Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Veiligheid van rechallenge met anti-PD-1/-L1 na immuun-gerelateerde adverse events (0)
2019-06-07 13:59   ( Nieuws )
Tags:  readministration of anti-PD-1 or anti-PD-L1 after irAE
Prof. Olivier LambotteBehandeling met immuuncheckpointremmers (ICIs) is in meerdere typen maligniteiten werkzaam gebleken, maar de behandeling is ook geassocieerd met een verhoogd risico van immuun-gerelateerd bijwerkingen (irAEs). Een studie in Frankrijk heeft de veiligheid onderzocht van rechallenge met anti-PD-1 of anti-PD-L1 na een irAE. Prof. Olivier Lambotte (Academisch Ziekenhuis Bicêtre, Parijs) en collega’s publiceren de studie online in JAMA Oncology.1

De studie includeerde 93 patiënten (52% vrouwen, mediane leeftijd 62,5 jaar) die anti-PD-1/PD-L1 gekregen hadden voor melanoom (33%), longmaligniteit (16%), colorectaalcarcinoom (9%), lymfoom, en andere maligniteiten, en graad 2 (46%), graad 3 (39%), of graad 4 (15%) irAEs hadden gekregen, vooral in de vorm van hepatitis (18%), huidtoxiciteit, pneumonitis (14%), colitits (12%), of artralgie (7,5%). Veertig patiënten (43%) kregen rechallenge met dezelfde ICI die ze eerder hadden gekregen; de overige patiënten kregen geen immuuntherapie. Deze beide groepen verschilden niet significant van elkaar in termen van leeftijd, tijd tot eerste irAE, ernst van irAE, of gebruik van steroïden voor irAE. Tijdens mediaan 14 maanden follow-up werd opnieuw irAE gezien in 55% van de patiënten die rechallenge hadden gekregen (niet specifiek hetzelfde type irAE). Tweede irAEs waren niet ernstiger dan eerste irAEs.

De onderzoekers concluderen dat de veiligheid van rechallenge met anti-PD-1 of anti-PD-L1 middelen na een irAE acceptabel is, hoewel de patiënten nauwlettend gemonitord dienen te worden.

1.Simonaggio A, Michot JM, Voisin AL et al. Evaluation of readministration of immune checkpoint inhibitors after immune-related adverse events in patients with cancer. JAMA Oncology 2019; epub ahead of print

Summary: A study in France investigated the incidence of a second immune-related adverse event (irAE) in cancer patients who were rechallenged with an anti-PD-1 or anti-PD-L1 inhibitor after an initial grade 2 or higher irAE. The authors conclude that the risk-reward ratio of rechallenge was acceptable, although these patients require close monitoring.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multinationale evaluatie van bruikbaarheid van AJCC Cancer Staging Manual voor conjunctiva-melanoom (0)
2019-06-07 12:58   ( Nieuws )
Tags:  AJCC CSM-8 conjunctival melanoma
In 2016 publiceerde de Ophthalmic Oncology Task Force van het American Joint Committee on Cancer Staging de achtste editie van het conjunctival melanoma staging system manual. De taakgroep heeft nu de bruikbaarheid van het manual voor het schatten van het risico van metastase en mortaliteit onderzocht in een multinationale patiëntenserie. Prof. Paul Finger (The New York Eye Cancer Center) en collega’s publiceren de studie online in JAMA Ophthalmology.1

De studie is gebaseerd op gepoolde gegevens van patiënten van tien centra in negen landen op vier continenten. De patiëntenserie bestond uit 288 patiënten met een diagnose conjunctiva-melanoom tussen begin 2001 tot eind 2013. De gemiddelde leeftijd van de patiënten was 59,7 ± 16,8 jaar; 51% van de patiënten waren mannen. Bij presentatie had 75,7% van de patiënten een als cT1 beoordeelde tumor; 11,8% cT2; 5,2% cT3; en 7,3% cTx. Er waren geen T4-tumoren. Pathologische T-categorieën waren pTis in 14,9%; pT1 in 58,7%; pT2 in 11,5%; pT3 in 4,2%; en pTx in 10,8%. Bij presentatie werd metastase gezien in 1,7%.

