Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Risico-gebaseerde behandelstrategie voor niet-rhabdomyosarcoom wekedelensarcoom in jongere patiënten (0)
2019-11-29 13:59   ( Nieuws )
Tags:  non-RMS soft tissue sarcoma in patients younger than 30 years risk-based treatment stratgy
Prof. Sheri SpuntTumorgraad, tumorgrootte, resectiemogelijkheid, en mate van de ziekte zijn van invloed op de uitkomst van pediatrisch niet-rhabdomyosarcoom wekedelensarcoom (NRSTS). Er is echter geen systeem beschikbaar voor risicostratificatie, en de standaard-behandeling is slecht gedefinieerd. De Children’s Oncology Group heeft een risico-gebaseerde behandelstrategie voor NRSTS ontwikkeld, en de waarde van deze strategie onderzocht in de prospectieve multicenterstudie ARST0332. Prof. Sheri Spunt (Stanford University, Palo Alto CA) en collega’s publiceren de studie online in The Lancet Oncology.1

ARST0332 werd uitgevoerd in 159 centra in drie landen. De studie includeerde patiënten in de leeftijd tot dertig jaar, met een Lansky of Karnofsky performance status van tenminste 50, en een nieuwe diagnose NRSTS. De patiënten werden onderscheiden in drie risicogroepen: laag-risico (niet-metastatische R0 of RI laaggradige of R1 hooggradige tumor 5 cm of kleiner), intermediair-risico (niet-metastatische R0 of R1 hooggradige tumor groter dan 5 cm, of niet-geresecteerde tumor van alle grootten of graden), of hoog-risico (metastatische tumor). De studie evalueerde vier behandelingen: alleen chirurgie, alleen radiotherapie (55,8 Gy), chemoradiotherapie, en neoadjuvante chemoradiotherapie gevolgd door chirurgie en radiotherapie-boost. De primaire uitkomsten waren gebeurtenisvrije overleving, overall survival, en patronen van behandelfalen.

De studie includeerde 529 evalueerbare patiënten. De laag-risicogroep telde 222 patiënten, die intermediair-risicogroep 227, en de hoog-risicogroep 80. De alleen-chirurgiegroep bestond uit 205 patiënten, die alleen-radiotherapiegroep uit 17, de chemoradiotherapiegroep uit 111, en de neoadjuvante chemoradiotherapiegroep uit 196. De mediane follow-up was 6,5 jaar (IQR 4,9-7,9). De vijf-jaars EFS en OS waren 88,9% en 96,2% in de laag-risicogroep; 65,0% en 79,2% in de intermediair-risicogroep; en 21,2% en 35,5% in de hoog-risicogroep. De risicogroep was voorspellend voor EFS en OS (p<0,0001). Er waren geen graad 5 adverse events; onverwachte graad 4 AEs werden gezien in negen patiënten (twee in de chemoradiotherapiegroep en zeven in de neoadjuvante chemoradiotherapiegroep).

De onderzoekers concluderen dat pre-treatment klinische kenmerken konden worden gebruikt voor het definiëren van het risico van behandelfalen en voor stratificatie van jonge NRSTS-patiënten naar risico-gebaseerde behandeling. De meeste laag-risico patiënten konden worden genezen zonder adjuvante therapie. De uitkomsten van intermediair- en hoog-risico patiënten waren suboptimaal.

1.Spunt SL, Million L, Chi Y-Y et al. A risk-based treatment strategy for non-rhabdomyosarcoma soft-tissue sarcomas in patients younger than 30 years (ARST0332): a Children’s Oncology Group prospective study. Lancet Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A prospective study by the Children’s Oncology Group found that pre-treatment clinical features can be used to effectively define treatment failure risk and to stratify young patients (30 years or younger) with non-rhabdomyosarcoma soft tissue sarcomas for risk-adapted therapy.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 2-studie van pembrolizumab voor refractair metastatisch castratieresistent prostaatcarcinoom (0)
2019-11-29 12:50   ( Nieuws )
Tags:  KEYNOTE-199 study refractory mCRPC pembrolizumab
Prof. Johann de BonoIn eerdere studies is antitumor-activiteit gezien van pembrolizumab voor PD-L1 positief metastatisch castratieresistent prostaatcarcinoom (mCRPC). De multinationale fase 2-studie KEYNOTE-199 heeft pembrolizumab-behandeling geëvalueerd in drie parallele cohorten van patiënten met eerder-behandeld mCRPC. Prof. Johann de Bono (Institute of Cancer Research, London UK) en collega’s publiceren de studie online in het Journal of Clinical Oncology.1

