Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Multinationale fase 2-studie van tweedelijns lenvatinib voor recidiverend endometriumcarcinoom (0)
2020-01-20 12:38   ( Nieuws )
Tags:  recurrent endometrial cancer lenvatinib
Prof. Ignace VergoteEr zijn weinig werkzame tweedelijns behandelingen bekend voor endometriumcarcinoom (EC). Een multinationale fase 2- studie heeft de waarde onderzocht van de multityrosinekinaseremmer lenvatinib monotherapie voor tweedelijns behandeling van gevorderd of recidiverend EC. Prof. Ignace Vergote ((Universiteitsziekenhuis Leuven) en collega’s publiceren de studie online in Gynecologic Oncology.1

De studie werd uitgevoerd in 69 centra in acht landen. De studie includeerde 133 patiënten met histologisch bevestigd niet-resectabel EC dat recidiveerde na één eerdere lijn platina-gebaseerde chemotherapie. De patiënten kregen oraal lenvatinib 24 mg eenmaal daags. Het primaire eindpunt van de studie was centraal-beoordeelde objectieve respons. De figuur laat zien dat de centraal-beoordeelde ORR 14,3% was (95%-bti 8,8-21,4) en de lokaal-beoordeeld ORR 21,1% (95%-bti 14,5-29,0). Stabiele ziekte gedurende tenminste 23 weken werd gezien in nog 31 patiënten, voor een clinical benefit rate van 37,6% (95%-bti 29,3-46,4). De mediane progressievrije overleving was 5,6 maanden (95%-bti 3,7-6,3) en de mediane overall survival was 10,6 maanden (95%-bti 8,9-14,9). De meest-gerapporteerde treatment-related adverse events waren hypertensie (49% van de patiënten), vermoeidheid/asthenie (48%), misselijkheid en braken (32%), verminderde eetlust (32%), en diarree (31%). Lagere baseline niveaus van angiopoïetine-2 waren geassocieerd met hogere ORR, en langere PFS en OS.

De onderzoekers concluderen dat tweedelijns lenvatinib matige antitumor-werkzaamheid voor recidiverend EC had, en over het algemeen goed verdragen werd.

1.Vergote I, Powell MA, Teneriello MG et al. Second-line lenvatinib in patients with recurrent endometrial cancer. Gynecol Oncol 2020; epub ahead of print

Summary: A multinational phase 2 study found modest antitumor activity of second-line lenvatinib for recurrent endometrial cancer. The treatment was generally well tolerated.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Toevoeging van antithymocytenglobuline aan standaard GVHD-profylaxe bij transplantatie voor hematologische maligniteiten (0)
2020-01-19 16:01   ( Nieuws )
Tags:  transplantation from unrelated donors GVHD prophylaxis ATG
Prof. Irwin WalkerEr is behoefte aan nieuwe strategieën voor de preventie van graft-versus-host disease (GVHD) in patiënten die transplantatie van niet-verwante donoren ondergaan voor hematologische maligiteiten. Een fase 3-studie in Canada en Australië heeft de waarde onderzocht van toevoeging van antithymocytenglobuline (ATG) aan standaard GVHD-profylaxe. In 2016 is gepubliceerd dat toevoeging van ATG resulteerde in een hoger percentage patiënten die na twaalf maanden vrij waren van immuunsuppressieve behandeling (primair eindpunt van de studie). Prof. Irwin Walker (Juravinski Hospital, Hamilton ON) en collega’s publiceren nu twee-jaars resultaten van de studie online in The Lancet Haematology.1

De studie werd uitgevoerd in tien centra in Canada en één centrum in Australië. De studie includeerde patiënten met leukemie, MDS, of lymfoom, leeftijd van zestien tot en met zeventig jaar, en een Karnofsky score van tenminste 60, die myeloablatieve of reduced intensity conditioning transplantatie van een niet-verwante donor ondergingen. Ze werden gerandomiseerd naar ATG 4,5 mg/kg plus standaard GVHD-profylaxe (cyclosporine of tacrolimus plus methotrexaat of mycofenolaat; n=99) of alleen standaard GVHD-profylaxe (n=97).

