Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Single-center studie van mutaties die geassocieerd zijn met hooggradige irAEs van immuuntherapie voor NSCLC (0)
2024-07-13 13:30   ( Nieuws )
Tags:  NSCLC patients receiving immunotherapy mutations associated with high-grade irAEs
Dr. Fei XingHooggradige immuungerelateerde bijwerkingen (irAEs) van immuuntherapie kunnen doserings-beperkend zijn en de lange-termijn behandelingsopties van patiënten veranderen. Het voorspellen van de incidentie van hooggradige irAEs kan van belang zijn voor de behandelkeus. Een retrospectieve studie van Wake Forest University School of Medicine (Winston Salem NC) heeft mutaties geïnventariseerd die geassocieerd zijn met het voorkomen van irAEs onder patiënten die immuuntherapie kregen voor niet-kleincellig longcarcinoom. Dr. Fei Xing en collega’s publiceren de studie in Clinical Lung Cancer.1

De studie includeerde 430 patiënten die tussen begin 2015 en eind 2022 een immuuncheckpointremmer (ICI) met of zonder chemotherapie kregen voor stadium III of IV NSCLC. Hooggradige en laaggradige irAEs werden gezien in 15,2% respectievelijk 46,2% van de patiënten. De meest-voorkomende irAEs waren respiratoir en gastroïntestinaal. De distributie van met of zonder irAEs was similar tussen de groepen met en zonder chemotherapie. Mutaties in vijf genen (MYC, TEK, FANCA, FAM123B, en MET) waren gecorreleerd met verhoogd risico van hooggradige irAEs. Onder patiënten met adenocarcinoom waren mutaties in TEK, MYC, FGF19, RET, en MET geassocieerd met hooggradige irAEs; onder patiënten met squameus NSCSL waren ERBB2-mutaties geassocieerd met hooggradige irAEs.

De onderzoekers concluderen dat specifieke mutaties geassocieerd waren met hooggradige irAEs onder patiënten die ICIs met of zonder chemotherapie kregen voor NSCLC.

1.Smith MR, Wang Y, Dixon CB et al. Mutations associated with high-grade irAEs in NSCLC patients receiving immunotherapies. Clin Lung Cancer 2024.07.003

Summary: A retrospective study at Wake Forest University (Winston Salem, NC) found that specific tumor mutations were associated with the incidence of high-grade irAEs in NSCLC patients receiving ICIs with or without chemotherapy. 


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Etniciteit-geassocieerde ERBB2-amplificatie in patiënten met maagadenocarcinoom (0)
2024-07-13 12:00   ( Nieuws )
Tags:  AACR Project GENIE ethnic disparities in ERBB2 amplification in gastric cancer
Dr. Kamran IdreesDe incidentie van maagadenocarcinoom (GC) neemt af, maar er zijn ras-/etniciteit-geassocieerde dispariteiten in de incidentie en uitkomsten van GC. Personen met een Hispanic etniciteit worden op jeugdigere leeftijd gediagnostiseerd met GC en hebben slechtere uitkomsten dan non-Hispanic personen. Het AACR Project GENIE (‘Genomics Evidence Neoplasia Information Exchange’) is een multicenter registratie van real-world data van patiënten met maligniteiten. Dr. Kamran Idrees (Vanderbilt University Medical Center, Nashville TN) en collega’s publiceren in het Journal of the National Cancer Institute een analyse van etniciteit-geassocieerde ERBB2-amplificatie in GENIE-patiënten met GC.1




De analyse includeerde 1019 patiënten. Onder Hispanic patiënten hadden significant hogere percentages ERBB2-amplificatie dan onder patiënten met andere etniciteit (13,9%, vergeleken met 9,8% in non-Hispanic White; 8,1% in non-Hispanic Asian; 11,0% in non-Hispanic Black; p<0,001; false discovery rate adjusted q<0,001). In gecorrigeerde modellen hadden Hispanic patiënten hogere waarschijnlijkheid van ERBB2-amplificatie dan non-Hispanic White patiënten (OR 2,52; p=0,015).

De onderzoekers concluderen dat deze bevindingen de rol van genomische factoren in GC-dispariteiten onderstrepen.

