Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Multinationale cohortstudie van impact van leeftijd op uitkomsten van sorafenib voor levercelcarcinoom (0)
2020-10-20 13:00   ( Nieuws )
Tags:  sorafenib for HCC impact of age on outcomes
Dr. Rohini SharmaEr Is geen consensus over optimale dosering van sorafenib voor levercelcarcinoom (HCC) in oudere patiënten (75 jaar en ouder). Deze patiënten krijgen vaak lage startdosering om toxiciteiten te vermijden. Een multinationale cohortstudie heeft onderzocht of er een associatie bestaat tussen leeftijd en overall survival van patiënten die sorafenib krijgen voor HCC, en of doseringsverlaging impact heeft op OS en toxiciteiten in oudere patiënten. Dr. Rohini Sharma (Imperial College London, UK) en collega’s publiceren de studie in het British Journal of Cancer.1



De studie includeerde 5598 patiënten, onder wie 792 (14,1%) in de leeftijd van 75 jaar of ouder. De oudere patiënten hadden hogere waarschijnlijkheid van tumorgrootte 7 cm (39%) dan jongere patiënten (33%; p<0,01). Er was geen significant verschil in mediane OS tussen beide groepen (7,3 maanden versus 7,2 maanden; HR 1,00; p=0,97). Er was evenmin verschil tussen beide leeftijdsgroepen in associatie tussen startdosering van sorafenib (800 mg versus 400 of 200 mg) en OS, of in incidentie van graad 2 tot en met 4 sorafenib-gerelateerde toxiciteit (p=0,11). In de oudere groep kwam wel meer discontinuering van de behandeling wegens toxiciteiten voor (27,0% versus 21,6%; p<0,01), echter ongeacht de startdosering.

De onderzoekers concluderen dat klinische uitkomsten van sorafenib voor HCC vergelijkbaar zijn in patiënten in de leeftijd 75 jaar of ouder en in jongere patiënten, ongeacht de startdosering.

1.Hajiev S, Allara E, Motedayen-Aval L et al. Impact of age on sorafenib outcomes in hepatocellular carcinoma: an international cohort study. Br J Cancer 2020; epub ahead of print

Summary: A multinational cohort study found that among patients receiving sorafenib for hepatocellular carcinoma the clinical outcomes are similar for patients 75 years and older compared to younger patients, independent of the prescribed dose.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Vergelijking van eerstelijns behandelingen voor extensief-stadium kleincellig longcarcinoom (0)
2020-10-20 12:00   ( Nieuws )
Tags:  ES-SCLC comparison of first-line treatments
Prof. Li ZhangVoor de eerstelijns behandeling van extensief-stadium kleincellig longcarcinoom (ES-SCLC) zijn verscheidene combinaties van chemotherapie en immuuntherapie geëvalueerd. Een systematisch overzicht en netwerk meta-analyse van gepubliceerde gerandomiseerde studies heeft deze combinaties vergeleken. Prof. Li Zhang (Sun Yat-sen Universiteit, Guangzhou) en collega’s publiceren de meta-analyse in JAMA Network Open.1


In de literatuur tot en met december 2019 vonden de onderzoekers drie fase 2- en elf fase 3-studies die aan de inclusiecriteria van de meta-analyse voldeden. De combinatie van PD-L1 remmer (durvalumab of atezolizumab) met etoposide-gebaseerde chemotherapie resulteerde in de beste overall survival (versus alleen etoposide-gebaseerde chemotherapie HR 1,40; 95%-bti 1,09-1,80) en het beste ziektecontrolepercentage (versus alleen etoposide-gebaseerde chemotherapie (OR 0,42; 95%-bti 0,21-0,81), terwijl toevoeging van bevacizumab aan etoposide-gebaseerde chemotherapie resulteerde in de beste progressievrije overleving (HR 1,54; 95%-bti 1,09-2,27) die echter niet tot OS-profijt leidde. Toevoeging van PD-L1 remmers aan etoposide-gebaseerde chemotherapie resulteerde niet in meer toxiciteit (OR 1,14; 95%-bti 0,36-2,31) terwijl toevoeging van bevacizumab aan etoposide-platina resulteerde in het hoogste percentage graad 3 tot en met 5 TRAEs van alle geëvalueerde eerstelijns behandelingen. De combinatie van PD-L1 remmer plus etoposide-platina had de hoogste waarschijnlijkheid om te resulteren in de beste OS (87%) en DCR (97%).

