Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Multicenterstudie van impact van ruxolitinib-onderhoud op risico van chronische graft-versus-host ziekte na alloHCT (0)
2025-03-20 16:00   ( Nieuws )
Tags:  ruxolitinib maintenance after alloHCT cGVHD
Dr. Gabriela HobbsEr is behoefte aan nieuwe benaderingen voor effectieve preventie van chronische graft-versus-host ziekte (cGVHD) na allogene stamceltransplantatie (alloHCT). Een multicenterstudie in de Verenigde Staten heeft de impact van onderhoudsbehandeling met de JAK1 & 2-remmer ruxolitinib na alloHCT op het risico van cGVHD geïnventariseerd. Dr. Gabriela Hobbs (Massachusetts General Hospital) en collega’s publiceren de studie in Blood.1


De studie includeerde 63 patiënten die reduced-intensity alloHCT ondergingen. GVHD-prefylaxe bestond uit tacrolimus en methotrexaat. Ruxolitinib onderhoud begon mediaan 45 dagen na de HCT en werd voortgezet gedurende ten hoogste 24 vier-weekse cycli. De meest-gerapporteerde graad 3 of hoger adverse events waren neutropenie, trombocytopenie, en anemie. Graad 3 of hoger infectieuze gebeurtenissen werden gerapporteerd voor zeven patiënten (11%). Het primaire eindpunt was GVHD-vrije recidiefvrije overleving. Na een jaar was dit eindpunt bereikt door 70% van de patiënten. Na zes maanden was het percentage patiënten met graad III of IV acute GVHD 4,8%, en na twee jaar was het percentage patiënten met matige of ernstige cGVHD 16%. Systemische therapie voor cGVHD was vereist in 9,5% na één jaar en 13% na twee jaar. De twee-jaars percentages van progressievrije overleving en overall survival waren 68% respectievelijk 76%.

De onderzoekers concluderen dat ruxolitinib-onderhoudsbehandeling na alloHCT geassocieerd was met lage percentages patiënten met klinisch relevante cGVHD.

1.DeFilipp Z, Kim HT, Knight LW et al. Low rates of chronic graft-versus-host disease with ruxolitinib maintenance following allogeneic HCT. Blood (2025) 2024028005

Summary: A multicenter study in the United States found low rates of chronic graft-versus-host disease with ruxolitinib maintenance following allogeneic hematopoietic cell transplantation.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multicenter fase 2-studie van chemoradiotherapie plus adjuvant nivolumab voor gelokaliseerd spierinvasief urotheelcarcinoom (0)
2025-03-20 14:30   ( Nieuws )
Tags:  NEXT trial MIUC nivolumab adjuvant to CRT
Dr. Sumati GuptaSpierinvasief urotheelcarcinoom (MIUC) heeft een hoog risico van recidief na definitieve behandeling. Adjuvant nivolumab na radicale chirurgie voor hoog-risico MIUC verbetert de ziektevrije overleving. Patiënten die niet in aanmerking komen voor chirurgie of chirurgie afwijzen kunnen kiezen voor chemoradiotherapie (CRT). De multicenter fase 2 studie NEXT in de Verenigde Staten heeft adjuvant nivolumab voor deze patiënten geëvalueerd. Dr. Sumati Gupta (University of Utah, Salt Lake City) en collega’s publiceren de studie in het Journal for ImmunoTherapy of Cancer.1

NEXT includeerde 28 patiënten met stadium II-IV MIUC en ECOG performance status 2 of beter. De patiënten ondergingen CRT, gevolgd door ten hoogste 12 vier-weekse cycli van intaveneus nivolumab 480 mg kregen vanaf maximaal negentig dagen na voltooiing van de CRT. Het primaire eindpunt van de studie was faalvrije-overleving (FFS). Het FFS-percentage na twee jaar bedroeg 33,2% (95%-bti 18,5-59,6), terwijl 32% gelokaliseerde progressie hadden en 29% afstandsprogressie. Vijfentwintig patiënten (89%) hadden één of meer hoog-risico kenmerken (plasmacytoïde differentiatie, T2, N+, meerdere tumoren, tumoren groter dan 5 cm, residuele ziekte voor CRT, carcinoom in situ, en hydronefrose). Patiënten met twee of minder van deze kenmerken hadden mediane FFS van 45,2 maanden (95%-bti 14,56-NR), vergeleken met 8,2 maanden (7,1-NR) voor patiënten met drie of meer kenmerken. Nivolumab-geassocieerde treatment-related adverse events werden gerapporteerd voor achttien patiënten (64,3%), en graad 3 TRAEs in drie patiënten (10,7%).