1.Mirza MB, Choi J, Marincola Smith P et al. ERBB2 amplification in gastric cancer: a genomic insight into ethnic disparities. J Natl Cancer Inst 2024/djae147

Summary: A study of tumor genomic patterns in gastric adenocarcinoma patients in the AACR Project GENIE found that Hispanic patients had higher rates of ERBB2 amplification than patients with other ethnicities.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 2-studie van respons-aangepaste lage-dosering radiotherapie voor orbitaal indolent B-cel lymfoom (0)
2024-07-12 15:00   ( Nieuws )
Tags:  orbital indolent BCL response-adapted low dose radiotherapy
Dr. Chelsea PinnixDe standaard-behandeling voor indolent B-cel lymfoom (BCL) van de adnexen van het oog is radiotherapie (RT) in doseringen 24 tot 36 Gy. Deze behandeling is geassocieerd met verhoogd risico van oculaire adverse effects. Een fase 2-studie van MD Anderson Cancer Center (Houston TX) heeft respons-aangepaste lage-dosering RT voor orbitaal indolent BCL geëvalueerd. Dr. Chelsea Pinnix en collega’s publiceren de studie in JAMA Oncology.1

De studie includeerde 50 patiënten (mediane leeftijd 63 jaar; range 29-88; 62% vrouwen; 62% stadium I ziekte, 72% nieuw-gediagnostiseerd) met stadium I tot en met IV indolent BCL van de oculaire adnexen die werden behandeld tussen juli 2015 en februari 2021. De patiënten kregen ‘ultralage-dosering’ radiotherapie van 4 Gy in twee fracties. De respons werd iedere drie maanden geïnventariseerd. Patiënten met persistente ziekte kregen 20 Gy in tien fracties aangeboden om de respons-aangepaste behandeling te voltooien. Met mediaan 37,4 maanden follow-up was het twee-jaar lokale-controlepercentage 89,4% (95%-bti 81,0-98,7) en het twee-jaars overall survival percentage 98,0% (94,1-100). Vijfenveertig patiënten (90,0%; 95%-bti 78,2-96,7) hadden complete respons op de respons-aangepaste behandeling, onder wie 44 met alleen ultralage-dosering radiotherapie en één na additionele 20 Gy. Onder patiënten met complete respons werden geen lokale recidieven gezien. In een geplande subsetanalyse van 22 patiënten met nieuw-gediagnostiseerd stadium I MALT-lymfoom was het twee-jaars lokale-controlepercentage 90,7% (95%-bti 79,2-100) en het twee-jaars freedom from distant relapse percentage 95,2% (86,6-100).

De onderzoekers concluderen dat respons-aangepaste ultralage-dosering radiotherapie voor indolent orbitaal BCL resulteerde in verlaagde stralingsblootstelling, verwaarloosbare toxiciteit, en uitstekende ziekte-uitkomsten.

1.Pinnix CC, Dabaja BS, Gunther JR et al. Response-adapted ultralow-dose radiation therapy for orbital indolent B-cell lymphoma. A phase 2 nonrandomized controlled trial. JAMA Oncol 2024.2112

Summary: A phase 2 trial at MD Anderson Cancer Center (Houston, TX) found that response-adapted radiotherapy for orbital indolent B-cell lymphoma resulted in reduced radiation exposure, negligible toxic effects, and excellent disease outcomes.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Meta-analyse van studies van associaties tussen meetbare residuele ziekte en klinische uitkomsten in CML (0)
2024-07-12 13:30   ( Nieuws )
Tags:  CLL MRD and clinical outcomes
Dr. Talal HilalMeetbare residuele ziekte (MRD) refereert aan de aanwezigheid van ziekte op een laag niveau die niet wordt gedetecteerd door conventionele pathologische analyse. De waarde van MRD-status als surrogaat eindpunt voor klinische uitkomsten in chronische lymfatische leukemie (CLL) is niet duidelijk. Een systematisch overzicht en meta-analyse van gepubliceerde prospectieve studies met gerichte therapie of obinutuzumab voor CLL heeft deze waarde onderzocht. Dr. Talal Hilal (Mayo Clinic Arizona, Phoenix) en collega’s publiceren de analyse in JAMA Oncology.1

