Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Uitkomsten na 5-azacytidine of allogene stamceltransplantatie voor gevorderd MDS in oudere patiënten (0)
2021-07-21 14:00   ( Nieuws )
Tags:  VidazaAllo Study advanced MDS in elderly patients comparison of 5-aza and HSCT
Prof. Nicolaus KrögerDe methyltransferaseremmer 5-azacytidine (5-aza) resulteerde vergeleken met beste ondersteunende zorg tot betere overleving onder patiënten met myelodysplastische syndromen (MDS), maar 5-aza is in tegenstelling tot allogene stamceltransplantatie (HSCT) geen curatieve behandelstrategie. Therapie-gerelateerde mortaliteit (TRM) beperkt echter toepassing van HSCT in oudere MDS-patiënten. De Duitse multicenterstudie VidazaAllo heeft HSCT na 5-aza voorbehandeling vergeleken met voortzetting van 5-aza in patiënten met hoger-risico MDS in de leeftijd van 55 tot en met 70 jaar. Prof. Nicolaus Kröger (UMC Hamburg-Eppendorf) en collega’s publiceren de studie in het Journal of Clinical Oncology.1

De studie includeerde190 patiënten met een mediane leeftijd van 63 jaar. De patiënten kregen vier tot zes cycli 5-aza gevolgd door HLA-compatibele HSCT na verlaagde-intenstiteit conditionering, of voortzetting van 5-aza als er geen donor beschikbaar was. Achtentwintig patiënten vielen om uiteenlopende redenen uit voor de start van 5-aza. Van de 162 patiënten die 5-aza startten konden slechts 108 (65%) na vier tot zes cycli worden gealloceeerd naar HSCT (n=81) of voortzetting van 5-aza (n=27) vanwege ziekteprogressie (n=26), overlijden (n=12), of andere redenen (n=16). De cumulatieve één-jaars incidentie van TRM na HSCT was 19%. De figuur laat zien dat de drie-jaars gebeurtenisvrije overleving en overall survival 34% (95%-bti 22-47) respectievelijk 50% (39-61) waren in de HSCT-groep en 0% respectievelijk 32% (14-52) in de 5-aza voortzettingsgroep (p<0,0001 respectievelijk p=0,12). Veertien patiënten met progressie in de 5-aza voortzettingsgroep kregen salvage allograft van een alternatieve donor; zes van deze patiënten waren in leven bij laatste follow-up.

De onderzoekers concluderen dat onder oudere patiënten met MDS verlaagde-intensiteit conditionering HSCT resulteerde in significante verbetering van de EFS, vergeleken met voortzetting van 5-aza. Bridging met 5-aza voorafgaand aan transplantie was geassocieerd met aanzielijk uitvalpercentage vanwege progressie, mortaliteit, en adverse events.

1.Kröger N, Sockel K, Wolschke C et al. Comparison between 5-azacytidine treatment and allogeneic stem-cell transplantation in elderly patients with advanced MDS according to donor availability (VidazaAllo Study). J Clin Oncol 2021; epub ahead of print

Summary: The multicenter VidazaAllo study in Germany recruted patients with higher-risk MDS aged 55-70 years, who received 4-6 cycles of 5-azacytidine followed by either HLA-compatible HSCT after reduced-intensity conditioning, or by continuous 5-aza if no donor was available. Bridging with 5-aza to HSCT was associated with a considerable rate of dropouts because of progression, death, and adverse events. Compared to continuing 5-aza, HSCT was associated with significantly improved event-free survival. 


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Combinatie van veliparib met carboplatine-paclitaxel gebaseerde chemoradiotherapie voor stadium III NSCLC (0)
2021-07-21 13:00   ( Nieuws )
Tags:  stage III NSCLC veliparib plus CRT
Dr. David KozonoVeliparib is een potente PARP-remmer die in tumorcellen herstel van DNA-schade door bestraling of chemotherapie tegengaat. Een multicenter fase 1-studie in de Verenigde Staten heeft de combinatie van veliparib met carboplatine-paclitaxel gebaseerde chemoradiotherapie voor stadium III niet-resectabel niet-kleincellig longcarcinoom geëvalueerd. Dr. David Kozono (Dana-Farber Cancer Institute, Boston MA) en collega’s publiceren de studie in Lung Cancer.1

