Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Fase 3-studie van adjuvante pelvische RT versus vaginale brachytherapie plus chemotherapie voor endometriumcarcinoom (0)
2019-04-18 12:00   ( Nieuws )
Tags:  high-intermediate and high risk early stage EC vaginal brachytherapy plus chemotherapy
Dr. Marcus RandallAdjuvante pelvische radiotherapie (PRT) is een standaard-behandeling voor hoog-intermediair en hoog-risico vroeg-stadium endometriumcarcinoom. Een multicenter fase 3-studie in de Verenigde Staten heeft PRT in deze setting vergeleken met vaginale cuff brachytherapie plus paclitaxel plus carboplatine chemotherapie (VCB/C). Dr. Marcus Randall (University of Kentucky, Lexington) en collega’s publiceren de studie online in het Journal of Clinical Oncology.1

De studie includeerde patiënten met stadium I endometrioïd histologie-ziekte met hoog-intermediair risicocriteria of stadium II ziekte, of stadium I en II sereuze of heldercellige ziekte. De mediane leeftijd van de 601 geïncludeerde patiënten was 63 jaar, 74% had stadium I-ziekte, 71% had endometrioïde histologie, 15% sereuze histologie, en 5% heldercellige histologie. Ze werden gerandomiseerd naar PRT (45,0 tot 50,4 Gy over vijf weken) of VCB gevolgd door drie cycli chemotherapie. Het primaire eindpunt van de studie was recidiefvrije overleving na vijf jaar.

De mediane follow-up was 53 maanden. De zestig-maands RFS was 76% (95%-bti 70-81) met PRT versus 76% (95%-bti 70-81) met VCB/C. De zestig-maands overall survival was 87% (95%-bti 83-91) met PRT versus 85% (95%-bti 81-90) met VCB/C. Er waren ook geen significante verschillen tussen de armen voor vaginaal recidief of afstandsrecidief. Er was meer acute toxiciteit met VCB/C dan met PRT; late toxciteit was vergelijkbaar in de twee armen.

De onderzoekers concluderen dat de studie geen superioriteit van VCB/C vergeleken met standaard PRT heeft laten zien.

1.Randall ME, Filiaci V, McMeekin DS et al. Phase III trial: adjuvant pelvic radiation therapy versus vaginal brachytherapy plus paclitaxel/carboplatin in high-intermediate an high-risk early stage endometrial cancer. J Clin Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A multicenter phase 3 study compared adjuvant pelvic radiotherapy (PRT) with vaginal cuff brachytherapy plus chemotherapy (VCB/C) for high-intermediate and high-risk early stage endometrial cancer. The study did not demonstrate superiority of VCB/C compared with PRT. Acute toxicity was greater with VCB/C; late toxicity was similar.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Prognostische factoren voor overleving in chirurgisch behandelde hersenmetastasen (0)
2019-04-17 14:54   ( Nieuws )
Tags:  surgically treated brain metastases surival prognostic factors
Dr. Vasileios KavouridisChirurgie en bestraling zijn de belangrijkste behandelingen voor hersenmetastasen (BM), maar het management van BM verschuift steeds verder naar een meer geïndividualiseerde benadering gebaseerd op de onderliggende tumor. Een studie in Brigham and Women’s Hospital (Boston MA) heeft prognostische factoren voor overall survival geïnventariseerd in een cohort van patiënten die chirurgie ondergingen voor BM. Dr. Vasileios Kavouridis en collega’s publiceren de studie online in het Journal of Neuro-Oncology.1

De studie includeerde 1015 patiënten die tussen begin 2007 en eind 2017 in Boston chirurgie ondergingen voor BM. De meest-prevalente onderliggende tumoren waren longcarcinoom (43,9%), mammacarcinoom (14,4%), en melanoom (13,8%). De mediane OS voor het gehele cohort was 15,4 maanden (95%-bti 14,1-17,1) met de langste mediane OS voor patiënten met BM van mammacarcinoom (22,1 maanden; 95%-bti 17,8-30,3) en de kortste voor patiënten met colorectaalcarcinoom (10,6 maanden; 95%-bti 7,2-15,4). Significante prognostische factoren voor OS waren leeftijd, aantal lesies, extracraniële metastase op het moment van BM-diagnose, en Karnofsky performance status. Van de moleculaire factoren hadden alle driver-mutaties in longcarcinoom een gunstig effect (EGFR, ALK, en KRAS), was triple-negatieve status een ongunstige factor in mammacarcinoom, en was er geen effect van BRAF/NRAS-mutaties in melanoom.