Tijdens de follow-up werd metastase gezien in 8,5% van de patiënten na mediaan 4,3 jaar en overleden 10,1% van de patiënten aan melanoom na mediaan 5,3 jaar. De cumulatieve mortaliteit onder patiënten met cT1-tumoren was 0% na één jaar; 2,5% na vijf jaar; en 15,2% na tien jaar. Onder patiënten met cT2-tumoren was de cumulatieve één-, vijf- en tien-jaars mortaliteit 0%, 28,6% en 43,6%. Onder patiënten met cT3-tumoren was de cumulatieve mortaliteit 21,1% na één jaar en 31,6% na vijf jaar. Patiënten met bij presentatie cT2- en cT3-tumoren hadden significant hogere cumulatieve mortaliteit dan patiënten met cT1-tumoren (p<0,001).

De onderzoekers concluderen dat de studie heeft aangetoond dat het AJCC-CSM 8 stadiëringssysteem van conjuctiva-melanoom kan worden gebruikt voor accurate schatting van het risico van metastase en mortaliteit.

1.Jain P, Finger PT, Damato B et al. Multicenter, international assessment of the eighth edition of the American Joint Committee on Cancer Cancer Staging Manual for conjunctival melanoma. JAMA Ophthalmol 2019; epub ahead of print

Summary: A study of patients of ten ophthalmic oncology centers from nine countries on four continents yielded evidence that the conjunctival melanoma staging system in the eighth edition of the AJCC Cancer Staging Manual can be used to accurately estimate metastasis and mortality rates.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie tussen sarcopenie en mortaliteit in patiënten die chirurgie ondergaan voor hoofd-hals maligniteiten (0)
2019-06-07 11:58   ( Nieuws )
Tags:  surgery for head and neck cancer sarcopenia mortality
Dr. Daniel ClayburghIn een groot aantal patiëntengroepen is associatie gezien van sarcopenie met slechte uitkomsten van chirurgie. Of deze associatie ook bestaat in patiënten die chirurgie ondergaan voor maligniteiten van hoofd en hals (HNC) was nog niet bekend. Een studie van Oregon Health and Science University (Portland) heeft de associatie tussen sarcopenie en lange-termijn overleving onderzocht in een cohort van patiënten die majeure chirurgie ondergingen voor HNC. Dr. Daniel Clayburgh  en collega’s publiceren de studie online in JAMA Otolaryngology-Head & Neck Surgery.1

De onderzoekers voerden een retrospectief review uit van medische dossiers van 260 patiënten (74,2% mannen; gemiddelde leeftijd 61,1 ± 11 jaar) die tussen begin 2005 en eind 2016 in Portland HNC-chirurgie hadden ondergaan. Sarcopenie (bepaald met PET-CT in de skeletspier van de L3-wervel) werd gedefinieerd als lager dan 52,4 cm2/m2 voor mannen en 38,5 cm2/m2 voor vrouwen. Volgens deze definitie hadden 144 van de patiënten sarcopenie (55,4%). De twee-jaars overall survival was 71,9% onder de patiënten met sarcopenie versus 88,5% onder de patiënten zonder sarcopenie (OR 0,33; 95%-bti 0,16-0,70). De vijf-jaars OS was 36,5% onder de patiënten met sarcopenie versus 60,5% onder de patiënten zonder sarcopenie (OR 0,38; 95%-bti 0,17-0,84).

De onderzoekers concluderen dat sarcopenie een significante negatieve voorspeller was van OS in patiënten die majeure chirurgie voor HNC ondergingen.

1.Stone L, Olson B, Mowery A et al. Association between sarcopenia and mortality in patients undergoing surgical excision of head and neck cancer. JAMA Otolaryngol Head Neck Surg 2019; epub ahead of print

Summary: A retrospective analysis at Oregon Health and Science University (Portland) found that sarcopenia was a significant negative predictor of long-term overall survival in patients undergoing major head and neck surgery for head and neck cancer.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Loopsnelheid, grijpkracht, en klinische uitkomsten van hematologische maligniteiten in oudere patiënten (0)
2019-06-06 14:58   ( Nieuws )
Tags:  hematologic malignancies in older patients gait speed grip strength
Dr. Jane DriverLoopsnelheid en grijpkracht van oudere personen zijn eenvoudig te bepalen markers van fragiliteit. Een prospectieve studie van Dana-Farber Cancer Institute (Boston MA) heeft onderzocht of loopsnelheid en grijpkracht bruikbare voorspellers zijn van klinische uitkomsten in oudere patiënten met hematologische maligniteiten. Dr. Jane Driver en collega’s publiceren de studie online in Blood.1