De studie includeerde patiënten die waren behandeld met docetaxel en één of meer gerichte endocriene therapieën. Cohort 1 telde 133 patiënten met RECIST-meetbaar PD-L1 positief mCRPC en cohort 2 telde 66 patiënten met RECIST-meetbaar PD-L1 negatief mCRPC. Cohort 3 bestond uit 59 patiënten met bot-predominante ziekte ongeacht PD-L1 expressie. Alle patiënten kregen ten hoogste 35 cycli pembrolizumab 200 mg iedere drie weken. Het primaire eindpunt was percentage patiënten met centraal-beoordeelde (RECIST v1.1) objectieve respons in cohorten 1 en 2.

De ORR was 5% (95%-bti 2-11) in cohort 1 en 3% (95%-bti <1-11) in cohort 2. De mediane duur van respons was niet bereikt (range 1,9 tot langer dan 21,8 maanden) in cohort 1 en 10,6 maanden (range 4,4-10,6) in cohort 2. Ziektecontrole werd gezien in 10% in cohort 1, 9% in cohort 2, en 22% in cohort 3. De mediane overall survival was 9,5 maanden in cohort 1; 7,9 maanden in cohort 2; en 14,1 maanden in cohort 3. Treatment-related adverse events werden gerapporteerd voor 60% van de patiënten, waren graad 3 tot en met 5 in 15%, en leidden tot discontinuering in 5%.

De onderzoekers concluderen dat pembrolizumab monotherapie antitumor-activiteit had in een subset van patiënten met RECIST-meetbaar en bot-predominant mCRPC na behandeling met docetaxel en gerichte endocriene therapie. De responsen leken duurzaam te zijn, en de OS was bemoedigend.

1.Antonarakis ES, Piulats JM, Gross-Goupil M et al. Pembrolizumab for treatment-refractory metastatic castration-resistant prostate cancer: multicohort, open-label, phase II KEYNTOE-199 study. J Clin Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: The multinational phase 2 study KEYNOTE-199 evaluated pembrolizumab monotherapy for refractory mCRPC previously treated with docetaxel and targeted endocrine therapy. The study found antitumor activity with acceptable safety in a subset of patients with RECIST-measurable and bone-predominant disease. The responses seemed to be durable, and the OS estimates were encouraging.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Lange-termijn uitkomsten van herhaalde hepatectomie versus percutane RFA voor recidiverend HCC (0)
2019-11-28 15:58   ( Nieuws )
Tags:  recurrent hepatocellular carcinoma repeat hepatectomy vs percutaneous radiofrequency ablation
Herhaalde hepatectomie (RH) en percutane radiofrequentie ablatie (PRFA) zijn de meest-gebruikte behandeling voor vroeg-stadium recidiverend levercelcarcinoom (RHCC) na initiële resectie. Studies van vergelijking van de werkzaamheid van deze beide behandelingen hebben tegenstrijdige resultaten opgeleverd. Een gerandomiseerde studie in China heeft de lange-termijn overleving vergeleken na RH versus PRFA voor voor vroeg-stadium RHCC. Prof. Feng Shen (Tweede Militaire Medische Universiteit, Shanghai) en collega’s publiceren de studie online in JAMA Oncology.1



De studie includeerde 216 mannen en 24 vrouwen (mediane leeftijd 53,0 jaar; range 24,0-59,0) met RHCC (met enkele nodule 5 cm of kleiner of ten hoogste drie nodules 3 cm of kleiner; geen macroscopische vasculaire invasie; geen afstandsmetastase). Ze werden 1:1 gerandomiseerd naar RH (n=120) of PRFA (n=120). De mediane follow-up was 44,3 maanden (range 4,3-96,0). Het primaire eindpunt was overall survival.

