Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Multicenter fase 2-studie van eerstelijns tazemetostat plus R-CHOP voor DLBCL in patiënten ouder dan zestig jaar (0)
2025-03-19 16:00   ( Nieuws )
Tags:  Epi-R-CHOP trial DLBCL tazemetostat
Dr. Clémentine SarkozyTazemetostat is een remmer van enhancer of zeste homolog 2 (EZH2). De multicenter fase 2 Epi-R-CHOP studie in Frankrijk heeft tazemetostat in combinatie met R-CHOP geëvalueerd voor nieuw-gediagnostiseerd diffuus grootcellig B-cel lymfoom (DLBCL) in patiënten in de leeftijd van zestig jaar en ouder. Dr. Clémentine Sarkozy (Institut Curie, Saint Cloud) en collega’s publiceren de studie in eClinicalMedicine.1

De studie includeerde 122 patiënten (mediane leeftijd 70 jaar; range 60-80; 90,2% stadium III of IV; 73,8% IPI 3 tot en met 5). De patiënten kregen zes cycli R-CHOP met continu tazemetostat (800 mg tweemaal daags), gevolgd door twee cycli rituzimab plus tazemetostat. Het primaire eindpunt was met PET bepaalde complete metabole respons (CMR).Honderd patiënten (82%) kregen de geplande acht cycli, terwijl 22 premature treatment discontinuation (PTD) hadden. Aan het eind van de behandeling of bij PTD hadden 92 van 122 patiënten (75,4%) CMR, acht (6,6%) partiële metabole respons, en vijf (4,1%) progressieve ziekte, terwijl twee patiënten (1,6%) overleden waren en vijftien niet konden worden geëvalueerd. Analyse met exclusie van de niet-geëvalueerde patiënten resulteerde in CMR in 82,1%. De mediane duur van follow-up was 18,5 maanden. De achttien-maands percentages voor progressievrije overleving en overall survival waren 77,7% (95%-bti 67,5-85,1) respectievelijk 88,8% (79,9-93,9).

De onderzoekers concluderen dat eerstelijns R-CHOP plus tazemetostat voor DLBCL in oudere patiënten feasible was en resulteerde in veelbelovende CMR.

1.Sarkozy C, Molina TJ, Dubois S et al. Efficacy of tazemetostat in combination with R-CHOP in elderly patients newly diagnosed with diffuse large B cell lymphoma: results of the EpiCHOP phase II study of the LYSA. eClinMed 2025.103157

Summary: The multicenter phase 2 Epi-R-CHOP study in France found feasibility and promising response to the first-line combination of tazemetostat and R-CHOP for DLBCL in elderly patients.



  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Klinische en genomische karakterisering van secundair rectumcarcinoom na radiotherapie voor prostaatcarcinoom (0)
2025-03-19 14:30   ( Nieuws )
Tags:  RT for prostate cancer secondary rectal cancer
Dr. Francisco Sanchez-VegaPatiënten die radiotherapie (RT) gekregen hebben voor prostaatcarcinoom (PrC) hebben verhoogd risico van secundair rectumcarcinoom (SRC). Een patiënt-controlestudie van Memorial Sloan Kettering Cancer Center (MSKCC, New York) heeft het moleculair profiel van de tumor, klinische kenmerken, en oncologische uitkomsten van SRC geïnventariseerd en vergeleken met die van primair rectumcarcinoom (PRC). Dr. Francisco Sanchez-Vega en collega’s publiceren de studie in JAMA Network Open.1

