Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Zelf-gerapporteerde kwaliteit van leven als voorspeller van mortaliteit in niercelcarcinoom (0)
2021-10-06 13:30   ( Nieuws )
Tags:  renal cell carcinoma quality of life and mortality
Dr. Ridwan AlamHet is denkbaar dat kwaliteit van leven (QOL) in patiënten met maligniteiten prognostische waarde levert bovenop traditionele demografische en ziektegerelateerde parameters. Een studie van Johns Hopkins University School of Medicine (Baltimore MD) heeft de waarde van zelf-gerapporteerde QOL van patiënten met niercelcarcinoom (RCC) als voorspeller van de mortaliteit geïnventariseerd. Dr. Ridwan Alam en collega’s publiceren de studie in Cancer.1

In de Surveillance, Epidemiology, and End Results-Medicare Health Outcomes Survey (SEER-MHOS) database identificeerden de onderzoekers 1494 RCC-patiënten met gegevens over QOL. De mediane leeftijd van de patiënten was 73,4 jaar, en de mediane follow-up was 5,6 jaar. Elke extra punt in de score voor de mental component summary (MCS) respectievelijk de physical component summary (PCS) van de QOL was geassocieerd met verlaging van het risico van all-cause mortaliteit met 1,3% (p<0,001) respectievelijk 2,3% (p<0,001). Mortaliteitsmodellen met inclusie van QOL-waarden vergeleken met modellen zonder deze variabelen hadden hogere predictieve accuratesse (C-index 72,3% versus 70,1%) en parsimoniteit (Akaike Information criterion 9376,5 versus 9454,5). QOL-waarden hadden grotere impact op niet-RCC specifieke mortaliteit dan op RCC-specifieke mortaliteit. Externe validering in het prospectieve Delayed Intervention and Surveillance for Small Renal Masses (DISSRM) register bevestigde de associatie tussen QOL en all-cause mortaliteit.

De onderzoekers concluderen dat modellen met zelf-gerapporteerde QOL-waarden de all-cause mortaliteit van RCC-patiënten beter voorspelden dan modellen zonder deze waarden. QOL dient te worden geïncorporeerd in prognostische modellen voor RCC.

1. Alam R, Patel HD, Su ZT et al. Self-reported quality of life as a predictor of mortality in renal cell carcinoma. Cancer 2021; epub ahead of print

Summary: Analysis of the SEER-MHOS database found that among patients with renal cell carcinoma, self-reported QOL predicted all-cause mortality. Models with self-reported QOL metrics predicted all-cause mortality with higher accuracy and parsimony than those without QOL metrics.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Klinisch-pathologische kenmerken en geïndividualiseerd prognostisch model voor hepatoïd adenocarcinoom van de maag (0)
2021-10-06 12:00   ( Nieuws )
Tags:  HAS clinicopathological characteristics individualized prognostic model
Prof. Chang-Ming HuangHepatoïd adenocarcinoom van de maag (HAS) is een uniek subtype van maagcarcinoom (GC), dat ongeveer 0,3% tot 1,0% van alle gevallen van GC uitmaakt. De pathologische diagnose van HAS is gebaseerd op histologische kenmerken die overeenkomen met die van levercelcarcinoom. Een studie in veertien centra in China heeft klinisch-pathologische kenmerken van HAS geïnventariseerd. De onderzoekers hebben ook een nomogram ontwikkeld dat de overall survival van HAS-patiënten voorspelt. Prof. Chang-Ming Huang (Fujian Medische Universiteit, Fuzhou) en collega’s publiceren de studie in JAMA Network Open.1

De studie includeerde 315 patiënten met een diagnose primair HAS tussen begin april 2004 en eind december 2019 (240 mannen en 75 vrouwen, gemiddelde leeftijd was 61,9 ± 10,2 jaar). Het cohort omvatte 137 patiënten met simple HAS (alleen hepatoïde differentiatie) en 178 patiënten met mixed HAS (ook gebruikelijke adenocarcinoom-gebieden). Patiënten met simple HAS hadden hogere mediane preoperatieve α-fetoproteïneniveaus dan patiënten met mixed HAS (195,9 versus 48,9 ng/ml; p<0,001) en hoger preoperatief percentage levermetastasen (16,8% van de patiënten versus 6,2%; p=0,003) maar de drie-jaars OS-percentages van beide groepen waren vergelijkbaar (56,0% versus 60,0%; p=0,98).

