Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Complementaire geneeskunde, weigering van conventionele zorg, en overleving onder patiënten met curabele maligniteiten (0)
2018-07-20 11:58   ( Nieuws )
Tags:  complementary medicine refusal of conventional cancer therapy survival
Dr. James YuEr is geen duidelijkheid over de associaties tussen gebruik van complementaire geneeskunde (CM), adherentie aan conventional cancer treatment (CCT), en overall survival (OS) onder patiënten met maligniteiten. Dr. James Yu (Yale Cancer Center, New Haven CT) en collega’s hebben een analyse uitgevoerd van de OS van patiënten met geneesbare maligniteiten die CCT kregen met of zonder CM, en van de adherentie aan CCT onder patiënten die al of niet CM kregen. Ze publiceren de studie online in JAMA Oncology.1

In de National Cancer Database identificeerden de onderzoekers 1.901.805 patiënten van 1500 centra in de Verenigde Staten die tussen begin 2004 en eind 2013 werden behandeld voor niet-metastatisch mamma-, prostaat-, long- of colorectaalcarcinoom. CM werd gedefinieerd als ‘Other-Unproven: Cancer treatments administered by nonmedical personnel’. Er waren 258 patiënten in de CM-groep en 1.901.557 patiënten in de controlegroep. Na matching voor leeftijd, klinisch stadium, comorbiditeitscore, verzekeringstype, ras/etniciteit, jaar van diagnose, en type maligniteit werden analyses uitgevoerd voor 258 patiënten in de CM-groep en 1032 patiënten in de controlegroep.


Onder patiënten die voor CM kozen was er vergeleken met patiënten die niet voor CM kozen niet een langere tijd tot begin van CCT, maar wel hogere percentages die afzagen van chirurgie (7,0% versus 0,1%; p<0,001), chemotherapie (34,1% versus 3,2%; p<0,001), radiotherapie (53,0% versus 2,3%), en hormoontherapie (33,7% versus 2,8%). Patiënten die voor CM kozen hadden vergeleken met patiënten die niet voor CM kozen slechtere vijf-jaars overleving (82,2% versus 86,6%; p=0,001). In multivariate analyse was kiezen voor CM onafhankelijk van weigering of uitstel van behandeling geassocieerd met hoger risico van overlijden (HR 2,08; 95%-bti 1,50-2,98). Na inclusie van weigering of uitstel van behandeling in het model was kiezen voor CM niet meer onafhankelijk geassocieerd met overleving.

De onderzoekers concluderen dat de analyse suggereert dat patiënten die CM kregen een hogere waarschijnlijkheid hadden van het weigeren van additionele CCT en een hoger risico van overlijden hadden; en dat het met CM samenhangende mortaliteitsrisico gemedieerd werd door afzien van CCT.

1.Johnson SB, Park HS, Gross CP et al. Complementary medicine, refusal of conventional cancer therapy, and survival among patients with curable cancers. JAMA Oncol 2018; epub ahead of print

Summary: An analysis of the National Cancer Database found that patients who received complementary medicine were more likely to refuse conventional cancer treatment and had a twofold greater risk of death than patients who did not receive complementary medicine.

  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Stralingsblootstelling van kinderen door CT-scans: associatie met risico van maligniteiten in Nederland (0)
2018-07-19 14:58   ( Nieuws )
Tags:  pediatric CT-related radiation exposure brain tumors leukemia
Dr. José MeulepasBij computertomografie (CT) worden hogere stralingsdoseringen gebruikt dan bij de meeste andere beeldvormende modaliteiten. Dr. José Meulepas (NKI) en collega’s hebben een studie uitgevoerd van de associatie van blootstelling van Nederlandse kinderen aan lage-dosering ioniserende straling door CT-scans en het risico van leukemie en hersentumoren. Ze publiceren de studie online in het Journal of the National Cancer Institute.1 De retrospectieve cohortstudie is gebaseerd op gegevens van 168.394 personen die voor de leeftijd van achttien jaar tussen begin 1979 en eind 2012 in Nederlandse ziekenhuizen tenminste één CT-scan ondergingen.