De studie includeerde 64 patiënten met SRC gediagnostiseerd tenminste vijf jaar na RT voor PrC (mediane leeftijd 78 jaar; IQR 72-82) en 604 mannelijke patiënten met PRC (55; 46-66) die tussen begin februari 1994 en eind september 2022 in MSKCC behandeld werden. Patiënten met SRC hadden meer frequent tumoren in het distale rectum (58,7% versus 22,5%; p<0,001) en de anterior rectal wall (35,1% versus 13,5%; p<0,001), hadden een lagere waarschijnlijkheid van het ontvangen van neoadjuvante therapie (51,6% versus 94,4%; p<0,001), en hadden lagere vijf-jaars percentages van overall survival (45,7% versus 64,9%; p=0,01) en ziektevrije overleving (40,3% versus 71,2%) vergeleken met klinisch-gematchte patiënten met PRC. Gerichte DNA-sequencing data van 31 SRC-tumoren en 541 PRC-tumoren lieten zien dat de SRC-tumoren lagere mutatiebelasting hadden (4,4 mut/Mb versus 5,8 mut/Mb; p=0,047), evenals lagere frequentie van APC-veranderingen (48,8% versus 79,9%; p<0,001) en hogere percentages van SMAD4-inactivering (25,8% versus 10,0%; p=0,01). Whole-exome sequencing data van 17 SRC-tumoren en 28 PRC-tumoren lieten een hoger percentage frameshift deleties in SRC zien (mediaan 5,0 versus 2,5 varianten; p<0,001).

De onderzoekers concluderen dat patiënten met SRC na RT voor PrC slechtere overleving en verschillende moleculaire profielen hadden vergeleken met patiënten met PRC.

1.Omer D, Shah F, Luthra A et al. Clinical and genomic characterization of secondary rectal cancer after radiotherapy for prostate cancer. JAMA Network Open 2025;8:e251039

Summary: A case-control study at Memorial Sloan Kettering Cancer Center (New York, NY) found that patients with secondary rectal cancer after radiotherapy for prostate cancer had worse survival outcomes and differing molecular profiles compared with patients with primary rectal cancer.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Gezondheids-gerelateerde kwaliteit van leven met belzutifan versus everolimus voor aRCC in LITESPARK-005 (0)
2025-03-19 13:00   ( Nieuws )
Tags:  LITESPARK-005 advanced renal cell carcinoma HRQOL
Prof. Thomas PowlesBelzutifan is een first-in-class HIF-2α remmer. De multinationale fase 3-studie LITESPARK-005 heeft laten zien dat onder patiënten met gevorderd heldercellig niercelcarcinoom (aRCC) die eerder ICI en antiangiogene therapie hadden gekregen, belzutifan resulteerde in significant betere progressievrije overleving en objectieve respons dan everolimus, zonder nieuwe veiligheidssignalen. Prof. Thomas Powles (Queen Mary University of London, UK) en collega’s publiceren nu in The Lancet Oncology patiënt-gerapporteerde uitkomsten (PROs) van de studie.1

LITESPARK-005 werd uitgevoerd in 147 centra. De studie includeerde 746 patiënten die werden gerandomiseerd naar belzutifan (n=374) of everolimus (n=372); tenminste één PRO-vragenlijst werd beantoordd door 366 respectievelijk 354 patiënten. De veranderingen in FACT-Kidney Cancer Symptom Index: Disease Related Symptoms (FKSI-DRS) en EORTC QLQ-C30 global health status tussen baseline en week 17 suggereerde stabiliteit met belzutifan en verslechtering met everolimus. De verandering in QLQ-C30 fysiek functioneren tussen baseline en week 17 was vergelijkbaar voor de twee groepen. De tijd tot verslechtering van EORTC fysiek functioneren en role functioning was eveneens vergelijkbaar.

De onderzoekers concluderen dat het oncologisch profijt van belzutifan vergeleken met everolimus niet ten koste ging van de gezondheids-gerelateerde kwaliteit van leven van de patiënten.

1.Powles T, Choueiri TK, Albiges L et al. Health-related quality of life with belzutifan versus everolimus for advanced renal cell carcinoma (LITESPARK-005): patient-reported outcomes from a randomised, open-label, phase 3 trial. Lancet Oncol 2025-00032-4

Summary: HRQOL analyses of the multinational phase 3 LITESPARK-005 trial found that among patients with advanced clear cell renal cell carcinoma who had received ICI and antiangiogenic therapies, the oncological benefit with belzutifan over everolimus was not associated with worse patient-reported outcomes.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multicenterstudie van neoadjuvante chemoradiotherapie gevolgd door actieve surveillance voor slokdarmcarcinoom (0)
2025-03-18 16:00   ( Nieuws )
Tags:  SANO trial
Dr. Berend van der WilkEen substantieel percentage van de patiënten met slokdarmcarcinoom heeft pathologisch complete respons na neoadjuvante chemoradiotherapie (CRT). De noninferioriteits fase 3-studie SANO, in twaalf centra in Nederland, heeft onderzocht of actieve surveillance een veilig alternatief is voor oesofagectomie onder patiënten met klinisch complete respons na neoadjuvante CRT. Dr. Berend van der Wilk (Erasmus MC Cancer Institute, Rotterdam) en collega’s publiceren de studie in The Lancet Oncology.1