De studie includeerde 48 patiënten die vanaf drie dagen voor tot één dag na de laatste dag van de bestraling oraal veliparib kregen tweemaal daags in oplopende doseringen (60 tot 240 mg), in combinatie met wekelijks carboplatine (AUC 2 mg/ml/min) en paclitaxel (45 mg/m2), met dagelijks radiotherapie (60 Gy in 30 fracties), gevolgd door twee drie-weekse cycli consolidatie met veliparib, carboplatine, en paclitaxel. De maximaal-verdragen dosering/aanbevolen fase 2-dosering van veliparib was 240 mg tweemaal daags tijdens de chemoradiotherapie en 120 mg tweemaal daags tijdens de consolidatie. De meest-gerapporteerde any grade adverse events tijdens de gehele behandelperiode waren misselijkheid (83% van de patiënten, oesofagitis (75%), neutropenie (75%), en trombocytopenie (75%). De mediane progressievrije overleving van patiënten die met de MTD/RP2D behandeld werden was 19,6 maanden (95%-bti 3,0-NR) en de mediane overall survival was 32,6 maanden (95%-bti 15,0-NR).

De onderzoekers concluderen dat de combinatie van veliparib met standaard concurrent chemoradiotherapie en consolidatie voor stadium III NSCLC acceptabele veiligheid en antitumoractiveit had, met een mediane PFS van 19,6 maanden.

1.Kozono DE, Stinchcombe TE, Salama JK et al. Veliparib in combination with carboplatin/paclitaxel-based chemoradiotherapy in patients with stage III non-small cell lung cancer. Lung Cancer 2021.06.028

Summary: A multicenter phase 1 study in the USA found that the combination of veliparib and carboplatin/paclitaxel-based chemoradiotherapy for stage III NSCLC had acceptable safety and antitumor activity with a median progression-free survival of 19.6 months.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Impact van SARS-COV-2 pandemie op zorg voor longcarcinoom in Nederland (0)
2021-07-21 12:00   ( Nieuws )
Tags:  SARS-COV-2 pandemic impact on Dutch lung cancer care
Jesper van BreeschotenDe SARS-COV-2 pandemie heeft geresulteerd in vertraging van detectie, diagnose, en behandeling van maligniteiten. Een studie door de Dutch Lung Cancer Audit (DLCA) heeft de impact van de pandemie tijdens de eerste golf (16 maart tot 24 mei 2020) en de tweede golf (21 september tot 27 december 2020) op zorg voor longcarcinoom in Nederland geïnventariseerd. DLCA-onderzoeker Jesper van Breeschoten en collega’s publiceren de studie in Lung Cancer.1



Tijdens de eerste golf van de pandemie nam het aantal NSCLC- en SCLC-diagnosen (n=1746) sterk af vergeleken met het gemiddelde van dezelfde periode in 2018 en 2019 (n=2641). Tussen de eerste en de tweede golf kwam het aantal diagnosen terug op het peil van de twee voorgaande jaren. Tijdens de tweede golf lag het aantal diagnosen 25% lager dan in de controleperiode. Vergeleken met de controleperiode hadden NSCLC-patiënten met een diagnose tijdens de eerste golf significant slechtere ECOG performance score (PS 2 of hoger: 26% versus 20%; p<0,001) en hadden meer patiënten bij presentatie metastatische ziekte (49% versus 43%; p<0,001). Er waren geen significant verschillen in geslacht en leeftijd. Tijdens de tweede golf werden vergelijkbare resultaten gezien. Zowel tijdens de eerste en tweede golf als tijdens de periode tussen beide golven was de tijd tussen het eerste bezoek aan het ziekenhuis en de datum van diagnose korter dan in de controleperiode.

1.Van Breeschoten J, Ismail R, Smit H et al. An invisible group of COVID-19 victims; impact on Dutch lung cancer care. Lung Cancer 2021.06.23

Summary: A study by the Dutch Lung Cancer Audit found that during the first and second wave of the SARS-COV-2 pandemic the number of NSCLC and SCLC diagnoses was significantly lower than during the corresponding time periods in the two previous years. Compared to the control period, NSCLC patients diagnosed during the first and second wave had worse ECOG PS and more patients presented with metastatic disease.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Prognostische waarde van tumordeposities gecombineerd met aantal lymfekliermetastasen in stadium III coloncarcinoom (0)
2021-07-20 15:00   ( Nieuws )
Tags:  CALGB SWOG 80702 post hoc analysis stage III colon cancer
Dr. Romain CohenTumordeposities (TDs) worden voor het schatten van de prognose in coloncarcinoom alleen in overweging genomen in afwezigheid van lymfekliermetastase. Een post-hoc analyse van de fase 3 CALGB/SWOG 80702 studie heeft de prognostische waarde van TDs geïnventariseerd in stadium III klierpositief coloncarcinoom. Dr. Romain Cohen (Hôpital Saint-Antoine, Parijs) en collega’s publiceren de analyse in Annals of Oncology.1

