Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Fase 3-studie van toevoegen van chemotherapie aan gefitinib voor EGFR-gemuteerd NSCLC (0)
2019-08-16 12:58   ( Nieuws )
Tags:  EGFR-mutated non-small cell lung cancer gefitinib pemetrexed plus carboplatin
Prof. Kumar PrabhashDe standaard eerstelijns behandeling voor EGFR-gemuteerd gevorderd kleincellig longcarcinoom (aNSCLC) is een EGFR-gerichte orale tyrosinekinaseremmer, zoals gefitinib. Een fase 3-studie van Tata Memorial Center (Mumbai, India) heeft onderzocht of toevoegen van pemetrexed plus carboplatine chemotherapie aan gefitinb resulteerde in verbetering van de uitkomsten. Prof. Kumar Prabhash en collega’s publiceren de studie online in het Journal of Clinical Oncology.1

De studie includeerde 350 patiënten met EGFR-gemuteerd aNSCLC en performance status 2 of beter, die palliatieve eerstelijns behandeling kregen. Achttien procent van de patiënten hadden hersenmetastasen. De patiënten werden 1:1 gerandomiseerd naar oraal gefitinib 250 mg eenmaal daags (n=176; Gef-groep) of oraal gefitinib 250 eenmaal daags plus vier cycli van intraveneus pemetrexed 500 mg/m2 plus carboplatine AUC 5 eens per drie weken gevolgd door gefitinib onderhoudsbehandeling (n=174; Gef+C groep). Het primaire eindpunt van de studie was progressievrije overleving.

De mediane follow-up was 17 maanden (range 7-30). Radiologische respons werd gezien in 75% van de Gef+C groep versus 63% in de Gef-groep (p=0,01). De mediane PFS was 16 maanden met Gef+C versus 8 maanden met Gef (HR 0,51; p<0,001). De mediane overall survival was niet-bereikt met Gef+C versus 17 maanden met Gef (HR 0,45; p<0,001). Graad 3 of hoger toxiciteiten werden gezien in 51% van de patiënten met Gef+C versus 25% van de patiënten met Gef (p<0,001).

De onderzoekers concluderen dat toevoegen van pemetrexed plus carboplatine aan gefitinib voor aNSCLC resulteerde in significante verlenging van PFS en OS maar ook in verhoogde toxiciteit.

1.Noronha V, Patil VM, Joshi A et al. Gefitinib versus gefitinib plus pemetrexed and carboplatin chemotherapy in EGFR-mutated lung cancer. J Clin Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A phase 3 study at Tata Memorial Center (Mumbai, India) found that adding pemetrexed and carboplatin chemotherapy to first-line gefitinib for advanced EGFR-mutated NSCLC significantly prolonged PFS and OS but increased toxicity.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 1/2-studie van olaparib plus temozolomide voor recidiverend kleincellig longcarcinoom (0)
2019-08-16 11:58   ( Nieuws )
Tags:  relapsed SCLC olaparib plus temozolomide combination
Dr. Anna FaragoKleincellig longcarcinoom (SCLC) maakt ongeveer 15% uit van alle longmaligniteiten. De prognose van SCLC is slecht, en er is behoefte aan nieuwe behandelingen. PARP-remmers als monotherapie hebben slechts beperkte activiteit van SCLC laten zien. Het is denkbaar dat toevoegen van DNA-beschadigende middelen aan PARP-remming wel in goede respons resulteert. Een fase 1/2-studie in het Massachusetts General Hospital (Boston) heeft deze hypothese getoetst onder eerder-behandelde SCLC-patiënten. Dr. Anna Farago en collega’s publiceren de studie online in Cancer Discovery.1