De cluster-randomized studie includeerde 309 volwassen patiënten met klinisch complete respons na CRT (geen tumordetectie met endoscopie, ultrasound, en PET-CT). De patiënten werden gerandomiseerd naar actieve surveillance (n=198) of chirurgie (n=111). Het primaire eindpunt van de studie was overall survival met als criterium voor noninferioriteit twee-jaars OS in de surveillancegroep niet meer dan 15% slechter dan in de chirurgiegroep. De mediane follow-up was 38 maanden (IQR 32-48). De twee-jaars OS was 74% in de surveillancegroep versus 71% in de chirurgiegroep. De frequentie van postoperatieve complicaties en postoperatieve mortaliteit na standaard-chirurgie of uitgestelde chirurgie na actieve surveillance was niet verschillend tussen de groepen.

De onderzoekers concluderen dat het twee-jaars OS-percentage niet-inferieur was met actieve surveillance dan met chirurgie.

1.Van der Wilk BJ, Eyck BM, Wijnhoven BPL et al. Neoadjuvant chemoradiotherapy followed by active surveillance versus standard surgery for oesophageal cancer (SANO trial): a multicentre, stepped-wedge, cluster-randomised, non-inferiority, phase 3 trial. Lancet Oncol 2025-00027-0

Summary: The multicenter phase 3 SANO trial in The Netherlands found that among patients with esophageal cancer two-year overall survival was non-inferior with neoadjuvant chemoradiotherapy followed by active surveillance in case of clinical complete response compared with standard neoadjuvant chemoradiotherapy and surgery.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Gebruik van statines en risico van levercelcarcinoom en leverfibrose onder patiënten met chronische leverziekte (0)
2025-03-18 14:30   ( Nieuws )
Tags:  CKD statins HCC
Prof. Raymond ChungGebruik van statines door patiënten met chronische leverziekte (CLD) zou het risico van ontwikkeling van levercelcarcinoom (HCC) kunnen verlagen door het verlagen van de progressie van leverfibrose. Een retrospectieve cohortstudie op basis van gegevens van de Research Patient Data Registry, dekkend voor ongeveer 4 miljoen inwoners van Massachusetts, heeft de associatie van statinegebruik onder CLD-patiënten met het HCC-risico geïnventariseerd. Prof. Raymond Chung (Massachusetts General Hospital, Boston) en collega’s publiceren de studie in JAMA Internal Medicine.1



De studie includeerde patiënten die tussen begin 2000 en eind 2023 een leeftijd van 40 jaar of ouder hadden met een baseline Fibrosis-4 score 1,3 of hoger. De patiënten werden onderscheiden in de groep statinegebruikers en de groep niet-statinegebruikers, met als definitie voor gebruik blootstelling aan de cumulatie gedefinieerde dagelijkse dosering (cDDD) 30 of hoger. Het primaire eindpunt was tien-jaars cumulatieve incidentie van HCC en leverdecompensatie en progressie van leverfibrose.

De studie includeerde 16.501 CLD-patiënten (gemiddelde leeftijd 59,7 ± 11,0 jaar; 40,9% vrouwen) onder wie 3610 statinegebruikers (21,9%). De statinegebruikers hadden vergeleken met de niet-statinegebruikers een significant lagere tien-jaars cumulatieve incicdentie van HCC (3,8% versus 8,0%; aSHR 0,67; 95%-bti 0,59-0,76) en leverdecompensatie (10,6% versus 19,5%; 0,78; 0,67-0,91). Blootstelling aan lipofiele statines en langere duur van statinegebruik waren geassocieerd met verdere reductie van de risico’s. Statinegebruikers hadden vergeleken met niet-statinegebruikers ook betere FIB-4 groep transities.

