Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Mogelijke immuunmarkers van respons van niet-kleincellig longcarcinoom op tweedelijns nivolumab (0)
2019-06-10 11:51   ( Nieuws )
Tags:  MULTOMAB study NSCLC immune markers of nivolumab response
Dr. Reno DebetsImmuuncheckpointremmers zijn standaard-behandeling geworden voor niet-kleincellig longcarcinoom, maar slechts in een deell van de patiënten wordt duurzaam profijt gezien. Er is behoefte aan markers om patiënten te kunnen identificeren met hogere waarschijnlijkheid van respons. De Rotterdamse MULTOMAB-studie heeft onderzocht of CD8 T-celpopulaties kunnen worden gebruikt als dergelijke markers. Dr. Reno Debets (Erasmus MC) en collega’s publiceren de studie online in het Journal for ImmunoTherapy of Cancer.1

De studie includeerde 71 patiënten na eerstelijns behandeling voor NSCLC, en 15 gezonde controlepersonen, die met de patiënten waren gematcht voor leeftijd (mediaan 65 jaar) en geslachtsdistributie (V/M 40/69%). De patiënten kregen intraveneus nivolumab 3 mg/kg iedere twee weken. Voor aanvang van de behandeling, en na twee en vier weken stonden de deelnemers bloedmonsters af waarin de onderzoekers CD8 T-celpopulaties konden bepalen. Onder de 71 patiënten waren er 32 met geschikte vers verkregen perifeer-bloedmonsters. Van de 32 patiënten hadden zeven partiële respons (PR) op nivolumab, tien stabiele ziekte (SD), en vijftien progressieve ziekte (PD).

In de monsters van patiënten met PR waren voor aanvang van de behandeling en tijdens de behandeling de gehalten van CD8 T-cellen vergelijkbaar met die in monsters van de gezonde controlepersonen, maar tweemaal hoger dan in monsters van SD- of PD-patiënten. De CD8 T-celpopulaties in de monsters van PR-patiënten hadden verhoogde frequenties van T effector memory re-expressing CD45RA (TEMRA) cellen, en verhoogde frequentie van T-cellen met expressie van markers van terminale differentiatie (CD95+) en egressie uit tumorweefsel (CD69-). In de monsters van de PR-patiënten was de fractie van CD8 T-cellen zonder co-stimulatory receptors (CD28, ICOS, CD40L, 4-1BB, OX40) significant gecorreleerd met de totale aantallen en gedifferentieerd fenotype CD8 T-cellen.

De onderzoekers concluderen dat hoge gehalten van perifere CD8 T-cellen met expressie van differentiatiemarkers en zonder co-stimulatory receptors voor aanvang van de behandeling geassocieerd zijn met respons van NSCLC op tweedelijns nivolumab.

1.Kunert A, Basak EA, Hurkmans DP et al. CD45RA+CCR7- CD8 T cells lacking co-stimulatory receptors demonstrate enhanced frequency in peripheral blood of NSCLC patients responding to nivolumab. J ImmunoTher Cancer 2019;7:149

Summary: The MULTOMAB study in The Netherlands found that among patients receiving second-line nivolumab for NSCLC, high numbers of peripheral CD8 T cells expressing differentiation markers and lacking co-stimulatory receptors at baseline are associatied with response. 


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Toevoegen van bevacizumab aan chemotherapie voor gevorderd malgine pleuraal mesothelioom: impact op HRQOL (0)
2019-06-09 15:00   ( Nieuws )
Tags:  MAPS IFCT-GFPC-0701 study malignant pleural mesothelioma bevacizumab
Prof. Virginie WesteelDe Franse fase 3-studie MAPS (‘Mesothelioma Avastin Cisplatin Pemetrexed Study’) onderzocht de waarde van toevoegen van bevacizumab aan eerstelijns cisplatine-pemetrexed voor gevorderd maligne pleuraal mesothelioom (MPM). In 2015 is gepubliceerd dat in de bevacizumab-chemotherapie groep de mediane overall survival significant langer was dan in de alleen-chemotherapie groep (HR 0,77; p=0,0167). Een secundair eindpunt van de studie was gezondheids-gerelateerde kwaliteit van leven. Prof. Virginie Westeel (Université de Franche-Comté, Besançon) en collega’s publiceren nu de HRQOL-analyse van de studie online in Clinical Cancer Research.1

