Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Prospectieve studie van associatie tussen circulerende markers van leverfunctie en risico van colorectaalcarcinoom (0)
2020-10-24 13:29   ( Nieuws )
Tags:  prospective study of association of lever function and CRC risk
Dr. Mingyang SongEr zijn aanwijzingen voor een associatie van de leverfunctie met ontwikkeling van colorectaalcarcinoom. Een prospectieve cohortstudie in de UK Biobank heeft de associatie onderzocht tussen niveaus van circulerende markers van de leverfunctie en het CRC-risico. Dr. Mingyang Song (Harvard School of Public Health, Boston MA) en collega’s publiceren de studie in het International Journal of Cancer.1

Tussen begin 2006 en eind 2010 stonden 375.693 deelnemers van de UK Biobank bloedmonsters af, waarin de onderzoekers gehalten bepaalden van alaninetransaminase (ALT), aspartaattransaminase (AST), totaal bilirubine (TBIL), gamma-glutamyltransferase (GGT), alkalisch fosfatase (ALP), totaal eiwit (TP), en albumine (ALB). Tussen begin 2012 en eind 2013 stonden 11.320 van de deelnemers opnieuw bloedmonsters af voor herhaalde bepalingen van de biomarkers.

Tijdens follow-up tot begin 2019 (mediane follow-up 10,0 jaar) werd CRC vastgesteld in 2662 deelnemers. Baseline niveaus van circulerend ALT, AST, TBIL, GGT, TP en ALB waren invers geassocieerd met CRC-risico (p<0,01), met multivariabele HRs van deciel 10 versus deciel 1 uiteenlopend van 0,62 (95%-bti 0,51-0,75) voor ALT tot 0,85 (95%-bti 0,72-1,02) voor TBIL. De associaties waren sterker na recalibratie voor herhaalde bepalingen. De associaties waren sterker voor proximaal coloncarcinoom dan voor distaal coloncarcinoom en rectumcarcinoom, maar consistent voor early-, mid- en late onset CRC.

De onderzoekers concluderen dat markers van leverfunctie invers geassocieerd waren met het CRC-risico.

1.He M-m, Fang Z, Hang D et al. Circulating liver function markers and colorectal cancer risk: a prospective cohort study in the UK Biobank. Int J Cancer 2020; epub ahead of print

Summary: A prospective cohort study in the UK Biobank (375,693 participants, median 10.0 years follow-up) found an inverse association of levels of circulating markers of liver function and risk of colorectal cancer.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Impact van patiëntleeftijd op respons van melanoom op bevacizumab (0)
2020-10-24 12:00   ( Nieuws )
Tags:  AVAST-M trial analysis impact of age on melanoma response to bevacizumab
Prof. Ashani WeeraratnaAlgemeen wordt aangenomen dat angiogenese een onmisbare factor is voor metastase van tumoren. Toch heeft het remmen van angiogenese met bevacizumab slechts geringe impact gehad p[ overleving van patiënten met melanoom. Zowel tumor-angiogenese als metastase van melanoom zijn verhoogd in oudere patiënten. Een post-hoc analyse van gegevens van de fase 3-studie AVAST-M heeft de impact van leeftijd op respons van melanoom op bevacizumab onderzocht. Prof. Ashani Weeraratna (Johns Hopkinst School of Medicine, Baltimore MD) en collega’s publiceren de analyse in Clinical Cancer Research.1

De studie includeerde 1043 patiënten na resectie van melanoom. Onder de patiënten jonger dan 45 jaar resulteerde bevacizumab-behandeling in significante verlenging van de progressievrije overleving, met 29% lager risico van progressie vergeleken met patiënten die geen bevacizumab kregen. Er was ook een (statistisch niet-significant) 25% lagere mortaliteit met bevacizumab versus geen bevacizumab onder patiënten jonger dan 45 jaar. Onder de patiënten in de leeftijd van 45 jaar en ouder was er geen significant impact van bevacizumab op ziektevrije overleving of overall survival. In een muizenexperiment zagen de onderzoekers dat VEGF-remming niet resulteerde in verlaging van de angiogenese in oudere dieren, en dat angiogenese in oudere dieren wordt bevorderd door de proangiogene factor secreted frizzled-related protein 2 (sFRP2). Targeting van sFRP2 in oudere muizen resulteerde in succesvolle remming van de angiogenese.