De standardized incidence ratios versus de algemene Nederlandse bevolking waren in het cohort verhoogd voor alle cancer sites. Het cohort omvatte 44 patiënten met leukemie en 84 patiënten met hersentumoren. De gemiddelde cumulatieve beenmergdosering aan het eind van de follow-up was 9,5 mGy. Het risico van leukemie (uitgezonderd myelodysplastisch syndroom) was niet geassocieerd met de cumulatieve beenmergdosering. De gemiddelde cumulatieve dosering naar de hersenen was 38,5 mGy. De cumulatieve dosering naar de hersenen was statistisch significant geassocieerd met het risico van hersentumoren (malige en niet-maligne hersentumoren gecombineerd): het excess relative risk per 100 mGy bedroeg 0,86 (p=0,002). Exclusie van patiënten met tubereuze sclerose complex uit de analyse resulteerde niet in substantiële verandering van de associaties.

De onderzoekers concluderen dat de studie suggereert dat CT-gerelateerde stralingsblootstelling tijdens de jeugd het risico van hersentumoren verhoogde. Er werd geen associatie gezien met het risico van leukemie.

1.Meulepas JM, Ronckers CM, Smets AMJB et al. Radiation exposure from pediatric CT scans and subsequent cancer risk in the Netherlands. J Natl Cancer Inst 2018; epub ahead of print

Summary: A nationwide retrospective cohort study in The Netherlands showed that CT-related radiation exposure of children increased brain tumor risk. No association was found for leukemia. 


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Sirolimus voor secundaire preventie van huidmaligniteiten in niertransplantaat-ontvangers: vijf-jaars resultaten (0)
2018-07-19 14:00   ( Nieuws )
Tags:  TUMORAPA study kidney transplant recipients cutaneous squamous cell carcinoma sirolimus
Onvangers van niertransplantaten die cutaan squameus celcarcinoom (CSCC) ontwikkelen hebben een hoog risico van volgende huidmaligniteiten. Er is evidentie dat sirolimus de incidentie van secundaire huidmaligniteiten kan verlagen, maar er zijn op dit punt geen studies gepubliceerd met follow-up langer dan twee jaar. De gerandomiseerde TUMORAPA-studie vergeleek een sirolimus-gebaseerd immuunsuppresief regime met calcineurineremmer-gebaseerde immuunsuppressie. Prof. Jacques Dantal (Universiteitsziekenhuis Nantes) en collega’s publiceren vijf-jaars resultaten van de studie online in het Journal of Clinical Oncology.1

De studie includeerde ontvangers van niertransplantaten die tenminste één CSCC hadden gehad en behandeld werden met calcineurineremmer. De patiënten werden gerandomiseerd naar sirolimus als vervanging voor calcineurineremmer (n=64) of voortzetting van calcineurineremmer (n=56). Het primaire eindpunt van de studie was CSCC-vrije overleving. Deze was significant langer in de sirolimusgroep dan in de calcineurineremmergroep (p=0,007). Het aantal patiënten met nieuwe huidmaligniteiten na vijf jaar was significant lager in de sirolimusgroep dan in de calcineurineremmergroep: 22% versus 59% voor CSCC (p<0,001), 34% versus 66% voor andere huidkankers (p<0,001), en 20% versus 37,5% voor basaalcelcarcinoom (p=0,05). De functie van de kidney grafts was niet sigificant verschillend tussen de groepen. In de sirolimusgroep nam het per patiënt gemiddelde aantal serious adverse events af van 1,16 gedurende de eerste twee jaar tot 0,83 in de jaren drie tot en met vijf.

De onderzoekers concluderen dat in ontvangers van niertransplantaten met een eerder CSCC sirolimus vergeleken met calneurineremmer het ontwikkelen van nieuwe CSCCs en andere huidmaligniteiten gedurende tenminste vijf jaar verlaagt.