De studie includeerde 448 patiënten, onder wie 425 die bij inclusie en vervolgens iedere negen weken tot progressie van de ziekte HRQOL-vragenlijsten beantwoordden (QLQ-C30, QLQ-LC13). Voor de algemene HRQOL waren er geen significante verschillen tussen beide armen. In de bevacizumab-chemotherapie arm was de HRQOL deterioration-free survival (QFS) significant langer dan in de alleen-chemotherapie arm voor het perifere-neuropathiedomein (mediaan 12,09 versus 7,59 maanden; HR 0,74; p=0,004). Er was een trend van betere QFS voor het pijn-domein (HR 0,84; p=0,08).

De onderzoekers concluderen dat toevoegen van bevacizumab aan eerstelijns standaard chemotherapie voor gevorderd MPM niet resulteerde in verslechtering van de HRQOL, en voor de domeinen perifere neuropathie en pijn resulteerde in verbetering.

1.Eberst G, Anota A, Scherpereel A et al. Health-related quality of life impact form adding bevacizumab to cisplatin-pemetrexed in malignant pleural mesothelioma in the MAPS IFCT-GFPC-0701 phase III trial. Clin Cancer Res 2019; epub ahead of print

Summary: An analysis of the French phase 3 study MAPS showed that adding bevacizumab to first-line standard chemotherapy for advanced MPM (which improved the OS) had no negative impact on HRQOL, and was associated with significant improvement in peripheral neuropathy and pain.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Incidentie, risicofactoren, en mortaliteit van secundaire maligniteiten in overlevers van AYA-maligniteiten (0)
2019-06-09 13:25   ( Nieuws )
Tags:  AYA cancer SMNs
Dr. Chun ChaoEr is behoefte aan gedetailleerde informatie over de epidemiologie van tweede maligne neoplasmen (SMNs) in overlevers van maligniteiten gediagnostiseerd in adolescenten en jonge volwassenen (AYA cancer; leeftijd vijftien tot veertig jaar). Een analyse van patiënten van Kaiser Permanente Southern California (Pasadena) was gericht op het verzamelen van deze informatie. Dr. Chun Chao (KPSC) en collega’s publiceren de analyse in JAMA Network Open.1

De analyse includeerde 10.574 patiënten die tenminste twee jaar hadden overleefd na een diagnose AYA cancer tussen begin 1990 en eind 2012; en voor elke patiënt 13 gematchte controlepersonen zonder geschiedenis van een maligniteit (n=136.683). De mediane leeftijd in beide groepen was 33 jaar (range 15-39); 64,8% in beide groepen waren vrouwen. Onder de overlevers van AYA cancer werd tijdens de follow-up in 622 patiënten een SMN gediagnostiseerd (twintig-jaar cumulatieve incidentie van SMN 12,5%); onder de controlepersonen werd vanaf de index datum van inclusie in het cohort in 3437 patiënten een eerste maligniteit gezien. De incidence rate ratio voor overlevers versus controlepersonen was 2,6 (95%-bti 2,4-2,9). De figuur laat zien dat overlevers van mammacarcinoom, melanoom, en testiscarcinoom vergeleken met de controlepersonen een substantieel verhoogd risico hadden van een SMN van hetzelfde orgaan. Onder overlevers van AYA cancer waren hogere leeftijd, vrouwelijk geslacht, blank ras, gevorderd stadium bij eerste diagnose, en radiotherapie geassocieerd met verhoogd risico van SMN. Overlevers van AYA cancer die SMN ontwikkelden hadden een all-cause mortaliteit die een factor 7,2 (95%-bti 6,1-8,5) hoger was dan die van overlevers zonder SMN.