De onderzoekers concluderen dat VEGF-expressie afneemt tijdens veroudering, resulterend in een lagere respons op bevacizumab. Toename van de angiogenese tijdens veroudering kan wellicht worden verklaard uit toename van sFRP2 in de micro-omgeving van de tumoren.

1.Fane ME, Ecker BL, Kaur A et al. sFRP2 supersedes VEGF as an age-related driver of angiogenesis in melanoma, affecting response to anti-VEGF therapy in older patients. Clin Cancer Res 2020; epub ahead of print

Summary: Post-hoc analysis of data from the phase 3 AVAST-M study of bevacizumab for melanoma, combined with a study in mice, found that VEGF is decreased during aging, thereby reducing the response to bevacizumab, and that despite the decrease in VEGF, angiogenesis is increased because of an increase of secreted frizzled-related protein 2 (sFRP2) in the aged tumor microenvironment.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Salvage chemotherapie na eerste- of tweedelijns immuuntherapie voor gevorderd niet-kleincellig longcarcinoom (0)
2020-10-23 15:00   ( Nieuws )
Tags:  CLARITY study advanced NSCLC salvage chemotherapy after immunotherapy
Dr. Melissa BersanelliVoor de meeste patiënten met progressie van niet-kleincellig longcarcinoom op eerste- of tweedelijns immuuntherapie is salvage chemotherapie de enige potentieel werkzame optie. De retrospectieve multicenter CLARITY-studie in Italië heeft de werkzaamheid van salvage chemotherapy after immunotherapy (SCAI) voor gevorderd NSCLC geïnventariseerd. Dr. Melissa Bersanelli (Universiteitsziekenhuis Parma) en collega’s publiceren de studie in Lung Cancer.1

De studie includeerde 342 patiënten die tussen november 2013 en augustus van 2019 in 20 Italiaanse centra SCAI kregen. Het primaire eindpunt van de studie was overall survival, gerekend vanaf de start van SCAI. De mediane OS was 6,8 maanden (95%-bti 5,5-8,1). De mediane progressievrije overleving was 4,1 maanden (95%-bti 3,4-4,8) en de objective response rate was 22,8%. De onderzoekers construeerden een ‘post-checkpoint inhibition score’ die op basis van geslacht, ECOG performance score, en ziektecontrole met voorafgaande immuuntherapie de patiënten kon onderverdelen in drie prognostische groepen; de Harrell’s C-index was 0,65 (95%-bti 0,59-0,71).

De onderzoekers concluderen dat de studie steun geeft aan de hypothese dat voorafgaande immuuntherapie de gevoeligheid van NSCLC voor chemotherapie verhoogt. De post-CKI score kan wellicht bijdragen aan op individuele patiënten toegesneden behandeling na falen van immuuntherapie.

1.Bersanelli M, Buti S, Giannarelli D et al. Chemotherapy in non-small cell lung cancer patients after prior immunotherapy: the multicenter retrospective CLARITY study. Lung Cancer 2020.10.008

Summary: The Italian multicenter retrospective CLARITY study evaluated salvage chemotherapy after immunotherapy (SCAI) for advanced NSCLC. The median overall survival with SCAI was 6.8 months (95% CI 5.5-8.1). The ‘Post-CKI score’ was effective in discriminating three distinct prognostic subgroups of patients after failure of checkpoint inhibition.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Nieuw model voor onderscheiden van prognostische groepen in niet-metastatisch prostaatcarcinoom (0)
2020-10-23 14:00   ( Nieuws )
Tags:  nmPrCa clinical prognostic stage group system
Dr. Robert DessGelokaliseerd prostaatcarcinoom kan indolent zijn en niet altijd onmiddellijke interventie vereisen, maar kan ook agressief zijn met een sterk verhoogd risico van ziekte-specifieke mortaliteit (PCSM). Onderscheid tussen verschillende graden van agressiviteit wordt gemaakt op basis van TNM-kenmerken, Gleason score, en PSA-gehalte. Er zijn echter geen prospectief gevalideerde biomarkers voor de prognose van niet-metastatisch prostaatcarcinoom (nmPrCa). Een multinationale cohortstudie heeft geresulteerd in een gevalideerd model voor het onderscheiden van prognostische groepen in nmPrCa. Dr. Robert Dess (University of Michigan, Ann Arbor) en collega’s publiceren de studie in JAMA Oncology.1

De studie is gebaseerd op gegevens van 19.684 patiënten van 55 centra in Canada, Europa en de Verenigde Staten. De mediane leeftijd was 64,0 jaar (IQR 59,0-70,0). De patiënten kregen radicale prostatectomie (n=12.421) of radiotherapie (n=7263), met of zonder androgeendeprivatie. Ze werden gerandomiseerd naar een trainingset en een validatieset, en een onafhankelijk cohort met gegevens in de SEER-database werd gebruikt voor externe validatie. Het primaire eindpunt van het model PCSM in de onderscheiden groepen.

