Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Zeven-jaar follow-up resultaten van KEYNOTE-006: pembrolizumab versus ipilimumab voor gevorderd melanoom (0)
2023-06-23 15:00   ( Nieuws )
Tags:  KEYNOTE-006 advanced melanoma pembrolizumab versus ipilimumab
Prof. Caroline RobertImmuuncheckpointremmers hebben de overleving van patiënten met gevorderd melanoom sterk verbeterd. De fase 3-studie KEYNOTE-006, in 87 centra in 16 landen, randomiseerde volwassen patiënten met gevorderd melanoom en ECOG performance status 0 of 1 naar intraveneus pembrolizumab (n=556) of ipilimumab (n=278). In 2019 is gepubliceerd dat met mediaan 57,7 maanden follow-up de mediane progressievrije overleving en overall survival significant beter waren met pembrolizumab dan met ipilimumab. Prof. Caroline Robert (Institut Gustave-Roussy, Villejuif) en collega’s publiceren nu in het Journal of Clinical Oncology zeven-jaars follow-up resultaten van de studie.1

Op het moment van data cutoff voor de nu gepubliceerde analyse was de mediane follow-up 85,3 maanden (range 0,03-90,8). De mediane OS was 32,7 maanden met pembrolizumab versus 15,9 maanden met ipilimumab (HR 0,70; 95%-bti 0,58-0,83), met zeven-jaars OS-percentages 37,8% versus 25,3%. Het OS-voordeel met pembrolizumab versus ipilimumab werd gezien ongeacht BRAF-status en prognostische kenmerekn (zoals verhoogd LDH, grote tumoren, en hersenmetastase). De mediane PFS was 9,4 maanden met pembrolizumab versus 3,8 maanden met ipilimumab, met zeven-jaars PFS-percentage 23,8% versus 13,3%. Onder patiënten die tenminste 94 weken pembrolizumab kregen was het vijf-jaars OS-percentage 92,9% en het vijf-jaars PFS-percentage 70,1%.

De onderzoekers concluderen dat pembrolizumab lange-termijn overlevingsprofijt biedt onder patiënten met gevorderd melanoom.

1.Robert C, Carlino MS, McNeil C et al. Seven-year follow-up of the phase III KEYNOTE-006 study: pembrolizumab versus ipilimumab in advanced melanoma. J Clin Oncol 2023; epub ahead of print

Summary: The multinational phase 3 KEYNOTE-006 trial randomized patients with advanced melanoma to pembrolizumab or ipilimumab. At median 85.3 months follow-up the median OS was 32.7 months with pembrolizumab versus 15.9 months with ipilimumab; the seven-year OS rate was 37.8% versus 25.3%, respectively.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Risico van cardiovasculaire gebeurtenissen onder patiënten met squameus celcarcinoom van hoofd en hals (0)
2023-06-23 13:30   ( Nieuws )
Tags:  HNSCC patients CV risk
Dr. Lova SunCardiovasculaire (CV) ziekte is een substantiële oorzaak van morbiditeit en mortaliteit onder patiënten met maligniteiten. Een retrospectieve cohortstudie op basis van gegevens in de database van de Veterans Health Administration heeft CV-risicoprofielen en incidentie van beroerte, myocardinfarct (MI), en CV-mortaliteit onder patiënten met squameus celcarcinoom van hoofd en hals (HNSCC) geïnventariseerd. Dr. Lova Sun (University of Pennsylvania, Philadelphia) en collega’s publiceren de studie in JAMA Otolaryngology – Head & Neck Surgery.1

De analyse includeerde 35.897 veteranen met een nieuwe diagnose HNSCC tussen begin 2000 en eind 2020. De mediane leeftijd van de patiënten was 63 jaar (IQR 58-69). De percentages patiënten met CV-risicofactoren waren hoog: voormalig of huidig roken 83%, hypertensie 67%, diabetes 22%, en hyperlipidemie 51%. Hoewel de meeste patiënten risicoverlagende medicatie gebruikten had 47% tenminste één niet-gecontroleerde risicofactor. Met overlijden als competing risk was de tien-jaars cumulatieve incidentie van beroerte en MI 12,5% respectievelijk 8,3%. Incidente beroerte en MI waren geassocieerd met 47% (95%-bti 41-54) respectievelijk 71% (63-81) verhoogd risico van all-cause overlijden.