1.Dantal J, Morelon E, Rostaing L et al. Sirolimus for secundary prevention of skin cancer in kidney transplant recipients: 5-year results. J Clin Oncol 2018; epub ahead of print

Summary: The TUMORAPA study showed that in kidney transplant recipients with previous cutaneous squamous cell carcinomas, the antitumor effect of conversion from calcineurin inhibitors to sirolimus was maintained at 5 years, and sirolimus tolerance was satisfactory.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Prognostische betekenis van overgewicht en diabetes in vrouwen met hersenmetastasen van mammacarcinoom (0)
2018-07-19 13:00   ( Nieuws )
Tags:  metabolic dysregulation breast cancer brain metastases
Prof. Nicole SimoneIn preklinische studies zijn aanwijzingen gezien voor een rol van metabole ontregeling als drijvende kracht voor mammacarcinoom, vooral met betrekking tot metastase. Prof. Nicole Simone (Thomas Jefferson University, Philadelphia PA) en collega’s hebben de hypothese getoetst dat metabole ontregeling in de vorm van obesitas of diabetes van invloed is op de uitkomsten van patiënten met hersenmetastasen van mammacarcinoom (BCBM). Ze publiceren de studie online in Breast Cancer Research and Treatment.1

De onderzoekers identificeerden retrospectief 84 achtereenvolgende BCBM-patiënten die werden behandeld met intracraniële radiotherapie (WBRT mediane dosering 3000 cGy of SRS mediane dosering 2100 cGy). Het cohort omvatte 45 patiënten met BMI ≥ 25 kg/m2 en 39 patiënten met BMI < 25 kg/m2, 17 patiënten met diabetes en 67 patiënten zonder diabetes. Op het moment van de analyse waren 81 patiënten overleden. De mediane overall survival voor het gehele cohort bedroeg 21,7 maanden. Vergeleken met de patiënten met normaal gewicht hadden de patiënten met overgewicht of obesitas kortere mediane OS (13,7 maanden versus 30,6 maanden; p<0,001) en kortere mediane intracraniële PFS (7,4 maanden versus 10,9 maanden; p=0,04). Vergeleken met de patiënten zonder diabetes hadden de patiënten met diabetes kortere mediane OS (11,8 maanden versus 26,2 maanden (p<0,001) en kortere mediane intracraniële PFS (4,5 maanden versus 10,3 maanden; p=0,001). In multivariate analyse waren zowel overgewicht/obesitas (HR 2,35; p=0,002) als diabetes (HR 2,77; p=0,002) geassocieerd met verhoogde mortaliteit.

De onderzoekers concluderen dat zowel verhoogde BMI als diabetes een negatieve impact kunnen hebben op OS en lokale controle in BCBM-patiënten.

1.McCall NS, Simone BA, Mehta M et al. Onco-metabolism: defining the prognostic significance of obesity and diabetes in women with brain metastases from breast cancer. Breast Cancer Res Treat 2018; epub ahead of print

Summary: A retrospective study suggests that elevated BMI or diabetes may negatively impact overall survival and local control in patients with brain metastases from breast cancer.

  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Laparascopische versus open chirurgie voor levermetastasen van colorectaalcarcinoom (0)
2018-07-19 12:00   ( Nieuws )
Tags:  colorectal liver metastases laparoscopic versus open surgery MILS
Prof. Luca AldrighettiChirurgie is de belangrijkste behandeling voor metastasen van colorectaalcarcinoom (CLM). Prof. Luca Aldrighetti (Ziekenhuis San Raffaele, Milaan) en collega’s hebben een studie uitgevoerd om uitkomsten te vergelijken van open chirurgie voor CLM met die van laparoscopische chirurgie. Ze publiceren de studie online in JAMA Surgery.1



De studie is gebaseerd op uitkomsten van 187 laparoscopische en 698 open resecties voor CLM die tussen begin 2004 en juli 2017 werden uitgevoerd in San Raffaele. Propensity score matching resulteerde in een cohort van 104 patiënten met laparoscopische chirurgie (46 vrouwen en 58 mannen, mediane leeftijd 62 jaar) en een cohort van 412 patiënten met open chirurgie (181 vrouwen en 231 mannen, mediane leeftijd 60 jaar). Het primaire eindpunt van de studie was korte-termijn uitkomst van de procedures (morbiditeit, mortaliteit, functioneel herstel, en interval tussen chirurgie en adjuvante behandelingen). Lange-termijn oncologische uitkomsten waren een secundair eindpunt.