Twee jaar na de transplantatie was 38% van de patiënten in de ATG plus standaard GVHD-profylaxegroep versus 19% van de patiënten in de standaard GVHD-profylaxegroep vrij van immuunsuppressieve therapie (OR 3,49; p=0,0016). De cumulatieve incidentie van relapse was 16,3% versus 17,5% (p=0,73), en de nonrelapse mortaliteit was 21,2% versus 31,3% (p=0,15). De cumulatieve incidentie van GVHD was 26,3% versus 41,3% (p=0,032). De overall survival was 70,6% versus 53,3% (HR 0,56; p=0,017); in de abstract van de publicatie zijn deze twee percentages abusievelijk verwisseld. In de standaard GVHD-profylaxegroep waren depressiesymptomen meer prominent. Ernstige adverse events (graad 4 of 5) werden gezien in 38% van de patiënten in de ATG plus standaard GVHD-profylaxegroep versus 51% in de standaard GVHD-profylaxegroep.

De onderzoekers concluderen dat toevoegen van ATG aan standaard GVHD-profylaxe resulteerde in significant betere uitkomsten van unrelated donor transplantation onder patiënten met hematologische maligniteiten.

1.Walker I, Panzarella T, Couban S et al. Addition of anti-thymocyte globulin to standard graft-versus-host disease prophylaxis versus standard treatment alone in patients with haematological malignancies undergoing transplantation from unrelated donors: final analysis of a randomised, open-label, multicentre, phase 3 trial. Lancet Haematol 2020; epub ahead of print

Summary: A phase 3 study in Canada and Australia found that addition of anti-thymocyte globulin to standard graft-versus-host disease prophylaxis in patients with hematologic malignancies undergoing transplantation from unrelated donors provided clinically meaningful benefits; including longer overall survival, a decrease in use of immunosuppressive therapy, chronic GVHD and its symptoms, and depressive symptoms.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Systemische therapie na craniotomie voor solitaire hersenmetastase van mammacarcinoom (0)
2020-01-19 14:29   ( Nieuws )
Tags:  solitary breast cancer brain metastastasis systemic therapy after resection
Dr. Nancy LinDe prognose van patiënten met hersenmetastasen van mammacarcinoom (BCBM) is slecht, hoewel verbeteringen in systemische therapie (ST) hebben geresulteerd in verlenging van de overleving, met name door betere extracraniële controle. Een retrospectief overzicht van de electronische patiëntendossier van Brigham and Women’s Hospital en Massachusetts General Hospital (beide in Boston) heeft de impact onderzocht van ST na resectie voor een solitaire BCBM. Dr. Nancy Lin (Dana-Farber Cancer Institute, Boston) en collega’s publiceren de studie online in Breast Cancer Research and Treatment.1


De onderzoekers identificeerden 44 patiënten die tussen begin 2002 en eind juli 2017 resectie voor een solitaire BCBM ondergingen. De mediane overall survival was 15 maanden onder patiënten met triple-negatieve ziekte, 24 maanden onder patiënten met ER-positieve ziekte, en 23 maanden onder patiënten met HER2-positieve ziekte. Postoperatieve ST was geassocieerd met langere mediane progressievrije overleving (8 versus 4 maanden; p=0,01) en OS (32 versus 15 maanden; p=0,21). Negen patiënten (20%) hadden extracraniële progressie, drieëntwintig patiënten (52%) hadden intracraniële progressie, drie patiënten (7%) hadden zowel extra- als intracraniële progressie, en negen patiënten (20%) hadden geen progressie bij de meest recente follow-up. De figuur toont de patronen van recidief en overleving. In multivariate analyse was postoperative hormonale therapie in patiënten met ER-positieve ziekte geassocieerd met langere OS (HR 0,26; p=0,03) maar niet statistisch significant met langere PFS (HR 0,35; p=0,15). Postoperatieve HER2-gerichte therapie was niet geassocieerd met langere OS of PFS in patiënten met HER2-positieve ziekte.

De onderzoekers concluderen dat na resectie voor solitaire BCBM ziekteprogressie meer frequent intracranieel dan extracranieel optrad. Postoperatieve gerichte ST was geassocieerd met langere OS in patiënten met ER-positieve ziekte maar niet in patiënten met HER2-positieve ziekte.