Voor de ontwikkeling van het nomogram werden de patiënten gerandomiseerd naar een derivatiecohort (n=220) en een validatiecohort (n=95). Factoren die in het derivatiecohort onafhankelijke voorspellers waren van slechtere OS waren aanwezigheid van perineurale invasie (HR 2,13; p=0,009), preoperatief CEA-niveau 5 ng/ml of hoger (HR 1,72; p=0,03), en pathologisch nodale categorie 3b (HR 3,72; p=0,01). Op basis van deze factoren werd het nomogram ontwikkeld, met concordantie-indices 0,72 in zowel het derivatie- als het validatiecohort waarmee het model beter presteerde dan het AJCC CSM 8th edition (concordantie-index 0,64). Op basis van het nomogram werden de patiënten onderverdeeld in een hoog-risicogroep versus een laag-risicogroep. De drie-jaars OS was 29,7% versus 75,9% in de twee groepen.

De onderzoekers concluderen dat onder patiënten met HAS perineurale invasie, preoperatief CEA-niveau 5 ng/ml of hoger, en pathologisch nodale categorie 3b onafhankelijke risicofactoren waren voor slechtere OS, en dat het nomogram de OS van de patiënten kan voorspellen.

1.Lin J-X, Wang Z-K, Hong Q-Q et al. Assessment of clinicopathological characteristics and development of an individualized prognostic model for patients with hepatoid adenocarcinoma of the stomach. JAMA Network Open 2021;4:e2128217

Summary: A multicenter study in China found that among patients with hepatoid adenocarcinoma of the stomach, perineural invasion, preoperative carcinoembryonic antigen levels of 5 ng/ml or greater, and pathological node category 3b were independent risk factors associated with worse overall survival. Based on these factors, a nomogram was developed to predict OS among patients with HAS.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Finale analyse van iNNOVATE studie van ibrutinib plus rituximab voor Waldenström's macroglobulinemie (0)
2021-10-05 15:00   ( Nieuws )
Tags:  phase III iNNOVATE study WM ibrutinib-rituximab versus placebo-rituximab
Prof. Christian BuskeDe multinationale fase 3-studie iNNOVATE evalueerde toevoeging van de BTK-remmer ibrutinib aan rituximab voor Waldenström’s macroglobulinemie (WM). In 2018 is gepubliceerd dat met mediaan 30 maanden follow-up ibrutinib-rituximab resulteerde in significant langere progressievrije overleving dan placebo-rituximab. Prof. Christian Buske (Universiteitsziekenhuis Ulm, Duitsland) en collega’s publiceren nu in het Journal of Clinical Oncology een finale analyse van de studie1

iNNOVATE werd uitgevoerd in 45 centra in negen landen. De studie includeerde 150 al dan niet eerder behandelde patiënten met symptomatisch WM, die 1:1 werden behandeld naar ibrutinib-rituximab of placebo-rituximab (75 patiënten per groep). Het primaire eindpunt was progressievrije overleving. De mediane follow-up voor de nu gepubliceerde analyse was 50 maanden (range 0,5-63). De figuur laat zien dat de PFS significant langer was met ibrutinib-rituximab dan met placebo-rituximab onder alle gerandomiseerde patiënten (panel A), ongeacht MYDD88- en CXCR4-mutatiestatus (panel B), en ongeacht eerdere behandeling (panel C).

Partiële respons of beter werd gezien in 76% van de patiënten in de ibrutinib-rituximabgroep versus 31% van de placebo-rituximabgroep (p<0,0001). De mediane tijd tot volgende behandeling werd niet bereikt in de ibrutinib-rituximabgroep en was 18 maanden in de placebo-rituximabgroep. Aanhoudende hemoglobineverbetering werd gezien in 77% van de patiënten in de ibrutinib-rituximabgroep versus 43% van de patiënten in de placebo-rituximabgroep. De mediane overall survival werd in geen van beide groepen bereikt. Het veiligheidsprofiel van iIbrutinib-rituximab was manageable, met over het algemeen afname van de prevalentie van graad 3 of hoger AEs in de loop van de tijd.

De onderzoekers concluderen dat ibrutinib-rituximab vergeleken met placebo-rituximab voor WM resulteerde in superieure klinische uitkomsten, ongeacht MYD88- of CXCR4-mutatiestatus of eerdere behandeling.