In de literatuur tot en met eind juli 2023 identificeerden de onderzoekers elf prospectieve studies (negen gerandomiseerd) van gerichte therapie of obinutuzumab voor CLL, die MRD-status en progressievrije overleving (PFS) rapporteerden. De studies telden tezamen 2765 patiënten. Bereiken van niet-detecteerbare MRD (uMRD) op niveau 0,01% was geassocieerd met PFS-HR 0,28 (p<0,001). In zowel de uMRD-groep als de MRD-groep werd de mediane PFS niet bereikt, maar het 24-maands PFS-percentage was beter in de uMRD-groep (91,9% versus 75,3%; p<0,001). De associatie van uMRD met PFS werd in subgroepanalyses gezien in settings van eerstelijns behandeling (HR 0,24; 95%-bti 0,18-0,33) en recidiverende of refractaire ziekte (0,34; 0,16-0,71).

De onderzoekers concluderen dat de analyse suggereert dat MRD-status een bruikbaar surrogaat-eindpunt is voor PFS in met gerichte therapie of obinutuzumab behandeld CLL.

1.Rios-Olais FA, McGary AK, Tsang M et al. Measurable residual disease and clinical outcomes in chronic lymphocytic leukemia. A systematic review and meta-analysis. JAMA Oncology 2024.2122

Summary: Systematic review and meta-analysis of prospective studies of targeted therapy or obinutuzumab for CLL found that MRD status was a useful surrogate endpoint for PFS.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Meta-analyse van studies van upfront chirurgische resectie versus biopsie voor glioblastoom in oudere patiënten (0)
2024-07-12 12:00   ( Nieuws )
Tags:  glioblastoma in elderly patients surgical resection versus biopsy
Dr. Yoshua EquenaziIn observationele studie is gezien dat maximaal-veilige resectie de overall survival van oudere patiënten (ouder dan 65 jaar) met glioblastoom verbeterde, maar in de enige klinische studie die resectie vergeleek met biopsie onder deze patiënten werd geen statistisch significant overlevingsvoordeel gezien. Een meta-analyse van tot 9 oktober 2023 gepubliceerde studies heeft nu uitkomsten met upfront resectie voor nieuw-gediagnostiseerd glioblastoom in oudere patiënten vergeleken met die van biopsie. Dr. Yoshua Esquenazi (The University of Texas Health Science Center, Houston) en collega’s publiceren de analyse in het Journal of Neuro-Oncology.1

De meta-analyse includeerde twintig cohortstudies en één gerandomiseerde gecontroleerde studie, met tezamen 20.523 patiënten. Patiënten die chirurgische resectie ondergingen hadden een overall survival profijt van gemiddeld 6,13 maanden, met een HR 0,43; p<0,00001) en een progressievrije-overlevingsverschil van gemiddeld 2,34 maanden (0,50; p< 0,00001) maar ook een hoger risico van postoperatieve compliaties (RR 1,49; 95%-bti 1,06-2,10).

De onderzoekers concluderen dat onder oudere patiënten met nieuw-gediagnostiseerd glioblastoom upfront resectie geassocieerd was met betere overlevingsuitkomsten maar ook met verhoogd risico van postoperatieve complicaties.

1.Pichardo-Rojas PS, Pichardo-Rojas DP, Marín-Castañeda LA et al. Prognostic value of surgical resection over biopsy in elderly patients with glioblastoma: a meta-analysis. J Neuro-Oncology 2024-04752-w

Summary: Meta-analysis of 21 studies (together 20,532 newly diagnosed glioblastoma patients aged 65 years or older) found that upfront resection was associated with improved progression-free survival and overall survival over biopsy. However, postoperative complications were more common with resection.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Gerandomiseerde fase 3-studie van benmelstobart, anlotinib, en chemotherapie voor extensief-stadium kleincellig longcarcinoom (0)
2024-07-11 15:00   ( Nieuws )
Tags:  ETER701 trial ES-SCLC benmelstobart
Dr. Runxiang WangChemo-immuuntherapie is de standaard eerstelijns behandeling voor extensief-stadium kleincellig longcarcinoom (ES-SCLC). Combinatie van deze behandeling met anti-angiogenese zou de werkzaamheid kunnen verbeteren. De fase 3-studie ETER701, in 72 centra in China, heeft de combinatie van benmelstobart (PD-L1 remmer), anlotinib (multitarget antiantiogeen small molecule), en etoposide-carboplatine chemotherapie (EC) voor niet-eerder behandeld ES-SCLC geëvalueerd. Dr. Runxiang Yang (Yunnan Cancer Hospital, Kunming) en collega’s publiceren de studie in Nature Medicine.1