De onderzoekers concluderen dat de studie de prognostische rol van de onderliggende tumor als prognostische factor voor OS in patiënten met BM onderstreept.

1.Kavouridis V, Harary M, Hulsbergen AFC et al. Survival and prognostic factors in surgically treated brain metastases. J Neuro-Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A study at Brigham and Women's Hospital (Boston) identified age, number of lesions, extracranial spread at diagnosis, and performance status as prognostic factors for overall survival in patients undergoing surgery for brain metastases.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Checkpointremmertherapie voor maligniteiten in transplantatie-ontvangers van vaste organen (0)
2019-04-17 14:00   ( Nieuws )
Tags:  cancer in solid organ transplantation recipients checkpoint inhibitor therapy
Dr. Adi DiabHet gebruik van checkpointremmers (CPIs) voor maligniteiten heeft geleid tot opmerkelijke resultaten, maar ook tot off-target inflammatoire en immuungerelateerde adverse events. Ontvangers van solide-orgaantransplantatie (SOT) zijn geëxcludeerd uit klinische studie van CPIs. Een retrospectieve studie van MD Anderson Cancer Center (Houston) en een systematisch overzicht van de literatuur heeft de veiligheid van CPIs voor maligniteiten in SOT-ontvangers geëvalueerd. Dr. Adi Diab en collega’s publiceren de resultaten online in het Journal for ImmunoTherapy of Cancer.1

Tussen begin 2004 en eind maart 2018 werden bij MD Anderson 11 patiënten die eerder SOT hadden ontvangen behandeld met CPIs voor een maligniteit, en in de literatuur vonden de onderzoekers publicaties over nog 28 van deze patiënten, zodat de nu gepubliceerde analyse 39 patiënten kon includeren. De mediane leeftijd van de 39 patiënten was 63 jaar (range 14-79), 74% waren mannen; 72% hadden metastatisch melanoom; 77% kregen anti-PD1 CPIs; 59% hadden niertransplantatie ondergaan, 28% levertransplantatie, en 13% harttransplantatie.

De mediane tijd tussen SOT en start van de CPI was negen jaar (range 0,9-32). Allograft-rejectie na start van de CPI werd gezien 11 van 23 niertransplantatie-ontvangers, 4 van 11 levertransplantatie-ontvangers, en 1 van 5 harttransplantatie-ontvangers (16 van 39 patiënten; 41%). De mediane tijd tot rejectie was 21 dagen na start van de CPI (95%-bti 19,3-22,8). Graft-verlies werd gezien in 13 van deze 16 patiënten (81%). Achttien patiënten overleden (46%), voornamelijk vanwege allograft-rejectie of complicaties daarvan.

De onderzoekers concluderen dat in een hoog percentage van de SOT-ontvangers kort na de start van de CPI allograft-rejectie werd gezien, met een hoge mortaliteit.

1.Abdel-Wahab N, Safa H, Abudayyeh A et al. Checkpoint inhibitor therapy for cancer in solid organ transplantation recipients: an institutional experience and a systematic review of the literature. J ImmunoTher Cancer 2019; epub ahead of print

Summary: A study at MD Anderson Cancer Center plus a systematic review of the literature identified 39 patients who received checkpoint inhibitor (CPI) therapy for cancer after solid organ transplantation (SOT). Median time to CPI initiation after SOT was 9 years. Allograft rejection occurred in 41% of the patients, median 21 days after CPI initiation. Graft loss occurred in 13 of these 16 patients (81%). Eighteen patients died (46%), primarily because of allograft rejection or rejection complications.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Detectie van gepersonaliseerd circulerend tumor DNA voorafgaand aan metastatisch recidief van mammacarcinoom (0)
2019-04-17 13:00   ( Nieuws )
Tags:  breast cancer metastatic recurrence personalized ctDNA profiling
Prof. Charles CoombesIn tot 30% van de patiënten met mammacarcinoom wordt op enig moment na de primaire behandeling relapse gezien. Er zijn geen sensitieve en betrouwbare testen om afstandsmetastase te monitoren voor het optreden van openlijk recidief. Een multicenterstudie in Engeland heeft de waarde onderzocht van profilering van gepersonaliseerd circulerend tumor DNA voor de detectie van recidief. Prof. Charles Coombes (Imperial College London, UK) en collega’s publiceren de studie online in Clinical Cancer Research.1