In fase 1 van de studie werd een aanbevolen fase 2-dosering vastgesteld van oraal olaparib 200 mg tweemaal daags plus temozolomide 75 mg/m2 eenmaal daags, beide op de eerste zeven dagen van drieweekse cycli. Met dit regime werden in fase 2 vijftig patiënten behandeld. De behandeling resulteerde in de bevestigde ORR van 41,7% (partiële respons in 20 van 48 evalueerbare patiënten). De mediane progressievrije overleving was 4,2 maanden (95%-bti 2,8-5,7) en de mediane overall survival was 8,5 maanden (95%-bti 5,1-11,3). De meest-voorkomende adverse events waren trombocytopenie (68% van de patiënten), anemie (68%) en neutropenie (54%). Twee patiënten overleden wellicht gerelateerd aan de studiebehandeling (pneumonie en neutropene sepsis). In een experiment met van patiënten verkregen xenograften identificeerden de onderzoekers moleculaire signaturen die wellicht predictief zijn voor de respons van SCLC op de combinatie olaparib-temozolomide.

De onderzoekers concluderen dat de combinatie van olaparib plus temozolomide bemoedigende werkzaamheid had voor recidiverend SCLC.

1.Farago AF, Yeap BY, Stanzione M et al. Combination olaparib and temozolomide in relapsed small cell lung cancer. Cancer Discovery 2019; epub ahead of print

Summary: A phase 1/2 study at Massachusetts General Hospital (Boston) found that the combination of the PARP inhibitor olaparib plus temozolomide cytotoxic chemotherapy resulted in ORR 41.7%, median PFS 4.2 months (95% CI 2.8-5.7), and median OS 8.5 months (95% CI 5.1-11.3).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie van timing van adjuvante therapie met overleving in patiënten met geresecteerd stadium I of II pancreascarcinoom (0)
2019-08-15 15:09   ( Nieuws )
Tags:  pancreatic cancer timing of adjuvant therapy
Dr. Anurag SinghChirurgie gevolgd door adjuvante chemotherapie is een veel gebruikte behandeling voor resectabel pancreascarcinoom. De optimale timing voor de start van de adjuvante therapie is niet duidelijk. Een analyse van de National Cancer Database heeft gezocht naar het optimale interval tussen resectie en start van de adjuvante therapie. Dr. Anurag Singh (Roswell Park Comprehensive Cancer Center, Buffalo NY) en collega’s publiceren de analyse online in JAMA Network Open.1

In de NCDB identificeerden de onderzoekers 7548 patiënten die tussen begin 2004 en eind 2015 chirurgische resectie ondergingen voor stadium I of II pancreascarcinoom. De helft van de patiënten waren mannen (49,9%); de mediane leeftijd was 67 jaar (IQR 59-74). Er waren 5453 patiënten die adjuvante therapie kregen en 2095 zonder adjuvante therapie. Er waren 269 patiënten die adjuvante therapie startten binnen 28 dagen na de chirurgie (‘vroege cohort’), 3048 patiënten die adjuvante therapie startten tussen dag 29 en 60 (referentiecohort), en 2136 patiënten die adjuvante therapie startten op dag 60 of later (late cohort). De mediane follow-up was 38,6 maanden (IQR 24,6-62,0).


Deze figuur laat zien dat de mortaliteit in het vroege cohort hoger was dan in het referentiecohort (in multivariate analyse HR 1,17; p=0,03). Deze figuur laat zien dat ook in het late cohort de mortaliteit hoger was dan in het referentiecohort (multivariate analyse HR 1,09; p=0,008). Propensiteit-gematchte analyses resulteerden in vergelijkbare associaties. Patiënten die meer dan twaalf weken na de chirurgie startten met adjuvante therapie hadden wel betere overall survival dan patiënten die geen adjuvante therapie kregen (HR 0,75; p<0,001).

De onderzoekers concluderen dat de analyse suggereert dat de adjuvante therapie het best kan worden gestart tussen 29 en 60 dagen na de chirurgie. Onder patiënten die langzaam herstelden van de chirurgie en daarom pas laat met adjuvante therapie beginnen was de OS wel beter dan onder patiënten die geen adjuvante therapie kregen.

