Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Lange-termijn incidentie en mortaliteit van colorectaalcarcinoom na een enkele negatieve screening-coloscopie (0)
2020-05-26 11:49   ( Nieuws )
Tags:  CRC incidence and mortality after snigle negative screening colonoscopy
Prof. Jaroslaw RegulaNa een coloscopie met negatief resultaat in personen met gemiddeld risico van colorectaalcarcinoom wordt aanbevolen de coloscopie na tien jaar te herhalen, maar dit advies berust op beperkte evidentie. Een studie in Polen heeft de lange-termijn CRC-incidentie en –mortaliteit na een negatieve screeningcoloscopie geïnventariseerd. Prof. Jaroslaw Regula (Maria Sklodowska-Curie Oncologischonderzoeksinstituut, Warschau) en collega’s publiceren de studie vandaag online in Annals of Internal Medicine.1



De studie, uitgevoerd in het Poolse Coloscopie Screenings Programma, includeerde 165.887 personen die tussen oktober 2000 en december 2011 in de leeftijd van 50 tot en met 66 jaar coloscopie met negatief resultaat ondergingen. Tijdens ten hoogste 17,4 jaar follow-up was de CRC-incidentie in deze groep 72% lager (SIR 0,28; 95%-bti 0,25-0,30) en de CRC-mortaliteit 81% lager (SMR 0,19; 0,16-0,21) dan in de algemene Poolse bevolking.

De onderzoekers onderscheidden hoge-kwaliteit coloscopie (kwaliteitsindicatoren cecale intubatie, bowel preparatie, en hoog jaarlijkse adenoom detectiepercentage van de endoscopist) van lage-kwaliteit coloscopie. Personen met een negatieve hoge-kwaliteit coloscopie hadden een lagere CRC-incidentie (versus de algemene bevolking SIR 0,16;0,13-0,20) en CRC-mortaliteit (SMR 0,10; 0,06-0,14) dan personen met een negatieve lage-kwaliteit coloscopie (SIR 0,32; 0,29-0,35; en SMR 0,22; 0.18-0,25). In multivariate analyse waren de HRs van CRC-incidentie na negatieve hoge- versus lage-kwaliteit 0,55 (0,35-0,86) voor de eerste vijf jaar; 0,54 (0,38-0,77) voor vijf tot tien jaar; en 0,46 (0,25-0,86) voor tien tot zeventien jaar. Alleen na hoge-kwaliteit coloscopie verschilden SIR en SMR gedurende de laatste 7,4 jaar van de follow-up niet van die tijdens eerdere observatieperioden.

De onderzoekers concluderen dat een enkele negatieve screening-coloscopie geassocieerd was met verlaagde CRC-incidentie en CRC-mortaliteit gedurende tenminste 17,4 jaar. Alleen hoge-kwaliteit coloscopie resulteerde in stabiele verlaging van CRC-incidentie en mortaliteit gedurende de gehele follow-up periode.

1.Dagny Pilonis N, Bugajski M, Wieszczy P et al. Long-term colorectal cancer incidence and mortality after a single negative screening colonoscopy. Ann Intern Med 2020; epub ahead of print

Summary: A study in Poland found that a single negative screening colonoscopy was associated with reduced CRC incidence and mortality for up to 17.4 years.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Risico van QTc-verlenging onder tyrosinekinaseremmer-behandelde patiënten met maligniteiten (0)
2020-05-25 15:00   ( Nieuws )
Tags:  TKIs for cancer risk of QTc prolongation
Dr. Joerg HermannVerlenging van het QTc-interval kan resulteren in levensbedreigende complicaties zoals Torsade de Pointes (TdP), ventriculaire tachycardie (VT), en plotse cardiale dood (SCD). Een retrospectieve studie van de Mayo Clinic (Rochester MN) heeft real-world associaties tussen TKI-behandeling voor maligniteiten en het risico van QTc-verlenging geïnventariseerd. Dr. Joerg Hermann en collega’s publiceren de studie vandaag online in het International Journal of Cancer.1

De studie includeerde alle 618 patiënten die tussen begin 2005 en eind 2018 in Rochester tezamen 902 TKI-toedieningen kregen voor maligniteiten, en van wie tenminste één ECG voor start van de behandeling en tenminste één ECG na voltooiing van de behandeling beschikbaar was. De meest-gebruikte TKIs waren pazopanib, sunitinib, imatinib, nilotinib, en dasatinib. QTc-verlenging werd gedefinieerd als gecorrigeerd QT-interval tenminste 450 ms voor mannen en tenminste 470 ms voor vrouwen.