1.Buske C, Tedeschi A, Trotman J et al. Ibrutinib plus rituximab versus placebo plus rituximab for Waldenström’s macroglobulinemia: final analysis from the randomized phase III iNNOVATE study. J Clin Oncol 2021; epub ahead of print

Summary: Final analysis of the multinational phase 3 iNNOVATE study found that among patients with Waldenström’s macroglobulinemia ibrutinib-rituximab compared with placebo-rituximab resulted in longer PFS, regardless of MYD88 or CXCR4 mutation status, and regardless of prior treatment.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Model voor voorspellen van cardiale bijwerkingen van immuuncheckpointremmers (0)
2021-10-05 13:30   ( Nieuws )
Tags:  ICIs predicting cardiac events
Dr. Thomas NeilanImmuuncheckpointremmer (ICI)-behandeling van patiënten met maligniteiten kan geassocieerd zijn met verhoogd risico van cardiale bijwerkingen. Er is slechts beperkte informatie over mogelijke risicofactoren voor deze bijwerkingen. Machine Learning (ML)-analyse van een dataset van real-world patiënten heeft risicofactoren voor deze bijwerkingen geïdentificeerd. Dr. Thomas Neilan (Massachusetts General Hospital, Boston) en collega’s publiceren de analyse in het Journal for ImmunoTherapy of Cancer.1



De analyse is gebaseerd op de CancerLinQ-database van ASCO, met gegevens van 4960 patiënten die tussen begin 2013 en eind 2019 anti-PD-1 of anti-PD-L1 behandeling kregen voor niet-kleincellig longcarcinoom, melanoom, of niercelcarcinoom. Onder deze patiënten waren er 418 die een cardiale gebeurtenis doormaakten. Het model includeerde 356 potentiële patiënt-gebonden risicofactoren, waaronder elementen van de medische geschiedenis, sociale geschiedenis, vitale tekenen, laboratoriumresultaten, oncologische geschiedenis, medicatiegeschiedenis, en PD-L1 expressie van de tumor.

Het model identificeerde als belangrijke voorspellers van cardiale gebeurtenissen: hogere leeftijd, gebruik van corticosteroïden, abnormale laboratoriumwaarden en gebruik van specifieke medicaties, extremen van lichaamsgewicht, lagere gehalten van lymfocyten, en hogere gehalten van neutrofielen. Het model voorspelde cardiale gebeurtenissen met een AUC-ROC van 0,65 (95%-bti 0,58-0,75). Op basis van het model werden patiënten onderverdeeld in een laag-risico en een hoog-risico subgroep. De cumulatieve incidentie van cardiale gebeurtenissen na 100 dagen was 3,3% in de laag-risicogroep en 6,1% in de hoog-risicogroep (p<0,001).

De onderzoekers concluderen dat ML kan worden gebruikt voor het voorspellen van cardiale gebeurtenissen in patiënten de anti-PD-(L)1 therapie krijgen. Het cardiale risico werd gedregen door immunologische factoren, oncologische factoren, en cardiale geschiedenis.

1.Heilbroner SP, Few R, Mueller J et al. Predicting cardiac adverse events in patients receiving immune checkpoint inhibitors: a machine learning approach. J ImmunoTher Cancer 2021-002545

Summary: A machine learning-based model can predict cardiac events in patients receiving PD-1/PD-L1 therapy. Cardiac risk was driven by immunological factors (eg, percentage of lymphocytes), oncological factors (eg, low body weight), and a cardiac history.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Trends en projecties van de incidentie van slokdarmcarcinoom in Nederland, 1989 tot en met 2041 (0)
2021-10-05 11:58   ( Nieuws )
Tags:  oesophageal cancer trends and projections of incidence in The Netherlands
Prof. Mireille BroedersIn Westerse populaties is de laatste decennia een afname gezien van de incidentie van squameus celcarcinoom van de slokdarm (OSCC), terwijl de incidentie van slokdarmadenocarcinoom (OAC) toegenomen is. Een analyse van gegevens van NKR en CBS heeft temporele trends in de incidentie van slokdarmcarcinoom in Nederland tussen begin 1989 en eind 2016 geïnventariseerd. Prof. Mireille Broeders (Radboud UMC Nijmegen) publiceren de analyse plus voorspellingen van toekomstige trends tot en met 2041 in het International Journal of Cancer.1

Over de periode van 1989 tot en met 2016 vonden de onderzoekers een lichte afname van de leeftijd-gestandaardiseerde incidentie van OSCC onder mannen en een lichte toename van de leeftijd-gestandaardiseerde incidentie van OSCC onder vrouwen. De incidentie van OAC nam echter sterk toe: van 2,8 per 100.000 personen in 1989 tot 10,1 per 100.000 in 2016. Deze toename was meer prominent onder mannen dan onder vrouwen. De projecties op basis van log-lineaire leeftijd-periode-cohort (APC)-modellen gefit op de trends van 1989 tot en met 2016, wijzen op een verdere toename van de incidentie van OAC tot 13,1 per 100.000 personen in 2037 tot en met 2041, overeenkomend met 13.259 OAC-diagnosen in 2037 tot en met 2041, vergeleken met 9386 diagnosen in 2017 tot en met 2021.

