Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Twee-jaars uitkomsten van lymfaticoveneuze anastomose voor lymfoedeem (0)
2020-08-08 13:29   ( Nieuws )
Tags:  breast cancer lymphedema lymphaticovenous anastomosis
Dr. Shan QiuLymfoedeem is een debiliterende aandoening die kan resulteren in significante verlaging van de kwaliteit van leven. Een studie van Maastricht University Medisch Centrum heeft de twee-jaars uitkomsten geïnventariseerd van lymfaticoveneuze anastomose (LVA) voor lymfoedeem van de extremiteiten. Dr. Shan Qiu en collega’s publiceren de studie in Breast Cancer Research and Treatment.1

De studie includeerde 100 achtereenvolgende patiënten met lymfoedeem, onder wie 85 met lymfoedeem van de arm na behandeling voor mammacarcinoom. De patiënten ondergingen in totaal 132 LVAs na indocyanine-groen lymfografie. Het primaire eindpunt van de studie was QOL, bepaald met de Lymphedema Functioning, Disability, and Health vragenlijst (Lymph-ICF). Tijdens gemiddeld 25 maanden follow-up nam de gemiddelde Lymph-ICF score significant af van 43,9 voorafgaand aan de ingreep tot 30,6 aan het eind van de follow-up. De gemiddelde omtrek van de arm nam niet significant af, maar 65% van de patiënten had minder compressiekleding nodig. Onder de patiënten met lymfoedeem van de arm nam na de LVA het aantal cellulitis-episoden per jaar af met gemiddeld 0,6 en het aantal manual lymphatic drainage sessions per week met gemiddeld 0,8.

De onderzoekers concluderen dat LVA resulteerde in significant verbetering van de lymfoedeem-specifieke QOL.

1.Qiu SS, Pruimboom T, Cornelissen AJM et al. Outcomes following lymphaticovenous anastomosis (LVA) for 100 cases of lymphedema: results over 24 months follow-up. Breast Cancer Res Treat 2020; epub ahead of print

Summary: A study in The Netherlands found that lymphaticovenous anastomosis for lymphedema resulted in significant improvement of quality of life.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Dabrafenib plus trametinib voor tumoren met BRAF-V600E mutaties (0)
2020-08-08 12:00   ( Nieuws )
Tags:  NCI-MATCH trial subprotocol H BRAF-V600E mutated tumors dabrafenib plus trametinib
Dr. April SalamaBRAF-V600E mutaties worden gewoonlijk gezien in melanoom en schildkliermaligniteiten, en in mindere mate ook in andere typen tumoren. Subprotocol H van de NCI-MATCH studie onderzocht de waarde van gecombineerde remming van BRAF met dabrafenib en MEK1/2 met trametinib voor solide tumoren, lymfomen, en multipel myeloom met een BRAF-V600E mutatie. Dr. April Salama (Duke University, Durham NC) en collega’s publiceren resultaten van het protocol in het Journal of Clinical Oncology.1

De studie includeerde 35 patiënten. De mediane leeftijd was 59 jaar, en 45% had drie of meer lijnen eerdere therapie gekregen. De patiënten kregen dabrafenib 150 mg tweemaal per dag plus trametinib 2 mg eenmaal per dag. De behandeling werd voortgezet tot ziekteprogressie of niet-acceptabele toxiciteit optrad. Het primaire eindpunt was percentage patiënten met objectieve respons. Onder de 29 voor respons evaluabele patiënten was de ORR 38% (90%-bti 22,9-54,9) waarmee voldaan werd aan het criterium voor werkzaamheid (p<0,0001versus een null rate van 5%). Responsen werden gezien in zeven verschillende typen tumoren. Zeven patiënten hadden tumoren met een respons langer dan 12 maanden, inclusief vier met duur van respons langer dan 24 maanden. De mediane progressievrije overleving was 11,4 maanden (90%-bti 8,4-16,3), en acht patiënten hadden PFS langer dan 6 maanden. De mediane overall survival was 28,6 maanden. Adverse events waren consistent met wat eerder is gerapporteerd voor dabrafenib en trametinib.

De onderzoekers concluderen dat de combinatie van dabrafenib en trametinib actief was voor eerder-behandelde tumoren met BRAF-V600E mutatie.