De mediane follow-up was 71,8 maanden (IQR 34,3-124,3); 4078 mannen (20,7%) werden tenminste tien jaar gevolgd. Variabelen die in het model werden geïncludeerd waren leeftijd, T-categorie, N-categorie, Gleason graad, pretreatment PSA-niveau, en percentage positieve corebiopten. Het model onderscheidde negen verschillende prognostische groepen, met voorspelde tien-jaars PCSM uiteenlopend van 0,3% tot 40,0%. De tien-jaars C-index van het model (0,796; 95%-bti 0,760-0,828) was hoger dan die van de AJCC 8th edition (0,757; 95%-bti 0,719-0,792). Het model presteerde ook beter dan de NCCN- en CAPRA-risicostratificatiesystemen.

De onderzoekers concluderen dat ze een model voor het onderscheiden van prognostische groepen onder patiënten met nmPrCa hebben ontwikkeld en gevalideerd.

1.Dess RT, Suresh K, Zelefsky MJ et al. Development and validation of a clinical prognostic stage group system for nonmetastatic prostate cancer using disease-specific mortality results from the International Staging Collaboration for Cancer of the Prostate. JAMA Oncol 2020.4922

Summary: A multinational cohort study resulted in an prognostic stage group system for patients with nonmetastatic prostate cancer, discriminating nine prognostic groups with predicted 10-years PCSM ranging from 0.3% to 40.0%.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Incidentie en mortaliteit van tweede primaire maligniteiten in Deense patiënten met retinoblastoom (0)
2020-10-23 13:00   ( Nieuws )
Tags:  retinoblastoma patients incidence and mortality of second primary cancers
Dr. Pernille GregersenRetinoblastoom is een intraoculaire maligniteit in kinderen die wordt veroorzaakt door een pathogene variant in beide RB1-allelen. Niet-erfelijk retinoblastoom is een unilaterale ziekte met gemiddelde leeftijd bij diagnose 24 maanden. Erfelijk retinoblastoom is een bilaterale en/of multifocale ziekte met gemiddelde leeftijd bij diagnose 15 maanden. Patiënten met erfelijk retinoblastoom hebben een levenslang verhoogd risico van het ontwikkelen van tweede primaire maligniteiten (SPCs). Een retrospectieve cohortstudie in Denemarken heeft de incidentie en mortaliteit van SPCs in retinoblastoompatiënten geïnventariseerd. Dr. Pernille Gregersen (Universiteitsziekenhuis Aarhus) en collega’s publiceren de studie in JAMA Network Open.1

De studie includeerde alle Deense patiënten met een diagnose retinoblastoom tussen begin 1943 en eind 2013. Onder deze patiënten (181 mannen en 142 vrouwen) waren er 133 met erfelijk retinoblastoom (41%) en 190 met niet-erfelijk retinoblastoom (59%). In het cohort werden 39 SPCs gediagnostiseerd: 25 op de mediane leeftijd 32,4 jaar (IQR 15,4-43,9) in de groep met erfelijk retinoblastoom en 14 op de mediane leeftijd 38,6 jaar (IQR 20,5-49,4) in de groep met niet-erfelijk retinoblastoom. De standardized incidence rate (versus de algemene bevolking) van SPC was 11,39 (95%-bti 7,37-16,81) in de groep met erfelijk retinoblastoom en 1,52 (95%-bti 0,81-2,61) in de groep met niet-erfelijk retinoblastoom. De hoogste SIRs in de groep met erfelijk retinoblastoom werden gezien voor sarcoom (SIR 181) en maligne melanoom (SIR 27). De cumulatieve incidentie van SPCs op de leeftijd 60 jaar was 51% in de groep met erfelijk retinoblastoom en 13% in de groep met niet-erfelijk retinoblastoom. De cumulatieve mortaliteit van SPCs was hoger in de groep met erfelijk retinoblastoom dan in de groep met niet-erfelijk retinoblastoom (34% versus 12% op leeftijd 60 jaar; p=0,03).