De onderzoekers concluderen dat adjuvant nivolumab na CRT voor MIUC goed verdragen werd en mogelijk activiteit had.

1.Galarza Fortuna GM. Grass D, Maughan BL et al. Nivolumab adjuvant to chemo-radiation in localized muscle-invasive urothelial cancer: primary analysis of a multcenter, single-arm, phase II, investigator-initiated trial (NEXT). J ImmunoTher Cancer (2025) 2024-010572

Summary: The multicenter phase 2 NEXT trial in the United States found tolerability and possible activity of adjuvant nivolumab after CRT for stage II-IV muscle-invasive urothelial cancer.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multicenter prospectieve analyse van neoadjuvante CRT versus CIT voor lokaal-gevorderd ESCC (0)
2025-03-20 13:00   ( Nieuws )
Tags:  locally advanced esophageal squamous cell carcinoma
Dr. Zhigang LiNeoadjuvante chemoradiotherapie (NCRT) en neoadjuvante chemo-immuuntherapie (NCIT) kunnen beide worden gebruikt voor lokaal-gevorderd squameus celcarcinoom van de slokdarm (LA ESCC), maar de relatieve werkzaamheid van beide behandelingen is niet duidelijk. Een analyse van prospectief bijgehouden databases van acht centra in China heeft uitkomsten na NCRT en NCIT voor LA ESCC vergeleken. Dr. Zhigang Li (Shanghai Jiao Tong Universiteit) en collega’s publiceren de analyse in JAMA Surgery.1

De analyse includeerde 1428 LA-ESCC patiënten (mediane leeftijd 63 jaar; IQR 57-68; 82,9% mannen) die tussen januari 2016 en april 2023 oesfagectomie ondergingen na NCRT (n=704) of NCIT (n=724). Na propensity score matching telden beide groepen 532 patiënten. Primaire eindpunten waren twee-jaars percentages voor overall survival en ziektevrije overleving. De figuur laat overlevingsuitkomsten zien. De twee-jaars OS was 81,3% in de NCIT-groep versus 71,3% in de NCRT-groep (HR 1,57; p<0,001) en de twee-jaar DFS was 73,9% in de NCIT-groep versus 63,4% in de NCRT-groep (HR 1,37; p<0,001). De NCRT-groep telde een hoger percentage patiënten met majeure pathologische respons (MPR; 71,8% versus 61,5%) terwijl de percentages met pathologisch complete respons vergelijkbaar waren (25,9% versus 22,9%). In de NCIT-groep waren de percentages patiënten met recidief (23,7% versus 35,7%) en afstandsmetastase (13,5% versus 25,0%) lager dan in de NCRT-groep, hoewel de percentages met locoregionale metastase vergelijkbaar waren (18,4% versus 20,9%). De betere OS en DFS met NCIT vergeleken met NCRT werden gezien ongeacht gebruik van adjuvante immuuntherapie.

De onderzoekers concluderen dat onder patiënten met LA-ESCC gebruik van NCIT geassocieerd was met betere twee-jaars OS en DFS dan gebruik van NCRT.

1.Guo X, Chen C, Zhao J et al. Neoadjuvant chemoradiotherapy vs chemoimmunotherapy for esophageal squamous cell carcinoma. JAMA Surg 2025.0220

Summary: Analysis of prospectively maintained databases of 8 centers in China found better 2-year DFS and OS after neoadjuvant chemoimmunotherapy compared with neoadjuvant chemoradiotherapy for locally advanced esophageal squamous cell carcinoma.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multicenter fase 2-studie van eerstelijns tazemetostat plus R-CHOP voor DLBCL in patiënten ouder dan zestig jaar (0)
2025-03-19 16:00   ( Nieuws )
Tags:  Epi-R-CHOP trial DLBCL tazemetostat
Dr. Clémentine SarkozyTazemetostat is een remmer van enhancer of zeste homolog 2 (EZH2). De multicenter fase 2 Epi-R-CHOP studie in Frankrijk heeft tazemetostat in combinatie met R-CHOP geëvalueerd voor nieuw-gediagnostiseerd diffuus grootcellig B-cel lymfoom (DLBCL) in patiënten in de leeftijd van zestig jaar en ouder. Dr. Clémentine Sarkozy (Institut Curie, Saint Cloud) en collega’s publiceren de studie in eClinicalMedicine.1