De studie includeerde 2028 patiënten, onder wie 534 (26%) met TD-positieve en 1504 (74%) met TD-negatieve tumoren. Onder de TD-positieve patiënten waren 80 (15,4%) kliernegatief (pN1c), hadden 239 (46%) 1 tot en met 3 positieve lymfeklieren (pN1a/b), en hadden 200 (38,6%) 4 of meer positieve lymfeklieren (pN2). Aanwezigheid van TDs was geassocieerd met slechtere ziektevrije overleving (aHR 1,63; 95%-bti 1,33-1,98) en overall survival (aHR 1,59; 95%-bti 1,24-2,04). Het ongunstige effect van TDs werd gezien in zowel de pN1a/b-groep als de pN2-groep. Onder TD-positieve patiënten was het aantal TDs lineair negatief geassocieerd met DFS en OS. Combinatie van TDs en het aantal lymfekliermetastasen resulteerde in re-staging van 104 van 1470 (7,1%) van de pN1-patiënten naar pN2, met slechtere uitkomsten vergeleken met patiënten die bevestigd werden als pN1 (drie-jaars DFS-percentage 65,4% versus 80,5%; p=0,0003); vijf-jaars OS-percentage 87,9% versus 69,1%; p<0,0001). Er was geen significant verschil in DFS tussen patiënten die re-staged werden als pN2 en patiënten met initiële pN2-stadiëring (drie-jaars DFS-percentage 65,4% versus 62,3%; p=0,4895).

De onderzoekers concluderen dat in stadium III coloncarcinoom combinatie van het aantal TDs met het aantal lymfekliermetastasen resulteerde in meer accurate prognosticatie

1.Cohen R, Shi Q, Meyers J et al. Combining tumor deposits with the number of lymph node metastases to improve the prognostic accuracy in stage III colon cancer: a post hoc analysis of the CALGB/SWOG 80702 phase III study (Alliance). Ann Oncol 2021.07.009

Summary: Post hoc analysis of the CALGB/SWOG 80702 phase III study found that in stage III colon cancer combining the number of tumor deposits with the number of lymph node metastases improved the prognostication accuracy of TNM staging.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Klinische en genetische risicofactoren voor stralings-geassocieerde ototoxiciteit in de Childhood Cancer Survivor Study (0)
2021-07-20 14:00   ( Nieuws )
Tags:  radiation-associated ototoxicity clinical and genetic risk factors
Prof. Eileen DolanCraniële radiotherapie (CRT) is geassocieerd met verhoogd risico van ototoxiciteit, die zich manifesteert als gehoorverlies en tinnitus. Een analyse in het cohort van de Childhood Cancer Survivor Study heeft klinische en genetische risicofactoren voor ototoxiciteit in volwassen overlevers van pediatrische maligniteiten geïnventariseerd. Prof. Eileen Dolan (University of Chicago IL) en collega’s publiceren de analyse in Cancer.1

Het cohort telde 1991 patiënten met tinnitus en 2198 patiënten met gehoorverlies die CRT hadden ondergaan voor een pediatrische maligniteit. Tinnitus (9,4% versus 5,4%; p=5,1 x 10-4) en gehoorverlies (14,0% versus 10,7%; p=0,02) werden meer gerapporteerd door mannen dan door vrouwen. Overlevers met tinnitus of gehoorverlies) hadden verhoogde waarschijnlijkheid van duizeligheid of vertigo, gebruik van antidepressiva, en slechtere zelf-gerapporteerde gezondheid vergeleken met controlepersonen. Genome-wide association study van CRT-gerelateerde tinnitus identificeerde rs203248 als risicofactor, en GWAS van CRT-gerelateerd gehoorverlies identificeerde rs332013 en rs67522722. Deze laatste associatie werd bevestigd in een onafhankelijk cohort van overlevers.

De onderzoekers concluderen dat CRT-gerelateerde ototoxiciteit geassocieerd was met geslacht, verscheiden neuro-otologische symptomen, gebruik van antidepressiva, en slechtere patiënt-gerapporteerde gezondheid. GWAS van CRT-gerelateerd gehoorverlies identificeerde rs67522722 als risicofactor.