De onderzoekers concluderen dat de combinatie van PD-L1 remmer plus etoposide-gebaseerde chemotherapie de optimale eerstelijns behandeling voor ES-SCLC kan zijn.

1.Zhou T, Zhang Z, Luo F et al. Comparison of first-line treatments for patients with extensive-stage small cell lung cancer. A systematic review and network meta-analysis. JAMA Network Open 2020;3:e2015748

Summary: Systematic review and network meta-analysis of 14 studies (4838 patients) found that the combination of a PD-L1 inhibitor (durvalumab or atezolizumab) and etoposide-based chemotherapy may be an optimal first-line treatment option for extensive-stage small cell lung cancer.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Uitkomsten van borstsparende chirurgie versus mastectomie na neoadjuvante chemotherapie (0)
2020-10-19 15:00   ( Nieuws )
Tags:  BCS versus mastectomy after neoadjuvant chemotherapy
Dr. Janine SimonsBorstsparende chirurgie (BCS) gevolgd door adjuvante chemotherapie voor mammacarcinoom Is een veilig alternatief gebleken voor mastectomie en adjuvante chemotherapie. De veiligheid van BCS na neoadjuvante chemotherapie (NAC) is nog niet duidelijk. Een studie in het Amphia Ziekenhuis (Breda) heeft lange-termijn uitkomsten geïnventariseerd na NAC gevolgd door BCS versus NAC gevolgd door mastectomie. Dr. Janine Simons en collega’s publiceren de studie vandaag in Breast Cancer Research and Treatment.1

Tussen begin 2008 en eind 2017 kregen in Breda 612 patiënten NAC voor mammacarcinoom, van wie 561 in de analyse konden worden opgenomen: 362 die BCS kregen (64,5%) en 199 die mastectomie kregen (35,5%). De mediane follow-up was 6,8 jaar (range 0,9-11,9). Patiënten in de mastectomiegroep hadden grotere tumoren en meer frequent klierpositieve of lobulaire ziekte. Niet-gecorrigeerde vijf-jaars ziektevrije overleving was beter in BCS-groep dan in de mastectomiegroep (90,9% versus 82,9%; p=0,004); dit gold ook voor de niet-gecorrigeerde vijf-jaars overall survival (95,3% versus 85,9%; p<0,001). Ongunstige voorspellers voor DFS waren cT4-ziekte (HR 3,34; p=0,19) en triple-negatieve ziekte (HR 5,95; p=0,001), en gunstige voorspellers voor DFS waren pCR van de borst (HR 0,47; p=0,027) en oksel (HR 0,33; p=0,001). Na correctie voor deze variabelen was er geen verschil in DFS tussen BCS en mastectomie.

De onderzoekers concluderen dat na neoadjuvante chemotherapie BCS een geschikt alternatief is voor mastectomie.

1.Simons JM, Jacobs JG, Roijers JP et al. Disease-free and overall survival after neoadjuvant chemotherapy in breast cancer: breast-conserving surgery compared to mastectomy in a large single-centre cohort study. Breast Cancer Res Treat 2020; epub ahead of print

Summary: A single-center cohort study in The Netherlands found that after neoadjuvant chemotherapy for breast cancer, breast-conserving surgery compared with mastectomy did not impair disease-free and overall survival.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Impact van gebruik van isoflavonen op prevalentie van mammacarcinoom onder vrouwen met hoog erfelijk risico (0)
2020-10-19 14:00   ( Nieuws )
Tags:  high hereditary breast cancer risk isoflavone intake
Prof. Sue ParkOndanks gebrek aan harde evidentie voor werkzaamheid worden isoflavonen gebruikt door sommige vrouwen met overgangsklachten. Een studie in Zuid-Korea heeft onderzocht of gebruik van isoflavonen impact heeft op de prevalentie van mammacarcinoom onder vrouwen met erfelijk verhoogd risico van mammacarcinoom. Prof. Sue Park (Seoel Nationale Universiteit) en collega’s publiceren de studie in Breast Cancer Research and Treatment.1

De studie werd uitgevoerd in een cohort van 1709 deelneemsters aan de prospectieve Korean Hereditary Breast Cancer Study. Het cohort omvatte 407 BRCA1/2-mutatiedragende patiënten, 585 patiënten met familiegeschiedenis van mammacarcinoom (FHBC) maar zonder BRCA1/2-mutatie, 586 vrouwen met early onset mammacarcinoom (EOBC, voor leeftijd 40 jaar) zonder BRCA1/2-mutatie, en 131 controlevrouwen zonder mammacarcinoom en zonder BRCA1/2-mutatie. Dagelijkse inname van isoflavonen werd vastgesteld met een gevalideerde voedselfrequentievragenlijst. Hoge inname werd gedefinieerd als tenminste 15,50 mg per dag.