De studie includeerde 122 patiënten (mediane leeftijd 70 jaar; range 60-80; 90,2% stadium III of IV; 73,8% IPI 3 tot en met 5). De patiënten kregen zes cycli R-CHOP met continu tazemetostat (800 mg tweemaal daags), gevolgd door twee cycli rituzimab plus tazemetostat. Het primaire eindpunt was met PET bepaalde complete metabole respons (CMR).Honderd patiënten (82%) kregen de geplande acht cycli, terwijl 22 premature treatment discontinuation (PTD) hadden. Aan het eind van de behandeling of bij PTD hadden 92 van 122 patiënten (75,4%) CMR, acht (6,6%) partiële metabole respons, en vijf (4,1%) progressieve ziekte, terwijl twee patiënten (1,6%) overleden waren en vijftien niet konden worden geëvalueerd. Analyse met exclusie van de niet-geëvalueerde patiënten resulteerde in CMR in 82,1%. De mediane duur van follow-up was 18,5 maanden. De achttien-maands percentages voor progressievrije overleving en overall survival waren 77,7% (95%-bti 67,5-85,1) respectievelijk 88,8% (79,9-93,9).

De onderzoekers concluderen dat eerstelijns R-CHOP plus tazemetostat voor DLBCL in oudere patiënten feasible was en resulteerde in veelbelovende CMR.

1.Sarkozy C, Molina TJ, Dubois S et al. Efficacy of tazemetostat in combination with R-CHOP in elderly patients newly diagnosed with diffuse large B cell lymphoma: results of the EpiCHOP phase II study of the LYSA. eClinMed 2025.103157

Summary: The multicenter phase 2 Epi-R-CHOP study in France found feasibility and promising response to the first-line combination of tazemetostat and R-CHOP for DLBCL in elderly patients.



  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Klinische en genomische karakterisering van secundair rectumcarcinoom na radiotherapie voor prostaatcarcinoom (0)
2025-03-19 14:30   ( Nieuws )
Tags:  RT for prostate cancer secondary rectal cancer
Dr. Francisco Sanchez-VegaPatiënten die radiotherapie (RT) gekregen hebben voor prostaatcarcinoom (PrC) hebben verhoogd risico van secundair rectumcarcinoom (SRC). Een patiënt-controlestudie van Memorial Sloan Kettering Cancer Center (MSKCC, New York) heeft het moleculair profiel van de tumor, klinische kenmerken, en oncologische uitkomsten van SRC geïnventariseerd en vergeleken met die van primair rectumcarcinoom (PRC). Dr. Francisco Sanchez-Vega en collega’s publiceren de studie in JAMA Network Open.1

De studie includeerde 64 patiënten met SRC gediagnostiseerd tenminste vijf jaar na RT voor PrC (mediane leeftijd 78 jaar; IQR 72-82) en 604 mannelijke patiënten met PRC (55; 46-66) die tussen begin februari 1994 en eind september 2022 in MSKCC behandeld werden. Patiënten met SRC hadden meer frequent tumoren in het distale rectum (58,7% versus 22,5%; p<0,001) en de anterior rectal wall (35,1% versus 13,5%; p<0,001), hadden een lagere waarschijnlijkheid van het ontvangen van neoadjuvante therapie (51,6% versus 94,4%; p<0,001), en hadden lagere vijf-jaars percentages van overall survival (45,7% versus 64,9%; p=0,01) en ziektevrije overleving (40,3% versus 71,2%) vergeleken met klinisch-gematchte patiënten met PRC. Gerichte DNA-sequencing data van 31 SRC-tumoren en 541 PRC-tumoren lieten zien dat de SRC-tumoren lagere mutatiebelasting hadden (4,4 mut/Mb versus 5,8 mut/Mb; p=0,047), evenals lagere frequentie van APC-veranderingen (48,8% versus 79,9%; p<0,001) en hogere percentages van SMAD4-inactivering (25,8% versus 10,0%; p=0,01). Whole-exome sequencing data van 17 SRC-tumoren en 28 PRC-tumoren lieten een hoger percentage frameshift deleties in SRC zien (mediaan 5,0 versus 2,5 varianten; p<0,001).