De onderzoekers concluderen dat onder HSNSCC-patiënten CV-risicofactoren zeer prevalent zijn, en dat de CV-mortaliteit onder deze patiënten hoog is.

1.Sun L, Brody R, Candelieri D et al. Risk of cardiovascular events among patients with head and neck cancer. JAMA Otolaryngol Head Neck Surg 2023.1342

Summary: A retrospective cohort study of 35,897 US veterans with HNSCC found high prevalence of CV risk factors (67% hypertension, 22% diabetes, 51% hyperlipidemia) suboptimally controlled at time of cancer diagnosis. Ten-year cumulative incidence of stroke and myocardial infarction was 12.5% and 8.3%, respectively. Incident stroke and myocardial infarction were associated with a 47% and 71% increased risk of all-cause mortality, respectively. 


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Voorkomen van en risicofactoren voor terugtrekken van patiënten uit oncologiestudies (0)
2023-06-23 12:00   ( Nieuws )
Tags:  cancer trials patient withdrawal of consent
Dr. Aminah JatoiPatiënten die deelnemen aan klinische studies kunnen zich om verscheidene redenen uit de studie terugtrekken. Dit kan resulteren in vermindering van het statistisch vermogen van de studie en in bias tussen studie-armen. Een analyse door de Alliance for Clinical Trials in Oncology heeft het voorkomen van en risicofactoren voor patient withdrawal of consent in oncologiestudies geïnventariseerd. Prof. Aminah Jatoi (Mayo Clinic, Rochester MN) en collega’s publiceren de analyse in JAMA Oncology.1

De analyse includeerde 11.993 patiënten (67% vrouwen; mediane leeftijd 62 jaar) die deelnamen aan 58 studies tussen begin 2013 en eind 2019. Onder deze patiënten waren er 1060 (9%) die zich binnen twee jaar na inclusie terugtrokken. In de afzonderlijke jaren van 2013 tot en met 2019 bedroeg dit percentage 5,7%; 7,6%; 8,5%;7,8%; 8,4%; 9,5%; en 9,8%. Factoren die in multivariate analyse geassocieerd waren met hogere waarschijnlijkheid van terugtrekken binnen twee jaar waren Hispanic etniciteit (OR 1,67; p<0,001), placebo-gecontroleerde opzet van de studie (OR 1,64; p<0,001), en leeftijd 75 jaar of ouder (OR 1,39; p=0,003), terwijl ontvangen van radiotherapie geassocieerd was met lagere waarschijnlijkheid van terugtrekken binnen twee jaar (OR 0,68; p=0,001).

De onderzoekers concluderen dat het percentage van patiënten die zich terugtrokken uit klinische oncologiestudies lager was dan 10%, en consistent was in de loop van de studieperiode. De geïdentificeerde risicofactoren dienen in overweging te worden genomen bij de opzet van nieuwe studies.