Any grade QTc-verlenging werd gezien in 28% van de patiënten, het meest frequent met dasatinib (41,7%) en nilotinib (38,7%). Een QTc-interval van tenminste 500 ms werd gezien met 46 TKI-toedieningen en een QTc-toename van tenminste 60 ms met 63 TKI-toedieningen. Levensbedreigende toxiciteit werd gezien in veertien gevallen (1,7% van de patiënten), te weten VT in negen, SCD in drie, en TDP in twee. Detectie van QTc-verlenging resulteerde in discontinuering van TKIs in 68%, doseringsreductie in 13,5%, onderbreking van de behandeling in 8,1%, en geen actie in 10,4%.

De onderzoekers concluderen dat enige QTc-verlenging werd gezien in bijna één op de drie TKI-behandelde patiënten, en dat in 1,7% van de patiënten TKI-behandeling geassocieerd was met levensbedreigende complicaties.

1.Abu Rmilah AA, Lin G, Begna KH et al. Risk of QTc prolongation among cancer patients treated with tyrosine kinase inhibitors. Int J Cancer 2020; epub ahead of print

Summary: A retrospective study at the Mayo Clinic (Rochester, MN) found that QTc prolongation was common with TKI therapy for cancer (approximately one in three cases). In 1.7% of patients TKI-related QTc prolongation was associated with life-threatening complications.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 2-studie van regorafenib na falen van gemcitabine en platina-chemotherapie voor gevorderde biliaire tumoren (0)
2020-05-25 14:00   ( Nieuws )
Tags:  REACHIN study pretreated advanced biliary tumors regorafenib
Prof. Anne DemolsEr Is behoefte aan nieuwe behandelingen voor lokaal-gevorderd of metastatisch galwegcarcinoom (BTC) na progressie op eerstelijns chemotherapie. De multikinaseremmer regorafenib heeft activiteit voor sommige typen gastroïntestinale maligniteit na progressie op standaard-therapie. De Belgische multicenter gerandomiseerde fase 2-studie REACHIN vergeleek regorafenib versus placebo voor lokaal-gevorderd of metastatisch BTC na falen van gemcitabine en platina-gebaseerde chemotherapie. Prof. Anne Demols (Erasmus Ziekenhuis, Brussel) en collega’s publiceren de studie vandaag online in Annals of Oncology.1


De studie includeerde 66 patiënten, met intrahepatisch (n=42), perihilair (n=6), of extrahepatisch (n=9) cholangiocarcinoom of galblaascarcinoom (n=9). Ze werden 1:1 gerandomiseerd naar regorafenib 160 mg eenmaal daags (n=33) of placebo (n=33) op de eerste 21 dagen van 28-daagse cycli, toegevoegd aan beste ondersteunende zorg. De behandeling werd voortgezet tot progressie of niet-acceptabele toxiciteit. Het primaire eindpunt van de studie was progressievrije overleving.

De mediane duur van de behandeling was 11,0 weken in de regorafenibgroep en 6,3 weken in de placebogroep. Doseringsreductie was vereist voor 14 van 33 patiënten in de regorafenibgroep (42%). Ziektestabilisatie werd gezien in 74% (95%-bti 59-90) van de patiënten in de regorafenibgroep versus 34% (18-51) in de placebogroep (p=0,002). Na mediaan 24 maanden follow-up was progressie gezien in alle patiënten, en waren nog zes patiënten in leven. De mediane PFS was 3,0 maanden in de regorafenibgroep versus 1,5 maanden in de placebogroep (HR 0,49; p=0,004). De mediane overall survival was 5,3 maanden in de regorafenibgroep versus 5,1 maanden in de placebogroep (p=0,28).

De onderzoekers concluderen dat regorafenib vergeleken met placebo resulteerde in significante verbetering van PFS en tumorcontrole in patiënten met eerder-behandeld lokaal-gevorderd of metastatisch BTC.