De één-jaars OS was 92,5% met RH versus 87,5% met PRFA; de drie-jaar OS was 65,8% met RH versus 52,5% met PRFA; en de vijf-jaars OS was 43,6% met RH versus 38,5% met PRFA (p=0,17). De één-jaars repeat recurrence-free survival (rRFS) was 85,0% met RH versus 74,2% met PRFA; de drie-jaars rRFS was 52,4% met RH versus 41,7% met PRFA; en de vijf-jaars rRFS was 36,2% met RH versus 30,2% met PRFA (p=0,09). In subgroepanalyses was PRFA geassocieerd met slechtere OS dan RH in de groep patiënten met RHCC-nodule groter dan 3 cm (HR 1,72; 95%-bti 1,05-2,84) of α-fetoprotein niveau hoger dan 200 ng/ml (HR 1,85; 95%-bti 1,15-2,96). Chirurgie was geassocieerd met hoger percentage complicaties dan ablatie (22,4% versus 7,3%; p<0,001).

De onderzoekers concluderen dat de studie geen statistisch significant verschil in OS heeft laten zien na RH versus PRFA voor vroeg-stadium RHCC. In patiënten met grote nodules of hoog AFP-niveau was RH geassocieerd met betere OS dan PRFA.

1.Xia Y, Li J, Liu G et al. Long-term effects of repeat hepatectomy vs percutaneous radiofrequency ablation among patients with recurrent hepatocellular carcinoma. A randomized clinical trial. JAMA Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A randomized study in China compared repeat hepatectomy versus percutaneous radiofrequency ablation for early-stage recurrent hepatocellular carcinoma. The study found no significant difference in survival outcomes between the two arms. Repeat hepatectomy was associated with better local control and long-term survival in patients with an RHCC diameter greater than 3 cm or an AFP level greater than 200 ng/ml.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 2-studie van gemcitabine-trastuzumab-pertuzumab na pertuzumab-gebaseerde therapie voor HER2-positief MBC (0)
2019-11-28 15:02   ( Nieuws )
Tags:  HER2-positive MBC gemcitabine-trastuzumab-pertuzumab after pertuzumab-based therapy
Dr. Neil IyengarDe combinatie van taxaan met trastuzumab en pertuzumab als initiële behandeling voor HER2-positief metastatisch mammacarcinoom (MBC) is geassocieerd met verbetering van de progressievrije overleving en overall survival. Na ziekteprogressie is voortzetting van trastuzumab in therapeutische combinaties algemeen geaccepteerd. De werkzaamheid van voortzetting van pertuzumab is onbekend. Een fase 2-studie van Memorial Sloan Kettering Cancer Center heeft de waarde onderzocht van de combinatie van gemcitabine plus trastuzumab en pertuzumab voor HER2-positief MBC na progressie op pertuzumab-gebaseerde therapie. Dr. Neil Iyengar en collega’s publiceren de studie studie online in JAMA Network Open.1

De studie includeerde 45 patiënten (mediane leeftijd 57,1 jaar; range 31,7-77,2) onder wie 22 in tweede lijn en 23 in derde of vierde lijn werden behandeld. Alle patiënten hadden eerder pertuzumab-gebaseerde therapie gekregen, en 22 patiënten hadden eerder trastuzumab-emtansine gekregen. De patiënten kregen drie-weekse cycli van gemcitabine 1200 mg/m2 (later gewijzigd in 1000 mg/m2) op dagen één en acht, trastuzumab 8 mg/kg loading dose gevolgd door 6 mg/kg iedere drie weken, en pertuzumab 840 mg loading dose gevolgd door 420 mg iedere drie weken. Het primaire eindpunt was PFS, met drie-maands PFS 70% als criterium voor veelbelovende werkzaamheid van de behandeling.