1.Ma SJ, Oladeru OT, Miccio JA et al. Association of timing of adjuvant therapy with survival in patients with resected stage I to II pancreatic cancer. JAMA Network Open 2019;2:e199126

Summary: An analysis of the National Cancer Database found that patients with stage I or II pancreatic cancer who commenced adjuvant therapy within 28 to 59 days after primary surgical resection had better survival outcomes than patients who started adjuvant therapy before 28 days or after 59 days. Patients who recovered slowly from surgery still benefited from delayed adjuvant therapy initiated more than 12 weeks after surgery compared with patients who underwent surgery only.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multicenter fase 2-studie van gedeïntensiveerde chemoradiotherapie voor HPV-geassocieerd OPSCC (0)
2019-08-15 14:01   ( Nieuws )
Tags:  HPV-associated oropharyngeal squamous cell carcinoma
Dr. Bishamjit CheraEen multicenter fase-2 studie in de Verenigde Staten heeft de mogelijkheid onderzocht van minder-dan-gebruikelijk intensieve chemoradiotherapie voor HPV-geassocieerd squameus celcarcinoom van de orofarynx (OPSCC) in geselecteerde patiënten. De studie includeerde patiënten met AJCC (7th edition) T0-T3, N0-N2c, M0 ziekte, die p16-positief waren, en geen of een minimale rookgeschiedenis rapporteerden. Dr. Bishamjit Chera (University of North Carolina, Chapel Hill) en collega’s publiceren de studie online in het Journal of Clinical Oncology.1

De patiënten kregen 60 Gy IMRTmet concurrent cisplatine 30 mg/m2 eens per week, met uitzondering van de T0-T2, N0-1 patiënten die geen chemotherapie kregen. De mediane follow-up van de 114 geïncludeerde patiënten was 31,8 maanden, met follow-up van tenminste twee jaar voor 81% van de patiënten. Tien tot twaalf weken na de behandeling werd de noodzaak van halsdissectie beoordeeld aan de hand van PET/CT-scans. Het primaire eindpunt van de studie was de twee-jaars progressievrije overleving.

De twee-jaars locoregionale controle was 95%, de twee-jaars afstandsmetastasevrije overleving was 91%, de twee-jaars progressievrije overleving was 86%, en de twee-jaars overall survival was 95%. De gemiddelde pre- en twee-jaar post behandeling EORTC kwaliteit van leven scores waren 79 en 84 voor algemene QOL (lagere score duidt op slechtere QOL), 8 en 9 voor swallowing (hogere score duidt op slechtere QOL), en 14 en 45 voor droge mond (hogere score duidt op slechtere QOL). De gemiddelde pre- en twee jaar post behandeling CTCAE-scores (schaal 0-4; hogere scores duiden op slechtere QOL) waren 0,5 en 0,7 voor swallowing en 0,4 en 1,3 voor droge mond. Vierendertig procent van de patiënten had tijdelijk sondevoeding nodig (gedurende mediaan 10,5 weken; geen van de patiënten permanent). Er waren geen graad 3 of hoger late adverse events.

De onderzoekers concluderen dat de klinische uitkomsten van gedeïntensiveerde CRT met 60 Gy IMRT concurrent met lage-dosering cisplatine gunstig waren in patiënten met HPV-geassocieerd OPSCC. Noch neoadjuvante chemotherapie noch routinematige chirurgie waren vereist voor deze gunstige resultaten.