De onderzoekers concluderen dat het risico van SMNs onder overlevers van AYA cancer verhoogd was, en dat de overleving na het ontwikkelen van SMNs aanzienlijk verslechterd was.

1.Chao C, Bhatia S, Xu L et al. Incidence, risk factors, and mortality associated with second malignant neoplasms among survivors of adolescent and young adult cancer. JAMA Network Open 2019;2:e195536

Summary: An analysis of patients of Kaiser Permanente Southern California (Pasadena) found that the risk of secondary malignant neoplasms was elevated in survivors of AYA cancer (versus the general population IRR 2.6; 95% CI 2.4-2.9), and varied across survivor subgroups. Survival following SMN was significantly compromised.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Klinisch profijt van niraparib-onderhoud na respons van recidiverend ovariumcarcinoom op platina-chemotherapie (0)
2019-06-09 12:02   ( Nieuws )
Tags:  ENGOT-OV16 NOVA trial ovarian cancer niraparib maintenance
Dr. Josep del CampoNiraparib is een orale PARP-remmer. De multinationale ENGOT-OV16/NOVA studie heeft laten zien dat onder patiënten met recidiverend ovariumcarcinoom en respons op hun laatste platina-gebaseerde chemotherapie, de mediane duur van progressievrije overleving significant langer was met niraparib-onderhoudsbehandeling dan met placebo. Een nadere analyse van de studie heeft nu onderzocht of dit gold voor zowel patiënten met partiële respons (PR) als patiënten met complete respons (CR) op de laatste platina-gebaseerde chemotherapie, en wat de impact was van de niraparib-onderhoudsbehandeling op de patiënt-gerapporteerde uitkomsten (PROs). Dr. Josep del Campo (Vall d’Hebron Ziekenhuis, Barcelona) en collega’s publiceren de analyse online in het Journal of Clinical Oncology.1


De analyse includeerde 553 patiënten, onder wie 203 met een kiemlijn BRCA-mutatie, en 350 zonder kiemlijn BRCA-mutatie. Onder de patiënten met de BRCA-mutatie hadden 99 PR en 104 CR op de laatste platina-gebaseerde chemotherapie, en onder de patiënten zonder de mutatie hadden 173 PR en 177 CR. Zowel onder de patiënten met als zonder mutatie, en onder patiënten met PR en onder patiënten met CR, resulteerde niraparib-onderhoud in significante verlenging van de progressievrije overleving. De incidentie van any-grade en van graad 3 of hoger adverse events was manageable. Met betrekking tot PROs waren er geen relevante verschillen tussen niraparib en placebo; zowel niet in de PR-subgroep als ook niet in de CR-subgroep.

De onderzoekers concluderen dat patiënten klinisch profijt hadden van niraparib-onderhoudsbehandeling, ongeacht de mate van respons op de chemotherapie en ongeacht aan- of afwezigheid van een kiemlijn BRCA-mutatie.

1.Del Campo JM, Matulonis UA, Malander S et al. Niraparib maintenance therapy in patients with recurrent ovarian cancer after a partial response to the last platinum-based chemotherapy in the ENGOT-OV16/NOVA trial. J Clin Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: The multinational ENGOT-OV16/NOVA trial showed that patients with response to their last platinum-based chemotherapy for recurrent ovarian cancer had clinical benefit from niraparib maintenance therapy. A secondary analysis of the study found that this was the case in patients with complete and patients with partial response to chemotherapy and in patients with and without BRCA1/2-mutation. There were no meaningful differences between niraparib and placebo in PR and CR subgroups with respect to patient-reported outcomes.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Meta-analyse van studies van associatie van anorexia nervosa met risico van maligniteiten (0)
2019-06-08 15:01   ( Nieuws )
Tags:  anorexia nervosa risk of cancer
Dr. Ferràn Català-LópezEr zijn naar schatting wereldwijd 3,4 miljoen (vooral jonge) patiënten met anorexia nervosa (AN). De associatie van AN met het risico van maligniteiten is niet duidelijk. Dr. Ferràn Català-López (Instituut Carlos III, Madrid) en collega’s hebben een systematisch overzicht van de literatuur en meta-analyse uitgevoerd van de associatie van AN met het risico van maligniteiten. Ze publiceren de meta-analyse online in JAMA Network Open.1