De studie includeerde 448 patiënten in de leeftijd van 75 jaar of ouder bij een eerste consult in de Dana-Farber klinieken voor MDS/leukemie, myeloom, en lymfoom. De mediane leeftijd was 79,7 ± 4,0 jaar. De patiënten ondergingen een loopsnelheid- en grijpkracht-test, en werden gevolgd voor overleving en niet-geplande hospitalisaties of gebruik van spoedeisende hulp. Na correctie voor leeftijd, geslacht, Charlson comorbiteitenindex, cognitie, behandelingsintensiteit, en agressie van de maligniteit was elke afname van de loopsnelheid met 0,1 m/s (over een afstand van 4 meter) geassocieerd met hogere mortaliteit (HR 1,22; 95%-bti 1,15-1,30), risico van niet-geplande hospitalisatie (OR 1,33; 95%-bti 1,16-1,51), en ED-visits (OR 1,34; 95%-bti 1,17-1,53). Deze associaties bleven significant onder patiënten met goede ECOG performance score (0 of 1). Elke afname van grijpkracht met 5 kg was geassocieerd met slechtere overleving (HR 1,24; 95%-bti 1,07-1,43) maar niet met hospitalisaties of SEH-gebruik.

De onderzoekers concluderen dat loopsnelheid een eenvoudig beschikbaar vitaal teken is dat accuraat fragiliteit identificeert en onafhankelijk van perfomance status uitkomsten voorspelt van hematologische maligniteiten in oudere patienten.

1.Liu MA, DuMontier C, Murillo A et al. Gait speed, grip strength, and clinical outcomes in older patients with hematologic malignancies. Blood 2019; epub ahead of print

Summary: A prospective study at Dana-Farber Cancer Institute (Boston) found that among older patients with hematologic malignancies gait speed predicted outcomes independent of performance status. Every 0.1 m/s decrease in gait speed over a distance of 4 meters (about 13 feet) was associated with 22% higher mortality. Decrease in grip strength also was associatied with worse survival.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

IMRT naar alleen prostaat versus prostaat plus pelvische lymfeklieren: behandelings-gerelateerde toxiciteit (0)
2019-06-06 14:00   ( Nieuws )
Tags:  prostate cancer PO-IMRT versus PPLN-IMRT treatment-related toxicity
Prof. Matthew ParryEr is geen consensus over de werkzaamheid en toxiciteit van radiotherapie naar de pelvische lymfeklieren in mannen met hoog-risico prostaatcarcinoom. Een bevolkings-gebaseerde studie in Engeland heeft de toxiciteit van IMRT naar alleen de prostaat (PO-IMRT) vergeleken met die van IMRT naar prostaat en pelvische lymfeklieren (PPLN-IMRT). Prof. Matthew Parry (Royal College of Surgeons of England, Londen) en collega’s publiceren de studie online in het Journal of Clinical Oncology.1

De onderzoekers identificeerden in verschillende databases patiënten die tussen begin 2010 en eind 2013 in Engelse ziekenhuizen IMRT ondergingen voor hoog-risico gelokaliseerd of lokaal-gevorderd prostaatcarcinoom. Er waren 780 patiënten in de PPLN-IMRT groep en 3065 in de PO-IMRT groep. Follow-up gegevens waren beschikbaar tot eind 2015. De drie-jaars cumulatieve incidentie van GI-toxiciteit was 14% in beide groepen, en van GU-toxiciteit in 9% van de PPLN-IMRT groep versus 8% in de PO-IMRT groep. In voor patiënt- en tumorkenmerken gecorrigeerde analyse was het risico van ernstige GI-toxiteit in beide groepen gelijk (subdistributie HR 1,00; p=0,97); dit was ook het geval voor het risico van ernstige GU-toxiciteit (sHR 1,10; p=0,50).

De onderzoekers concluderen dat includeren van PLNs in het stralingsveld voor hoog-risico gelokaliseerd of lokaal-gevorderd prostaatcarcinoom niet geassocieerd was met verhoogde GI- of GU-toxiciteit in de eerste drie jaar na de behandeling. Additionele follow-up is vereist voor het beantwoorden van vragen over toxiciteit op langere termijn.