Hoge versus lage inname van isoflavonen was invers geassocieerd met risico van luminal A BC onder de BRCA2-mutatiedraagsters HR 0,14; 95%-bti 0,04-0,50) en onder FHBC non-carriers (HR 0,27; 95%-bti 0,11-0,69). Hoge versus lage inname van isoflavonen was ook invers geassocieerd met verlaagd risico van TNBC onder BRCA1-mutatiedraagsters (HR 0,09; 95%-bti 0,02-0,40) en FHBC non-carriers (HR 0,19; 95%-bti 0,05-0,69). Onder TNBC-patiënten was er een interactie tussen inname van isoflavonen en BRCA1-mutatiestatus.

De onderzoekers concluderen dat de studie suggereert dan inname van isoflavonen invers geassocieerd was met het voorkomen van mammacarcinoom onder vrouwen met erfelijk verhoogd risico.

1.Sim EJ, Ko K-P, Ahn C et al. Isoflavone intake on the risk of overall breast cancer and molecular subtypes in women at high risk for hereditary breast cancer. Breast Cancer Res Treat 2020; epub ahead of print

Summary: Analysis in the cohort of the prospective Korean Hereditary Breast Cancer Study found that among women at high hereditary risk, high intake of isoflavones was associated with lower prevalence of breast cancer, and that this effect differed by molecular subtype.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Waarde van 21-gene recurrence score in klierpositief HR-positief HER2-negatief mammacarcinoom (0)
2020-10-19 12:56   ( Nieuws )
Tags:  node-positive HR-positive HER2-negative breast cancer value of 21-gene RS
Prof. Suzanne KlimbergDe 21-gene recurrence score assay (RS) is niet prospectief gevalideerd voor het voorspellen van profijt van adjuvante chemotherapie voor klierpositief HR-positief HER2-negatief mammacarcinoom. In retrospectieve studies is echter wel enige steun gezien voor deëscalatie van de behandeling op basis van de RS. Een analyse van de National Cancer Database heeft onderzocht of er groepen patiënten bestaan met klierpositief HR-positief HER2-negatief mammacarcinoom die ondanks een lage of intermediaire RS toch baat hebben bij adjuvante chemotherapie. Prof. Suzanne Klimberg (University of Texas Medical Branch, Galveston) en collega’s publiceren de studie in Breast Cancer Research and Treatment.1

In de NCDB identificeerden de onderzoekers 28.591 vrouwen met stadium I-III T1-T3 N1 HR+ HER2- mammacarcinoom en een RS 25 of lager tussen begin 2010 en eind 2016. In de loop van deze periode nam het gebruik van adjuvante chemotherapie onder deze patiënten af met 35%. Het gebruik van adjuvante chemotherapie was meer waarschijnlijk onder patiënten met lagere leeftijd, hogere RS, grotere tumoren en patiënten die mastectomie, ALND, en radiotherapie kregen. Gebruik van adjuvante chemotherapie was geassocieerd met significant betere vijf-jaars overleving (HR 1,63; 95%-bti 1,28-2,07). In subgroepanalyse werd dit overlevingsvoordeel niet gezien onder patiënten ouder dan 70 jaar en patiënten met RS 11 of lager. Patiënten in de leeftijd van 70 jaar of jonger en patiënten met een RS 12 tot en met 25 hadden met chemotherapie een absoluut vijf-jaars overlevingsvoordee van 3,0% (HR 1,91; 95%-bti 1,42-2,57).

De onderzoekers concluderen dat onder patiënten met klierpositief HR-positief HER2-negatief mammacarcinoom en een RS lager dan 26 de subgroepen van patiënten jonger dan 70 jaar en patiënten met een RS 12 tot en met 25 significant overlevingsvoordeel hadden met adjuvante chemotherapie.