1.Hillman SL, Jatoi A, Strand CA et al. Rates of and factors associated with patient withdrawal of consent in cancer clinical trials. JAMA Oncol 2023.1648

Summary: A cohort study of 11,993 patients from 58 trials found small but consistent rates of withdrawal among patients who were Hispanic, older, enrolled in a placebo-controlled trial, or not receiving radiation.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Gerandomiseerde fase 2-studie van endocriene therapieën voor mammacarcinoom in mannen (0)
2021-02-05 15:00   ( Nieuws )
Tags:  breast cancer in men endocrine therapies estradiol levels MALE study
Prof. Sibylle LoiblDe impact van endocriene therapieën voor HR-positief mammacarcinoom in mannen op veranderingen in estradiolspiegels is niet bekend. De multicenter gerandomiseerde fase 2-studie MALE in Duitsland heeft deze impact en consequenties voor seksueel functioneren en kwaliteit van leven onderzocht. Prof. Sibylle Loibl (German Breast Group, Neu-Isenburg) en collega’s publiceren de studie in JAMA Oncology.1

MALE werd uitgevoerd in 24 centra. De studie includeerde 56 mannen met HR-positief mammacarcinoom. De patiënten werden voor de duur van zes maanden 1:1:1 gerandomiseerd naar alleen tamoxifen, tamoxifen plus gonadotropin-releasing hormone analogue (GnRHa), of aromataseremmer (AI) plus GnRHa. Het primaire eindpunt van de studie was verandering in estradiolspiegels tussen baseline en drie maanden behandeling. Tot de secundaire eindpunten behoorden veranderingen in estradiol tussen baseline en zes maanden, en seksueel functioneren en kwaliteit van leven na drie en zes maanden behandeling.

Van de 56 patiënten startten 52 de behandeling, en discontinueerden drie de behandeling voortijdig (één in elke arm). Vijftig patiënten waren evalueerbaar voor het primaire eindpunt. De mediane estradiolspiegels waren na drie maanden in de tamoxifengroep gestegen met 67% (+17.0 ng/l), in de tamoxifen plus GnRHa-groep gedaald met 85% (-23,0 ng/l), en in de AI plus GnRHa-groep gedaald met 72% (-18,5 ng/l). Na zes maanden waren de veranderingen in de drie armen +41%, -61%, en -64%. Het seksueel functioneren en de kwaliteit van leven bleven onveranderd in de alleen-tamoxifengroep, en namen af in de twee GnRHa-groepen.

De onderzoekers concluderen dat in mannen met HR-positief mammacarcinoom, vergeleken met alleen tamoxifen, tamoxifen plus GnRHa en AI plus GnRHa resulteerden in verlaging van estradiolspiegels die geassocieerd waren met verslechtering van seksueel functioneren en kwaliteit van leven.

1.Reinisch M, Seiler S, Hauzenberger T et al. Efficacy of endocrine therapy for the treatment of breast cancer in men. Results from the MALE phase 2 randomized clinical trial. JAMA Oncol 2021; epub ahead of print

Summary: The multicenter phase 2 study MALE in Germany randomized male patients with HR-positive breast cancer to tamoxifen alone, tamoxifen plus GnRHa, or aromatase inhibitor plus GnRHa. Patients in the two GnRHa arms experienced a sustained decrease of estradiol levels, associated with impaired sexual function and quality of life.

  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie tussen lymfadenectomie en risico van VTE na chirurgie voor vroeg-stadium endometriumcarcinoom (0)
2021-02-05 14:00   ( Nieuws )
Tags:  lymfadenectomie
Dr. Nawar Latifearly stage endometrial cancer, lymphadenectomy, postoperative venous thromboembolism

Er is geen consensus over de waarde van toevoeging van lymfadenectomie (ND) aan chirurgie voor vroeg-stadium endometriumcarcinoom. Een analyse van de SEER-database heeft de associatie van LND met het risico van postoperatieve veneuze tromboëmbolie (VTE) in patiënten met vroeg-stadium endometriumcarcinoom geïnventariseerd. Dr. Nawar Latif (University of Pennsylvana, Philadelphia) en collega’s publiceren de analyse in Gynecologic Oncology.1