1.Salama AKS, Li S, Macrae ER et al. Dabrafenib and trametinib in patients with tumors with BRAF-V600E mutations: results of the NCI-MATCH trial subprotocol H. J Clin Oncol 2020; epub ahead of print

Summary: Subprotocol H of the NCI-MATCH trial evaluated the combination of the BRAF inihibitor dabrafenib and the MEK1/2 inhibitor trametinib for tumors with BRAF-V600E mutations in pretreated patients with 7 distinct tumor types. The study met its primary end point with an ORR of 38% (99% CI 22.9-54.9).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Impact van uitstel van chirurgie voor DCIS of vroeg-stadium ER-positief mammacarcinoom op staging en overall survival (0)
2020-08-07 15:00   ( Nieuws )
Tags:  DCIS and early stage HR-positive breast cancer time to surgery staging overall survival
Prof. Elizabeth MittendorfDe COVID-19 pandemie heeft in veel gevallen geresulteerd in uitstel van chirurgie voor DCIS en vroeg-stadium ER-positief mammacarcinoom. De patiënten kregen vaak neoadjuvante endocriene therapie (NET). Een analyse van de National Cancer Database heeft de associatie onderzocht tussen tijd-tot-chirurgie (TTS), staging, en overall survival. Prof. Elizabeth Mittendorf (Dana-Farber/Brigham and Women’s Cancer Center, Boston MA) en collega’s publiceren de analyse in het Journal of the American College of Surgeons.1

In de NCDB over de periode van begin 2010 tot eind 2016 identificeerden de onderzoekers 378.839 patiënten met DCIS of ER+ cT1-2N0 mammacarcinoom. Onder de patiënten die primaire chirurgie ondergingen was de TTS korter dan 120 dagen in meer dan 98% van beide groepen. Onder de patiënten met cT1-2N0 ziekte die NET kregen vond de chirurgie plaats binnen 120 dagen in 59,6% van de cT1N0-patiënten en in 30,9% van de cT2N0-patiënten. Hogere TTS was geassocieerd met hogere waarschijnlijkheid van pathologische upstaging in DCIS-patiënten (versus 60 dagen of korter: ER+ 60-120 dagen OR 1,15; 95%-ti 1,08-1,22; langer dan 120 dagen OR 1,44; 95%-bti 1,24-1,68; ER- 60-120 dagen NS; langer dan 120 dagen OR 1,36; 95%-bti 1,01-1,82) maar niet in patiënten met invasief mammacarcinoom. Er was geen TTS-afhankelijk verschil in OS voor DCIS- of NET-patiënten.

De onderzoekers concluderen dat langere TTS geassocieerd was met geringe toename van pathological upstaging in DCIS, maar geen impact had op OS. In patiënten met cT1-2N0 was er geen impact van TTS op stadium of OS. De analyse steunt de veiligheid van uitstel van chirurgie voor ER+ mammacarcinoom tijdens de pandemie (graphical abstract).

1.Minami CA, Kantor O, Weiss A et al. Association between time to operation and pathological stage in ductal carcinoma in situ and early-stage hormone receptor-positive breast cancer. J Am Coll Surg 2020; epub ahead of print

Summary: Analysis of the National Cancer Database showed that increased time to surgery was associated with a small increase in pathological upstaging in DCIS patients, but did not impact OS. In ER-positive patients with cT1-2N0 disease, use of neoadjuvant endocrine therapy did not impact stage or OS, supporting the safety of delay strategies in ER+ breast cancer during the pandemic.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Trend in overleving van patiënten met anaplastisch schildkliercarcinoom, 2000-2020 (0)
2020-08-07 14:00   ( Nieuws )
Tags:  anaplastic thyroid carcinoma overall survival trend from 2000 to 2019
Dr. Maria CabanillasDe historische mediane overall survival van patiënten met anaplastisch schildkliercarcinoom (ATC) was ongeveer vier maanden vanaf het moment van diagnose, met een ziekte-specifieke mortaliteit tegen de 100%. Een analyse van ATC-patiënten van MD Anderson Cancer Center heeft de impact geïnventariseerd van moderne verbeteringen in het management van ATC op de OS. Dr. Maria Cabanillas en collega’s publiceren de analyse in JAMA Oncology.1

De retrospectieve cohortstudie includeerde ATC-patiënten met presentatie in de periode 2000 tot en met 2013 (n=227), 2014 tot en met 2016 (n=100), en 2017 tot en met oktober 2019 (n=152). De mediane leeftijd van deze 246 mannen en 233 vrouwen was 65,0 jaar (range 21,1-92,6); 11% had bij presentatie stadium IVA, 36% had stadium IVB, en 53% had stadium IVC. De mediane OS van alle patiënten tezamen was 0,79 jaar (range 0,01-16,63).