De patiënten in de open-chirurgiegroep hadden een significant hogere incidentie van postoperatieve morbiditeit dan de patiënten in de Minimal Invasive Liver Surgery (MILS)-groep: 22,8% versus 20,2% (p=0,04). Patiënten in de MILS-groep hadden minder majeure complicaties (Dindo-Clavien graad III-V) vergeleken met patiënten in de open-chirurgiegroep: 6,7% versus 8,5% (p=0,03). Patiënten in de MILS-groep hadden ook korter verblijf in het ziekenhuis (p=0,02): mediaan 3 dagen (range 2-35) versus 5 dagen (range 4-37). De oncologische uitkomsten waren niet slechter in de MILS-groep.

De onderzoekers concluderen dat de studie laat zien dat patiënten in toenemende mate kunnen profiteren van vorderingen in de laparoscopische chirurgie voor CLM; ook patiënten voor wie procedures vereist zijn met een hoge mate van technische complexiteit.

1.Ratti F, Fiorentini G, Cipriani F et al. Laparoscopic vs open surgery for colorectal liver metastases. JAMA Surg 2018; epub ahead of print

Summary: A study in Italy compared laparoscopic with open surgery for colorectal liver metastases. Patients who underwent open resections had greater postoperative morbidity than those who underwent laparoscopy, while patients in the laparoscopy group had fewer major complications compared with those who underwent open resections, as well as shorter lengths of stay.

  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Aneuploïdie drijvende kracht bij evolutie van kanker (0)
2013-11-02 20:56   ( Nieuws )
Tags:  aneuploïdie davoli
In 1914 stelde Theodor Boveri dat ‘specific chromosome constitutions can be produced such that the cells that harbor it are driven to unrestrained proliferation’. 1 In tumoren komen terugkerende aneuploïdiepatronen voor, maar het was niet duidelijk of deze patronen bestaan vanwege de frequentie van iedere afzonderlijke SCNA (somatic copy number alterations) of omdat ze geselecteerd zijn vanwege een tumorigeen fenotype. In een publicatie in Cell bijna honderd jaar later (31 oktober 2013) komen onderzoekers van Harvard Medical School met de hypothese dat cumulatieve fenotypische effecten van veranderingen in aantallen STOP-genen (tumorsuppressorgenen) en GO-genen (oncogenen en voor overleving essentiële genen) leiden tot de selectiedruk die verantwoordelijk is voor het ontstaan van kanker.2 Ze stellen dat hun studieresultaten uitwijzen dat aneuploïdie niet alleen een kenmerk maar ook een drijvende kracht is bij de evolutie van kanker bij de mens.
De onderzoekers, onder leiding van prof. Stephen Elledge (Gregor Mendel professor of Genetics bij HMS) hebben het TUSON (Tumor Suppressor and Oncogene) Explorer computerprogramma ontwikkeld waarmee ze genoomsequentieanalyses hebben uitgevoerd van meer dan 8200 paren monsters van kanker- en gezond weefsel.Op basis van de mutatiepatronen maakten ze een lijst van vermoede oncogenen en tumorsuppressorgenen. Ze vonden veel meer potentiële cancer drivers dan ze hadden verwacht. Ze rangschikten deze kandidaat-genen aan de hand van hun waarschijnlijke effect op de ontwikkeling van kanker, en onderzochten waar op de chromosomen deze genen gewoonlijk voorkomen. Ze zagen dat het aantal tumorsuppressorgenen of oncogenen op een chromosoom gecorreleerd was aan de frequentie waarmee het gehele of gedeeltelijke chromosoom bij kanker is gedeletet of gedupliceerd. Op plaatsen waar de concentratie van STOP-genen verhoogd is en de concentratie van GO-genen verhoogd, daar komt in tumoren vaker chromosoomdeletie voor. Hoe hoger de potentie van de betrokken genen, des te sterker wordt de correlatie.
Het geaccepteerde tumorsuppressormodel van Knudson berust op de Two-Hit hypothese voor het ontstaan van tumoren bij familiaire kanker. De HMS-onderzoekers stellen dat het verliezen of winnen van een enkele kopie van een gen door aneuploïdie eveneens van grote invloed kan zijn op de tumorontwikkeling bij sporadische kanker.

