT voor IR/HR eerste-relapse B-ALL in kinderen en AYAs.

1.Brown PA et al. ASH Annual Meeting 2019; abstr. LBA-1

Summary: The Children's Oncology Group phase 3 trial AALL1331 compared post-reinduction consolidation blinatumomab versus standard chemotherapy prior to HSCT for intermediate or high risk first relapse of B-ALL in children and AYA patients. The study found superior efficacy of blinatumomab (arm B) compared to standard chemotherapy (arm A).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Impact van leeftijd op uitkomsten van autologe stamceltransplantatie voor multipel myeloom (0)
2019-12-09 16:00   ( Nieuws )
Tags:  multiple myeloma stem cell transplantation age
Dr. Pashna MunshiAutologe hematopoïetische celtransplantatie (autoHCT) is een effectieve behandeling die kan leiden tot diepe en duurzame remissie van multipel myeloom (MM). De mediane leeftijd bij de diagnose MM is 70 jaar, maar autoHCT wordt gewoonlijk niet aangeboden aan patiënten in deze leeftijd. Een analyse van de database van het Center for International Blood and Marrow Transplant Research (CIBMTR) heeft uitkomsten van upfront autoHCT vergeleken tussen patiëntengroepen van verschillende leeftijden. Dr. Pashna Munshi (Georgetown University, Washington DC) presenteert de analyse vandaag op de Annual Meeting van ASH in Orlando.1

De analyse includeerde 15.999 Amerikaanse MM-patiënten in de leeftijd van 20 jaar of ouder die tussen begin 2013 en eind 2017 enkele autoHCT kregen met melfalan-conditionering binnen twaalf maanden van de diagnose. De patiënten werden onderscheiden in leeftijdsgroepen (20-40 jaar, 40-50 jaar, 50-60 jaar, 60-70 jaar, en 70 jaar en ouder). Alle leeftijdsgroepen hadden vergelijkbare verdeling van geslacht, Karnofsky performance score (KPS), en comorbiditeitsindex (HCT-CI). Onder de patiënten van 70 jaar en ouder had een hoger percentage (30%) hoog-risico cytogenetica dan onder de patiënten van 40-50 jaar (24%) en 20-40 jaar (20%). Oudere patiënten waren meer frequent blank dan jongere patiënten (85% in de groep 70 jaar en ouder versus 64% in de groep 20-40 jaar). De oudere patiënten kregen vaker lagere melfalandoseringen.

De figuur toont de resultaten van de analyse. Onder de patiënten in de groep 70 jaar en ouder nam autoHCT toe van 15% in 2013 tot 28% in 2017. De honderd-dagen nonrelapse mortaliteit was hoger (1%) in de groep 70 jaar en ouder dan in de jongere leeftijdsgroepen (p<0,01). De twee-jaars overall survival was 86% in de groep 70 jaar en ouder versus 94% in de groep 20-40 jaar (p<0,01). In multivariate analyse hadden patiënten in de groep 70 jaar en ouder echter geen significant slechtere NRM, relapse percentage, progressievrije overleving, en OS dan patiënten in de groep 60-70 jaar.

De onderzoekers concluderen dat het gebruik van autoHCT in oudere patiënten in de USA tussen 2013 en 2017 toegenomen is, en dat patiënten in de leeftijd 70 jaar en ouder veilig autoHCT kunnen ondergaan en vergelijkbaar profijt hebben bij de behandeling als patiënten in de leeftijd van 60 tot 70 jaar.

1.Munshi P. ASH Annual Meeting 2019; abstr. 782

Summary: An analysis of the database of the Center for International Blood and Marrow Transplant Research found that multiple myeloma patients aged 70 years and over can undergo autologous hematopoietic cell transplantation safely and achieve similar benefits as 60-69 year’s old patients.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Cohortstudie van postmenopauzale bloeding als klinische marker van lange-termijn risico van maligniteiten (0)
2019-12-09 14:29   ( Nieuws )
Tags:  postmenopausal bleeding long-term cancer risk
Dr.. Maria BengtsenEr is weinig informatie beschikbaar over het lange-termijn risico van maligniteiten na postmenopauzale bloeding. Een Denemarken-brede cohortstudie heeft dit risico geïnventariseerd. Dr. Maria Bengtsen (Universiteitsziekenhuis Aarhus) en collega’s publiceren de studie online in het British Journal of Cancer.1