De studie includeerde 738 patiënten die 1:1:1 werden gerandomiseerd naar benmelstobart, anlotinib plus EC (n=246), placebo en anlotinib plus EC (n=245), of dubbele placebo plus EC (n=247) gevolgd door matchende onderhoudstherapie. Primaire eindpunten waren progressievrije overleving en overall survival. De nu gepubliceerde analyse heeft betrekking op finale PFS-resultaten en interim OS-resultaten. Deze figuur laat zien dat de OS significant beter was met benmelstobart plus anlotinib en EC dan met alleen EC, terwijl de OS niet significant beter was met anlotinib plus EC dan met alleen EC. Deze figuur laat zien dat de PFS zowel met benmestobart plus anlotinib plus EC als ook met anlotinib plus EC significant beter was dan met alleen EC. De incidentie van graad 3 of hoger treatment-related adverse events was 93,1% in de groep met benmelstobart plus anlotinib plus EC vergeleken met 94,3% in de groep met anlotinib plus EC en 87,0% in de groep met alleen EC.

De onderzoekers concluderen dat de combinatie van eerstelijns chemo-immuuntherapie met antiangiogene therapie resulteerde in gunstige overlevingsresultaten vergeleken met wat eerder is gerapporteerd voor ES-SCLC, met een tolerabel en manageable veiligheidsprofiel.

1.Cheng Y, Chen J, Zhang W et al. Benmelstobart, anlotinib, and chemotherapy in extensive-stage small-cell lung cancer: a randomized phase 3 trial. Nature Med 2024-03132-1

Summary: The multicenter phase 3 ETER701 trial in China found that among patients with previously untreated extensive-stage small cell lung cancer, the combination of benmelstobart (anti-PD-L1), anlotinib, and etoposide-carboplatin chemotherapy resulted in a median OS greater than recorded in prior randomized studies in patients with ES-SCLC, with a safety profile that was tolerable and manageable.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multinationale fase 2-studie van ruxolitinib voor chronische graft-versus-host ziekte in pediatrische patiënten (0)
2024-07-11 13:30   ( Nieuws )
Tags:  REACH5 study cGVHD in pediatric patients ruxolitinib
Prof. Franco LocatelliChronische graft-versus-host ziekte (cGVHD) is een debiliterende en soms levensbedreigende complicatie van allogene hematopoïetische celtransplantatie (alloHSCT). De multinationale fase 2-studie REACH5, in 21 centra in veertien landen, heeft ruxolitinib voor behandelings-naïeve of corticosteroïd-refractaire matig-tot-ernstige cGVHD in pediatrische patiënten geëvalueerd. Prof. Franco Locatelli (Kinderziekenhuis Kindeke Jezus, Rome) en collega’s publiceren een interimanalyse van de studie in The Lancet Haematology.1


De studie includeerde 45 patiënten in de leeftijd van twee tot achttien jaar. De mediane leeftijd was 11,0 jaar (IQR 7,2-14,3). Zeventien patiënten (38%) hadden behandelings-naïeve cGVHD en 28 patiënten (62%) hadden corticosteroïd-refractaire cGCHD. Het primaire eindpunt was overall response rate op dag één van de zevende vier-weekse cyclus (C7D1). De nu gepubliceerde vooraf-gespecificeerde interimanalyse werd uitgevoerd één jaar na de start van de behandeling in de laatst geïncludeerde patiënt, na mediaan 55,1 weken ruxolitinib-blootstelling (IQR 13,1-75,3).