De figuur laat zien dat de één-jaars OS 35% was in de 2000-2013 groep, 47% in de 2014-2016 groep, en 59% in de 2017-2019 groep; de twee-jaars OS in de drie groepen was 18%, 25%, en 42%. De OS-HR voor 2017-2019 versus 2000-2013 was 0,50 (p<0,001). Factoren die geassocieerd waren met verbetering van de OS waren gebruik van gerichte therapie (HR 0,49; p<0,001), toevoeging van immuuntherapie aan gerichte therapie (HR 0,58; p=0,03), en chirurgie na neoadjuvante BRAF-gerichte therapie (HR 0,29; p=0,02). In de groep van twintig patiënten die chirurgie ondergingen na neoadjuvante BRAF-gerichte therapie was de één-jaars OS 94%.

De onderzoekers concluderen dat veranderingen in het management van ATC gedurende de laatste twee decennia hebben geresulteerd in aanzienlijke verbetering van de uitkomsten.

1.Maniakas A, Dadu R, Busaidy NL et al. Evaluation of overall survival in patients with anaplastic thyroid carcinoma, 2000-2019. JAMA Oncol 2020.3362

Summary: A retrospective cohort study at MD Anderson Cancer Center (Houston, TX) found that the one-year and two-year overall survival of patients with anaplastic thyroid cancer increased from 35% and 18% among patients with a diagnosis in 2000-2013 to 59% and 42% among patients with a diagnosis in 2017-2019. Factors associated with these improvements were targeted therapy, addition of immunotherapy to targeted therapy, and surgery following neoadjuvant BRAF-directed therapy.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie van lymph node ratio met overall survival van patiënten met mPTC (0)
2020-08-07 13:00   ( Nieuws )
Tags:  metastatic papillary thyroid cancer lymph node ratio
Dr. Blaine SmithIn patiënten met papillair schildkliercarcinoom (PTC) wordt frequent metastase naar de cervicale lymfeklieren gezien (in verschillende studies uiteenlopend van 30% tot 80% van de patiënten). Er is geen duidelijkheid over de associatie van cervicale lymfekliermetastase met de overall survival. Een analyse van de National Cancer Database heeft de associatie tussen lymph node ratio (LNR; verhouding tussen het aantal ziektepositieve klieren en het totaal aantal bij halsdissectie geoogste klieren) en de OS van patiënten met PTC onderzocht. Dr. Blaine Smith (Duke University, Durham NC) en collega’s publiceren de analyse in JAMA Otolaryngology – Head and Neck Surgery.1

In de NCDB voor de periode van begin 2004 tot eind 2014 identificeerden de onderzoekers 13.342 patiënten (60,6% vrouwen en 39,4% mannen; gemiddelde leeftijd 46,3 jaar; SD 16,0) die chirurgie met laterale halsdissectie ondergingen voor N1b mPTC. Onder deze patiënten overleden er tijdens de follow-up 769 (5,7%) aan all causes. De mediane LNR was 0.35 (IQR 0,20-0,59). In univariate analyse was hogere LNR niet significant geassocieerd met verhoogd risico van overlijden (HR 0,93; 95%-bti 0,73-1,17). Ook na correctie voor andere prognostische factoren was er geen significante associatie tussen hogere LNR en verhoogd risico van overlijden (gecorrigeerd HR 1,20; 95%-bti 0,94-1,53) hoewel de ligging van het 95%-betrouwbaarheidsinterval zou kunnen wijzen op een klinisch relevant verhoogd risico. Ook na inclusie van lymph node yield in het model was er geen statistisch significante associatie (aHR 1,32; 95%-bti 0,99-1,75).

De onderzoekers concluderen dat de analyse geen statistisch significante associatie heeft laten zien tussen LNR en risico van overlijden onder patiënten met mPTC.