De studie includeerde 43.756 vrouwen met een eerste ziekenhuis-gediagnostiseerde postmenopauzale bloeding tussen begin 1995 en eind 2013. Het absolute één- en vijf-jaars risico van endometriumcarcinoom in deze vrouwen was 4,66% respectievelijk 5,18%. De SIR van endometriumcarcinoom (versus verwachte incidentie in de algemene bevolking) was verhoogd in de periode van nul tot drie maanden na de bloeding (SIR 330; 95%-bti 315-345), drie tot twaalf maanden (11,39; 9,79-13,17), één tot vijf jaar (2,55;2,19-2,94), en meer dan vijf jaar (1,63; 1,40-1,90). Ook voor alle andere geanalyseerde gynecologische, urologische, gastroïntestinale, en hematologische maligniteiten werden verhoogd nul-tot-drie-maanden SIRs gezien, met in één-tot-vijf jaar follow-up verhoogde SIRs van ovariumcarcinoom (2,15; 1,71-2,65) en blaascarcinoom (1,45; 1,14-1,80).

De onderzoekers concluderen dat vrouwen met een eerste ziekenhuis-gediagnostiseerde postmenopauzale bloeding een verhoogd drie-maands risico hadden van gynecologische, urologische, gastroïntestinale, en hematologische maligniteiten. De risico’s van endometrium-, ovarium-, en blaascarcinoom bleven verscheidene jaren na de bloeding verhoogd.

1.Bengtsen MB, Veres K, Nørgaard M. First-time postmenopausal bleeding as a clinical marker of long-term cancer risk: a Danish nationwide cohort study. Br J Cancer 2019; epub ahead of print

Summary: A nationwide cohort study in Denmark found that women with a first hospital-diagnosed postmenopausal bleeding had an increased 0-3 months risk of gynecological, urological, gastrointestinal, and hematological cancers. The SIR of endometrial, ovarian, and bladder cancer remained elevated for several years.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Prognostische waarde van 21-gene RS van ER-positief/HER2-negatief mammacarcinoom in jonge vrouwen (0)
2019-12-09 13:00   ( Nieuws )
Tags:  breast cancer in young women prognostic relevance of 21-gene recurrence score
Prof. Ann PartridgeDe 21-gene recurrence score (RS) assay is prognostisch onder vrouwen met vroeg-stadium ER-positief/HER2-negatief mammacarcinoom, en wordt gebruikt als basis voor aanbevelingen over chemotherapie. In studies van de waarde van genexpressieprofielen zijn relatief weinig patiënten in de leeftijd van veertig jaar of jonger geïncludeerd. De multicenter Young Women’s Breast Cancer Study heeft de prognostische relevantie onderzocht van RS in jonge vrouwen. Prof. Ann Partridge (Dana-Farber Cancer Institute, Boston MA) en collega’s publiceren de studie online in het Journal of Clinical Oncology.1

Tussen begin 2006 en eind 2016 includeerde de prospectieve studie 1302 patiënten in de leeftijd veertig jaar of jonger met stadium I tot en met III mammacarcinoom, onder wie 577 patiënten ER-positieve/HER2-negatieve ziekte. Van deze vrouwen hadden 189 (33%) de RS-assay ondergaan, en was voor 320 (56%) voldoende gearchiveerd tumormateriaal beschikbaar om de test uit te voeren. De mediane leeftijd bij diagnose was 37,2 jaar. Van de 509 vrouwen met beschikbare RS-gegevens hadden 300 (59%) kliernegatieve ziekte, onder wie 195 (65%) een RS 11-25 hadden en 86 (44%) chemotherapie kregen. De mediane follow-up was 6,0 jaar. De zes-jaars afstandsrecidiefvrije overleving onder vrouwen met kliernegatieve ziekte was 94,4% voor RS < 11; 96,6% voor RS 11-26; en 85,1% voor RS ≥ 26. Onder vrouwen met klierpositieve ziekte was de zes-jaars DRFS 92,3% voor RS < 11; 85,2% voor RS 11-26; en 71,3% voor RS ≥ 26.

De onderzoekers concluderen dat de RS assay prognostisch is onder jonge vrouwen met kliernegatief en jonge vrouwen met beperkt klierpositief ER-positief HER2-negatief mammacarcinoom.