In de database identificeerden de onderzoekers 15.101 patiënten die tussen begin 2000 en eind 2013 hysterectomie ondergingen voor stadium I of II endometriumcarcinoom. Onder deze patiënten waren er 9004 (60%) die ook LND ondergingen. In de LND-groep werd binnen negentig dagen na de ingreep VTE gezien in 346 patiënten (3,8%), versus 140 (2,3%) in de niet-LND groep (RR 1,67; p<0,001). Na correctie voor leeftijd, stadium, graad, comorbiditeiten, en type chirurgie bleef LND een significante risicofactor voor VTE binnen negentig dagen (RR 1,7; p<0,0001). In de groep patiënten die minimaal-invasieve chirurgie ondergingen was LND geassocieerd met verdubbeling van het VTE-risico (RR 1,99; p=0,0014).
De onderzoekers concluderen dat toevoegen van LND aan hysterectomie voor vroeg-stadium endometriumcarcinoom geassocieerd was met verhoogd negentig-dagen postoperatief risico van VTE.

1.Latif N, Oh J, Brensinger C et al. Lymphadenectomy is associated with an increased risk of postoperative venous thromboembolism in early stage endometrial cancer. Gynecol Oncol 2021.01.30

Summary: Analysis of the SEER database found that lymphadenectomy in patients undergoing surgery for early stage endometrial cancer was associated with 70% elevated risk of 90-day postoperative venous thromboembolism.



  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Aneuploïdie drijvende kracht bij evolutie van kanker (0)
2013-11-02 20:56   ( Nieuws )
Tags:  aneuploïdie davoli
In 1914 stelde Theodor Boveri dat ‘specific chromosome constitutions can be produced such that the cells that harbor it are driven to unrestrained proliferation’. 1 In tumoren komen terugkerende aneuploïdiepatronen voor, maar het was niet duidelijk of deze patronen bestaan vanwege de frequentie van iedere afzonderlijke SCNA (somatic copy number alterations) of omdat ze geselecteerd zijn vanwege een tumorigeen fenotype. In een publicatie in Cell bijna honderd jaar later (31 oktober 2013) komen onderzoekers van Harvard Medical School met de hypothese dat cumulatieve fenotypische effecten van veranderingen in aantallen STOP-genen (tumorsuppressorgenen) en GO-genen (oncogenen en voor overleving essentiële genen) leiden tot de selectiedruk die verantwoordelijk is voor het ontstaan van kanker.2 Ze stellen dat hun studieresultaten uitwijzen dat aneuploïdie niet alleen een kenmerk maar ook een drijvende kracht is bij de evolutie van kanker bij de mens.
De onderzoekers, onder leiding van prof. Stephen Elledge (Gregor Mendel professor of Genetics bij HMS) hebben het TUSON (Tumor Suppressor and Oncogene) Explorer computerprogramma ontwikkeld waarmee ze genoomsequentieanalyses hebben uitgevoerd van meer dan 8200 paren monsters van kanker- en gezond weefsel.Op basis van de mutatiepatronen maakten ze een lijst van vermoede oncogenen en tumorsuppressorgenen. Ze vonden veel meer potentiële cancer drivers dan ze hadden verwacht. Ze rangschikten deze kandidaat-genen aan de hand van hun waarschijnlijke effect op de ontwikkeling van kanker, en onderzochten waar op de chromosomen deze genen gewoonlijk voorkomen. Ze zagen dat het aantal tumorsuppressorgenen of oncogenen op een chromosoom gecorreleerd was aan de frequentie waarmee het gehele of gedeeltelijke chromosoom bij kanker is gedeletet of gedupliceerd. Op plaatsen waar de concentratie van STOP-genen verhoogd is en de concentratie van GO-genen verhoogd, daar komt in tumoren vaker chromosoomdeletie voor. Hoe hoger de potentie van de betrokken genen, des te sterker wordt de correlatie.
Het geaccepteerde tumorsuppressormodel van Knudson berust op de Two-Hit hypothese voor het ontstaan van tumoren bij familiaire kanker. De HMS-onderzoekers stellen dat het verliezen of winnen van een enkele kopie van een gen door aneuploïdie eveneens van grote invloed kan zijn op de tumorontwikkeling bij sporadische kanker.