1.Smith BD, Oyekunie TO, Thomas SM et al. Association of lymph node ratio with overall survival in patients with metastatic papillary thyroid cancer. JAMA Otolaryngol Head Neck Surg 2020.2053

Summary: Analysis of the National Cancer Database found that in patients with metastatic papillary thyroid cancer, after controlling for other prognostic factors, increasing lymph node ratio was not significantly associated with increased risk of death. This finding was maintained after adjustment for lymph node yield, and higher LNY was also not significantly associated with decreased overall survival.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 1-2 basket-studie van olaparib plus durvalumab voor MBC in patiënten met BRCA-kiemlijnmutatie (0)
2020-08-07 12:00   ( Nieuws )
Tags:  MEDIOLA study metastatic breast cancer in BRCA-mutated patients olaparib plus durvalumab
Prof. Susan DomchekIn preklinische studies is antitumoractiviteit gezien van PARP-remmers in combinatie met immuuntherapie. De multinationale fase 1-2 basket-studie MEDIOLA onderzoekt de combinatie van olaparib en durvalumab voor solide tumoren. Een van de MEDIOLA-cohorten bestaat uit patiënten met metastatisch mammacarcinoom (MBC) en een kiemlijn BRCA1- of BRCA2-mutatie. Prof. Susan Domchek (University of Pennsylvania, Philadelphia) en collega’s publiceren resultaten van dit cohort in The Lancet Oncology.1

MEDIOLA werd uitgevoerd in veertien centra in Frankrijk, Israël, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, Zuid-Korea, en Zwitserland. De studie includeerde 34 patiënten in de leeftijd van 18 jaar en ouder met BRCA1/2-kiemlijnmutatie en progressief HER2-negatief MBC waarvoor ze ten hoogste twee eerdere lijnen chemotherapie gekregen hadden. De patiënten kregen olaparib-tabletten 300 mg tweemaal daags gedurende vier weken, gevolgd door combinatie van oraal olaparib 300 mg tweemaal daags plus intraveneus durvalumab 1,5 mg eens per vier weken. De behandeling werd voortgezet tot ziekteprogressie. Primaire eindpunten waren veiligheid, tolerabiliteit, en percentage patiënten met ziektecontrole na twaalf weken.

Graad 3 of 4 adverse events werden gerapporteerd voor elf patiënten (32%); vooral anemie (12% van de patiënten), neutropenie (9%), en pancreatitis (6%). Er waren geen graad 5 AEs. Drie patiënten (9%) discontinueerden de behandeling wegens AEs. Ziektecontrole na twaalf weken werd gezien in 24 van 30 voor activiteit evalueerbare patiënten (80%; 90%-bti 64,3-90,9).

De onderzoekers concluderen dat de combinatie van olaparib en durvalumab veelbelovende activiteit had voor HER2-negatief MBC in patiënten met BRCA1/2-kiemlijnmutatie. De veiligheid was vergelijkbaar met wat is gerapporteerd voor studies met beide middelen als monotherapie.

1.Domchek SM, Postel-Vinay S, Im S-A et al. Olaparib and durvalumab in patients with germline BRCA-mutated metastatic breast cancer (MEDIOLA): an open-label, multicentre, phase ½, basket study. Lancet Oncol 2020; epub ahead of print

Summary: The multinational phase 1-2 basket study MEDIOLA found promising antitumor activity of the combination of olaparib and durvalumab for metastatic breast cancer in patients with a germline BRCA1 or BRCA2 mutation. The safety was similar to that previously observed in olaparib and durvalumab monotherapy studies. 


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie tussen ABCB1-genvarianten en persistente chemotherapie-geassocieerde alopecie in vrouwen met mammacarcinoom (0)
2020-08-06 15:00   ( Nieuws )
Tags:  breast cancer chemotherapy-induced alopecia ABCB1 genetic variants
Dr. Anna González NeiraPersistente chemotherapie-geassocieerd alopecie (pCIA) is in recente studies gezien in tot 10% van patiënten die chemotherapie kregen voor mammacarcinoom. Er is tot op heden geen informatie beschikbaar over genetische risicofactoren voor pCIA. Een genoom-brede associatiestudie (GWAS) in drie centra in Spanje heeft deze risicofactoren geïnventariseerd. Dr. Anna González Neira (Centro Nacional de Investigaciones Oncologicas, Madrid) en collega’s publiceren de studie in JAMA Dermatology.1