1.Demols A, Borbath I, Van den Eynde M et al. Regorafenib after failure of gemcitabine and platinum-based chemotherapy for locally advanced/metastatic biliary tumors: a randomized, double-blind, phase 2 trial – REACHIN. Ann Oncol 2020; epub ahead of print

Summary: The Belgian multicenter randomized phase 2 study REACHIN compared regorafenib versus placebo for locally advanced or metastatic biliary tumors after failure of gemcitabine and platinum-based chemotherapy. The median PFS was 3.0 months with regrafenib versus 1.5 months with placebo (HR 0.49; p=0.004) whereas the median OS was 5.3 months with regorafenib versus 5.1 months with placebo (p=0.28).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Complicatierisico van robotische vergeleken met open pancreaticoduodenectomie (0)
2020-05-25 13:00   ( Nieuws )
Tags:  robotic versus open pancreaticoduodenectomy complication risk
Dr. Melissa HoggStudies van de veiligheid van minimaal-invasieve pancreaticoduodenectomie vergeleken met open pancreaticoduodenectomie (OPD) hebben uiteenlopende resultaten opgeleverd. Een analyse van een USA-brede dataset heeft het risico van complicaties vergeleken voor OPD versus robotische pancreaticoduodenectomie (RPD). Dr. Melissa Hogg (NorthShore University Health System, Evanston IL) en collega’s publiceren de analyse online in het Journal of Surgical Oncology.1

In de dataset identificeerden de onderzoekers 13.110 PDs in de studieperiode van begin 2014 tot eind 2017, waaronder 12.612 (96,2%) OPDs en 498 (3,8%) RPDs. Patiënten die RPD, vergeleken met OPD, ondergingen hadden lagere waarschijnlijkheid van any complicaties (46,8% versus 53,3%; p=0,004), chirurgische complicaties (42,6% versus 48,6%; p=0,008), wondcomplicaties (6,2% versus 9,1%; p=0,029), klinisch relevante postoperatieve pancreasfistels (11,9% versus 16,6%; p=0,026), sepsis (6,2% versus 9,3%; p=0,019), en pneumonie (1,6% versus 3,8%; p=0,012). In propensity score gematchte analyse was OPD versus RPD een significant voorspeller van any (OR 1,29; p=0,029) en chirurgische (OR 1,26; p=0,048) complicaties.

De onderzoekers concluderen dat de grote multicenter-analyse suggereert dat RPD vergeleken met OPD geassocieerd was met verlaagde frequentie van morbiditeit.

1.Vining CC, Kuchta K, Schuitevoerder D et al. Risk factors for complications in patients undergoing pancreaticoduodenectomy: a NSQIP analysis with propensity score matching. J Surg Oncol 2020; epub ahead of print

Summary: Analysis of a US national dataset, with propensity score matching, found that robotic pancreaticoduodenectomy compared with open pancreaticoduodenectomy was associated with less frequent morbidity.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Impact van adjuvante therapie op recidiefvrije overleving van patiënten met gevorderd melanoom (0)
2020-05-25 11:42   ( Nieuws )
Tags:  resected stage 3 and oligometastatic stage 4 melanoma adjuvant therapy
Dr. Genevieve Marie BolandDe publicatie van de Multicenter Selective Lymphadenectomy Trial (MSLT)-2 heeft geresulteerd in veranderingen in het management van patiënten met geresecteerd stadium 3-melanoom, maar er is nog geen duidelijkheid over de relatieve waarde van verschillende typen adjuvante therapie. Een real-world studie in Massachusetts General Hospital (Boston) heeft responsen en recidiefpatronen na adjuvante therapie geïnventariseerd. Dr. Genevieve Marie Boland en collega’s publiceren de studie online in Annals of Surgical Oncology.1

De studie includeerde 102 patiënten na chirurgische resectie van stadium 3 of oligometastisch stadium 4-melanoom, die adjuvante anti-PD-1 therapie (n=46), BRAF/MEK-remmertherapie (n=30), of actieve surveillance (AS, n=26) kregen. Het primaire eindpunt van de studie was recidiefvrije overleving. Gedurende gemiddeld 17 maanden follow-up werd recidief gezien in 20% van de anti-PD-1 patiënten, 13% van de BRAF/MEKi-patiënten, en 42% van de AS-patiënten. De mediane RFS was significant langer met anti-PD-1 (15,3 maanden; IQR 8,2-23,2; p=0,04) en met BRAF/MEKi (17,9 maanden; IQR 12,5-23,0; p=0,01) dan met AS (11,9 maanden; IQR 7,0-17,6). In de anti-PD-1 groep werden adverse events gezien in 54% van de patiënten, significant minder dan in de BRAF/MEKi-groep (80%; p=0,03).

De onderzoekers concluderen dat na chirurgische resectie van stadium 3 of 4-melanoom adjuvante therapie met anti-PD-1 of BRAF/MEKi resulteerde in significante verbetering van de RFS (vergeleken met AS). De frequentie van AEs was significant hoger met BRAF/MEKi dan met anti-PD-1.

