Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Overlevingsimpact van diepte van respons van melanoom op vemurafenib met of zonder cobimetinib (0)
2019-08-18 14:58   ( Nieuws )
Tags:  metastatic melanoma prognostic value of depth of response
Prof. Karl LewisEen gepoolde analyse van vier studies onderzocht de prognostische waarde van diepte van respons van BRAFV600-gemuteerd metastatisch melanoom op behandeling met vemurafenib met of zonder cobimetinib (hoewel de titel van de publicatie ten onrechte behandeling met cobimetinib met of zonder vemurafenib meldt). Prof. Karl Lewis (University of Colorado, Aurora) en collega’s publiceren de analyse online in het British Journal of Cancer.1 De betreffende studies zijn BRIM-2, BRIM-3, BRIM-7, en coBRIM.

De analyse laat zien dat grotere tumorreductie en langere tijd tot maximale respons geëvalueerd als continue variabelen significant geassocieerd waren met langere progressievrije overleving en overall survival. Patiënten met de diepste responsen hadden langdurige overlevingsuitkomsten (vemurafenib monotherapie: mediane PFS 14 maanden en mediane OS 32 maanden; vemurafenib plus cometinib: mediane PFS en OS niet-bereikt). Cobimetinib plus vemurafenib vergeleken met vemurafenib monotherapie was geassocieerd met diepere respons ongeacht andere prognostische factoren, waaronder gensignaturen.

De onderzoekers concluderen dat grotere diepte van respons geassocieerd was met betere overleving, hetgeen gebruik van diepte van respons als maat voor werkzaamheid van behandeling steunt. De combinatie van cobimetinib plus vemurafenib verbeterde uitkomsten over kwartielen van respons ongeacht andere prognostische factoren.

1. Lewis KD, Larkin J, Ribas A et al. Impact of depth of response on survival in patients treated with cobimetinib ± vemurafenib: pooled analysis of BRIM-2, BRIM-3, BRIM-7, and coBRIM. Br J Cancer 2019; epub ahead of print

Summary: A pooled analysis of four studies investigated the prognostic value of depth of response of BRAFV600-mutated metastatic melanoma treated with vemurafenib with or without cobimetinib (although the title of the publication erroneously says 'cobimetinib with or without vemurafenib'). The analysis found that greater depth of response was associated with improved survival, supporting its utility as a measure of treatment efficacy. Cobimetinib plus vemurafenib improved depth of response compared with vemurafenib monotherapy, regardless of other prognostic factors.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multicenter fase 2-studie van geïndividualiseerd axitinib-regime voor mRCC na behandeling met checkpointremmer (0)
2019-08-18 13:30   ( Nieuws )
Tags:  metastatic renal cell carcinoma individualised axitinib regimen
Prof. Brian RiniCheckpointremmer (ICI)-therapie is een standaardbehandeling voor metastatisch niercelcarcinoom (mRCC). Na falen van deze behandeling kan VEGFR-tyrosinekinaseremming een optie zijn, hoewel tot op heden geen prospectieve gegevens over het gebruik van VEGFR-TKIs in deze setting gepubliceerd zijn. Een multicenter fase 2-studie in de Verenigde Staten heeft de activiteit onderzocht van doseringsgetitreerd axitinib voor mRCC na falen van ICIs. Prof. Brian Rini (Taussig Cancer Institute, Cleveland OH) en collega’s publiceren de studie online in The Lancet Oncology.1

De studie includeerde 40 volwassen patiënten met heldercellig mRCC, Karnofksy Performance Status tenminste 70%, en ICI als meest-recente therapie, zonder beperking van het aantal eerdere lijnen behandeling. Ze kregen oraal axitinib 5 mg tweemaal daags, met iedere veertien dagen verhoging van de dosering met 1 mg (dus naar 6 mg tweemaal daags, vervolgens 7 enzovoort tot 10 mg tweemaal daags als maximumdosering) als er geen graad 2 of hoger mucositis, diarree, hand-voetsyndroom, of vermoeidheid was. Als wel één of meer van deze AEs optraden werd de behandeling gedurende drie dagen onderbroken, en vervolgens voortgezet met dezelfde dosering. Als de graad 2 AEs bleven bestaan ondanks onderbreking van de behandeling, of als graad 3 of 4 AEs optraden, werd de dosering verlaagd. Het primaire eindpunt van de studie was progressievrije overleving.