1.Parry MG, Sujenthiran A, Cowling TE et al. Treatment-related toxicity using prostate-only versus prostate and pelvic lymph node intensity-modulated radiation therapy: a national population-based study. J Clin Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A population-based study in England compared toxicity of IMRT to the prostate only versus IMRT to prostate and pelvic lymph nodes for high-risk localized or locally advanced prostate cancer. The study found that including PLNs in radiation fields was not associated with increased GI or GU toxicity at three years. Additional follow-up is required to answer questions about its impact on late GU toxicity.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Herstarten van immuuncheckpointremmer-therapie na immuun-gemedieerde diarree en colitis (0)
2019-06-06 12:58   ( Nieuws )
Tags:  immune-mediated diarrhea and colitis resumption of immune checkpoint inhibitor therapy
Dr. Yinghong WangImmuuncheckpointremmer (ICI)-therapie voor maligniteiten moet vaak worden onderbroken vanwege immuun-gemedieerde diarree en colitis (IMDC). Een retrospectieve multicenterstudie in de Verenigde Staten heeft de incidentie van en risicofactoren voor IMDC-recidief na herstarten van wegens IMDC onderbroken ICI-therapie. Dr. Yinghong Wang (MD Anderson Cancer Center, Houston TX) en collega’s publiceren de studie online in het Journal of Clinical Oncology.1

De analyse includeerde 167 patiënten die van januari 2010 tot en met november 2018 ICI-therapie herstartten na onderbreking wegens IMDC. De mediane leeftijd was 60 jaar (IQR 50-69). De mediane duur van IMDC tot herstarten van de therapie was 49 dagen (IQR 23-136). Er waren 32 patiënten die anti-CTLA4 therapie herstartten en 135 die anti-PD1/L1 therapie herstartten. IMDC-recidief werd gezien in 57 patiënten (34%) overall, 44% van de anti-CTLA4 groep en 32% van de anti-PD1/L1 groep. Al deze patiënten discontinueerden de ICI-behandeling, en 47 patiënten (82%) hadden immuunsuppressie nodig voor recidiverend IMDC. De mediane duur van ICI-herstart tot IMDC-recidief was 53 dagen (IQR 22-138). In multivariate analyse hadden patiënten met anti-PD1/L1 bij eerste IMDC een hoger risico van IMDC-recidief dan patiënten met anti-CTLA4 (OR 3,45;p=0,002). Het risico van IMDC-recidief was ook verhoogd in patiënten die immuunsuppessie nodig hadden gehad voor eerste IMDC (versus geen immuunsuppressie: OR 3,22; p=0,019) of langere duur van de IMDC-symptomen hadden bij eerste IMDC. Risico van IMDC-recidief was lager na herstarten van anti-PD1/L1 dan na herstarten van anti-CTLA4 (OR 0,30; p=0,19).

De onderzoekers concluderen dat na onderbreken van ICI-therapie wegens IMDC in een op de drie patiënten die de behandeling herstartten opnieuw IMDC werd gezien; minder frequent na herstarten van anti-PD1/L1 dan na herstarten van anti-CTLA4.

1.Abu-Sbeih H, Ali FS, Naqash AR et al. Resumption of immune checkpoint inhibitor therapy after immune-mediated colitis. J Clin Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A retrospective multicenter study in the USA found that one third of patients who resumed ICI treatment after immune-mediated diarrhea and colitis experienced recurrent IMDC. Recurrence of IMDC was less frequent after resumption of anti-PD-1/L1 than after resumption of anti-CTLA-4.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multinationale fase 3-studie van quizartinib versus salvage chemotherapie voor FLT3-ITD-positief AML (0)
2019-06-06 11:58   ( Nieuws )
Tags:  QuANTUM-R study FLT3-ITD positive AML quizartinib
Patiënten met recidiverend of refractair FLT3-ITD positief AML hebben vergeleken bij patiënten met FLT3-wildtype ziekte een hogere frequentie van relapse, slechtere respons op salvage therapie, en kortere overall survival. De multinationale fase 3-studie QuANTUM-R onderzocht de waarde van de orale sterke en selectieve type II FLT3-remmer quizartinib voor deze patiëntengroep met slechte prognose. Prof. Jorge Cortes (MD Anderson Cancer Center, Houston TX) en collega’s publiceren de studie online in The Lancet Oncology.1

QuANTUM-R werd uitgevoerd in 152 centra in negentien landen. De studie includeerde 367 volwassen patiënten met ECOG performance status 0, 1 of 2 en recidiverend of refractair FLT3-ITD positief AML na standaard-therapie met of zonder allogene stamceltransplantatie. De patiënten werden 2:1 gerandomiseerd naar oraal quizartinib 60 mg eenmaal daags (n=241) of investigator’s choice van vooraf geselecteerde salvage chemotherapie (n=94). Na eventuele stamceltransplantatie in de quizartinib-groep kon quizartinib worden voortgezet. Het primaire eindpunt van de studie was overall survival.