De onderzoekers concluderen dat de incidentie en mortaliteit van SPCs significant hoger waren in de groep patiënten met erfelijk retinoblastoom dan in de groep patiënten met niet-erfelijk retinoblastoom.

1.Gregersen PA, Olsen MH, Urbak SF et al. Incidence and mortality of second primary cancers in Danish patients with retinoblastoma, 1943-2013. JAMA Network Open 2020;3:e2022126

Summary: A nationwide retrospective cohort study in Denmark found that the incidence and mortality of second primary cancers were significantly higher in the group of patients with heritable retinoblastoma than in the group of patients with nonheritable retinoblastoma. The largest increases in risk were noted for sarcoma and malignant melanoma.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Netwerk meta-analyse van verschillende behandelopties voor gevorderd levercelcarcinoom (0)
2020-10-23 12:00   ( Nieuws )
Tags:  aHCC NMA of treatment options
Dr. Tanios Bekaii-SaabEr zijn de laatste jaren meerdere behandelopties voor gevorderd levercelcarcinoom (aHCC) beschikbaar gekomen. Head-to-head vergelijkingen van de meeste beschikbare opties zijn niet uitgevoerd, en vallen in de nabije toekomst niet te verwachten. Een netwerk meta-analyse (NMA) van studies kan wellicht inzicht geven in de relatieve werkzaamheid van verschillende behandelingen. Dr. Tanios Bekaii-Saab (Mayo Clinic, Phoenix AZ) en collega’s hebben een NMA uitgevoerd. Ze publiceren hun bevindingen in JAMA Oncology.1

In de literatuur tot en met maart 2020 zochten de onderzoekers fase 3-studies van vergelijking van VEGF-remmers en immuuncheckpointremmers of combinaties van deze middelen voor aHCC in de eerstelijns en in de refractaire setting. Ze vonden veertien studies die aan de inclusiecriteria van de NMA voldeden. Acht studies in de eerstelijns setting telden 6290 patiënten in de leeftijd van 18 tot en met 89 jaar, en zes studies in de tweedelijns setting telden 2653 patiënten in de leeftijd van 18 tot en met 91 jaar.

NMA wees uit dat in de eerstelijns setting de combinatie van atezolizumab plus bevacizumab voor overall survival superieur was aan lenvatinib (HR 0,63; 95%-bti 0,44-0,89), sorafenib (0,58;0,42-0,80), en nivolumab (0,68; 0,48-0,98). In de refractaire setting gaven alle onderzochte middelen betere progressievrije overleving dan placebo, maar dit resulteerde alleen in OS-profijt met regorafenib (HR 0,62; 95%-bti 0,51-0,75) en cabozantinib (0,76; 0,63-0,92) vergeleken met placebo. In patiënten met α-fetoprotein niveaus van 400 ng/ml of hoger was naast regorafenib en cabozantinib ook ramucirumab geassocieerd met OS-profijt vergeleken met placebo; zonder significant verschil in werkzaamheid tussen deze drie middelen.

De onderzoekers concluderen dat atezolizumb-bevacizumab combinatie de geprefeerde behandeling voor aHCC in de eerstelijns setting is, en dat in de refractaire setting regorafenib en cabozantinib de voorkeur verdienen, met ramucirumab als extra optie in patiënten met AFP 400 ng/ml of hoger.

1.Sonbol MB, Bin Riaz I, Naqvi SAA et al. Systemic therapy and sequencing options in advanced hepatocellular carcinoma. A systematic review and network meta-analysis. JAMA Oncol 2020.4930

Summary: A network meta-analysis of 14 phase 3 trials compared various options for advanced HCC. The combination of atezolizumab and bevacizumab was superior to other treatments in first-line setting, while regorafenib and cabozantinib were the preferred options in refractory patients, with ramucirumab as an additional option for patients with levels of α-fetoprotein 400 ng/ml or higher.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multicenter fase 2-studie van camrelizumab plus apatinib voor gevorderd levercelcarcinoom (0)
2020-10-22 15:00   ( Nieuws )
Tags:  advanced HCC camrelizumab plus apatinib
Prof. Jianming XuCamrelizumab is een anti-PD-1 monoklonaal antilichaam, en apatinib is een VEGFR-2 TKI. De multicenter fase 2-studie RESCUE in China heeft de combinatie van camrelizumab en apatinib voor gevorderd levercelcarcinoom (aHCC) geëvalueerd. Prof. Jianming Xu (Algemeen Ziekenhuis van het Chinese Volksbevrijdingsleger, Beijing) en collega’s publiceren de studie in Clinical Cancer Research.1