De retrospectieve studie includeerde 215 vrouwen (mediane leeftijd 51,6 jaar; IQR 44-60) die docetaxel-gebaseerde chemotherapie hadden gekregen voor mammacarcinoom met follow-up 1,5 tot 10 jaar na voltooiing van de behandeling. Ernstige pCIA werd gedefinieerd als geen terugkeer van haargroei (CTCAE graad 2) binnen achttien maanden na de behandeling. Patiënten met pCIA graad 2 werden in de analyse beschouwd als cases, en patiënten zonder alopecie binnen twaalf maanden na de behandeling als controls. De GWAS werd uitgevoerd in het discovery cohort van 173 patiënten. In het discovery cohort waren genetische varianten in ABCB1 geassocieerd met risico van pCIA. Met name SNP rs1202179 was geassocieerd met ontwikkeling van pCIA. Deze variant resulteert in verlaging van de expressie van ABCB1-mRNA. De associatie met pCIA werd gevalideerd in het replicatiecohort van 42 patiënten. De gecombineerde met de variant samenhangende OR van pCIA was 4,05 (p= 3,9 x 10-8).

De onderzoekers concluderen dat er een associatie bestaat tussen een regulatorische variant in het ABCB1-gen en de ontwikkeling van pCIA in vrouwen die docetaxel-gebaseerde therapie kregen voor mammacarcinoom.

1.Núñez-Torres R, Martín M, García-Sáenz JA et al. Association between ABCB1 genetic variants and persistent chemotherapy-induced alopecia in women with breast cancer. JAMA Dermatol 2020.1867

Summary: A genome-wide assocation study found an association between a regulatory variant in the ABCB1 gene and the occurrence of persistent chemotherapy-induced alopecia in women who received docetaxel-based therapy for breast cancer.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Persistente bestralings-geïnduceerde alopecie in patiënten met maligniteiten (0)
2020-08-06 14:00   ( Nieuws )
Tags:  persistent radiation-induced alopecia in cancer patients
Dr. Mario LacoutureVerbeteringen in de behandelingen van CNS-tumoren en tumoren van hoofd en hals hebben geresulteerd in verbetering van de overleving van patiënten, met als keerzijde toename van het aantal overlevers met bijwerkingen van de behandeling. Een van de bijwerkingen van craniële radiotherapie is persistent radiation-induced alopecia (pRIA). Een retrospectieve cohortstudie in Memorial Sloan Kettering Cancer Center (New York) en St. Jude Children’s Research Hospital (Memphis TN) heeft het voorkomen en respons op behandeling geïnventariseerd van pRIA in kinderen en volwassenen met CNS-tumoren en sarcomen van hoofd en hals. Dr. Mario Lacouture (MSKCC) en collega’s publiceren de studie in JAMA Dermatology.1


Tussen begin 2011 en eind januari 2019 werden in de twee centra 71 patiënten met pRIA gezien na radiotherapie voor CNS-tumoren (90% van de patiënten) of HN-sarcomen (10%). De mediane leeftijd was 27 jaar (range 4-75). De mediane duur tussen bestraling en pRIA-evaluatie was 100 weken (IQR 58-405). De ernst van de alopecie was graad 1 in 40 patiënten (56%), met gelokaliseerde (54%), diffuse (24%), of gemengde (22%) patronen. De mediane geschatte scalp radiation dose was 39,6 Gy (range 15,1-50,0). Hogere dosering (OR 1,15; 95%-bti 1,04-1,28) en protonen-bestraling (OR 5,7; 95%-bti 1,05-30,8) waren geassocieerd met hogere ernst van de alopecie (p<0,01), en de dosering die resulteerde in ernstige (graad 2) pRIA in 50% van de patiënten was 36,1 Gy (95%-bti 33,7-39,6). Achtentwintig van 34 patiënten (82%) hadden respons op topisch minoxidil (5% oplossing); twee van twee patiënten hadden respons op haartransplantatie, en één van één patiënt had respons op plastisch-chirurgische reconstructie.

De onderzoekers concluderen dat pRIA onder patiënten met CNS-tumoren en HN-sarcomen een doseringsafhankelijk fenomeen is, en dat topisch minoxidil en procedurele interventies voor pRIA werkzaam kunnen zijn.

1.Phillips GS, Freret ME, Novetsky Friedman D et al. Assessment and treatment outcomes of persistent radiation-induced alopecia in patients with cancer. JAMA Dermatol 2020.2127

Summary: A study in two US centers found that persistent radiation-indiced alopecia among patients with primary CNS tumors or head and neck sarcomas is a dose-dependent phenomenon. pRIA-patients may benefit from topical minoxidil and surgery.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)