1.Rauwerdink DJW, Molina G, Tompers Frederick D et al. Adjuvant therapy failure patterns in the modern era of melanoma management. Ann Surg Oncol 2020; epub ahead of print

Summary: A real-world study at Massuchetts General Hospital (Boston) found that after resection of stage 3 or 4 melanoma, adjuvant anti-PD-1 or BRAF/MEK inhibitor therapy was associated with significantly improved recurrence-free survival (compared with active surveillance). The BRAF/MEKi group had significantly more AEs than the anti-PD-1 group.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Tumormutatiebelasting en immuuninfiltratie voorspellen respons van vroeg TNBC op neoadjuvante ICI-therapie (0)
2020-05-24 15:00   ( Nieuws )
Tags:  GeparNuevo analysis early TNBC neoadjuvant ICI TMB immune infiltration
Prof. Thomas KarnDe Duitse fase 2-studie GeparNuevo randomiseerde patiënten met vroeg-stadium triple-negatief mammacarcinoom naar neoadjuvante chemotherapie met durvalumab of placebo, al of niet na eerdere behandeling met durvalumab of placebo. Vorig jaar is gepubliceerd dat onder de patiënten die voorbehandeld waren met durvalumab het percentage patiënten met pCR significant beter was in de durvalumab-armdan in de placebo-arm. Op de ESMO Breast Cancer Virtual Meeting presenteert prof. Thomas Karn (Frankfurt am Main) vandaag een gepredefinieerde analyse van de studie, betreffende de predictieve waarde van tumormutatiebelasting (TMB) en het immuun-genexpressie profiel (GEP) van de tumoren voor werkzaamheid van neoadjuvant durvalumab. Voor de abstract klik hier, vervolgens Proffered papers 3, en dan abstract 127O.

De analyse includeerde 149 patiënten uit het GeparNuevo-cohort. In pre-treatment monsters bepaalden de onderzoekers TMB en GEP. De mediane TMB was 1,52 mutatie per megabse (range 0,02-7,65). De TMB was significant hoger in de groep patiënten met pCR dan in de groep zonder pCR (mediaan 1,87 versus 1,39 mut/Mb; p=0,005). In multivariate analyse was de OR voor pCR 2,06 per mut/Mb (p=0,001) onder alle patiënten, met 1,77 per mut/Mb (p=0,049) in de durvalumab-arm, en 2,82 (p=0,016) in de placebo-arm. TMB en GEP als continue variabelen waren onafhankelijk voorspellend voor pCR. In de groep met het hoogste tertiel van TMB en hoger dan mediane GEP had 82% van de patiënten pCR (95%-bti 60-95); in de groep met lage TMB en lage GEP had slechts 28% pCR (95%-bti 16-43).

De onderzoekers concluderen dat TMB en GEP onafhankelijk predictief zijn voor de werkzaamheid van neoadjuvante therapie in vroeg-TNBC.

1.Karn F. ESMO Breast Cancer Virtual Meeting 2020, abstr. 127O

Summary: A predefined analysis of the phase 2 study GeparNuevo found that in earlyTNBC TMB and immune gene expression profile added independent value for prediction of pCR to neaoadjuvant durvalumab plus chemotherapy. To read the abstract click this link, then go to proffered papers 3, and then to abstract 127O.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Werkzaamheid en tolerabiliteit van chemotherapie voor vroeg mammacarcinoom in oudere vrouwen (0)
2020-05-24 13:29   ( Nieuws )
Tags:  chemotherapy for early-stage breast cancer in older women real-world evaluation
Dr. Lee SchwartzbergOudere patiënten met vroeg-stadium mammacarcinoom (ESBC) zijn ondervertegenwoordigd in klinische studies. In de klinsiche praktijk krijgen oudere (vergeleken met jonger) ESBC-patiënten gewoonlijk minder-agressieve behandeling, en hebben hogere mortaliteit. Er zijn weinig studies gepubliceerd van de uitkomsten en toxiciteit van chemotherapie voor ESBC in oudere patiënten. Een studie van de University of Tennessee (Memphis) heeft real-world werkzaamheid en tolerabiliteit van chemotherapie voor ESBC in oudere patiënten (zeventig jaar en ouder) geïnventariseerd. Dr. Lee Schwartzberg en collega’s publiceren de studie online in Breast Cancer Research and Treatment.1