De mediane follow-up was 23,5 maanden (IQR 15,4-32,3). De mediane OS was 6,2 maanden in de quizartinibgroep versus 4,7 maanden in de chemotherapiegroep (HR 0,76; p=0,02). Tachtig patiënten (33%) in de quizartinibgroep versus zestien (17%) in de chemotherapiegroep overleden, onder wie eenendertig (33%) respectievelijk negen (10%) aan adverse events. De meest-frequente AEs met quizartinib waren febriele neutropenie, sepsis, pneumonie, en QT-verlenging.

De onderzoekers concluderen dat quizartinib vergeleken met salvage chemotherapie resulteerde in overlevingsvoordeel in deze patiëntengroep met slechte prognose. Het veiligheidsprofiel was manageable.

1.Cortes JE, Khaled S, Martinelli G et al. Quizartinib versus salvage chemotherapy in relapsed or refractory FLT3-ITD acute myeloid leukaemia (QuANTUM-R): a multicentre, randomised, controlled, open-label, phase 3 trial. Lancet Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: The multinational phase 3 study QuANTUM-R compared the FLT3 inhibitor quizartinib versus salvage chemotherapy for relapsed or refractory AML with FLT3 internal tandem duplication. The study found a survival benefit in the quizartinib group (median OS 6.2 versus 4.7 months; HR 0.76; p=0.02) with a manageable safety profile.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Klinisch en genomisch risico voor geleiden van gebruik van adjuvante therapie voor mammacarcinoom (0)
2019-06-05 15:00   ( Nieuws )
Tags:  TAILORx analysis early-stage breast cancer adjuvant therapy clinical and genomic risk
Prof. Joseph SparanoGebruik van adjuvante chemotherapie voor mammacarcinoom kan plaatsvinden op geleide van klinisch-pathologische factoren en de recurrence score (RS) op basis van de 21-gene assay om het risico van recidief te bepalen. Een analyse van een secundair eindpunt van de TAILORx studie heeft onderzocht of klinisch risico (laag of hoog op basis van tumorgrootte en histologische graad) prognostische informatie toevoegt aan de RS. Prof. Joseph Sparano (Albert Einstein College of Medicine, New York) en collega’s publiceren de analyse online in The New England Journal of Medicine.1

De analyse includeerde 9427 vrouwen met HR-positief HER2-negatief kliernegatief mammacarcinoom met bekende RS en bekend klinisch risico. Onder vrouwen met intermediaire RS (11 tot en met 25) was het klinisch risico prognostisch voor afstandsrecidief in vrouwen die waren gerandomiseerd naar alleen endocriene therapie (hoog versus laag klinisch risico: HR 2,73; 95%-bti 1,93-3,87) en in vrouwen die waren gerandomiseerd naar endocriene therapie plus chemotherapie (HR 2,41; 95%-bti 1,66-3,48). Het klinisch risico was ook prognostisch voor afstandsrecidief in vrouwen met een hoge RS (26 of hoger) die allen waren behandeld met endocriene therapie plus chemotherapie (hoog versus laag klinisch risico: HR 3,17; 95%-bti 1,94-5,19). Onder vrouwen die vijftig jaar of jonger waren en alleen endocriene therapie hadden gekregen was in geval van RS 10 of lager het negen-jaars risico van afstandsrecidief gering, en had het klinisch risiconiveau geen impact op risico van afstandsrecidief. In deze leeftijdsgroep was het negen-jaars risico van afstandsrecidief hoger dan 10% onder vrouwen met hoog klinisch risiconiveau en intermediaire RS die alleen endocriene therapie gekregen hadden (12,3 ± 2,4%), en onder vrouwen met hoge RS die endocriene therapie plus chemotherapie gekregen hadden (15,2 ± 3,3%).

De onderzoekers concluderen dat klinisch-risicostratificatie prognostische informatie leverde die toegevoegd aan de RS kan worden gebruikt voor het identificeren van premenopauzale vrouwen die baat zouden kunnen hebben bij meer effectieve behandeling.

1.Sparano JA, Gray RJ, Ravdin PM et al. Clinical and genomic risk to guide the use of adjuvant therapy for breast cancer. N Engl J Med 2019; epub ahead of print

Summary: An analysis of a secondary endpoint of the TAILORx trial found that in early-stage breast cancer clinical risk stratification provided additional prognostic information to the 21-gene RS, but not prediction of chemotherapy benefit in the overall TAILORx population or patients older than 50 years, and facilitates more refined estimates of absolute chemotherapy benefit for women aged 50 years or younger with a RS 16-25.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)