De onderzoekers concluderen dat patiënten met SRC na RT voor PrC slechtere overleving en verschillende moleculaire profielen hadden vergeleken met patiënten met PRC.

1.Omer D, Shah F, Luthra A et al. Clinical and genomic characterization of secondary rectal cancer after radiotherapy for prostate cancer. JAMA Network Open 2025;8:e251039

Summary: A case-control study at Memorial Sloan Kettering Cancer Center (New York, NY) found that patients with secondary rectal cancer after radiotherapy for prostate cancer had worse survival outcomes and differing molecular profiles compared with patients with primary rectal cancer.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Gezondheids-gerelateerde kwaliteit van leven met belzutifan versus everolimus voor aRCC in LITESPARK-005 (0)
2025-03-19 13:00   ( Nieuws )
Tags:  LITESPARK-005 advanced renal cell carcinoma HRQOL
Prof. Thomas PowlesBelzutifan is een first-in-class HIF-2α remmer. De multinationale fase 3-studie LITESPARK-005 heeft laten zien dat onder patiënten met gevorderd heldercellig niercelcarcinoom (aRCC) die eerder ICI en antiangiogene therapie hadden gekregen, belzutifan resulteerde in significant betere progressievrije overleving en objectieve respons dan everolimus, zonder nieuwe veiligheidssignalen. Prof. Thomas Powles (Queen Mary University of London, UK) en collega’s publiceren nu in The Lancet Oncology patiënt-gerapporteerde uitkomsten (PROs) van de studie.1

LITESPARK-005 werd uitgevoerd in 147 centra. De studie includeerde 746 patiënten die werden gerandomiseerd naar belzutifan (n=374) of everolimus (n=372); tenminste één PRO-vragenlijst werd beantoordd door 366 respectievelijk 354 patiënten. De veranderingen in FACT-Kidney Cancer Symptom Index: Disease Related Symptoms (FKSI-DRS) en EORTC QLQ-C30 global health status tussen baseline en week 17 suggereerde stabiliteit met belzutifan en verslechtering met everolimus. De verandering in QLQ-C30 fysiek functioneren tussen baseline en week 17 was vergelijkbaar voor de twee groepen. De tijd tot verslechtering van EORTC fysiek functioneren en role functioning was eveneens vergelijkbaar.

De onderzoekers concluderen dat het oncologisch profijt van belzutifan vergeleken met everolimus niet ten koste ging van de gezondheids-gerelateerde kwaliteit van leven van de patiënten.

1.Powles T, Choueiri TK, Albiges L et al. Health-related quality of life with belzutifan versus everolimus for advanced renal cell carcinoma (LITESPARK-005): patient-reported outcomes from a randomised, open-label, phase 3 trial. Lancet Oncol 2025-00032-4

Summary: HRQOL analyses of the multinational phase 3 LITESPARK-005 trial found that among patients with advanced clear cell renal cell carcinoma who had received ICI and antiangiogenic therapies, the oncological benefit with belzutifan over everolimus was not associated with worse patient-reported outcomes.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multicenterstudie van neoadjuvante chemoradiotherapie gevolgd door actieve surveillance voor slokdarmcarcinoom (0)
2025-03-18 16:00   ( Nieuws )
Tags:  SANO trial
Dr. Berend van der WilkEen substantieel percentage van de patiënten met slokdarmcarcinoom heeft pathologisch complete respons na neoadjuvante chemoradiotherapie (CRT). De noninferioriteits fase 3-studie SANO, in twaalf centra in Nederland, heeft onderzocht of actieve surveillance een veilig alternatief is voor oesofagectomie onder patiënten met klinisch complete respons na neoadjuvante CRT. Dr. Berend van der Wilk (Erasmus MC Cancer Institute, Rotterdam) en collega’s publiceren de studie in The Lancet Oncology.1