De studie includeerde 70 patiënten met niet-eerder behandeld aHCC, en 120 patiënten met aHCC dat refractair was tegen eerstelijns gerichte therapie of die deze behandeling niet konden verdragen. In beide cohorten kregen de patiënten intraveneus camrelizumab 200 mg (of bij lichaamsgewicht lager dan 50 kg: 3 mg/kg) iedere twee weken plus oraal apatinib 250 mg eens per dag. Het primaire eindpunt van de studie was centraal-beoordeelde objective response rate.

Objectieve respons werd gezien in 24 patiënten in het eerstelijns cohort (ORR 34,3%; 95%-bti 23,3-46,6) en in 27 patiënten in het tweedelijns cohort (ORR 22,5%; 95%-bti 15,4-31,0). De mediane progressievrije overleving was 5,7 maanden (95%-bti 5,4-7,4) in het eerstelijns cohort en 5,5 maanden (95%-bti 3,7-5,6) in het tweedelijns cohort. De percentages met twaalf-maands overall survival waren 74,4% (95%-bti 62,5-83,5) in het eerstelijns cohort en 68,2% (95%-bti 59,0-75,7) in het tweedelijns cohort. Graad 3 of hoger treatment-related adverse events werden gezien in 147 patiënten (77,4%), met hypertensie als meest-voorkomende TRAE. Graad 5 TRAEs troffen twee patiënten (1,1%).

De onderzoekers concluderen dat de combinatie van camrelizumab plus apatinib bemoedigende activiteit en manageable veiligheid had als eerste- of tweedelijns behandeling voor aHCC.

1.Xu J, Shen J, Gu S et al. Camrelizumab in combination with apatinib in patients with advanced hepatocellular carcinoma (RESCUE): a non-randomized, open-label, phase 2 trial. Clin Cancer Res 2020; epub ahead of print

Summary: The Chinese multicenter phase 2 study RESCUE evaluated the first- or second-line combination of camrelizumab plus apatinib for advanced HCC. The study found promising activity and manageable safety of the combination in both first- and second-line settings.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie van genvarianten met risico van maligniteiten onder patiënten met congenitale hartziekte (0)
2020-10-22 14:00   ( Nieuws )
Tags:  congenital heart disease gene variants associated with increased cancer risk
Prof. Christine SeidmanPatiënten met congenitale hartziekte (CHD) hebben een verhoogd risico van maligniteiten. Informatie over variabelen die bijdragen aan deze risicoverhoging kan van belang zijn voor het identificeren van patiënten die baat kunnen hebben bij longitudinale surveillance en vroege interventie. Een multicenter patiënt-controlestudie heeft de frequentie van schadelijke varianten in maligniteiten-risicogenen vergeleken tussen CHD-patiënten en controlepersonen. Prof. Christine Seidman (Harvard Medical School, Boston MA) en collega’s publiceren de studie in JAMA Cardiology.1

De studie includeerde 4443 CHD-patiënten (gemiddelde leeftijd 13,0 jaar; range 0-84) en 9808 controlepersonen (gemiddelde leeftijd 52,1 jaar; range 1-92). De frequentie van loss of function (LoF)-varianten in regulatorische maligniteiten-risicogenen was significant hoger in de CHD-groep (3,2%) dan in de controlegroep (1,7%; OR 1,93; p=1,38 x 10-12). Dit was ook het geval voor CHD-genen die eerder waren geïdentificeerd als geassocieerd met het risico van maligniteiten (1,3% versus 0,18%; OR 7,2; p<2,2 x 10-16). Er werden zeven genen geïdentificeerd met LoF varianten in meerdere patiënten met onverklaarde CHD. De hoogste percentages LoF-varianten in maligniteiten-risicogenen werden gezien in patiënten met CHD en extracadiale abnormaliteiten en/of vertraging van de neurologische ontwikkeling.

De onderzoekers concluderen dat CHD-genvarianten geassocieerd waren met verhoogd risico van maligniteiten.

1.Morton SU, Shimamura A, Newburger PE et al. Association of damaging variants in genes with increased cancer risk among patients with congenital heart disease. JAMA Cardiol 2020.4947

Summary: A multicenter case-control study found that genotypes of congenital heart disease (CHD) may account for increased cancer risk.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)