1.Trendowski MR, Baedke JL, Sapkota Y et al. Clinical and genetic risk factors for radiation-associated ototoxicity: a report from the Childhood Cancer Survivor Study and the St. Jude Lifetime Cohort. Cancer 2021; epub ahead of print

Summary: Analysis in the cohort of the Childhood Cancer Survivor Study investigated risk factor for cranial radiation therapy-related ototoxicity among adult survivors of pediatric cancer. CRT-related ototoxicity was associated with sex, several neuro-otological symptoms, increased antidepressant use, and poorer self-reported health. GWAS of CRT-related hearing loss identified rs67522722.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Impact van hyperbare zuurstoftherapie op late stralingstoxiciteit en kwaliteit van leven van mammacarcinoompatiënten (0)
2021-07-20 13:00   ( Nieuws )
Tags:  HBOT in breast cancer patients late radiation toxicity quality of life
Dr. Marilot BatenburgHyperbare zuurstoftherapie (HBOT) kan zuurstoftekort opheffen in weefsels die beschadigd zijn door bestraling. Een studie in vijf centra in Nederland heeft de impact van HBOT op late stralingstoxiciteit en kwaliteit van leven van patiënten met mammacarcinoom geïnventariseerd. Dr. Marilot Batenburg (UMC Utrecht) en collega’s publiceren de studie in Breast Cancer Research and Treatment.1

De studie includeerde 1005 patiënten met late stralingstoxiciteit, die tussen begin 2015 en eind 2019 tenminste 20 HBOT-sessies ondergingen. Voor, onmiddellijk na, en drie maanden na HBOT werden borst- en armsymptomen, pijn, en kwaliteit van leven bepaalde met EORTC QLQ-C30 en –BR23. Deze figuur en deze figuur, met verwisselde onderschriften, tonen de belangrijkste uitkomsten. De pijnscores namen significant af van 43,4 voor HBOT tot 29,7 na drie maanden (p<0,001). De borstsymptomen namen significant af van 44,6 voor HBOT tot 28,9 na drie maanden (p<0,001) en de armsymptomen namen significant af van 38,2 voor HBOT tot 27,4 na drie maanden (p<0,001). De scores voor alle kwaliteit-van-leven domeinen verbeterden na HBOT en na drie maanden vergeleken met de baseline-scores. De meest-prevalente bijwerkingen van HBOT waren myopie (any grade 57,3% van de patiënten) en mild barotrauma (17,8%). Matige of ernstige bijwerkingen werden gerapporteerd voor 3,2% van de patiënten. Roken en kortere tijd sinds de radiotherapie (mediaan 17,5 versus 22,0 maanden) waren geassocieerd met persistente borstpijn na HBOT.

De onderzoekers concluderen dat onder mammacarcinoompatiënten met late stralingstoxiciteit HBOT resulteerde in vermindering van pijn, verlaging van borst- en armsymptomen, en verbetering van kwaliteit van leven.

1.Batenburg MCT, Maarse W, van der Leij F et al. The impact of hyperbaric oxygen therapy on late radiation toxicity and quality of life in breast cancer patients. Breast Cancer Res Treat 2021; epub ahead of print

Summary: A study at five centers in The Netherlands found that among breast cancer patients with late radiation toxicity, hyperbaric oxygen therapy resulted in improvement in pain, breast and arm symptoms, and quality of life.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multinationale fase 2-studie van pembrolizumab voor gevorderd cutaan squameus celcarcinoom (0)
2021-07-20 12:00   ( Nieuws )
Tags:  KEYNOTE-629 study locally advanced or recurrent metastatic cSCC pembrolizumab
Dr. Brett HughesDe multinationale fase 2-studie KEYNOTE-629 evalueerde pembrolizumab voor cutaan squameus celcarcinoom (cSCC) in twee cohorten: een cohort van patiënten met lokaal-gevorderde (LA) ziekte, en een cohort van patiënten met recidiverende of metastatische (R/M) ziekte. Vorig jaar is gepubliceerd dat pembrolizumab in het R/M cohort effectieve antitumoractiviteit had en duurzame respons induceerde met een acceptabele veiligheid. Dr. Brett Hughes (Royal Brisbane and Women’s Hospital, Australië) en collega’s publiceren nu in Annals of Oncology resultaten van het LA-cohort en een update van resultaten in het R/M-cohort.1

KEYNOTE-629 werd uitgevoerd in 54 centra in negen landen. De studie includeerde 54 LA-patiënten met 105 R/M-patiënten, die ten hoogste 35 cycli intraveneus pembrolizumab 200 mg iedere drie weken kregen. Het primaire eindpunt was objective response rate. De mediane tijd tussen eerste dosis en data cutoff voor de nu gepubliceerde analyse was 14,9 maanden (IQR 12,6-17,2) voor het LA-cohort en 27,2 maanden (IQR 25,6-29,2) voor het R/M-cohort. In het LA-cohort was de ORR 50% (95%-bti 36,1-63,9) met complete respons in 16,7% van de patiënten. In het R/M-cohort was de ORR 35,2% (95%-bti 26,2-45,2) met complete respons in 10,5% van de patiënten. Onder de patiënten met respons werd in geen van beide cohorten de mediane duur van respons bereikt. Graad 3 en hoger treatment-related adverse events werden gerapporteerd voor 11,9% van de patiënten.