De mediane follow-up was 8,7 maanden (IQR 3,7-14,2). De mediane PFS was 8,8 maanden (95%-bti 5,7-16,6) waarmee niet werd voldaan aan het vooraf-gespecificeerde werkzaamheidscriterium. Vermoeidheid (83% van de patiënten) en hypertensie (75%) waren de meest-gerapporteerd all grade AEs, en hypertensie (60%) was de meest-gerapporteerde graad 3 AE. Er was één graad 4 AE (verhoogd lipase) en er waren geen graad 5 AEs. Serious AEs waren dehydratie (n=4) en diarree (n=2).

De onderzoekers concluderen dat geïndividualiseerde axitinib-dosering na falen van ICIs in patiënten met mRCC feasible was en robuuste klinische activiteit had.

1.Ornstein MC, Pal SK, Wood LS et al. Individualised axitinib regimen for patients with metastatic renal cell carcinoma after treatment with checkpoint inhibitors: a multicentre, single-arm, phase 2 study. Lancet Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A multicenter phase 2 study investigated an individualised titration scheme of axitinib dosing in patients with metastatic renal cell carcinoma previously treated with checkpoint inhibitors. The prespecified threshold for progression-free survival was not met, but the scheme was feasible and had robust clinical activity.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Lange-termijn follow-up van fase 3-studie van nivolumab plus ipilimumab versus sunitinib voor gevorderd niercelcarcinoom (0)
2019-08-18 12:00   ( Nieuws )
Tags:  nivolumab plus ipilimumab versus sunitinib aRCC CheckMate 214 study
Prof. Robert MotzerDe fase 3-studie CheckMate 214 includeerde in 175 centra in 28 landen 1096 volwassen patiënten met niet-eerder behandeld gevorderd niercelcarcinoom. De patiënten werden 1:1 gerandomiseerd naar vier doses intraveneus nivolumab 3 mg/kg plus ipilimumab 1 mg/kg iedere drie weken gevolgd door nivolumab 3 mg/kg iedere twee weken (‘nivo+ipi’; n=550) of oraal sunitinib 50 mg eenmaal daags gedurende vier weken van zes-weekse cycli (n=546). Vorig jaar is gepubliceerd dat in de groepen met intermediate-risk en poor-risk ziekte (n=425 met nivo+ipi; n=422 met sunitinib) de overall survival en responspercentages significant beter waren in de nivo+ipi groep dan in de sunitinibgroep, met een manageable veiligheidsprofiel. Prof. Robert Motzer (Memorial Sloan Kettering Cancer Center, New York) en collega’s publiceren nu online in The Lancet Oncology lange-termijn follow-up resultaten van de studie.1

De extended follow-up was mediaan 32,4 maanden (IQR 13,4-36,3). Onder de patiënten met intermediair- of ongunstig-risico ziekte waren de resultaten in de nivo+ipi groep significant beter dan die in de sunitinibgroep in termen van OS (mediaan niet-bereikt versus 26,6 maanden; HR 0,66; p<0,0001), PFS (HR 0,77; p=0,0014), en ORR (42% versus 29%; p=0,0001). Ook in de ITT-populatie was nivo+ipi superieur aan sunitinib in termen van OS (mediaan niet-bereikt versus 37,9 maanden; HR 0,71; p=0,0003), PFS (HR 0,85; p=0,027), en ORR (41% versus 34%; p=0,015). De meest-gerapporteerde graad 3 of 4 treatment-related adverse events waren verhoogde activiteit van lipase (10% van de patiënten), amylase (6%), alanine-aminotransferase (5%) met nivo+ipi, en hypertensie (17%), vermoeidheid (10%), en palmair-plantaire erythrodysesthesie (9%) met sunitinib. Behandelings-gerelateerd overlijden trof acht patiënten in de nivo+ipi groep versus vier patiënten in de sunitinibgroep.

De onderzoekers concluderen dat de verlengde follow-up van de studie de superieure werkzaamheid van nivo+ipi over sunitinib in alle risicogroepen van niet-eerder behandeld gevorderd RCC heeft laten zien.