De studie includeerde 49 patiënten met primair mammacarcinoom na chirurgie en adjuvante behandeling. De onderzoekers namen iedere zes maanden plasmamonsters (n=208) tot maximaal vier jaar na inclusie, en testten met ultra-deep sequencing de aanwezigheid van ctDNA met gepersonaliseerde assays gericht op zestien varianten gekozen uit whole exome data van de primaire tumor. In achttien patiënten trad recidief op. In zestien van deze achttien patiënten werd plasma ctDNA gedetecteerd voorafgaand aan klinische of radiologische relapse (sensitiviteit 89%). Metastatisch recidief werd aan de hand van detectie van plasma ctDNA worden voorspeld met een lead time van 0,5 tot 24 maanden (mediaan 8,9 maanden). Van de twee patiënten met relapse zonder ctDNA-detectie had één patiënt alleen lokaal recidief en had de tweede patiënt (botrecidief) de chemotherapie dertien dagen voor de monstername voltooid. In de 156 plasmamonsters van de 32 patiënten zonder relapse werd op geen enkel tijdstip ctDNA gedeteceerd (specificiteit 100%).

De onderzoekers concluderen dat analyse van patiënt-specifiek ctDNA een sensitieve en specifieke benadering kan zijn van surveillance voor mammacarcinoom, en dat vroege detectie een mogelijke window of opportunity biedt voor therapeutische interventie.

1.Coombes C, Page K, Salari R et al. Personalized detection of circulating tumor DNA antedates breast cancer metastatic recurrence. Clin Cancer Res 2019; epub ahead of print

Summary: A multicenter study in the UK found that patient-specific ctDNA analysis can be a sensitive and specific approach for disease surveillance for breast cancer patients, predicting metastatic relapse with a median lead time of 8.9 months (range 0.5-24.0) over radiological or clinical detection.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Stratificatie naar risico van progressie in asymptomatische Waldenström macroglobulinemie (0)
2019-04-17 12:00   ( Nieuws )
Tags:  asymptomatic WM progression risk stratification
Prof. Irene GhobrialAsymptomatische Waldenström macroglobulinemie (AWM) is een voorstadium van WM. Risicofactoren voor progressie van AWM naar WM zijn niet goed gedefinieerd. Een studie van Dana-Farber Cancer Institute (Boston MA) heeft deze risicofactoren geïdentificeerd. Prof. Irene Ghobrial en collega’s publiceren de studie online in het Journal of Clinical Oncology.1

De studie includeerde 439 patiënten met een diagnose AWM tussen begin 1992 en eind 2014. De mediane follow-up was 7,8 jaar. Progressie naar symptomatische WM werd gezien in 317 patiënten (72%). Onafhankelijke risicofactoren voor progressie waren immuunglobuline M 4500 mg/dl of hoger, beenmerg lymfoplasmacytische infiltratie 70% of hoger, β2-microglobuline 4,0 mg/dl of hoger, en albumine 3,5 g/dl of lager. De onderzoekers construeerden een model dat het cohort verdeelde in drie onderscheiden risicogroepen: een hoog-risicogroep met een mediane tijd tot progressie 1,8 jaar; een intermediair-risicogroep met een mediane TTP 4,8 jaar; een een laag-risicogroep met een mediane TTP 9,3 jaar. Het model is robuust en generaliseerbaar bevonden in twee externe validatiecohorten.

De onderzoekers concluderen dat het model kan worden gebruikt voor de risicostratificatie van patiënten met AWM. Patiënten met hoog risico van progressie kunnen wellicht profiteren van geïntensiveerde follow-up of vroege interventie.

1.Bustoros M, Sklavenitis-Pistofidis R, Kapoor P et al. Progression risk stratification of asymptomatic Waldenström macroglobulinemia. J Clin Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A studie of patients of Dana-Farber Cancer Institute (Boston) identified risk factors for progression of asymptomatic Waldenström macroglobulinemia to overt WM. 