De patiënten kregen oraal ruxolitinib gedoseerd aan de hand van de leeftijd bij de start van de behandeling: patiënten in de leeftijd van twaalf tot achttien jaar kregen 10 mg tweemaal daags, patiënten in de leeftijd van zes tot twaalf jaar kregen 5 mg tweemaal daags, en patiënten in de leeftijd jonger dan zes jaar kregen 4 mg/m2 tweemaal daags. De ORR op C7D1 was 40% (90%-bti 27,7-53,3); 41% onder patiënten met behandelings-naïef cGVHD en 39% onder patiënten met corticosteroïd-refractair cGVHD. De meest-gerapporteerde graad 3 of hoger treatment-related adverse events waren neutropenie (18% van de patiënten) en trombocytopenie (13%). Drie patiënten overleden tijdens de behandeling of binnen dertig dagen na discontinuering, aan oorzaken die werden beoordeeld als niet samenhangend met ruxolitinib.

De onderzoekers concluderen dat de interimanalyse suggereert dat ruxolitinib actief was en goed werd verdragen onder cGVHD-patiënten in de leeftijd van twee tot achttien jaar.

1.Locatelli F, Antmen B, Kang HJ et al. Ruxolitinib in treatment-naive or corticosteroid-refractory paediatric patients with chronic graft-versus-host disease (REACH5): interimanalysis of a single-arm, multicentre, phase 2 study. Lancet Haematol 2024; epub ahead of print

Summary: Interim analysis of the multinational phase 2 REACH5 study found that ruxolitinib is active and well tolerated in both treatment-naïve and corticosteroid-refractory cGVHD patients aged 2 to 18 years.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Screening op levercelcarcinoom en overleving in patiënten met cirrose na genezing van hepatitis C virus (0)
2024-07-11 12:00   ( Nieuws )
Tags:  survival with HCC screening in patients with cirrhosis after HCC cure with DAA therapies
Dr. Catherine MezzacappaHet risico van levercelcarcinoom (HCC) neemt af in de tijd onder patiënten met cirrose na genezing van hepatitis C virus (HCV) door direct-acting antiviral (DAA)-therapie. De waarde van HCC-screening onder deze patiënten is niet duidelijk. Een retrospectieve cohortstudie in het Veterans Affairs health system heeft de overlevingsimpact van deze screening onder patiënten die HCC ontwikkelden geëvalueerd. Dr. Catherine Mezzacappa (Yale School of Medicine, New Haven CT) en collega’s publiceren de studie in JAMA Network Open.1

De studie includeerde 16.902 patiënten (mediane leeftijd 64,0 jaar; IQR 60,5-67,4) met HCV-geassocieerde cirrose die DAA-geassocieerde genezing van HCV bereikt hadden. Onder deze patiënten waren er 1622 die tijdens zeven jaar follow-up HCC ontwikkelden. De cumulatieve incidentie van HCC nam af van 2,4% in het eerste jaar van follow-up tot 1,0% in het zevende jaar. De figuur laat zien dat patiënten die tijdens de vier jaar voorafgaand aan de HCC-diagnose tenminste 50% van de tijd up-to-date waren met screening een significant betere overall survival hadden dan patiënten met lagere adherentie aan de screening (p=0,002). In multivariate analyse was iedere 10% toename van de follow-up tijd doorgemaakt up-to-date met screening geassocieerd met 3,2% afname van het risico van overlijden (HR 0,97; 95%-bti 0,95-0,99) en 10,% toename van de waarschijnlijkeid van diagnose van vroeg-stadium HCC (6,3-14,0) en 6,8% toename van waarschijnlijkheid van curatieve behandeling (2,8-11,0).

De onderzoekers concluderen dat onder patiënten met HCV-gerelateerde cirrose die HCV-genezing bereikten en vervolgens HCC ontwikkelden, up-to-dat blijven met screening geassocieerd was met betere overleving.

1.Mezzacappa C, Kim NJ, Vutien P et al. Screening for hepatocellular carcinoma and survival in patients with cirrhosis after hepatitis C virus cure. JAMA Network Open 2024;7:e2420963

Summary: A cohort study within the Veterans Affairs health care system found that persons with HCV-related cirrhosis who achieved HCV cure and subsequently developed HCC, remaining up to date with HCC screening was associated with improved overall survival.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)