1.Weiser R, Haque W, Polychronopoulou E et al. The 21-gene recurrence score in node-positive, hormone receptor-positive, HER2-negative breast cancer: a cautionary tale from an NCDB analysis. Breast Cancer Res Treat 2020; epub ahead of print

Summary: Analysis of the National Cancer Database found that among patients with HR-positive, HER2-negative, N1 breast cancer the patients with a RS 12-25 and patients younger than 71 years did have a significant survival benefit with adjuvant chemotherapy.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Bevolkings-gebaseerde analyse van overleving van oudere patiënten met hersenmetastasen (0)
2020-10-19 11:59   ( Nieuws )
Tags:  brain metastases in older patients survival
Dr. Ayal AizerSchattingen van de prognose van patiënten met hersenmetastasen (BM) zijn gebaseerd op resultaten van studies waarin oudere patiënten vaak ondervertegenwoordigd of geëxcludeerd waren. Een analyse van de SEER-database heeft de overleving van 65-plussers met BM geïnventariseerd. Dr. Ayal Aizer (Dana-Farber Cancer Institute, Boston MA) en collega’s publiceren de analyse in Neuro-Oncology.1

In de SEER-database over de periode begin 2014 tot eind 2016 identificeerden de onderzoekers 9882 patiënten in de leeftijd van 65 jaar of ouder met BMs van primaire maligniteiten van long, borst, huid, nier, slokdarm, colorectum, en ovarium. Onder deze patiënten waren er 2765 met BM op het moment van de diagnose van de primaire tumor. De mediane overleving van deze patiënten met synchrone BMs was 2,9 maanden. De mediane overleving van de 7117 patiënten met metachrone BMs was 3,4 maanden. De mediane overleving van patiënten met BMs van alle primaire maligniteiten was ten hoogste 4 maanden, met uitzondering van BMs van ovariumcarcinoom (7,5 maanden). Patiënten met NSCLC en synchrone BMs hadden opvallend betere mediane overleving met EGFR-gerichte therapie (12,5 maanden) of ALK-gerichte therapie (20,1 maanden) dan overige NSCLC-patiënten met synchrone BMs (2,8 maanden). Onder patiënten met BMs van melanoom was de mediane overleving 6,7 maanden met BRAF/MEK-gerichte behandeling versus 2,8 maanden met andere behandeling. Factoren die in multivariate analyse significant (p<0,05) geassocieerd waren met slechtere overleving waren hogere leeftijd en meer comorbiditeit, terwijl vrouwelijk geslacht, hoger mediaan gezinsinkomen, en gebruik van brain-directed stereotactic radiation, neurochirurgische resectie of systemische therapie geassocieerd waren met betere overleving.

De onderzoekers concluderen dat oudere patiënten met hersenmetastasen slechtere prognose hebben dan wat wordt gesuggereerd door eerdere algoritmen.

1.Lamba N, Brigell Kearney T, Catalano PJ et al. Population-based estimates of survival among elderly patients with brain metastases. Neuro-Oncol 2020; epub ahead of print

Summary: Analysis of the SEER database found that elderly patients with breain metastases have a poorer prognosis than suggested by prior algorithms.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Lange-termijn overleving na eerstelijns chemotherapie met of zonder pembrolizumab voor gevorderd nsqNSCLC (0)
2020-10-18 15:00   ( Nieuws )
Tags:  KEYNOTE-021 cohort G advanced nonsquamous NSCLC pembrolizumab
Dr. Mark AwadCohort G van de fase 2-studie KEYNOTE-021 randomiseerde patiënten met niet-eerder behandeld gevorderd niet-squameus niet-kleincellig longcarcinoom voor de duur van ten hoogste twee jaar naar pemetrexed-carboplatine chemotherapie met (n=60) of zonder (n=63) pembrolizumab 200 mg iedere drie weken. In 2016 is gepubliceerd dat de ORR hoger was in de chemotherapie plus pembrolizumabgroep dan in de alleen-chemotherapiegroep (55% versus 29%; p=0,0016). Dr. Mark Awad (Dana-Farber Cancer Institute, Boston MA) en collega’s publiceren nu online in het Journal of Thoracic Oncology lange-termijn uitkomsten van de studie.1