1.Chera BS, Amdur RJ, Green R et al. Phase II trial of de-intensified chemoradiotherapy for human papillomavirus-associated oropharyngeal squamous cell carcinoma. J Clin Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A multicenter phase 2 study found that in selected patients with HPV-associated OPSCC clinical outcomes with de-intensified chemoradiotherapy were favorable. Neither neoadjuvant chemotherapy nor routine surgery was needed to obtain favorable results.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Neoadjuvante chemotherapie voor pancreas ductaal adenocarcinoom, pancreasfistels, en lange-termijn overleving (0)
2019-08-15 13:00   ( Nieuws )
Tags:  PDAC neoadjuvant chemotherapy fistula
Dr. Carlos Fernández-del CastilloHet gebruik van neoadjuvante therapie (NAT) voor borderline en lokaal-gevorderd pancreas ductaal adenocarcinoom (PDAC) is de laatste tien jaar toegenomen. Er zijn weinig gegevens beschikbaar over het voorkomen van pancreasfistels in deze setting. Een studie van Massachusetts General Hospital (Boston) heeft het voorkomen van klinisch-relevante postoperatieve pancreasfistels (CR-POPF) geïnventariseerd na upfront resectie of na pancreatectomie na NAT, alsmede potentiële associaties met overall survival. Dr. Carlos Fernández-del Castillo en collega’s publiceren de studie online in JAMA Surgery.1

Tussen begin 2007 en eind 2017 ondergingen 753 patiënten in MGH pancreatectomie voor PDAC. Onder deze patiënten waren 364 mannen (48,3%); de mediane leeftijd was 68 jaar (IQR 61-75). Er waren 346 patiënten (45,9%) die NAT kregen en 407 patiënten (54,1%) die upfront resectie ondergingen. Pathologisch onderzoek wees uit dat NAT geassocieerd was met kleinere tumoren (gemiddeld 26,0 ± 15,3 mm versus 32,7 ± 14,4 mm; p<0,001), minder nodale betrokkenheid (25,1% versus 55,2%; p<0,001), en hoger percentage R0-resectie (74,3% versus 58,7%; p<0,001). Er waren geen significante verschillen tussen beide groepen in percentage patiënten met ernstige complicaties of 90-dagen mortaliteit.

Het voorkomen van CR-POPF was ruim driemaal hoger na upfront resectie dan na NAT (13,8% versus 3,8%; p<0,001). Na upfront resectie was voorkomen van CR-POPF niet geassocieerd met OS (mediaan 26 versus 25 maanden; p=0,66), maar na NAT was voorkomen van CR-POPF geassocieerd met significant slechtere OS (mediaan 17 versus 34 maanden; p=0,002). Deze associatie was in multivariate analyse onafhankelijk van andere bekende voorspellers van OS (HR 2,80; p<0,002).

De onderzoekers concluderen dat gebruik van NAT geassocieerd was met significante verlaging van het voorkomen van CR-POPF. Als CR-POPF na NAT toch voorkwam was de lange-termijn overleving echter significant verslechterd.

1.Hank T, Sandini M, Ferrone CR et al. Association between pancreatic fistula and long-term survival in the era of neoadjuvant chemotherapy. JAMA Surg 2019; epub ahead of print

Summary: A study at Massachusetts General Hospital (Boston) found that neoadjuvant chemotherapy compared to upfront resection for pancreatic ductal adenocarcinoma may be associated with a significant reduction in the rate of clinically relevant postoperative pancreatic fistula. However, once CR-POPF occurred, it was associated with a significant reduction in long-term survival after NAT, but not after upfront resection.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Vier-jaars overleving met nivolumab voor eerder-behandeld gevorderd niet-kleincellig longcarcinoom (0)
2019-08-15 12:00   ( Nieuws )
Tags:  aNSCLC nivolumab pooled analysis
Dr. Scott AntoniaIn fase 3-studies is gezien dat onder patiënten met eerder-behandeld gevorderd niet-kleincellig longcarcinoom (aNSCLC) nivolumab vergeleken met docetaxel resulteerde in hogere percentages objectieve respons, en langere duur van respons. Een gepoolde analyse van klinische studies heeft het lange-termijn profijt van nivolumab in deze patiënten geëvalueerd, en het effect van respons en ziektecontrole op overleving geïnventariseerd. Dr. Scott Antonia (Duke Cancer Institute, Durham NC) en collega’s publiceren de analyse online in The Lancet Oncology.1