1.Motzer RJ, Rini BI, McDermott DF et al. Nivolumab plus ipilimumab versus sunitinib in first-line treatment for advanced renal cell carcinoma: extend follow-up of efficacy and safety results from a randomised, controlled, phase 3 trial. Lancet Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: Extended follow-up (median 32.4 months) of the multinational phase 3 study CheckMate 214 showed that in patients with intermediate-risk or poor-risk advanced renal cell carcinoma the superior efficacy of first-line nivolumab plus ipilimumab over sunitinib was maintained, while also in the full ITT-population nivolumab plus ipilimumab was superior over sunitinib.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multicenterstudie van anamoreline voor cachexie in patiënten met gevorderde gastroïntestinale maligniteiten (0)
2019-08-17 15:00   ( Nieuws )
Tags:  advanced gastrointestinal cancer cachexia anamorelin
Prof. Kazuo TamuraCachexie is een belangrijke oorzaak van morbiditeit en mortaliteit van patiënten met maligniteiten. Anamoreline (ONO-7643) is een nieuwe selectieve agonist van de ghrelinereceptor, met bewezen verbeterende effecten op eetlust, vetvrije lichaamsmassa (LBM), lichaamsgewicht (BW) en anorexie. Een multicenterstudie in Japan heeft de anti-cachexie werkzaamheid en veiligheid van anamoreline onderzocht in patiënten met gevorderde gastroïntestinale maligniteiten. Prof. Kazuo Tamura (Fukuoka Universiteit) en collega’s publiceren de studie online in Cancer.1



De studie includeerde 49 cachexische patiënten met gevorderde en niet-resectabele maligniteiten van colorectum, maag, en pancreas. De patiënten kregen anamoreline 100 mg eenmaal daags gedurende twaalf weken. Het primaire eindpunt van de studie was percentage patiënten met respons (geen verder verlies van LBM in de loop van de studie). Het percentage patiënten met respons was 63,3% (95%-bti 48,3-76,6). De figuur laat zien dat de behandeling resulteerde in snelle (binnen drie weken) toename van LBM. Deze toename werd gezien in een ruime meerderheid van de patiënten. Voor het eindpunt lichaamsgewicht werd een vergelijkbaar patroon gezien. Uit door de patiënten beantwoorde vragenlijsten bleek dat de behandeling resulteerde in verbetering van de eetlust. Adverse events werden gezien in 79,6% van de patiënten. Tot de AEs behoorden diabetes mellitus (6,1% van de patiënten) en hyperglycemie (6,1%). Achttien patiënten discontinueerden de behandeling om uiteenlopende redenen.

De onderzoekers concluderen dat anamoreline een gunstige optie kan zijn is voor patiënten met cachexie vanwege gevorderde gastroïntestinale maligniteiten.

1.Hamauchi S, Furuse J, Takano T et al. A multicenter open-label, single-arm study of anamorelin ()NO-7643) in advanced gastrointestinal cancer patients with cancer cachexia. Cancer 2019; epub ahead of print

Summary: A multicenter study in Japan found that the ghrelin receptor agonist anamorelin improved anorexia and nutritional status, resulting in rapid increases in lean body mass and body weight in patients with cachexia due to advanced gastrointestinal cancers.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Voorspellers van leptomeningeale ziekte na hypogefractioneerde SRT voor intacte en geresecteerde hersenmetastasen (0)
2019-08-17 13:29   ( Nieuws )
Tags:  brain metastases hypofractionated stereotactic radiotherapy leptomeningeal disease
Een studie van de University of Toronto heeft het risico en voorspellers van het ontwikkelen van leptomeningeale ziekte (LMD) geinventariseerd in patiënten die hypogefractioneerde stereotactische radiotherapie (HSRT) kregen voor hersenmetastasen. De studie includeerde 235 patiënten die vijf-fractie HSRT kregen (in de meeste gevallen 30 Gy) voor 320 intracraniële lesies (57% intacte metastasen; 47% chirurgische cavities). Dr. Hany Soliman en collega’s publiceren de studie online in Neuro-Oncology.1

De mediane follow-up was 13,4 maanden (range 0,8-60). LMD kwam tot ontwikkeling in 19% van de patiënten, met een één-jaars LMD rate van 12%. Na de LMD-diagnose was de mediane overall survival 3,8 maanden (range 2-20,8). Van de onderscheiden LMD-patronen (focaal klassiek, diffuus klassiek, focaal nodulair, en diffuus nodulair) kwam diffuus nodulair met 44% het meest voor; er was geen significant OS-verschil tussen de patiënten met verschillende LMD-patronen (p=0,203). In multivariate analyse was het LMD-risico hoger na HSRT voor surgical cavities dan na HSRT voor intacte lesies (OR 2,30; p=0,008). Onder patiënten met cavities waren radiosensitieve tumoren voorspellend voor LMD (OR 2,35; p=0,041) terwijl onder patiënten met intacte metastasen behandeling met targeted agents of immuuntherapie geassocieerd was met lager risico van LMD (OR 0,178; p=0,023).