De mediane follow-up ten tijde van de nu gepubliceerde analyse was 49,4 maanden. De ORR was 58% versus 33% in de groepen met respectievelijk zonder pembrolizumab. De mediane progressievrije overleving in de twee groepen was 24,5 versus 9,9 maanden (HR 0,54; 95%-bti 0,35-0,88) ongeacht de PD-L1 status van de tumoren. Ondanks 70% crossover bij progressie in de alleen-chemotherapiegroep naar anti-PD-L1 therapie was de mediane overall survival significant hoger in de pembrolizumab-chemotherapiegroep (34,5 maanden) dan in de alleen-chemotherapiegroep (21,1 maanden; HR 0,71; 95%-bti 0,45-1,12). Van de twaalf patiënten die twee jaar pembrolizumab-behandeling voltooiden waren er elf nog in leven op het moment van data cutoff, met 100% respons na drie jaar. Graad 3 tot en met 5 treatment-related adverse events werden gezien in 39% van de patiënten in de pembrolizumab-chemotherapiegroep versus 31% van de patiënten in de alleen-chemotherapiegroep.

De onderzoekers concluderen dat toevoegen van pembrolizumab aan eerstelijns pemetrexed-carboplatine chemotherapie resulteerde in significante verbetering van de uitkomsten van gevorderd nsqNSCLC, met duurzaam klinisch profijt in patiënten die twee jaar pembrolizumab voltooiden.

1.Awad MA, Gadgeel SM, Borghaei H et al. Long-term overall survival from KEYTNOTE-021 cohort G: pemetrexed and carboplatin with or without pembrolizumab as first-line therapy for advanced nonsquamous NSCLC. J Thor Oncol 2020; epub ahead of print

Summary: Long-term follow-up of the randomised phase 2 study KEYNOTE-021 cohort G found that in patients with untreated advanced nonsquamous NSCLC addition of pembrolizumab to pemetrexed-carboplatin chemotherapy resulted in improved response and survival, with durable clinical benefit in patients who completed 2 years of therapy.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie van ICI-behandeling voor maligniteiten met risico van tromboëmbolie (0)
2020-10-18 13:29   ( Nieuws )
Tags:  ICIs for cancer risk of VTE and ATE
Dr. Chihan AyEr is geen duidelijkheid over een mogelijke associatie van gebruik van immuuncheckpointremmers (ICIs) voor maligniteiten het het risico van veneuze en/of arteriële tromboëmbolie (VTE/ATE). Een retrospectieve cohortstudie van de Medische Universiteit van Wenen heeft deze associatie onderzocht. Dr. Chihan Ay en collega’s publiceren de studie in Blood.1

Tussen begin 2015 en eind 2018 werden in het ziekenhuis van de universiteit 672 patiënten met ICIs behandeld voor maligniteiten (onder wie 30,4% voor melanoom en 24,1% voor NSCLC; 86% voor stadium IV-ziekte). Gedurende mediaan 8,5 maanden follow-up werd VTE gezien in 47 patiënten en ATE in 9, overeenkomend met cumulatieve incidentie van 12,9% (95%-bti 8,2-18,5) voor VTE en 1,8% (95%-bti 0,7-3,6) voor ATE. Voorkomen van VTE was geassocieerd met verhoogde mortaliteit (transition hazard ratio 3,09; 95%-bti 2,07-4,60). Geschiedenis van VTE was geassocieerd met verhoogd VTE-risico (subdistribution hazard ratio 3,69; 95%-bti 2,00-6,81). Er was geen associatie van VTE met ECOG performance status of comorbiditeitenscores, en het VTE-risico verschilde niet significant tussen patiënten met verschillende tumortypen en ICI-typen.

De onderzoekers concluderen dat patiënten die ICIs kregen voor maligniteiten een hoog risico van tromboëmbolie hadden, vooral VTE, en dat voorkomen van VTE geassocieerd was met verhoogde mortaliteit.

1.Moik F, Chan W-SE, Wiedemann S et al. Incidence, risk factors and outcomes of venous and arterial thromboembolism in immune checkpoint inhibitor therapy. Blood 2020; epub ahead of print

Summary: A retrospective cohort study at the Medical University of Vienna (Austria) found that use of ICIs for cancer was associated with a high risk of thromboembolism, especially VTE (cumulative incidence 12.9% after 8.5 months).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)