De analyse is gebaseerd op data van deelnemers aan de CheckMate studies 017, 057, 063, en 003, die nivolumab of docetaxel kregen voor eerder-behandeld aNSCLC, en tenminste vier jaar gevolgd werden. Patiënten zonder radiografische tumor assessment na zes maanden behandeling werden geëxcludeerd. De vier-jaars overleving onder de nivolumab-patiënten was 14% (95%-bti 11-17) overall, 19% (15-24) onder patiënten met tenminste 1% PD-L1 expressie, en 11% (7-16) onder patiënten met minder dan 1% PD-L1 expressie. In CheckMate 017 en 057 was de vier-jaars OS 14% (95%-bti 11-18) met nivolumab versus 5% (3-7) met docetaxel. In de groep patiënten met respons zes maanden na start van de behandeling was de OS vanaf zes maanden beter dan in de groep met progressieve ziekte zes maanden na de start van de behandeling, zowel met nivolumab (HR 0,18; 95%-bti 0,12-0,27) als met docetaxel (HR 0,43; 0,29-,65); voor stabiele ziekte versus progressieve ziekte waren deze HRs 0,52 (0,37-0,71) voor nivolumab en 0,80 (0,61-1,04) voor docetaxel.

De onderzoekers concluderen dat onder patiënten met eerder-behandeld aNSCLC nivolumab vergeleken met docetaxel resulteerde in hogere percentages respons en langer-aanhoudende responsen, hetgeen geassocieerd was met lange-termijn OS-profijt.

1.Antonia SJ, Borghaei J, Ramalingam SS et al. Four-year survival with nivolumab in patients with previously treated advanced non-small-cell lung cancer: a pooled analysis. Lancet Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A pooled analysis of four clinical trials found that patients with previously treated advanced NSCLC achieved a greater duration of response with nivolumab than with docetaxel, which was associated with a long-term survival advantage (four-year OS 14% versus 5%).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Vergelijking van niet-radioactieve MSOT versus conventionele lymfoscintigrafie voor detectie van SLNs in melanoom (0)
2019-08-14 15:13   ( Nieuws )
Tags:  melanoma sentinel lymph node detection
Prof. Joachim KlodeDe metastasestatus van schildwachtklieren (SLNs) is een relevante prognostische factor in mammacarcinoom, melanoom, en sommige andere maligniteiten. De conventionele standaard voor het labelen van SLNs is lymfoscintigrafie met radioactief technetium-99m. Wereldwijde tekorten aan Tc 99m en bekende nadelen van het gebruik resulteren in behoefte aan alternatieve niet-radioactieve imaging-technieken. Een studie in het Universiteitsziekenhuis Essen (Duitsland) heeft niet-radioactieve multispectrale opto-acoustische tomografie (MSOT)-imaging vergeleken met standaard Tc 99m-lymfoscintigrafische imaging voor detectie van SLNs in patiënten met melanoom. Prof. Joachim Klode en collega’s publiceren de studie vandaag online in JAMA Network Open.1

De studie includeerde patiënten die SLNB ondergingen voor nieuw-gediagnostiseerd melanoom met conventionele lymfoscintigrafische imaging met Tc 99m. Voor de ingreep ondergingen de patiënten indocyanine groen (ICG)-MSOT voor de detectie van SLNs, en intraoperatief werden de ICG-gelabelde SLNs gedetecteerd met een nabij-infraroodcamera. Bij het begin van de SLNB waren de chirurgen geblindeerd voor de resultaten van de lymfoscintigrafische imaging. Het primaire eindpunt van de studie was concordantie van beide detectiemethoden.