De onderzoekers hanteerden voor de definitie van de diagnose AN de ICD-9 codes 307.1 of 307.54, of de ICD-10 codes F50.0-F50.1. In de literatuur tot en met 9 januari 2019 vonden ze zeven cohortstudies met tezamen 42.602 patiënten met AN. Vergeleken met de algemene bevolking hadden AN-patiënten geen significant verschillend risico van alle maligniteiten tezamen (vier studies in vrouwen; RR 0,97; p=0,53; heterogeniteit I2=0%; moderate confidence). AN was geassocieerd met significant verlaagd risico van mammacarcinoom (vijf studies in vrouwen; RR 0,60; p<0,001; I2=0%; high confidence), verhoogd risico van longmaligniteit (drie studies in vrouwen; RR 1,50; p=0,001; I2=0%; low confidence) en verhoogd risico van slokdarm-maligniteit (twee studies in vrouwen; RR 6,10; p<0,001; I2=0%; low confidence).

De onderzoekers concluderen dat de meta-analyse uitwijst dat het risico van alle maligniteiten tezamen onder AN-patiënten niet verschilt van het risico in de algemene bevolking. De meta-analyse suggereert wel een significant verlaagd risico van mammacarcinoom in AN-patiënten.

1.Català-López F, Forés-Martos J, Driver JA et al. Association of anorexia nervosa with risk of cancer. A systematic review and meta-analysis. JAMA Network Open 2019;2:e195313

Summary: A meta-analysis of seven cohort studies found that among people with anorexia nervosa the risk of developing cancer did not differ from the risk in the general population. The meta-analysis showed a significantly reduced risk of breast cancer (RR 0.60; p<0.001) and an increased risk of lung cancer in women (RR 1.50; p=0.001; low confidence) and esophageal cancer in women (RR 6.10; p<0.001; low confidence).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Zes versus twaalf maanden adjuvant trastuzumab voor HER2-positief vroeg-stadium mammacarcinoom (0)
2019-06-08 13:31   ( Nieuws )
Tags:  PERSEPHONE trial early breast cancer trastuzumab
Prof. Helena EarlAdjuvant trastuzumab is geassocieerd met significante verbetering van de uitkomsten van patiënten met HER2-positief mammacarcinoom. De standaard-duur van de behandeling is twaalf maanden. Kortere duur van de behandeling is geassocieerd met minder kosten en waarschijnlijk ook minder toxiciteit. De Britse niet-inferioriteit fase 3-studie PERSEPHONE heeft de ziektevrije overleving na zes maanden adjuvant trastuzumab vergeleken met die na twaalf maanden adjuvant trastuzumab. Prof. Helena Earl (Cambridge University) en collega’s publiceren de studie online in The Lancet.1

PERSEPHONE werd uitgevoerd in 152 centra in het Verenigd Koninkrijk. De studie randomiseerde patiënten naar zes (n=2044) versus twaalf (n=2045) maanden adjuvant trastuzumab iedere drie weken (intraveneus loading dose 8 mg/kg, vervolgens 6 mg/kg; of subcutaan 600 mg) in combinatie met chemotherapie. Het primaire eindpunt was ziektevrije overleving, met een niet-inferioriteitsmarge van 3% na vier jaar. Veiligheid was een secundair eindpunt.


De mediane follow-up was 5,4 jaar (IQR 3,6-6,7) in beide armen. Tijdens de follow-up werd een DFS-gebeurtenis gezien in 13% van de patiënten in de zes-maands groep versus 12% van de patiënten in de twaalf-maands groep. De vier-jaars DFS was 89,4% in de zes-maands groep versus 89,9% in de twaalf-maands groep (HR 1,07; 90%-bti 0,93-1,24) waarmee niet-inferioriteit van de zes-maands behandeling werd aangetoond (p=0,011). Ernstige adverse events werden gerapporteerd door 19% van de patiënten in de zes-maands groep versus 24% van de patiënten in de twaalf-maands groep (p=0,0002); vroege discontinuering wegens cardiotoxiciteit was noodzakelijk in 3% versus 8% (p<0,0001).