Onder de 44 voor respons evalueerbare patiënten was er één patiënt met complete respons, negen patiënten met partiële respons, en 23 patiënten met stabiele ziekte. De mediane follow-up was 27,6 maanden (range 8,3-36,0). De drie-maands PFS was 73,3% (95%-bti 61,5-87,5), waarmee voldaan werd aan het criterium voor veelbelovende werkzaamheid. De mediane PFS was 5,5 maanden (95%-bti 5,4-8,2). De drie-maands OS was 100% en de mediane OS werd niet bereikt. De behandeling werd goed verdragen, zonder gevallen van febriele neutropenie of symptomatische linkerventrikeldysfunctie.

De onderzoekers concluderen dat gemcitabine-trastuzumab-pertuzumab na eerdere pertuzumab-gebaseerde behandeling voor HER2-positief MBC geassocieerd was met 3-maands PFS van 73,3% en goed verdragen werd. Voortzetting van pertuzumab na progressie was geassocieerd met klinisch profijt.

1.Iyengar NM, Smyth LM, Lake D et al. Efficacy and safety of gemcitabine with trastuzumab and pertuzumab after prior pertuzumab-based therapy among patients with human epidermal growth factor receptor 2-positive metastatic breast cancer. A phase 2 clinical trial. JAMA Network Open 2019;2:e1916211

Summary: A phase 2 study at Memorial Sloan Kettering Cancer Center (New York) found that treatment with gemcitabine, trastuzumab, and pertuzumab after prior pertuzumab-based therapy for HER2-positive metastatic breast cancer was associated with a 3-month PFS rate of 73.3% and was well tolerated. Continuation of pertuzumab beyond progression was associated with apparent clinical benefit.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Impact van proton- versus foton-radiotherapie voor pediatrisch medulloblastoom op intelligentie-uitkomsten (0)
2019-11-28 14:00   ( Nieuws )
Tags:  pediatric medulloblastoma proton versus photon radiotherapy intellectual outcomes
Dr. Lisa KahalleyCraniële radiotherapie voor pediatrische hersentumoren is geassocieerd met verhoogd risico van ongunstige neuropsychologische uitkomsten. Het is denkbaar dat gebruik van proton-radiotherapie (PRT) in plaats van foton-radiotherapie (XRT) geassocieerd is met minder sterke verhoging van het risico. Een multicenterstudie in de Verenigde Staten heeft veranderingen in intelligentie-scores in de loop van de tijd na PRT versus XRT voor pediatrisch medulloblastoom. Dr. Lisa Kahalley (Baylor College of Medicine, Houston TX) en collega’s publiceren de studie online in het Journal of Clinical Oncology.1

De studie includeerde 79 patiënten die tussen begin 2007 en eind 2018 werden behandeld voor medulloblastoom, volgens hetzelfde protocol dat alleen verschilde in de RT-modaliteit (37 patiënten PRT en 42 patiënten XRT). De groepen verschilden niet significant voor geslacht (67,1% jongens), leeftijd (gemiddeld 8,6 jaar), craniospinale stralingdosering (mediaan 23,4 Gy), duur van follow-up (gemiddeld 4,3 jaar), en opleidingsduur van de ouders (gemiddeld 14,3 jaar). Na correctie voor covariaten had de PRT-groep vergeleken met de XRT-groep superieure uitkomsten voor algemeen intelligentiequotiënt, perceptueel redeneren, en werkgeheugen (p<0,05 voor alle vergelijkingen). In de XRT-groep namen tijdens de follow-up de scores voor global IQ, werkgeheugen en processing speed significant af (alle p<0,05), terwijl in de PRT-groep alle scores stabiel bleven met uitzondering van de score voor processing speed.

De onderzoekers concluderen dat PRT vergeleken met XRT voor pediatrisch medulloblastoom resulteerde in betere lange-termijn intellectuele ontwikkeling.