Referenties
1.Boveri T. The origin of malignant tumors. Baltimore (Maryland): Williams and Wilkins
2.Davoli T, XU AW, Mengwasser KE et al. Cumulative Haploinsufficiency and Triplosensitivity Drive Aneuploidy Patterns and Shape the Cancer Genome.Cell 2013, epub ahead of print 31 oktober



  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Alternatieve VEGF-liganden bij resistentie mCRC tegen anti-VEGF therapie (0)
2013-11-01 20:42   ( Nieuws )
Tags:  anti-VGEF therapie lieu mCRC
Behandeling met bevacizumab verbetert vaak de overleving van patiënten met gemetastaseerde colorectaalkanker. Bij veel patiënten treedt evenwel na enige tijd wederom angiogenese op ondanks voortzetting van de VEGF-A blokkade. In preklinische experimenten zijn aanwijzingen verkregen voor het idee dat andere proangiogene factoren dan VEGF-A een rol spelen bij deze vermindering van de gevoeligheid voor behandeling met bevacizumab.
Dit schrijven Christopher Lieu (University of Colorado, Denver) en collega’s in PloS One.1 In het artikel beschrijven ze de uitkomsten van een studie naar de associatie van de niveaus van alternatieve VEGF-liganden met resistentie tegen anti-VEGF therapie bij mCRC-patiënten. Ze voerden hun studie uit bij twee cohorten: het ‘discovery cohort’ en het ‘validation cohort’.
Het discovery cohort bestond uit 42 patiënten die werden behandeld met FOLFIRI plus bevacizumab. In plasmamonsters van de patiënten bepaalden de onderzoekers het verloop in de tijd van de niveaus van PIGF, VEGF-A, VEGF-C en VEGF-D. De plasmamonsters werden verzameld bij aanvang, voor iedere cyclus van de chemotherapie, en ten tijde van progressie. In dit cohort vonden de onderzoekers een toename van VEGF-C met 49% voor progressie, en met 95% tijdens progressie (p<0,01). Ook PIGF was al voor en tijdens de progressie toegenomen, zoals reeds eerder gepubliceerd was.2 VEGF-Dnam niet toe voor de progressie, maar wel tijdens de progressie (met 23%, p=0,05). Bepaling van de VEGF-A niveaus werd verstoord door de aanwezigheid van bevacizumab-gebonden VEGF-A.
Het validation cohort bestond uit 403 mCRC-patiënten van wie tussen 2002 en 2008 bij hun eerste bezoek aan het onderzoekscentrum een plasmamonster werd genomen. De patiënten in dit cohort werden onderscheiden in drie groepen: patiënten bij wie het monster werd genomen voor aanvang van de behandeling, patiënten bij wie het monster werd genomen na progressie op chemotherapie zonder bevacizumab, en patiënten bij wie het monster werd genomen na progressie op chemotherapie plus bevacizumab. In dit cohort vonden de onderzoekers geen toename van VEGF-C na progressie op bevacizumab (vergeleken met niet behandelde patiënten). Wel vonden ze na progressie toename van PIGF (+43%, p=0,02) en VEGF-D (+6%, p=0,01). Patiënten die progressie vertoonden op chemotherapie plus bevacizumab hadden significant hogere niveaus van PIGF (+88%) maar niet van VEGF-C en VEGF-D dan patiënten die progressie vertoonden op behandeling met alleen chemotherapie.
De onderzoekers concluderen dat progressie op bevacizumab-therapie inderdaad gepaard gaat met verhoging van de niveaus van PIGF en VEGF-D. Deze liganden zijn geassocieerd met resistentie tegen bevacizumab-bevattende chemotherapie in mCRC. Op grond van deze studie kan overigens niet worden geconcludeerd dat er sprake is van een causaal verband tussen de toename van niveaus van de liganden en de progressie. ‘But the correlation we saw is compelling’, aldus Lieu in een interview met Science Daily (28 oktober 2013).