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Subtotale resectie voor vestibulaire schwannomen: impact op functie van nervus facialis (0)
2019-04-16 14:58   ( Nieuws )
Tags:  vestibular schwannoma subtotal resection facial nerve function
Prof. Robert WharenEr is controverse over de waarde van subtotale resectie (STR) voor vestibulaire schwannomen (VS). Een studie in de Mayo Clinic Florida (Jacksonville) heeft volumeveranderingen van de tumoren en impact of de functie van de nervus facialis na STR voor VS geïnventariseerd. Prof. Robert Wharen en collega’s publiceren de studie online in het Journal of Neuro-Oncology.1

Tussen begin 2002 en eind 2017 ondergingen in Jacksonville 34 patiënten STR voor VS. De mediane leeftijd was 53 jaar (range 21-87), de mediane preoperatieve tumordiameter was 3,0 cm (range 1,6-6,0), en het mediane preoperatieve tumorvolume was 9,6 cm3 (range 2,8-44,3). De mediane extent of resection was 90% (range 53-90). De gemiddelde radiografische follow-up was 40 maanden (range 6-120) en de gemiddelde klinische follow-up was 51 maanden (range 7-141). Onmiddellijk na de operatie was de functie van de nervus facialis optimaal (House-Brackmann score 1 of 2) in 85% van de patiënten; na een jaar was dit het geval voor 91%; en bij laatste follow-up voor 94%. Vergeleken met een jaar eerder was er significante regressie van het tumorvolume één jaar (p=0,006) en twee jaar (p=0,02) maar niet drie jaar (p=0,08) na de operatie.

De onderzoekers concluderen dat STR voor grote VS-tumoren resulteerde in excellente nervus facialis uitkomsten. Maximale reductie van het tumorvolume werd gezien ongeveer twee jaar na de operatie. STR en watch and wait voor grote VS kan een rationele behandeloptie zijn.


1.Akinduro OO, Lundy LB, Quinones-Hinojosa A et al. Outcomes of large vestibular schwannomas following subtotal resection: early post-operative volume regression and facial nerve function. J Neuro-Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A study at Mayo Clinic Florida (Jacksonville) found that excellent clinical facial nerve outcomes can be obtained with subtotal resection of large vestibular schwannoma tumors. Maximal reduction in tumor size occurred at 2 years after resection. STR plus watch and wait strategy is a reasonable treatment option that may optimize facial nerve outcomes.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Inotuzumab ozogamicine plus mini-HCVD met of zonder blinatumomab versus HCVAD voor Ph- ALL in oudere patiënten (0)
2019-04-16 13:59   ( Nieuws )
Tags:  Ph-negative ALL in older patients frontline targeted therapy plus low-intensity chemotherapy
Dr. Elias JabbourOudere patiënten met nieuw-gediagnostiseerd Philadelphia-chromosoom negatief ALL hebben een slechte prognose. De combinatie van gerichte therapie met lage-intensiteit chemotherapie is veilig en effectief. Een studie van MD Anderson Cancer Center (Houston TX) vergeleek de combinatie van inotuzumab ozogamicine plus lage-intensiteit chemotherapie (mini-HCVD) met of zonder blinatumomab versus standaard intensieve chemotherapie (HCVAD) als frontline behandeling voor Ph-negatief ALL in oudere patiënten. Dr. Elias Jabbour en collega’s publiceren de studie online in Cancer.1

De studie includeerde 135 oudere patiënten met nieuw-gediagnostiseerd Ph-negatief ALL. Er waren 77 patiënten die standaard HCVAD kregen en 58 patiënten die inotuzumab ozogamicine plus mini-HCVD al of niet met blinatumomab kregen. De combinatie van antilichaam met lage-intensiteit chemotherapie vergeleken met standaard intensieve chemotherapie resulteerde in hoger percentage patiënten met respons (98% versus 88%), lager percentage patiënten met vroeg overlijden (0% versus 8%), en lager percentage overlijden in complete remissie (5% versus 17%). In propensity score analyse (38 patiënten in beide groepen) was de drie-jaars gebeurtenisvrije overleving 64% versus 34% (p=0,003) en de drie-jaars overall survival 63% versus 34% (p=0,004). In multivariate analyse was behandeling met inotuzumab ozogamicine plus mini-HCVD met of zonder blinatumomab versus HCVAD geassocieerd met betere OS (HR 0,550; p=0,020).