1.Poorvu PD, Gelber SI, Rosenberg SM et al. Prognostic impact of the 21-generecurrence score assay among young women with node-negative and node-positive ER-positive/HER2-negative breast cancer. J Clin Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: The Young Women's Breast Cancer Study found that the RS assay was prognostic among young (40 years or younger) women with ER+/HER2- node-negative and limited node-positive breast cancer.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Osimertinib voor leptomeningeale metastasen van EGFR-mutatiepositief niet-kleincellig longcarcinoom (0)
2019-12-08 16:00   ( Nieuws )
Tags:  BLOOM study EGFR mutation-positive NSCLC with leptomeningeal metastases osimertinib
Prof. Myung-Ju AhnIn 3% tot 4% van de patiënten met gevorderd NSCLC worden leptomeningeale metastasen (LMs) gezien. De incidentie van LMs is hoger (ongeveer 9%) in patiënten met gevorderd NSCLC met EGFR-mutatie. Deze patiënten hebben een slechte prognose, met mediane overall survival van 3 tot 10 maanden vanaf de diagnose. Osimertinib is een derde-generatie irreversibele EGFR-TKI, die vanuit het bloed in de hersenen kan doordringen. De multinationale fase 1-studie BLOOM heeft de werkzaamheid van osimertinib voor LMs van EGFR-mutatiepositief NSCLC onderzocht. Het dose finding gedeelte van de studie is in 2017 gepubliceerd. Prof. Myung-Ju Ahn en collega’s publiceren nu online in het Journal of Clinical Oncology deel B van de studie, betreffende de werkzaamheid van osimertinib in patiënten met LMs van EGFR-mutatiepositief NSCLC na progressie op eerdere EGFR-TKI.1

Deel B van BLOOM werd uitgevoerd in vijf centra in Zuid-Korea en één centrum in Taiwan. De studie includeerde 41 patiënten, die osimertinib 160 mg eenmaal daags kregen. De LM-ORR was 62% (95%-bti 45-78) met een mediane duur van respons 15,2 maanden (7,5-15,5). De overall-ORR was 41% (26-58) met mediane duur van respons 8,3 maanden (5,6-16,5). De mediane lokaal-beoordeelde progressievrije overleving was 8,6 maanden (5,4-13,7) en de mediane overall survival was 11,0 maanden (8,0-18,0). Klaring van tumorcellen uit het CSF werd bevestigd in 28% (15-44) van 40 patiënten. Het neurologisch functioneren verbeterde in 12 van 21 patiënten met abnormaal functioneren bij inclusie.

De onderzoekers concluderen dat osimertinib relevante therapeutische werkzaamheid en acceptabele veiligheid had in patiënten met LM van EGFR-mutatiepositief NSCLC na progressie op eerdere EGFR-TKI.

1.Yang JCH, Kim S-W, Kim D-W et al. Osimertinib in patients with epidermal growth factor receptor mutation-positive non-smal-cell lung cancer and leptomeningeal metastases: the BLOOM study. J Clin Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: Part B of the phase 1 study BLOOM evaluated the third-generation EGFR-TKI osimertinib for EGFR-mutated NSCLC with leptomeningeal metastases after progression on previous EGFR-TKI. Osimertinib showed meaningful therapeutic efficacy in the CNS and a manageable safety profile. The median OS was 11.0 months. CSF tumor clearance was confirmed in 28% of patients, and neurologic function was improved in 57% of patients with an abnormal assessment at baseline. 


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 3-studie van adjuvant capecitabine na standaard (neo)adjuvante chemotherapie voor vroeg TNBC (0)
2019-12-08 14:29   ( Nieuws )
Tags:  GEICAM 2003-11_CIBOMA 2004-01 study TNBC adjuvant capecitabine
Prof. Miguel MartinOperabel triple-negatief mammacarcinoom (TNBC) heeft met standaard-therapie een hoger risico van recidief dan niet-TNBC mammacarcinoom. De fase 3-studie GEICAM/2003-11_CIBOMA/2004-01 van de Spaanse en Latijns-Amerikaanse onderzoekersgroepen GEICAM, CIBOMA, en LACOG heeft de waarde onderzocht van verlenging van adjuvant capecitabine na voltooiing van standaard chemotherapie voor vroeg-stadium TNBC. Prof. Miguel Martin (Universidad Complutense, Madrid) en collega’s publiceren de studie online in het Journal of Clinical Oncology.1

De studie includeerde 876 patiënten met operabel klierpositief, of kliernegatief met tumor 1 cm of groter, TNBC na eerdere neoadjuvante of adjuvante anthracycline- of taxaan-gebaseerde chemotherapie. De mediane leeftijd was 49 jaar; 55,9% had kliernegatieve ziekte; 73,9% had basal fenotype; en 67,5% had anthracyline- plus taxaan-chemotherapie gekregen. De patiënten werden gerandomiseerd naar acht cycli capacitabine 2000 mg/m2 op dagen één tot en met veertien van drie-weekse cycli (n=448) of observatie (n=428). De randomisatie geschiedde gestratificeerd naar centrum, type eerdere chemotherapie, betrokken axillaire klieren, en centraal-bepaald fenotype (basal versus nonbasal). Het primaire eindpunt van de studie was ziektevrije overleving.