De studie includeerde 83 patiënten (47 mannen en 36 vrouwen; gemiddelde leeftijd 54,61 ± 17,53 jaar). In 83 chirurgische procedures werden 165 SLNs verwijderd. De concordantie van IGC-gelabeld en Tc 99m-gemerkte SLN basins was 94,6% (106 van 112). Intraoperatief werden 159 SLNs gedetecteerd met de nabij-infraroodcamera, en 165 met de γ-probe, resulterend in een concordantie van 96,4%. MSOT visualiseerde SLNs in alle anatomische regio’s met hoge penetratiediepte (5 cm).

De onderzoekers concluderen dat niet-radioactieve SLN-detectie via MSOT-imaging identificatie van SLNs mogelijk maakt in een frequentie die equivalent is aan die van de huidege radiotracer-standaard.

1.Stoffels I, Jansen P, Petri M et al. Assessment of nonradioactive multispectral optoacoustic tomographic imaging with conventional lymphoscintigraphic imaging for sentinel lymph node biopsy in melanoma. JAMA Network Open 2019;2:e199020

Summary: A study in Germany compared non-radioactive multispectral optoacoustic tomograpic imaging versus conventional lymphoscintigraphic imaging for detection of sentinel lymph nodes in melanoma. The study showed that MSOT allowed identification of SLNs at a frequency equivalent to that of the current radiotracer conventional standard.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Impact van vooraf-bestaande cardiovasculaire ziekte op mortaliteit na orale therapie voor gevorderd prostaatcarcinoom (0)
2019-08-14 13:58   ( Nieuws )
Tags:  advanced prostate cancer oral androgen signaling inhiibitos
Dr. Grace Lu YaoOudere mannen (65 jaar of ouder) met gevorderd prostaatcarcinoom en cardiovasculaire comorbiditeiten worden gewoonlijk geëxcludeerd van klinische studies van orale remmers van de androgeen-signaalroute, zoals abirateronacetaat (AA) of enzalutamide (ENZ). Er is daarom weinig informatie beschikbaar over ongunstige effecten van deze medicaties in deze kwetsbare patiënten. Een analyse van de SEER-database heeft de impact onderzocht van vooraf-bestaande cardiovasculaire aandoeningen op korte-termijn uitkomsten van AA en ENZ in oudere mannen met gevorderd prostaatcarcinoom. Dr. Grace Lu-Yao (Sidney Kimmel Cancer Center, Philadelphia PA) en collega’s publiceren de analyse online in European Urology.1

De analyse includeerde 2845 AA-gebruikers en 1031 ENZ-gebruikers. Onder deze 3876 patiënten waren 2597 (67%) met tenminste één vooraf-bestaande cardiovasculaire aandoening. Vergeleken met de mannen zonder vooraf-bestaande cardiovasculaire aandoening hadden mannen met één of twee aandoeningen een zestien procent hogere all-cause mortaliteit in de eerste zes maanden na het starten van AA of ENZ (RR 1,16; 95%-bti 1,00-1,36) en mannen met drie of meer aandoeningen een 56 procent hogere zes-maands mortaliteit (RR 1,56; 95%-bti 1,29-1,88). Deze associaties verschilden niet tussen AA-patiënten en ENZ-patiënten.

De onderzoekers concluderen dat na starten van AA of ENZ oudere patiënten met gevorderd prostaatcarcinoom en vooraf-bestaande cardiovasculaire aandoening een verhoogde all-cause mortaliteit hadden.

1.Lu-Yao G, Nikita N, Keith SW et al. Mortality and hospitalization risk following oral androgen signaling inhibitors among men with advanced prostate cancer by pre-existing cardiovascular comorbidities. Eur Urol 2019; epub ahead of print

Summary: An analysis of the SEER database found that among elderly patients (65 years and over) with advanced prostate cancer, pre-existing cardiovascular disease conditions were associated with increased 6-months all-cause mortality after starting abiraterone acetate or enzalutamide. Compared to no CVD condition, existence of one or two conditions was associated with 16% higher 6-mo mortality, and existence of three of more conditions with 56% higher 6-mo mortality.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)