Referenties
1.Lieu CH, Tran H, Jiang Z-Q et al. The association of alternate VEGF ligands with resistance to anti-VEGF therapy in metastatic colorectal cancer. PloS One 2013;8:e77117
2.Kopetz S, Hoff PM, Morris JS et al. Phase II trial of infusional fluorouracil, irinothecan, and bevacizumab for metastatic colorectal cancer: efficacy and circulating angiogenic biomarkers associated with therapy resistance. J Clin Oncol 2010;28:453-459



  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Atypisch leeftijds-specifiek patroon HCC in Peru (1)
2013-09-03 21:05   ( Nieuws )
Tags:  hcc levercelcarcinoom peru
Uit klinisch epidemiologisch onderzoek blijkt dat levercelcarcinoom (HCC) wereldwijd een dominant patiëntenprofiel heeft dat overeenkomt met mannen ouder dan veertig jaar. In Zuid-Amerika komt de ziekte relatief weinig voor. Van alle landen in Zuid-Amerika heeft Peru de hoogste incidentie van HCC. In een artikel in PloS One beschrijven de Franse onderzoekers Stéphane Bertani en zijn collega’s een onderzoek naar de klinische epidemiologie van HCC in Peru.1 Ze vinden een atypisch leeftijds-specifiek patroon bij de Peruviaanse HCC-patiënten.
Bertani en coauteurs hebben een retrospectieve analyse gemaakt van de patiëntendossiers van 1.541 HCC-patiënten die tussen 1997 en 2010 werden opgenomen in het Instituto Nacional de Enfermedades Neoplásicas (INEN) in Lima. INEN is het belangrijkste oncologisch instituut in Peru. INEN nam in deze periode gemiddeld 122 HCC-patiënten per jaar op. De gemiddelde leeftijd van de patiënten was 44,8 jaar, en de man/vrouw-verhouding bedroeg 1,6 (61,1% mannen, 38,9% vrouwen). De gemiddelde diameter van de tumoren bedroeg 12,5 cm.
Er was een bimodale leeftijdsverdeling: voor de 778 patiënten jonger dan 44 jaar lag de piek bij gemiddeld 25,5 (mediaan 25,0) jaar, en voor de 763 patiënten ouder dan 44 jaar lag de piek bij gemiddeld 64,5 (mediaan 65) jaar. De man/vrouw-verhouding in de groep patiënten jonger dan 44 jaar bedroeg 2,0; en in de groep patiënten ouder dan 44 jaar 1,2 (p<0,0001). De gemiddelde diameter van de tumoren bedroeg 13,1 cm voor de patiënten jonger dan 44 jaar, en 11,4 cm voor de patiënten ouder dan 44 jaar. Bij de groep patiënten jonger dan 44 jaar werd een significant hoger prevalentie van metastasen op afstand gezien (p=0,007), terwijl bij de groep patiënten ouder dan 44 jaar meer multinodulaire HCC werd gezien (p=0,015). Uit analyses van de geografische herkomst van de patiënten blijkt dat de jongste patiënten vooral afkomstig zijn uit de Andes-regio en relatief weinig uit de Apurimac-regio, terwijl de oudere patiënten vooral in de kustgebieden en Zuid-Peru wonen.
De onderzoekers concluderen dat er twee verschillende leeftijds-specifieke vormen van HCC bestaan in de Peruviaanse patiëntenpopulatie. De studie suggereert het bestaan van een in Peru endemische specifieke risicofactor voor HCC.

Referentie
1.Bertani S, Pineau P, Loli S et al. An atypical age-specific pattern of hepatocellular carcinoma in Peru: a threat for Andean populations. PloS One 2013;8:e67756


  Er zijn 1 commentaren. Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)