De mediane follow-up was 7,3 jaar. De mediane DFS was niet significant langer in de capecitabine-arm dan in de observatie-arm (HR 0,82; p=0,136). In de groep patiënten met nonbasal fenotype was de DFS wel significant langer met capecitabine dan met observatie (HR 0,53; versus HR 0,94 onder patiënten met basal fenotype; interactietest p=0,07). De overall survival was eveneens significant langer met capecitabine dan met observatie in de groep patiënten met nonbasal fenotype (HR 0,42; versus HR 1,23 in de groep patiënten met basal fenotype; interactietest p=0,005). Capecitabine werd getolereerd volgens verwachting, met 75,2% van de patiënten die acht cycli voltooiden.

De onderzoekers concluderen dat verlenging van adjuvant capecitabine niet resulteerde in statistisch significante verlenging van DFS onder alle patiënten, maar wel resulteerde in statistisch significante verlenging van DFS en OS in de groep patiënten met nonbasal fenotype.

1.Lluch A, Barrios CH, Torrecillas L et al. Phase III trial of adjuvant capecitabine after standard neo-adjuvant chemotherapy in patients with early triple-negative breast cancer (GEICAM/2003-11_CIBOMA/2004-01). J Clin Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: The phase 3 study GEICAM/2003-11_CIBOMA/2004-01 in Spain and Latin America evaluated extended adjuvant capecitabine after completion of standard chemotherapy for early-stage TNBC. Adding extended capecitabine did not result in statistically significant improvement in DFS among all patients, but a preplanned subset analysis showed improvement of DFS and OS in patients with nonbasal phenotype.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 2-studie van neoadjuvant trastuzumab-pertuzumab met CRT voor resectabel HER2-positief slokdarmadenocarcinoom (0)
2019-12-08 12:58   ( Nieuws )
Tags:  TRAP study HER2-positive EAC neoadjuvant trastuzumab plus pertuzumab
Prof. Hanneke van LaarhovenIn verschillende studies was 15% tot 43% van de slokdarmadenocarcinomen (EACs) HER2-positief. In HER2-positief mammacarcinoom resulteerde duale HER2-blokkade in een overlevingsvoordeel. De Nederlandse multicenter fase 2-studie TRAP evalueerde duale HER2-blokkade met trastuzumab en pertuzumab toegevoegd aan neoadjuvante chemoradiotherapie (nCRT) voor HER2-positief EAC. Prof. Hanneke van Laarhoven (Amsterdam UMC) en collega’s publiceren de studie online in het Journal of Clinical Oncology.1

De studie includeerde 40 patiënten (31 mannen, mediane leeftijd 63 jaar) met resectabel EAC. De patiënten kregen standaard nCRT (carboplatine-paclitaxel plus 41,4 Gy RT) met trastuzumab 4 mg/kg op dag één, 2 mg/kg per week gedurende weken twee tot en met zes, en 6 mg/kg per week gedurende weken zeven, tien, en dertien; plus pertuzumab 840 mg eens per drie weken. Het primaire eindpunt was feasibiliteit, gedefinieerd als voltooiing van de behandeling met trastuzumab en pertuzumab door tenminste 80% van de patiënten.

Er waren geen onverwachte safety events. Drieëndertig patiënten (82,5%) voltooiden de behandeling. R0-resectie werd uitgevoerd in alle patiënten die chirurgie ondergingen, met pathologisch complete respons in dertien patiënten (34%). De mediane follow-up was 32,1 maanden. De drie-jaars progressievrije overleving was 72%, en de drie-jaars overall survival was 71%. Vergeleken met een propensity score-gematcht cohort (exploratieve analyse) was toevoeging van duale HER2-blokkade aan nCRT geassocieerd met significante verlenging van de OS (HR 0,58; 95%-bti 0,34-0,97). Patiënten met overexpressie van HER2 3+ hadden significant betere overleving (p=0,007) en patiënten met Grb7-positieve tumoren hadden significant betere respons op behandeling (p=0,016).