1.Hulsbergen AFC, Cho LD, Mammi M et al. Systemic therapy following craniotomy in patients with a solitary breast cancer brain metastasis. Breast Cancer Res Treat 2020; epub ahead of print

Summary: A retrospective review of records of Brigham and Womens Hospital and Massachusetts General Hospital investigated outcomes of resection for solitary breast cancer brain metastasis. Intracranial disease progression was more frequent than extracranial disease progression. In patients with ER-positive disease postoperative hormonal therapy was associated with longer overall survival. In patients with HER2-positive disease HER2-targeted therapy was not associated with survival benefit.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associaties van immuuncelprofielen met risico van mammacarcinoom (0)
2020-01-19 12:47   ( Nieuws )
Tags:  prediagnostic immune cell profiles and breast cancer risk
Dr. Jack TaylorEr zijn aanwijzingen dat hogere leukocytengetallen in vrouwen geassocieerd zijn met verhoogd risico van mammacarcinoom, maar de associaties van specifieke leukocyt-subtypen met het risico zijn onduidelijk. Een analyse in het cohort van de Sister Study heeft deze associaties onderzocht. Dr. Jack Taylor (National Institutes of Health, Triangle Park NC) en collega’s publiceren de analyse in JAMA Network Open.1

De Sister Study is een doorlopend onderzoek onder 50.584 gezonde zusters van vrouwen met een diagnose mammacarcinoom. Voor de nu gepubliceerde analyse verzamelden de onderzoekers bloedmonsters van 2774 non-Hispanic white deelneemsters waarin ze gehalten bepaalden van zes leukocyt-subtypen (B-cellen, natural killer cellen, CD8+ en CD4+ T-cellen, monocyten, en granulocyten). De niveaus van de subtypen werden gedichotomiseerd aan de hand van mediane waarden in de studiepopulatie. De gemiddelde leeftijd van de vrouwen was 56,6 ± 8,8 jaar. In 91 van deze vrouwen werd tijdens de follow-up mammacarcinoom vastgesteld, met een gemiddelde tijd tussen monstername en diagnose van 3,9 ± 2,2 jaar. Lagere proporties van circulerende monocyten waren geassocieerd met verhoogd risico van mammacarcinoom binnen één jaar na de bloedmonstername. Hogere proporties van B-cellen waren geassocieerd met verhoogd risico van mammacarcinoom vier of meer jaren na de bloedmonstername.

De onderzoekers concluderen dat verschuivingen in leukocytenprofielen voorafgingen aan een diagnose mammacarcinoom, en mogelijk kunnen dienen als markers van tijdsafhankelijk risico van mammacarcinoom.

1.Kresovich JK, O’Brien KM, Xu Z et al. Prediagnostic immune cell profiles and breast cancer. JAMA Network Open 2020;3:e1919536

Summary: An analysis in the cohort of the Sister Study found that shifts in circulating leukocyte profiles preceded a breast cancer diagnosis and may serve as markers of time-dependent breast cancer risk.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Trend in uitkomsten van adjuvant FOLFOX/FLOX voor stadium III coloncarcinoom, 1998-2010 (0)
2020-01-18 16:00   ( Nieuws )
Tags:  stage III colon cancer adjuvant FOLFOX FLOX trend in outcomes 1998-2009
Prof. Qian ShiAdjuvant FOLFOX of FLOX is de standaardbehandeling na resectie voor coloncarcinoom (CC). Een gepoolde analyse van individuele patiënt-gegevens van gerandomiseerde studies heeft trends in uitkomsten van deze behandeling onderzocht over de periode van begin 1998 tot eind 2009. Prof. Qian Shi (Mayo Clinic, Rochester MN) en collega’s publiceren de analyse online in Annals of Oncology.1

In de ACCENT-database vonden de onderzoekers zes voor het onderwerp relevante studies, met tezamen 6501 patiënten die FOLFOX of FLOX kregen voor stadium III CC. De onderzoekers vergeleken uitkomsten van behandeling in de periode 1998 tot en met 2003 met uitkomsten van de behandeling in de periode 2004 tot en met 2009. De analyse laat zien dat patiënten met behandeling in de latere periode, vergeleken met patiënten in de eerdere periode, significant betere ziektevrije overleving hadden (drie jaars DFS 74,7% versus 72,3%; HR 0,88; p=0,024), evenals significant betere overleving na recidief (SAR; mediaan 27,0 maanden versus 17,7 maanden; HR 0,65; p<0,0001), en betere overall survival (vijf-jaars OS 80,9% versus 75,7%; HR 0,78; p<0,0001). Deze verbetering voor de recente versus de oudere behandelperiode werden ook gezien in subgroepen (patiënten in de leeftijd 45 jaar of ouder, laag-risico patiënten, linkszijdige ziekte, pMMR, BRAF-wildtype en KRAS-wildtype).

De onderzoekers concluderen dat de uitkomsten van adjuvant FOLFOX/FLOX voor stadium III CC na 2004 verbeterd zijn. De verbetering van de SAR vraagt om revalidatie van drie-jaars DFS ans surrogaat eindpunt voor OS in adjuvante klinische studies.