De onderzoekers concluderen dat patiënten met geresecteerde hersenmetastasen na HSRT een hoger LMD-risico hadden dan patiënten met intacte hersenmetastasen. De OS na de diagnose LMD was slecht. Behandeling met gerichte middelen of immuuntherapie beschermde tegen ontwikkeling van LMD.

1.Nguyen TK, Sahgal A, Detsky J et al. Predictors of leptomeningeal disease following hypofractionated stereotactic radiotherapy for intact and resected brain metastases. Neuro-Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A study at the University of Toronto found that after hypofractionated stereotactic stereotactic radiotherapy for brain metastases the risk of leptomeningeal disease (LMD) was higher in patients with resected metastases than in patients with intact metastases. Overall survival was poor despite treatment of LMD, and no differences in OS based on pattern of LMD were observed. Treatment of intact metastases with targeted agents or immunotherapy was protective against LMD.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multicenter fase 2-studie van crizotinib voor eerder-behandeld NSCLC met MET-deregulatie of ROS1-rearrangement (0)
2019-08-17 12:00   ( Nieuws )
Tags:  METROS study NSCLC crizotinib
NSCLC met MET-deregulatie is geassocieerd met een slechte prognose. Er zijn enige aanwijzingen voor mogelijke antitumor-activiteit van de ALK- en ROS-1 remmer crizotinib in patiënten met NSCLC met MET-veranderingen. De Italiaanse multicenter fase 2-studie METROS heeft de werkzaamheid van crizotinib onderzocht in twee cohorten van patiënten met gevorderd NSCLC: een cohort met ROS-1-veranderingen (cohort A; n=26) en een cohort met MET-veranderingen (amplificatie, ratio MET/CEP7 > 2,2 of MET exon 14-mutaties; cohort B; n=26). Dr. Lorenza Landi (Azienda USL della Romagna, Ravenna) en collega’s publiceren de studie online in Clinical Cancer Research.1

De patiënten in beide cohorten kregen oraal crizotinib 250 mg tweemaal daags. Het primaire eindpunt van de studie was het percentage patiënten met objectieve respons in beide cohorten. In cohort A was de ORR 65%, de mediane progressievrije overleving 22,8 maanden (95%-bti 15,2-30,3), en de mediane overall survival niet-bereikt. In cohort B was de ORR 27%, de mediane PFS 4,4 maanden (95%-bti 3,0-5,8), en de mediane OS 5,4 maanden. Er waren geen significante verschillen in klinische eindpunten tussen MET-geamplificeerde patiënten en patiënten met exon 14-mutaties. Er was geen respons onder de vijf patiënten met co-occurence van een tweede genverandering. Er waren geen onverwachte toxiciteiten.

De onderzoekers concluderen dat crizotinib respons induceerde in sommige patiënten met MET-gedereguleerd gevorderd NSCLC.

1.Landi L, Chiari R, Tiseo M et al. Crizotinib in MET deregulated or ROS1 rearranged pretreated non-small-cell lung cancer (METROS): a phase II, prospective, multicentre, two-arms trial. Clin Cancer Res 2019; epub ahead of print

Summary: The Italian multicenter phase II study METROS found that crizotinib induced response in a fraction of advanced NSCLCs with MET or ROS1 alterations.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Denemarken-brede studie van associatie tussen zwangerschapsduur en risico van endometriumcarcinoom (0)
2019-08-16 15:00   ( Nieuws )
Tags:  pregnancy duration endometrial cancer risk
Dr. Anders HusbyEr is een bekende inverse associatie tussen voldragen zwangerschappen en het risico van endometriumcarcinoom. De eerste full term pregnancy is geassocieerd met substantiële verlaging van het risico, en volgende voldragen zwangerschappen leveren additionele bescherming. Er is weinig informatie beschikbaar over een assocatie van korte zwangerschappen (eindigend in abortus of preterme geboorte) met het risico van endometriumcarcinoom. Een studie in Denemarken heeft deze associatie onderzocht. Dr. Anders Husby (Statens Serum Institut, Kopenhagen) en collega’s publiceren de studie online in BMJ.1