De onderzoekers concluderen dat toevoeging van trastuzumab en pertuzumab aan nCRT voor HER2-positief EAC feasible was en resulteerde in significant betere overleving dan was gezien in een historische controlegroep.

1.Stroes CI, Schokker S, Creemers A et al. Phase II feasibility and biomarker study of neoadjuvant trastuzumab and pertuzumab with chemoradiotherapy for resectable human epidermal growth factor receptor-2 positive esophageal adenocarcinoma: TRAP study. J Clin Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: The multicenter phase 2 study TRAP in the Netherlands found that dual-agent HER2 blockade with trastuzumab and pertuzumab, added to neoadjuvant chemoradiotherapy for HER2-positive esophageal adenocarcinoma, was feasible and had promising activity in comparison with historical controls.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Noninferiorteits-studie van APBI versus WBI na borstsparende chirurgie voor DCIS of kliernegatief mammacarcinoom (0)
2019-12-07 15:58   ( Nieuws )
Tags:  RAPID trial DCIS and node-negative breast cancer partial versus whole breast irradiation
Dr. Timothy WhelanBestraling van de gehele borst (WBI) eens per dag gedurende drie tot vijf weken na borstsparende chirurgie (BCS) voor mammacarcinoom (BC) verlaagt het risico van lokaal recidief, met goede cosmetische resultaten. Accelerated partial breast irradiation (APBI), gedurende één week naar het tumorbed, is ontwikkeld om meer conveniënte behandeling mogelijk te maken. De multinationale gerandomiseerde RAPID-studie heeft de noniferioriteit van external beam APBI ten opzichte van WBI onderzocht. Dr. Timothy Whelan (Juravinski Cancer Centre, Hamilton, Ontariao, Canada) en collega’s publiceren de studie online in The Lancet.1

RAPID werd uitgevoerd in 33 centra in Canada, Australië, en Nieuw-Zeeland. De studie includeerde vrouwen in de leeftijd van 40 jaar of ouder, met DCIS of kliernegatief BC. De patiënten werden gerandomiseerd naar external beam APBI (38,5 Gy in tien fracties tweemaal per dag over 5 tot 8 dagen; n=1044) of WBI (42,5 Gy in zestien fracties eenmaal per dag over 21 dagen, of 50 Gy in 25 fracties eenmaal per dag over 35 dagen; n=1010). Het primaire eindpunt van de studie was ipsilateraal recidief (IBTR).

De mediane follow-up was 8,6 jaar (IQR 7,3-9,9). De acht-jaars cumulatieve IBTR was 3,0% (95%-bti 1,9-4,0) in de APBI-groep versus 2,8% (95%-bti 1,8-3,9) in de WBI-groep; overeenkomend met een HR voor APBI versus WBI 1,27 (90%-bti 0,84-1,91) waarmee APBI voldeed aan het noninferioriteitscriterium (bovengrens van het 90%-bti lager dan 2,02). Acute stralingstoxiciteit graad 2 of hoger (binnen drie maanden na begin van de radiotherapie) was minder frequent met APBI dan met WBI (28% versus 45%; p<0,0001) maar late stralingstoxiciteit graad 2 of hoger was meer frequent met APBI (32% versus 13%; p<0,0001). Ongunstige cosmetische uitkomst na drie jaar, vijfjaar, en zeven jaar werd vaker gezien in de APBI-groep dan in de WBI-groep.

De onderzoekers concluderen dat APBI vergeleken met WBI noninferieur was voor het primaire eindpunt IBTR en voor het eindpunt acute toxiciteit, maar wel resulteerde in meer late toxiciteit en ongunstige cosmetische uitkomsten.

1.Whelan TJ, Julian JA, Berrang TS et al. External beam accelerated partial breast irradiation versus whole breast irradiation after breast conserving surgery in women with ductal carcinoma in situ and node-negative breast cancer (RAPID): a randomised controlled trial. Lancet 2019; epub ahead of print

Summary: The RAPID trial in Canada, Australia, and New Zealand found compared external beam accelerated partial breast irradiation versus whole breast irradiation after breast conserving surgery for DCIS or node-negative breast cancer. APBI was non-inferior to WBI in preventing IBTR. APBI versus WBI was associated with less acute toxicity but with an increase in moderate late toxicity and adverse cosmesis.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)