Referenties
1.Boveri T. The origin of malignant tumors. Baltimore (Maryland): Williams and Wilkins
2.Davoli T, XU AW, Mengwasser KE et al. Cumulative Haploinsufficiency and Triplosensitivity Drive Aneuploidy Patterns and Shape the Cancer Genome.Cell 2013, epub ahead of print 31 oktober



  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Alternatieve VEGF-liganden bij resistentie mCRC tegen anti-VEGF therapie (0)
2013-11-01 20:42   ( Nieuws )
Tags:  anti-VGEF therapie lieu mCRC
Behandeling met bevacizumab verbetert vaak de overleving van patiënten met gemetastaseerde colorectaalkanker. Bij veel patiënten treedt evenwel na enige tijd wederom angiogenese op ondanks voortzetting van de VEGF-A blokkade. In preklinische experimenten zijn aanwijzingen verkregen voor het idee dat andere proangiogene factoren dan VEGF-A een rol spelen bij deze vermindering van de gevoeligheid voor behandeling met bevacizumab.
Dit schrijven Christopher Lieu (University of Colorado, Denver) en collega’s in PloS One.1 In het artikel beschrijven ze de uitkomsten van een studie naar de associatie van de niveaus van alternatieve VEGF-liganden met resistentie tegen anti-VEGF therapie bij mCRC-patiënten. Ze voerden hun studie uit bij twee cohorten: het ‘discovery cohort’ en het ‘validation cohort’.
Het discovery cohort bestond uit 42 patiënten die werden behandeld met FOLFIRI plus bevacizumab. In plasmamonsters van de patiënten bepaalden de onderzoekers het verloop in de tijd van de niveaus van PIGF, VEGF-A, VEGF-C en VEGF-D. De plasmamonsters werden verzameld bij aanvang, voor iedere cyclus van de chemotherapie, en ten tijde van progressie. In dit cohort vonden de onderzoekers een toename van VEGF-C met 49% voor progressie, en met 95% tijdens progressie (p<0,01). Ook PIGF was al voor en tijdens de progressie toegenomen, zoals reeds eerder gepubliceerd was.2 VEGF-Dnam niet toe voor de progressie, maar wel tijdens de progressie (met 23%, p=0,05). Bepaling van de VEGF-A niveaus werd verstoord door de aanwezigheid van bevacizumab-gebonden VEGF-A.
Het validation cohort bestond uit 403 mCRC-patiënten van wie tussen 2002 en 2008 bij hun eerste bezoek aan het onderzoekscentrum een plasmamonster werd genomen. De patiënten in dit cohort werden onderscheiden in drie groepen: patiënten bij wie het monster werd genomen voor aanvang van de behandeling, patiënten bij wie het monster werd genomen na progressie op chemotherapie zonder bevacizumab, en patiënten bij wie het monster werd genomen na progressie op chemotherapie plus bevacizumab. In dit cohort vonden de onderzoekers geen toename van VEGF-C na progressie op bevacizumab (vergeleken met niet behandelde patiënten). Wel vonden ze na progressie toename van PIGF (+43%, p=0,02) en VEGF-D (+6%, p=0,01). Patiënten die progressie vertoonden op chemotherapie plus bevacizumab hadden significant hogere niveaus van PIGF (+88%) maar niet van VEGF-C en VEGF-D dan patiënten die progressie vertoonden op behandeling met alleen chemotherapie.
De onderzoekers concluderen dat progressie op bevacizumab-therapie inderdaad gepaard gaat met verhoging van de niveaus van PIGF en VEGF-D. Deze liganden zijn geassocieerd met resistentie tegen bevacizumab-bevattende chemotherapie in mCRC. Op grond van deze studie kan overigens niet worden geconcludeerd dat er sprake is van een causaal verband tussen de toename van niveaus van de liganden en de progressie. ‘But the correlation we saw is compelling’, aldus Lieu in een interview met Science Daily (28 oktober 2013).