De onderzoekers concluderen dat de combinatie van inotuzumab ozogamicine plus mini-HCVD met of zonder blinatumomab een veilige en werkzame frontline behandeling was voor Ph-negatief ALL in oudere patiënten, en geassocieerd was met betere uitkomsten dan standaard HCVAD chemotherapie.

1.Jabbour EJ, Sasaki K, Ravandi F et al. Inotuzumab ozogamicin in combination with low-intensity chemotherapye (mini-HCVD) with or without blinatumomab versus standard intensive chemotherapy (HCVAD) as frontline therapy for older patients with Philadelphia chromosome-negative acute lymphoblastic leukemia: a propensity score analysis. Cancer 2019; epub ahead of print

Summary: A study at MD Anderson Cancer Center (Houston) compared inotuzumab ozogamicin in combination with low-intensity chemotherapy (mini-HCVD) with or without blinatumomab versus standard intensive chemotherapy (HCVAD) as frontline therapy for Philadelphia chromosome-negative ALL in older patients. The antibody plus low-intensity chemotherapy combination induced higher response rates (98% versus 88%), with lower rates of early death (0% versus 8%) and lower rates of death in complete remission (5% versus 17%).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Lung Immune Prognostic Index: voorspelling van respons en overleving met atezolizumab voor NSCLC (0)
2019-04-16 13:00   ( Nieuws )
Tags:  LIPI non-small cell lung cancer atezolizumab
Prof. Michael SorichEr is aanzienlijke inter-patiënt variabiliteit in respons op immuuncheckpointremmers voor NSCLC, en er is behoefte aan markers die uitkomsten kunnen voorspellen. De Lung Immune Prognostic Index (LIPI) is recent ontwikkeld als zo’n predictieve marker, gebaseerd op pre-treatment neutrofiel/lymfocyt-ratio (NLR) en lactaatdehycrogenase-activiteit (LDH). Prof. Michael Sorich (Flinders University, Adelaide, Australië) en collega’s hebben een gepoolde analyse uitgevoerd van de voorspellende waarde van LIPI voor de uitkomsten van atezolizumab voor NSCLC. Ze publiceren de analyse online in het Journal of Thoracic Oncology.1

De analyse is gebaseerd op patiënt-niveau data van vier klinische studies van atezolizumab versus docetaxel voor NSCLC. De publicaties omvatten gegevens over pre-treatment NLR en LDH. De analyse definieerde good LIPI als geen van de beide risicofactoren NLR hoger dan 3 en LDH hoger dan de upper limit of normal, intermediate LIPI als één van beide risicofactoren, en poor LIPI als beide risicofactoren. Onder de 1489 atezolizumab-behandelde patiënten hadden 678 good LIPI, 631 intermediate LIPI, en 180 poor LIPI. De overall survival in deze drie groepen was 18,4 maanden; 11,3 maanden; en 4,5 maanden (p<0,001). LIPI-groepen waren ook significant geassocieerd met progressievrije overleving (p<0,001) en respons (p<0,001). LIPI-groepen waren overigens ook significant geassocieerd met overleving (p<0,001) en respons (p=0,005) in de gepoolde docetaxel-armen van de vier studies (n=687).

De onderzoekers concluderen dat pre-treatment LIPI een eenvoudig te bepalen marker is die onder atezolizumab-behandelde NSCLC-patiënten groepen kan identificeren met significant verschillende overleving en respons. LIPI is ook een voorspellende marker voor overleving en respons van docetaxel-behandelde patiënten.

1.Sorich MJ, Rowland A, Karapetis CS, Hopkins AM. Evaluation of the lung immune prognostic index for prediction of survival and response in patients treated with atezolizumab for non-small cell lung cancer: pooled analysis of clinical trials. J Thor Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A pooled analysis of patient-level data from four studies found that pre-treatment Lung Immune Prognostic Index (LIPI) is a convenient prognostic marker able to identify atezolizumab-treated NSCLC patient groups with significantly different survival and response outcomes. LIPI was also a prognostic marker of survival and response for patients who received docetaxel chemotherapy.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)