De onderzoekers concluderen dat de incidentie van OAC tussen 1989 en 2017 dramatisch is toegenomen, en dat de toename naar verwachting aan zal houden.

1.De Vegt F, Gommers JJJ, Groenewoud H et al. Trends and projections in the incidence of oesophageal cancer in the Netherlands: an age-period-cohort analysis for 1989 to 2014. Int J Cancer 2021; epub ahead of print

Summary: An age-period-chort analysis in The Netherlands found a dramatic increase in the age-standardised incidence of oesophageal adenocarcinoma (from 2.8 per 100.000 in 1989 to 10.1 per 100.000 in 2016) with a projected further increase to 13.1 per 100.000 in 2037-2041.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Primaire therapie en relatieve overleving van LPL/WM in Nederland, 1989 -2019 (0)
2021-10-04 15:00   ( Nieuws )
Tags:  lymphoplasmatcytic lymphoma Waldenström macroglobulinemia
Dr. Avinash DinmohamedHet is niet duidelijk wat de impact op overleving is geweest van vorderingen in de behandeling van lymfoplasmacytisch lymfoom/Waldenström macroglobulinemie (LPL/WM). Een analyse op basis van gegevens van de Nederlandse Kankerregistratie heeft trends in eerstelijns behandeling en relatieve overleving (RS) van LPL/WM-patiënten over de periode van begin 1989 tot eind 2018 in Nederland geïnventariseerd. Dr. Avinash Dinmohamed (Amsterdam UMC) en collega’s publiceren de analyse in het British Journal of Haematology.1

In de studieperiode werden in Nederland 6232 patiënten gediagnostiseerd met LPL/WM. De mediane leeftijd was 70 jaar, en 61% van de patiënten waren mannen. Deze figuur toont de primaire behandeling van de patiënten. In grote lijnen nam behandeling met antineoplastische midden binnen een jaar na de diagnose in de loop van de studieperiode af, en nam initiële watch-and-wait toe. Tussen begin 2011 en eind 2018 kreeg ongeveer 40% van de patiënten antineoplastische therapie. Een andere trend was afname van alleen chemotherapie en toename van chemo-immuuntherapie. Tussen begin 2014 en eind 2018 (1596 patiënten) was dexamethason-rituximab-cyclofosfamide het meest gebruikte regime, met een toename van 14% van de patiënten in 2014 tot 39% in 2018.

Deze figuur toont de relatieve overleving van de patiënten. De vijf-jaars RS nam significant toe in de loop van de tijd, vooral na introductie van rituximab (early-mid 2000s). Onder patiënten jonger dan 65 jaar nam de vijf-jaars RS van 75% in 1989-1996 tot 93% in 2011-2019, en onder patiënten ouder dan 75 jaar nam de vijf-jaars RS toe van 46% in 1989-1996 tot 79% in 2011-2019. De figuur laat ook zien dat de verbetering van de RS na 2011 minder uitgesproken was.

De onderzoekers concluderen dat na introductie van rituximab-gebaseerde behandeling de overleving van LPL/WM-patiënten in Nederland aanzienlijk verbeterd is, en dat het achterwege blijven van verdere verbetering na 2011 de noodzaak van nader onderzoek onderstreept.

1.Amaador K, Kersten MJ, Visser O et al. Primary therapy and relative survival in patients with lymphoplasmacytic lymphoma/Waldenström macroglobulinaemia: a population-based study in the Netherlands, 1989-2018

Summary: A population-based study in The Netherlands (1989-2018) investigated primary therapy and relative survival in patients with lymphoplasmacytic lymphoma/Waldenström macroglobulinaemia. The 5-year relative survival increased significantly over time, particularly since the introduction of rituximab in the early-mid 2000s. However, the survival improvement was less pronounced after 2011.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Impact van fragmentatie van behandeling op uitkomsten van neoadjuvante en adjuvante therapie voor PDAC (0)
2021-10-04 13:30   ( Nieuws )
Tags:  pancreatic ductal adenocarcinoma impact of care fragmentation on outcomes
Prof. Jordan CloudNeoadjuvante therapie (NT) wordt in toenemende mate gebruikt voor gelokaliseerd pancreas ductaal adenocarcinoom (PDAC). Een analyse van de National Cancer Database heeft de impact van fragmentatie van de behandeling (behandeling in meer dan één ziekenhuis) op de uitkomsten van NT of adjuvante therapie (AT) voor PDAC geïnventariseerd. Prof. Jordan Cloyd (The Ohio State University, Columbus) en collega’s publiceren de analyse in het Journal of Surgical Oncology.1