De onderzoekers concluderen dat pembrolizumab in beide cohorten robuuste antitumoractiviteit had zonder onverwachte veiligheidssignalen.

1.Hughes BGM, Munoz-Couselo E, Mortier L et al. Pembrolizumab for locally advanced and recurrent/metastatic cutaneous cell carcinoma (KEYNOTE-629 study): an open-label, nonrandomized, multicenter, phase 2 trial. Ann Oncol 2021.07.008

Summary: The multinational phase 2 KEYNOTE-629 study evaluated pembrolizumab monotherapy for locally advanced (LA) or recurrent/metastatic (R/M) cutaneous squamous cell carcinoma. Median time from first dose to data cutoff was 14.9 months for the LA cohort and 27.2 months for the R/M cohort. In the LA cohort, ORR was 50.0% with complete response in 16.7% of patients. In the R/M cohort, ORR was 35.2% with complete response in 10.5% of patients. There were no unexpected safety signals. The authors conclude that pembrolizumab had robust antitumor activity in both LA and R/M cSCC.



  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Skelet-gerelateerde gebeurtenissen in overlevers van maligniteiten tijdens de jeugd (0)
2021-07-19 15:00   ( Nieuws )
Tags:  childhood cancer survivors skeletal adverse events
Prof. Jeanette Falck WintherDe dynamische groei van het skelet tijdens de kindertijd en adolescentie maakt het skelet kwetsbaar voor bijwerkingen van de behandeling van maligniteiten. Een Adult Life after Childhood Cancer in Scandinavia (ALiCCS) cohortstudie heeft levenslange risico’s van skeletmorbiditeit in overlevers van maligniteiten tijdens de jeugd geïnventariseerd. Prof. Jeanette Falck Winther (Universiteit van Aarhus, Denemarken) en collega’s publiceren de studie in het International Journal of Cancer.1

In registraties in Denemarken, Finland, IJsland en Zweden identificeerden de onderzoekers 26.334 tenminste-een-jaar overlevers van een maligniteit gediagnostiseerd voor de leeftijd twintig jaar. De controlegroep bestond uit 127.531 voor leeftijd en geslacht gematchte personen in nationale bevolkingsregisters. In het cohort van de overlevers hadden 1987 personen tenminste één ziekenhuisopname vanwege een skelet-gerelateerde gebeurtenis, resulterend in een rate ratio versus de controlepersonen van 1,35 (95%-bti 1,29-1,42). De overlevers hadden verhoogde risico’s van osteonecrose (RR 25,9; 95%-bti 15,0-44,5), osteoporose (4,53; 3,28-6,27), fracturen (1,27; 1,20-1,34), osteochondropathie (1,57; 1,28-1,92), en osteoartrose (1,48; 1,28-1,72). Het risico van hospitalisatie voor skeletal adverse events was hoger onder overlevers dan onder controlepersonen tot de leeftijd zestig jaar.

De onderzoekers concluderen dat begrip van leeftijdspatronen van deze bijwerkingen en identificatie van risicogroepen cruciaal is voor het ontwikkelen van strategieën voor het optimaliseren van skeletgezondheid in overlevers van maligniteiten tijdens de jeugd.

1.Oskarsson T, Duun-Henriksen AK, Bautz A et al. Skeletal adverse events in childhood cancer survivors: an Adult Life after Childhood Cancer in Scandinavia (ALiCCS) cohort study. Int J Cancer 2021; epub ahead of print

Summary: An Adult Life after Childhood Cancer in Scandinavia (ALiCCS) cohort study found that survivors of cancer diagnosed before 20 years of age, compared with age- and sex-matched comparison subjects, had increased risk of hospitalization for skeletal adverse events (RR 1.35; 95% CI 1.29-1.42). The survivors had increased risk of osteonecrosis (RR 25.9; 95% CI 15.0-44.5), osteoporosis (4.53; 3.28-6.27), fractures (1.27; 1.20-1.34), osteochondropathies (1.57; 1.28-1.92), and osteoarthrosis (1.48; 1.28-1.72). The risk of hospitalization for any skeletal adverse event was higher among survivors up to the age of 60 years, but the lieftime pattern was different for each type of event.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)