1.Kahalley LS, Peterson R, Ris MD et al. Superior intellectual outcomes after proton radiotherapy compared with photon radiotherapy for pediatrc medulloblastoma. J Clin Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A multicenter study in the USA compared intellectual outcome trajectories after proton radiotherapy versus photon radiotherapy for pediatric medulloblastoma. Children in the PRT group compared to the XRT group had superior long-term outcomes in global intelligence quotient, perceptual reasoning, and working memory.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Aanvullende MRI-screening voor vrouwen met extreem dicht borstweefsel (0)
2019-11-28 10:30   ( Nieuws )
Tags:  breast cancer dense breast tissue supplemental MRI
Dr. Marije BakkerExtreem dicht borstweefsel is een risicofactor voor het ontwikkelen van mammacarcinoom, en het beperkt de detectie van mammacarcinoom met mammografie. De Nederlandse multicenterstudie DENSE (een soort van acroniem voor ‘dense tissue and early breast neoplasm screening’) onderzocht de waarde van aanvullende MRI-screening voor vrouwen met extreem dicht borstweefsel. Dr. Marije Bakker (UMC Utrecht) en collega’s publiceren de studie vandaag in The New England Journal of Medicine.1

De studie includeerde 40.373 vrouwen in de leeftijd van 50 tot en met 75 jaar met extreem dicht borstweefsel en normale resultaten van screening-mammografie. De vrouwen werden 1:4 gerandomiseerd naar een groep die werd uitgenodigd voor aanvullende MRI-screening (n=8061) of een groep die alleen mammografiescreening onderging. Het primaire eindpunt was het verschil tussen beide groepen in de incidentie van intervalcarcinomen in de twee jaar na de screening. Deze incidentie bedroeg 2,5 per 1000 screenings in de MRI-invitatiegroep versus 5,0 per 1000 screenings in de alleen-mammografiegroep (p<0,001).

Onder de vrouwen die werden uitgenodigd voor MRI-screening accepteerde 59% de uitnodiging. Van de 20 intervalcarcinomen in de MRI-screening groep werden er 4 gezien in de vrouwen die werkelijk MRI ondergingen (0,8 per 1000 screenings) en 16 in vrouwen die geen MRI ondergingen (4,9 per 1000 screenings). De MRI cancer detection rate onder de vrouwen die inderdaad MRI ondergingen was 16,5 per 1000 screenings, met een false positive rate van 79,8 per 1000 screenings. Onder de vrouwen die MRI ondergingen had 0,1% een adverse event of serious adverse event tijdens of onmiddellijk na de screening.

De onderzoekers concluderen dat aanvullende MRI-screening voor vrouwen met extreem dicht borstweefsel resulteerde in significante verlaging van diagnose van intervalcarcinomen tijdens twee jaar follow-up. Deze quick take video vat de studie samen.

1.Bakker MF, de Lange SV, Pijnappel RM et al. Supplemental MRI screening for women with extremely dense breast tissue. N Engl J Med 2019;381:2091-2102

Summary: The multicenter DENSE study in the Netherlands randomized women with extremely dense breast tissue and normal results on earlier mammography to a group that was invited to undergo supplemental MRI or a group that received mammography only. The two-year interval breast cancer rate was 2.5 per 1000 screenings in the MRI-invitation group versus 5.0 per 1000 screenings in the mammography-only group (p<0.001).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Overlevingsimpact van leeftijd bij diagnose de novo metastatisch prostaatcarcinoom (0)
2019-11-27 16:00   ( Nieuws )
Tags:  metastatic prostate cancer impact of age at diagnosis on survival
Dr. Srikala SridharStudies hebben laten zien dat oudere leeftijd bij de diagnose prostaatcarcinoom geassocieerd was met slechtere prostaatcarcinoom-specifieke overleving (PCSS). Deze studies zijn echter uitgevoerd voorafgaand aan de goedkeuring van moderne levensverlengende therapieën. Een analyse van de SEER-database heeft onderzocht wat de overlevingsimpact van leeftijd bij de diagnose de novo metastatisch prostaatcarcinoom (mPCa) is in een contemporair cohort. Dr. Srikala Sridhar (Princess Margaret Cancer Centre, Toronto) en collega’s publiceren de analyse online in Cancer.1