In de NCDB (begin 2004 tot eind 2016) identificeerden de onderzoekers 6522 stadium I tot en met III PDAC-patiënten die NT kregen voorafgaand aan pancreatectomie en 15.291 patiënten die upfront chirurgie ondergingen gevolgd door AT. Onder de patiënten die NT kregen waren er 3755 (57,6%) die gefragmenteerde behandeling ondergingen en 2767 (42,4%) die geïntegreerde behandeling (in één ziekenhuis) ondergingen. De tijd tot begin van de behandeling was langer voor de patiënten met gefragmenteerde behandeling dan voor patiënten met geïntegreerde behandeling (gemiddeld 33,2 versus 29,7 dagen; p<0,001) maar er was geen significant verschil in mediane overall survival (26,7 versus 26,5 maanden; p=0,6). Onder de patiënten die upfront chirurgie kregen gevolgd door AT was gefragmenteerde behandeling versus geïntegreerde behandeling geassocieerd met langere tijd tussen diagnose en chirurgie maar niet met verschil in OS (24,0 versus 24,0 maanden; p=0,910).

De onderzoekers concluderen dat onder patiënten die NT gevolgd door chirurgie of chirurgie gevolgd door AT kregen voor gelokaliseerd PDAC, gefragmenteerde behandeling niet resulteerde in slechtere OS.

1.Brown ZJ, Labiner HE, Shen C et al. Impact of care fragmentation on the outcomes of patients receiving neoadjuvant and adjuvant therapy for pancreatic adenocarcinoma. J Surg Oncol 2021; epub ahead of print

Summary: Analysis of the National Cancer Database found no impact of care fragmentation on OS of patients receiveing neoadjuvant therapy followed by pancreatectomy or upfront surgery followed by adjuvant therapy for localized PDAC.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Adherentie aan adjuvant tamoxifen in mannen met vroeg-stadium mammacarcinoom (0)
2021-10-04 12:00   ( Nieuws )
Tags:  male breast cancer adjuvant tamoxifen adherence
Prof. Sharon GiordanoDe meeste mammacarcinomen in mannen zijn hormoonreceptor-positief. Adjuvant tamoxifen is onderdeel van de standaard-behandeling van deze patiënten. Kleine single-institution studies suggereren dat hoge percentages patiënten adjuvante endocriene behandeling voortijdig discontinueren. Een analyse van de SEER-Medicare database heeft de adherentie aan adjuvant tamoxifen in een groot bevolkings-gebaseerd cohort van mannen met vroeg-stadium mammacarcinoom geïnventariseerd. Prof. Sharon Giordano (MD Anderson Cancer Center, Houston TX) en collega’s publiceren de analyse in Cancer.1

De analyse includeerde 451 mannen met een diagnose invasief niet-metastatisch mammacarcinoom tussen begin 2007 en eind 2013, in de leeftijd van 65 jaar of ouder, Medicare Part D verzekering, en tamoxifen voorschriften binnen een jaar na de diagnose. Tamoxifen-adherentie werd gedefinieerd als medication possesion ratio 80% of hoger. De mediane follow-up was 32,5 maanden. Het percentage patiënten die tamoxifen gediscontinueerd hadden 1, 2, 3, 4, en 5 jaar na de diagnose was 15,8%; 24,3%; 31,3%; 36,9%;, en 48,3%. Onder de mannen die nog steeds tamoxifen gebruikten was het percentage met MPR 80% of hoger na 1, 2, 3, 4, en 5 jaar 76,9%; 73,6%; 68,7%; 64,8%: en 60,2%. In gecorrigeerde analyses waren significante voorspellers van lagere adherentie wonen in een high poverty area (OR 0,77; 95%-bti 0,28-2,12) en een Charlson comorbiditeitsscore 2 of hoger (OR 0,46; 95%-bti 0,22-0,97).

De onderzoekers concluderen dat onder oudere mannen met mammacarcinoom een hoog percentage tamoxifen voortijdig discontinueerde, en dat ook onder mannen die nog wel tamoxifen gebruikt de nonadherentie substantieel was.

1.Oke O, Niu J, Chavez-MacGregor M et al. Adjuvant tamoxifen adherence in men with early-stage breast cancer. Cancer 2021; epub ahead of print

Summary: Analysis of the SEER-Medicare database found that among older men with breast cancer 48% of all patients discontinued tamoxifen before the end of year 5, and that even among those patients continuing tamoxifen, a substantial number of patients were nonadherent (MPR<80%).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)