De onderzoekers concluderen dat de studie niet-inferioriteit van zes vergeleken met twaalf maanden adjuvant trastuzumab voor vroeg-stadium mammacarcinoom heeft laten zien; de kortere behandeling resulteerde in minder adverse events en cardiotoxiciteit.

Tegelijk met PERSEPHONE is in The Lancet de Franse PHARE-studie (n=3380) gepubliceerd, met een vergelijkbare opzet en vergelijkbare uitkomsten (zes versus twaalf maanden adjuvant trastuzumab HR 1,08; 95%-bti 0,93-1,25). Wegens een strengere non-inferioriteitsmarge kunnen de PHARE-onderzoekers echter geen non-inferioriteit van zes versus twaalf maanden adjuvant trastuzumab claimen.

1.Earl HM, Hiller L, Vallier A-L et al. 6 versus 12 months of adjuvant trastuzumab for HER2-positive early breast cancer (PERSEPHONE): 4-year disease-free survival results of a randomised phase 3 non-inferiority trial. Lancet 2019; epub ahead of print

Summary: The UK phase 3 non-inferiority trial PERSEPHONE compared six versus twelve months adjuvant trastuzumab for HER2-positive early breast cancer. The four-year disease-free survival was 89.4% (95%-bti 87.9-90.7) in the four-month group versus 89.8% (88.3-91.1) in the six-month group, showing non-inferiority of the six-month treatment, which also had less cardiotoxicity and fewer severe adverse events.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Toevoegen van pembrolizumab versus placebo aan dabrafenib plus trametinib voor BRAF-mutant melanoom (0)
2019-06-08 11:52   ( Nieuws )
Tags:  BRAF-mutant melanoma combined BRAF- and MEK-inhibition plus PD-1 blockade
Prof. Antoni RibasGecombineerde remming van BRAF en MEK kan resulteren in respons van de tumoren in patiënten met gevorderd melanoom met BRAFV600E/K-mutatie. Het is denkbaar dat toevoeging van blokkade van PD-1 aan deze behandeling de duurzaamheid van de respons kan verbeteren. Een multinationale gerandomiseerde fase 2-studie heeft deze hypothese getoetst. Prof. Antoni Ribas (University of California, Los Angeles) en collega’s publiceren de studie online in Nature Medicine.1

De studie werd uitgevoerd in 22 centra in acht landen. De studie includeerde 120 patiënten met niet-eerder behandeld gevorderd melanoom met BRAFV600E/K-mutatie. De patiënten werden gerandomiseerd naar triplet-therapie (de BRAF-remmer dabrafenib, de MEK-remmer trametinib, en de PD-1 blokker pembrolizumab; n=60) of doublet-therapie (dabrafenib, trametinib, en placebo; n=60). Het primaire eindpunt van de studie was progressievrije overleving. De mediane PFS was 16,0 maanden in de groep met triplet-therapie versus 10,3 maanden in de groep met doublet-therapie (HR 0,66; p=0,043; overigens een te klein verschil om te voldoen aan het vooraf gespecificeerde criterium voor statistisch significante verbetering). De mediane duur van respons was 18,7 maanden (95%-bti 10,1-22,1) met triplet-therapie versus 12,5 maanden (95%-bti 6,0-14,1) met doublet-therapie. Respons langer dan achttien maanden werd gezien in 59,8% van de triplet-patiënten versus 27,8% van de doublet-patiënten. Graad 3 of hoger treatment-related adverse events kwamen voor in 58,3% versus 26,7%. Eén patiënt in de triplet-groep overleed aan pneumonitis.