De onderzoekers identificeerden in de SEER-database mannen met een diagnose de novo mPCa tussen begin 2004 en eind 2014, en onderscheidden deze patiënten in vier leeftijdsgroepen: jonger dan 55 jaar, 55 tot 65 jaar, 65 tot 75 jaar, en 75 jaar en ouder. Vergeleken met mannen uit de jongste groep was voor mannen uit de oudste groep de gemiddelde PCSS 6,7 maanden korter (95%-bti 5,5-7,8 maanden). In multivariate analyse was de vijf-jaars prostaatcarcinoom-specifieke mortaliteit in de oudste groep 49% hoger (95%-bti 1,39-1,60) dan in de jongste groep. De subdistributie-HR voor PCSM tussen deze beide groepen was 1,41 (95%-bti 1,32-1,50).

De onderzoekers concluderen dat ook in de huidige tijd, ondanks de beschikbaarheid van moderne behandelingen, hogere leeftijd een onafhankelijke voorspeller was van kortere PCSS in mannen met de novo mPCa.

1.Bernard B, Burnett C, Sweeney CJ et al. Impact of age at diagnosis of de novo metastatic prostate cancer on survival. Cancer 2019; epub ahead of print

Summary: An analysis of the SEER database found that even in the era of many life-prolonging therapies older age was an independent predictor of shorter prostate cancer –specific survival in men diagnosed with de novo metastatic prostate cancer.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Spectrum en klinische relevantie van PALB2-kiemlijnmutaties in in BRCA1/2-negatieve Chinese mammacarcinoompatiënten (0)
2019-11-27 14:59   ( Nieuws )
Tags:  BRCA1 2-negative Chinese breast cancer patients PALB2 germline mutations
Kiemlijnmutaties in Partner And Localizer of BRCA2 (PALB2) zijn geassocieerd met verhoogd risico van mammacarcinoom. Een studie in China heeft prevalentie en klinische relevantie van PALB2-kiemlijnmutaties onderzocht in een groot cohort van mammacarcinoompatiënten zonder BRCA1/2-mutaties. Prof. Yuntao Xie (Peking University, Beijing) en collega’s publiceren de studie online in Breast Cancer Research and Treatment.1

De onderzoekers voerden multigen panel-testen uit van exons en intron-exon boundaries van het PALB2-gen in een cohort van 7657 BRCA1/2-negatieve patiënten. Ze detecteerden pathogene PALB2-kiemlijnmutaties in 54 patiënten (0,71%). De patiënten hadden 42 onderscheiden pathogene mutaties. Vergeleken met niet-draagsters van de PALB2-mutaties waren de draagsters jonger bij de diagnose (gemiddeld 47,52 versus 51,35 jaar; p=0,016) en hadden ze een hogere waarschijnlijkheid van het ontwikkelen van triple-negatieve (24,1% versus 13,4%; p=0,022) of HER2-negatieve (87,0% versus 74,2%; p=0,031) ziekte. PALB2-mutatiedraagsters hadden bij diagnose grotere tumoren (72,2% versus 57,0% groter dan 2 cm; p=0,024). De PALB2-mutatiedraagsters hadden hogere waarschijnlijkheid van familiegeschiedenis van mamma- en/of ovariumcarcinoom (27,8% versus 8,4%; p<0,001) en van familiegeschiedenis van andere maligniteiten (57,4% versus 31,6%; p<0,001).

De onderzoekers concluderen dat PALB2-kiemlijnmutaties werden gezien in 0,71% van de Chinese BRCA1/2-negatieve mammacarcinoompatiënten, en meer frequent waren in patiënten met triple-negatieve ziekte en familiegeschiedenis van mamma- en/of ovariumcarcinoom.

1.Wu Y, Ouang T, Li J et al. Spectrum and clinical relevance of PALB2 germline mutations in 7657 Chinese BRCA1/2-negative breast cancer patients. Breast Cancer Res Treat 2019; epub ahead of print

Summary: A study in China investigated the prevalence and clinical relevance of PALB2 germline mutations in BRCA1/2-negative breast cancer patients. The prevalence of the mutations was 0.71%. They were more frequent in patients with triple-negative breast cancer and with family histories of breast and/or ovarian cancer.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)