De studie includeerde alle tussen 1935 en 2002 geboren Deense vrouwen (n=2.311.332) die gedurende 57.347.622 persoonsjaren follow-up 3.947.650 zwangerschappen doormaakten. Onder deze vrouwen waren er 6743 met een diagnose endometriumcarcinoom tijdens de follow-up. Na correctie voor leeftijd, kalenderperiode, en sociaal-economische factoren was een eerste zwangerschap geassocieerd met verlaagd risico van endometriumcarcinoom, ongeacht of de zwangerschap eindigde in abortus (gecorrigeerd RR 0,53; 95%-bti 0,45-0,63) of geboorte van een kind (RR 0,66; 95%-bti 0,61-0,72). Elke volgende zwangerschap was geassocieerd met verdere afname van het risico van endometriumcarcinoom, wederom ongeacht of de zwangerschap eindigde in abortus (RR 0,81; 95%-bti 0,77-0,86) of in childbirth (RR 0,86; 95%-bti 0,84-0,89). Deze associaties werden niet gemodificeerd door duur van zwangerschap, leeftijd tijdens zwangerschap, spontane abortus, obesitase, kalendertijd, vruchtbaarheid, en sociaal-economische factoren.

De onderzoekers concluderen dat zwangerschap, ongeacht de duur, geassocieerd is met verlaging van het risico van endometriumcarcinoom. Ze speculeren dat deze risicoverlaging kan worden verklaard door een proces tijdens de eerste weken van de zwangerschap.

1.Husby A, Wohlfahrt J, Melbye M. Pregnancy duration and endometrial cancer risk: a nationwide cohort study. BMJ 2019;366:i4693

Summary: A nationwide cohort study in Denmark found that the inverse association between pregnancy and the risk of endometrial cancer is independent of pregnancy duration. The authors speculate that this reduction in risk could be explained by a biological process occurring within the first weeks of pregnancy, as pregnancies ending in induced abortions were associated with similar reductions in risk as pregnancies ending in childbirth.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Prognostische relevantie van huwelijkse staat van patiënten met inflammatoir mammacarcinoom (0)
2019-08-16 14:00   ( Nieuws )
Tags:  Inflammatory breast cancer marital status prognosis
Inflammatoir mammacarcinoom (IBC) is een zeldzame klinisch-pathologische entiteit van BC, die één tot zes procent van alle gevallen van BC vertegenwoordigt. Er is niet veel informatie beschikbaar over prognostische factoren in IBC. Een analyse van de SEER-database (representatief voor ongeveer 30% van de bevolking van de Verenigde Staten) heeft de prognostische relevantie van huwelijkse staat van IBC-patiënten onderzocht. Dr. Zhi-wen Li (Universiteit van Jilin, China) en collega’s publiceren de analyse online in Breast Cancer Research and Treatment.1

Deze flowchart laat zien hoe de patiënten werden geselecteerd. De groep niet-gehuwde patiënten omvatte ook weduwen en gescheiden vrouwen. De mediane leeftijd ten tijde van de diagnose was 56 jaar (range 22-98). De gehuwde groep omvatte meer patiënten in de leeftijd van 56 jaar of jonger (52,44% versus 43,99%), meer blanke patiënten (83,42% versus 71,58%), meer patiënten met HR-positieve ziekte (48,28% versus 41,61%), meer patiënten die chirurgie ondergingen (78,51% versus 64,60%), chemotherapie kregen (90,69% versus 80,12%), en radiotherapie kregen (53,44% versus 44,41%), en minder patiënten met AJCC stadium IV-ziekte (26,22% versus 35,40%) met p<0,05 voor al deze verschillen.

De mediane follow-up was 36 maanden (range 0-131). De figuur laat zien dat zowel de vijf-jaars ziekte-specifieke overleving (74,90% versus 65,55%; p<0,0001) als de vijf-jaars overall survival (45,43% versus 33,11%; p<0,0001) significant beter waren in de gehuwde groep dan in de niet-gehuwde groep. In multivariate analyse was gehuwde staat een onafhankelijke prognostische factor (niet- versus wel-gehuwd CSS HR 1,188; p=0,0016; OS HR 1,245; p=0,001). Subgroep-analyses lieten vergelijkbare associaties zien in alle AJCC-stadia.

De onderzoekers concluderen dat gehuwde staat een onafhankelijke prognostische indicator was onder patiënten met IBC.

1.Liu Y-l, Wang D—w, Yang Z-c et al. Marital status is an independent prognostic factor in inflammatory breast cancer patients: an analysis of the surveillance, epidemiology, and end results database. Breast Cancer Res Treat 2019; epub ahead of print

Summary: An analysis of the SEER database found that being married was associated with better prognosis in inflammatory breast cancer patients.



  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)