Referenties
1.Lieu CH, Tran H, Jiang Z-Q et al. The association of alternate VEGF ligands with resistance to anti-VEGF therapy in metastatic colorectal cancer. PloS One 2013;8:e77117
2.Kopetz S, Hoff PM, Morris JS et al. Phase II trial of infusional fluorouracil, irinothecan, and bevacizumab for metastatic colorectal cancer: efficacy and circulating angiogenic biomarkers associated with therapy resistance. J Clin Oncol 2010;28:453-459



  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Atypisch leeftijds-specifiek patroon HCC in Peru (1)
2013-09-03 21:05   ( Nieuws )
Tags:  hcc levercelcarcinoom peru
Uit klinisch epidemiologisch onderzoek blijkt dat levercelcarcinoom (HCC) wereldwijd een dominant patiëntenprofiel heeft dat overeenkomt met mannen ouder dan veertig jaar. In Zuid-Amerika komt de ziekte relatief weinig voor. Van alle landen in Zuid-Amerika heeft Peru de hoogste incidentie van HCC. In een artikel in PloS One beschrijven de Franse onderzoekers Stéphane Bertani en zijn collega’s een onderzoek naar de klinische epidemiologie van HCC in Peru.1 Ze vinden een atypisch leeftijds-specifiek patroon bij de Peruviaanse HCC-patiënten.
Bertani en coauteurs hebben een retrospectieve analyse gemaakt van de patiëntendossiers van 1.541 HCC-patiënten die tussen 1997 en 2010 werden opgenomen in het Instituto Nacional de Enfermedades Neoplásicas (INEN) in Lima. INEN is het belangrijkste oncologisch instituut in Peru. INEN nam in deze periode gemiddeld 122 HCC-patiënten per jaar op. De gemiddelde leeftijd van de patiënten was 44,8 jaar, en de man/vrouw-verhouding bedroeg 1,6 (61,1% mannen, 38,9% vrouwen). De gemiddelde diameter van de tumoren bedroeg 12,5 cm.
Er was een bimodale leeftijdsverdeling: voor de 778 patiënten jonger dan 44 jaar lag de piek bij gemiddeld 25,5 (mediaan 25,0) jaar, en voor de 763 patiënten ouder dan 44 jaar lag de piek bij gemiddeld 64,5 (mediaan 65) jaar. De man/vrouw-verhouding in de groep patiënten jonger dan 44 jaar bedroeg 2,0; en in de groep patiënten ouder dan 44 jaar 1,2 (p<0,0001). De gemiddelde diameter van de tumoren bedroeg 13,1 cm voor de patiënten jonger dan 44 jaar, en 11,4 cm voor de patiënten ouder dan 44 jaar. Bij de groep patiënten jonger dan 44 jaar werd een significant hoger prevalentie van metastasen op afstand gezien (p=0,007), terwijl bij de groep patiënten ouder dan 44 jaar meer multinodulaire HCC werd gezien (p=0,015). Uit analyses van de geografische herkomst van de patiënten blijkt dat de jongste patiënten vooral afkomstig zijn uit de Andes-regio en relatief weinig uit de Apurimac-regio, terwijl de oudere patiënten vooral in de kustgebieden en Zuid-Peru wonen.
De onderzoekers concluderen dat er twee verschillende leeftijds-specifieke vormen van HCC bestaan in de Peruviaanse patiëntenpopulatie. De studie suggereert het bestaan van een in Peru endemische specifieke risicofactor voor HCC.

Referentie
1.Bertani S, Pineau P, Loli S et al. An atypical age-specific pattern of hepatocellular carcinoma in Peru: a threat for Andean populations. PloS One 2013;8:e67756


  Er zijn 1 commentaren. Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)