Tussen begin 2010 en eind 2016 werden in Memphis 1296 oudere vrouwen met ESBC behandeld, onder wie 229 chemotherapie kregen. Voortijdige discontinuering van de behandeling was noodzakelijk in 24%, doseringsreductie in 18%, en uitstel van doses in 27%. Ernstige, levensbedreigende, en letale toxiciteiten kwamen voor in 38%, 1,3%, en 2,2%. De één- en drie-jaars overall survival was 94% en 79%, de één- en drie-jaar ziektespecifieke overleving was 96% en 89%, en de één- en drie-jaars ziektevrije overleving was 95% en 82%. Anthracyclines werden het slechtst verdragen. Anti-HER2 therapie en slechtere perfomance status waren geassocieerd met ernstige toxiciteit. Leeftijd hoger dan tachtig jaar was geassocieerd met vroege discontinuering van de behandeling (OR 3,64; 95%-bti 1,34-9,83).

De onderzoekers concluderen dat chemotherapie effectief kan worden toegediend aan oudere patiënten met ESBC, en redelijk verdragen wordt.

1.Delgado-Ramos G, Nasir SS, Wang J, Schwartzberg LS. Real-world evaluation of effectiveness and tolerance of chemotherapy for early-stage breast cancer in older women. Breast Cancer Res Treat 2020; epub ahead of print

Summary: A study at the University of Tennessee found that chemotherapy can be effectively delivered to older women (70 years and over) with early-stage breast cancer and is reasonably well tolerated.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Toevoegen van isatuximab aan pomalidomide-dexamethason voor RRMM in patiënten met nierschade (0)
2020-05-24 12:01   ( Nieuws )
Tags:  ICARIA-MM subgroep analysis RRMM renal impairment isatuximab
Prof. Meletios DimopoulosIsatuximab (Isa) is een anti-CD38 monoklonaal antilichaam. De multinational fase 3-studie ICARIA-MM heeft laten zien dat isa in combinatie met pomalidomide en dexamethason (Pd) voor recidiverend of refractair multipel myeloom (RRMM) vergeleken met alleen Pd resulteerde in betere progressievrije overleving (mediaan 11,53 versus 6,47 maanden; p=0,001). Prof. Meletios Dimopoulos (Nationale en Kapodistrische Universiteit, Athene) en collega’s publiceren nu online in Leukemia resultaten van een geprespecificeerde analyse van de studie in de subgroep van patiënten met nierschade.1

ICARIA-MM includeerde patiënten die tenminste twee eerdere lijnen behandeling hadden gekregen voor RRMM. De patiënten kregen 28-daagse cycli van intraveneus Isa 10 mg/kg iedere week in cyclus één, en iedere twee weken in volgende cycli. Pd werd gegeven in standaard-doseringen. Renal impairment (RI) was gedefinieerd als estimated glomerular filtration rate lager dan 60 ml/min/1,73 m2. Aan dit criterium voldeden 55 patiënten in de Isa-Pd arm en 49 patiënten in de Pd-arm.

De mediane PFS was 9,5 maanden in de RI-patiënten met Isa-Pd versus 3,7 maanden in de RI-patiënten met Pd (HR 0,50; 95%-bti 0,30-0,85). In de patiënten zonder RI (87 patiënten in de Isa-Pd arm en 96 patiënten in de Pd-arm) was de mediane PFS 12,7 maanden met Isa-Pd versus 7,9 maanden met Pd (HR 0,58; 95%-bti 0,38-0,88). De ORR in patiënten met en zonder RI was 56% en 68% met Isa-Pd versus 25% en 43% met Pd. Complete nierrespons werd gezien in 71,9% met Isa-Pd versus 38,1% met Pd; deze responsen hielden tenminste zestig dagen aan in 31,3% met Isa-Pd versus 19,0% met Pd.

De onderzoekers concluderen dat toevoeging van Isa aan Pd in RRMM-patiënten met RI resulteerde in verbetering van PFS, ORR, en renal response rates.

1.Dimopoulos MA, Leleu X, Moreau P et al. Isatuximab plus pomalidomide and dexamethasone in relapsed/refractory multiple myeloma patients with renal impairment: ICARIA-MM subgroup analysis. Leukemia 2020; epub ahead of print

Summary: A subgroup analysis of the multinational phase 3 study ICARIA-MM found that in patients with relapsed or refractory multiple myeloma and renal impairment (eGFR<60 ml/min/1.73m2) addition of isatuximab to pomalide-dexamethasone resulted in improvement of PFS, ORR, and renal response rates.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)