1.Salem ME, Yin J, Goldberg RM et al. Evaluation of the change of outcomes over a ten-year period in patients with stage III colon cancer: pooled analysis of 6501 patients treated with fluorouracil, leucovorin, and oxaliplatin in the ACCENT database. Ann Oncol 2020; epub ahead of print

Summary: An analysis of individual patient data of six randomized trials found that outcomes of adjuvant FOLFOX/FLOX for stage III colon cancer improved significantly from 1998-2003 to 2004-2009. 


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Integratie van genetische kenmerken in voorspelling van overleving van essentiële trombocytemie en polycythemia vera (0)
2020-01-18 14:29   ( Nieuws )
Tags:  essential thrombocythenia and polycythemia vera mutation-enhanced prognostic system
Prof. Ayalew TefferiDe voorspelling van overleving van patiënten met essentiële trombocytemie (ET) en polycythemia vera (PV) berust momenteel op klinische kenmerken. Een analyse van patiënten van de Mayo Clinic (Rochester MN) en de Universiteit van Florence (Italië) heeft de mogelijkheid onderzocht om de voorspelling te verbeteren door integratie van genetische kenmerken in prognostische systemen. Prof. Ayalew Tefferi (Mayo) en collega’s publiceren de analyse online in het British Journal of Haematology.1

De analyse includeerde 502 ET- en 404 PV-patiënten (416 van de Mayo Clinic en 490 in Florence). In multivariate analyse waren spliceosoom-mutaties geassocieerd met slechtere overall survival (SF3B1 en SRSF2 in ET; SRFS2 in PV) en met slechtere myelofibrosevrije overleving (U2AF1 en SF3B1 in ET). TP53-mutaties voorspelden leukemische transformatie in ET. Deze adverse mutations werden gezien in 10% van de ET-patiënten en 2% van de PV-patiënten. Factoren die onafhankelijk geassocieerd waren met slechtere OS waren adverse mutations (HR 2,4; 95%-bti 1,6-3,5), leeftijd hoger dan zestig jaar (6,6; 4,6-9,7), mannelijk geslacht (1,8; 1,3-2,4), en leukocytose ≥ 11 x 109/l (1,6; 1,1-2,2) in ET; en adverse mutations (7,8;3,1-17,0), leeftijd hoger dan 67 jaar (5,4; 3,6-8,1), leukocytose ≥ 15 x 109/l (2,8;1,8-4,2), en geschiedenis van trombose (2,0;1,4-2,9) in PV. Integratie van deze factoren in conventionele voorspellingsmodellen resulteerde in verbetering van de voorspelling van de overleving.

De onderzoekers dat informatie over spliceosoom-mutaties conventionele voorspellingsmodellen van de overleving van ET- en PV-patiënten kan verbeteren, en patiënten met verhoogd risico van fibrotische progressie kan identificeren. TP53-mutaties voorspellen leukemische transformatie in ET.

1.Tefferi A, Guglielmelli P, Lasho TL et al. Mutation-enhanced international prognostic systems for essential thrombocythaemia and polycythaemia vera. Br J Haematol 2020; epub ahead of print

Summary: An analysis of essential thrombocythemia (ET) and polycythemia vera (PV) patients of the Mayo Clinic (Rochester, MN) and the University of Florence (Italy) found that integration of genetic information in current prognostic systems resulted in improvement of prediction of survival and in identification of patients at risk for fibrotic progression. TP53 mutations predicted leukemic transformation in ET.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Impact van risicoverlagende salpingo-ovariëctomie op risico van mammacarcinoom in BRCA1/2-mutatiedraagsters (0)
2020-01-18 13:00   ( Nieuws )
Tags:  RRSO in BRCA1 2 mutation carriers impact on breast cancer risk
Prof. Douglas EastonIn retrospectieve analyses zijn aanwijzingen gezien dat risicoverlagende salpingo-ovariëctomie (RRSO) in patiënten met BRCA1/2-mutaties niet alleen het risico van ovariumcarcinoom verlaagt maar ook beschermt tegen mammacarcinoom. Deze studies hadden echter een substantieel risico van bias. Prospectieve studies van de associatie tussen RRSO en het risico van mammacarcinoom hadden niet voldoende power voor een betrouwbare conclusie. Een multinationale grote prospectieve cohortstudie heeft de associatie nader onderzocht. Prof. Douglas Easton (University of Cambridge UK) en collega’s publiceren de studie online in Breast Cancer Research.1