De cluster-randomized studie includeerde 309 volwassen patiënten met klinisch complete respons na CRT (geen tumordetectie met endoscopie, ultrasound, en PET-CT). De patiënten werden gerandomiseerd naar actieve surveillance (n=198) of chirurgie (n=111). Het primaire eindpunt van de studie was overall survival met als criterium voor noninferioriteit twee-jaars OS in de surveillancegroep niet meer dan 15% slechter dan in de chirurgiegroep. De mediane follow-up was 38 maanden (IQR 32-48). De twee-jaars OS was 74% in de surveillancegroep versus 71% in de chirurgiegroep. De frequentie van postoperatieve complicaties en postoperatieve mortaliteit na standaard-chirurgie of uitgestelde chirurgie na actieve surveillance was niet verschillend tussen de groepen.

De onderzoekers concluderen dat het twee-jaars OS-percentage niet-inferieur was met actieve surveillance dan met chirurgie.

1.Van der Wilk BJ, Eyck BM, Wijnhoven BPL et al. Neoadjuvant chemoradiotherapy followed by active surveillance versus standard surgery for oesophageal cancer (SANO trial): a multicentre, stepped-wedge, cluster-randomised, non-inferiority, phase 3 trial. Lancet Oncol 2025-00027-0

Summary: The multicenter phase 3 SANO trial in The Netherlands found that among patients with esophageal cancer two-year overall survival was non-inferior with neoadjuvant chemoradiotherapy followed by active surveillance in case of clinical complete response compared with standard neoadjuvant chemoradiotherapy and surgery.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Gebruik van statines en risico van levercelcarcinoom en leverfibrose onder patiënten met chronische leverziekte (0)
2025-03-18 14:30   ( Nieuws )
Tags:  CKD statins HCC
Prof. Raymond ChungGebruik van statines door patiënten met chronische leverziekte (CLD) zou het risico van ontwikkeling van levercelcarcinoom (HCC) kunnen verlagen door het verlagen van de progressie van leverfibrose. Een retrospectieve cohortstudie op basis van gegevens van de Research Patient Data Registry, dekkend voor ongeveer 4 miljoen inwoners van Massachusetts, heeft de associatie van statinegebruik onder CLD-patiënten met het HCC-risico geïnventariseerd. Prof. Raymond Chung (Massachusetts General Hospital, Boston) en collega’s publiceren de studie in JAMA Internal Medicine.1



De studie includeerde patiënten die tussen begin 2000 en eind 2023 een leeftijd van 40 jaar of ouder hadden met een baseline Fibrosis-4 score 1,3 of hoger. De patiënten werden onderscheiden in de groep statinegebruikers en de groep niet-statinegebruikers, met als definitie voor gebruik blootstelling aan de cumulatie gedefinieerde dagelijkse dosering (cDDD) 30 of hoger. Het primaire eindpunt was tien-jaars cumulatieve incidentie van HCC en leverdecompensatie en progressie van leverfibrose.

De studie includeerde 16.501 CLD-patiënten (gemiddelde leeftijd 59,7 ± 11,0 jaar; 40,9% vrouwen) onder wie 3610 statinegebruikers (21,9%). De statinegebruikers hadden vergeleken met de niet-statinegebruikers een significant lagere tien-jaars cumulatieve incicdentie van HCC (3,8% versus 8,0%; aSHR 0,67; 95%-bti 0,59-0,76) en leverdecompensatie (10,6% versus 19,5%; 0,78; 0,67-0,91). Blootstelling aan lipofiele statines en langere duur van statinegebruik waren geassocieerd met verdere reductie van de risico’s. Statinegebruikers hadden vergeleken met niet-statinegebruikers ook betere FIB-4 groep transities.

De onderzoekers concluderen dat onder patiënten met CLD gebruik van statines geassocieerd was met lager risico van HCC en leverdecompensatie.

1.Choi J, Nguyen VH, Przybyszewski E et al. Statin use and risk of hepatocellular carcinoma and liver fibrosis in chronic liver disease. JAMA Intern Med 2025.0115

Summary: A cohort study using data from the Research Patient Data Registry from 2000 to 2023 on patients aged 40 years or older with chronic liver disease and a baseline Fibrosis-4 score of 1.3 and higher found that statin use was associated with a reduced risk of hepatocellular carcinoma and hepatic decompensation.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)