De onderzoekers concluderen dat toevoegen van PD-1 blokkade aan BRAF-plus-MEK-remming voor gevorderd melanoom met BRAFV600E/K-mutatie resulteerde in numerieke verlenging van de progressievrije overleving, en in een hoger percentage patiënten met graad 3 of hoger TRAEs.

1.Ascierto PA, Ferrucci PF, Fisher R et al. Dabrafenib, trametinib, and pembrolizumab or placebo in BRAF-mutant melanoma. Nature Med 2019; epub ahead of print

Summary: A multinational phase 2 study randomized patients with treatment-naïve BRAFV600E/K-mutant advanced melanoma to pembrolizumab or placebo, added to dabrafenib plus trametinib. The median progression-free survival was 16.0 months in the pembrolizumab group versus 10.3 months in the placebo group (HR 0.66; p=0.043). The authors conclude that adding PD-1 blockade to inhibition of BRAF and MEK resulted in numerically longer PFS


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Venetoclax plus obinutuzumab in patiënten met CLL en comorbiditeiten (0)
2019-06-07 14:57   ( Nieuws )
Tags:  CLL with coexisting conditions venetoclax
Prof. Michael HallekDe meeste CLL-patiënten zijn ouder dan zeventig jaar en hebben klinisch relevante comorbiditeiten. Dergelijke patiënten hebben behoefte aan effectieve maar minder toxische behandelingen. De standaard-behandeling voor deze patiënten is de combinatie chlorambucil-obinutuzumab. Venetoclax is een BLC2-remmer. De multinationale fase 3-studie CLL14 heeft de waarde van venetoclax onderzocht voor CLL in patiënten met comorbiditeiten. Prof. Michael Hallek (Universiteit van Keulen) en collega’s publiceren de studie online in The New England Journal of Medicine.1

CLL14 werd uitgevoerd in 196 centra in 21 landen. De studie includeerde patiënten met niet-eerder behandeld CLL, een Cumulative Illness Rating Scale score hoger dan 6 en een creatinineklaring lager dan 70 ml/min. Onder de 432 geïncludeerde patiënten was de mediane leeftijd 72 jaar; de mediane CIRS-score was 8, en de mediane creatinineklaring was 66,4 ml/min. De patiënten werden 1:1 gerandomiseerd naar venetoclax plus obinutuzumab (n=216) of chlorambucil plus obinutuzumab (n=216). Het primaire eindpunt van de studie was lokaal-beoordeelde progressievrije overleving.


Na mediaan 28,1 maanden follow-up waren in de groep met venetoclax-obinutuzumab 30 gebeurtenissen (progressie of overlijden) gezien versus 77 in de groep met chlorambucil-obinutuzumab (HR 0,35; p<0,001). Het percentage progressievrije patiënten na 24 maanden was 88,2% (95%-bti 83,7-92,6) met venetoclax-obinutuzumab versus 64,1% (95%-bti 57,4-70,8) met chlorambucil-obinutuzumab. Dit venetoclax-profijt werd ook gezien in patiënten met TP53-deletie of –mutatie, en in patiënten met niet-gemuteerde immunoglobuline zware-ketengenen. Graad 3 of 4 neutropenie werd gezien in 52,8% van de patiënten in de venetoclax-groep versus 48,1% van de patiënten in de chlorambucil-groep; graad 3 of 4 infecties in 17,5% versus 15,0%; en all-cause mortaliteit in 9,3% versus 7,9%. Deze verschillen waren niet statistisch significant.

De onderzoekers concluderen dat onder patiënten met niet-eerder behandeld CLL en comorbiditeiten de combinatie venetoclax-obinutuzumab geassocieerd was met langere PFS dan de combinatie chlorambucil-obinutuzumab.

1.Fischer K, Al-Sawaf O, Bahlo J et al. Venetoclax and obinutuzumab in patients with CLL and coexisting conditions. N Engl J Med 2019; epub ahead of print

Summary: The multinational phase 3 study CLL14 found that among patients with untreated CLL and comorbidities the combination of venetoclax and obinutuzumab was associated with longer progression-free survival than the combination of chlorambucil and obinutuzumab.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)