De studie includeerde 2272 BRCA1-mutatiedraagsters en 1605 BRCA2-mutatiedraagsters. Tijdens gemiddeld 5,4 en 4,9 jaar follow-up van beide groepen werd in 426 deelneemsters mammacarcinoom vastgesteld. Er was geen statistische significante associatie tussen RRSO en mammacarcinoom in de groep BRCA1-mutatiedraagsters (HR 1,23; 95%-bti 0,94-1,61) en evenmin in de groep BRCA2-mutatiedraagsters (HR 0,88; 95%-bti 0,62-1,24). Onder de BRCA2-mutatiedraagsters was de HR 0,68 (95%-bti 0,40-1,15) in geval van RRSO voor de leeftijd 45 jaar, en 1,07 (95%-bti 0,69-1,64) in geval van RRSO vanaf de leeftijd 45 jaar. Onder de BRCA2-mutatiedraagsters nam de HR af naarmate de tijd sinds de RRSO toenam; de associatie was statistisch significant vanaf 5 jaar na de RRSO (HR 0,51; 95%-bti 0,26-0,99).

De onderzoekers concluderen dat er geen evidentie was dat RRSO het risico van mammacarcinoom verlaagt onder BRCA1-mutatiedraagsters. Er was een mogelijk gunstig effect onder BRCA2-mutatiedraagsters, met name vanaf vijf jaar na de RRSO.

1.Mavaddat N, Antoniou AC, Mooij TM et al. Risk-reducing salpingo-oophorectomy, natural menopause, and breast cancer risk: an international prospective cohort of BRCA1 and BRCA2 mutation carriers. Breast Cancer Res 2020;22:8

Summary: A multinational prospective cohort study found no evidence that risk-reducing salpingo-oophorectomy reduces breast cancer risk among BRCA1 mutation carriers. A potentially beneficial effect for BRCA2 mutation carriers was observed, particularly after 5 years following RRSO.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Drie-jaars update van brentuximab vedotin plus chemotherapie voor stadium III/IV klassiek Hodgkin lymfoom (0)
2020-01-17 16:00   ( Nieuws )
Tags:  ECHELON-1 study cHL brentuximab vedotin
Dr. David StraussDe multinationale fase 3-studie ECHELON-1 heeft laten zien dat brentuximab vedotin plus AVD (A+AVD) vergeleken met ABVD als frontline behandeling voor stadium III/IV klassiek Hodgkin lymfoom (cHL) resulteerde in superieure progressievrije overleving (HR 0,77; p=0,04). Dr. David Strauss (Memorial Sloan Kettering Cancer Center, New York) en collega’s publiceren online in Blood een drie-jaars update van de studie.1 ECHELON-1 includeerde 1334 patiënten met stadium III of IV cHL, die werden gerandomiseerd naar A+AVD (n=664) of ABVD (n=670). Na de tweede cyclus ondergingen alle patiënten een PET-scan (PET2).

De mediane follow-up ten tijde van de nu gepubliceerde analyse was 37 maanden. De drie-jaars PFS was 83,1% met A+AVD versus 76,0% met ABVD. De drie-jaars PFS in de groep patiënten jonger dan zestig jaar met een negatief resultaat van PET2 was 87,2% met A+AVD versus 81,0% met ABVD. Ook in de groep patiënten jonger dan zestig jaar met een positief resultaat van PET2 was er een gunstige PFS-trend met A+AVD (69,2%) vergeleken met ABVD (54,7%). Het profijt van A+AVD vergeleken met ABVD was onafhankelijk van ziektestadium en prognostische risicofactoren. Onder de patiënten met perifere neuropathie was er resolutie of verbetering van de klachten in 78% van de patiënten met A+AVD versus 83% van de patiënten met ABVD.

De onderzoekers concluderen dat frontline A+AVD vergeleken met ABVD voor stadium III/IV cHL resulteerde in betere PFS ongeacht patiëntsubgroep en ongeacht het resultaat van PFS2.

1.Strauss DJ, Dlugosz-Danecka M, Alekseev S et al. Brentuximab vedotin with chemotherapy for stage III/IV classical Hodgkin lymphoma: 3-year update of the ECHELON-1 study. Blood 2020; epub ahead of print

Summary: three-year update of the multinational phase 3 study ECHELON-1 showed that brentuximab vedotin + AVD as frontline therapy for stage III or IV classical Hodgkin lymphoma was superior to ABVD, regardless of patient subgroup and regardless of result of PET scan after two cycles.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)