De onderzoekers concluderen dat onder patiënten met CLD gebruik van statines geassocieerd was met lager risico van HCC en leverdecompensatie.

1.Choi J, Nguyen VH, Przybyszewski E et al. Statin use and risk of hepatocellular carcinoma and liver fibrosis in chronic liver disease. JAMA Intern Med 2025.0115

Summary: A cohort study using data from the Research Patient Data Registry from 2000 to 2023 on patients aged 40 years or older with chronic liver disease and a baseline Fibrosis-4 score of 1.3 and higher found that statin use was associated with a reduced risk of hepatocellular carcinoma and hepatic decompensation.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Patiënt-controlestudie van risico van hoofd-halscarcinoom na allergische rhinitis (0)
2025-03-18 13:00   ( Nieuws )
Tags:  HNC AR
Dr. Shi-Han HungEr zijn aanwijzingen voor een associatie tussen chronische inflammatie en het risico van maligniteiten. Een patiënt-controlestudie in Taiwan heeft de associatie tussen allergische rhinitis (AR) en het risico van de ontwikkeling van hoofd-halscarcinoom (HNC) geïnventariseerd. Dr. Shi-Han Hung (Medische Universiteit van Taipei) en collega’s publiceren de studie in Cancers.1


In de Taiwant Longitudinal Health Insurance Database 2010 identificeerden de onderzoekers 14.913 HNC-patiënten en 59.652 propensity-score gematchte controlepersonen. Onder alle deelnemers hadden 20,19% een geschiedenis van AR, met significant hogere prevalentie in de groep HNC-patiënten dan in de groep controlepersonen (26,2% versus 18,7%). In voor demografische factoren en comorbiditeiten gecorrigeerde analyse was de odds ratio van geschiedenis van AR onder HNC-patiënten 1,559 (95%-bti 1,494-1,627). Geschiedenis van AR was sterk verhoogd onder patiënten met sinonaal carcinoom (OR 3,100; 95%-bti 2,424-3,64) en patiënten met nasofarynxcarcinoom (2,933; 2,722-3,160).

De onderzoekers concluderen dat deze resultaten suggereren dat een geschiedenis van AR een risicofactor is voor HNC. De figuur toont mogelijke causale verbanden.

1.Hung S-H, Yang T-H, Lind H-C, Chen C-S. Associations of head and neck cancer with prior allergic rhinitis. Cancers 2025; 17:1000

Summary: A case -control study in Taiwan found an elevated risk of head and neck cancer after a history of allergic rhinitis.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 2-studie van eerstelijns aumolertinib plus chemotherapie voor gevorderd NSCLC met EGFR ex19del of ex21 L858R (0)
2025-03-17 16:00   ( Nieuws )
Tags:  aNSCLC with EGFR ex19del or ex21 L858R aumolertinib
Dr. Zhanyu PanAumolertinib (voorheen almonertinib; HS-10296) is een orale derdegeneratie EGFR-TKI. Een fase 2-studie in het Tianjin Medical University Cancer Institute and Hospital (Tianjin, China) heeft eerstelijns aulomertinib plus chemotherapie geëvalueerd voor patiënten met gevorderd niet-kleincellig longcarcinoom (aNSCLC) met EGFR-mutaties (exon 19 deletie of exon 21 L858R). Dr. Zhanyu Pan en collega’s publiceren de studie in The Oncologist.1

De studie includeerde 34 patiënten die aumolertinib 110 mg eenmaal daags kregen plus vier drie-weekse cycli pemetrexed-carboplatine, gevolgd door dagelijks aumolertinib en vier-wekelijks pemetrexed onderhoudsbehandeling. Het primaire eindpunt was progressievrije overleving. De mediane PFS bedroeg 28,0 maanden (95%-bti 18,7-36,9). De mediane overall survival werd niet bereikt tijdens mediaan 30 maanden follow-up (range 13-38). Objectieve respons werd gezien in 31 van 34 patiënten (ORR 91,2%) en alle patiënten hadden ziektecontrole (DCR 100%). Onder 28 patiënten die getest werden op circulerend tumor DNA hadden 22 (78,6%) klaring van de EGFR-mutatie in ctDNA na vier cycli. De meest-waargenomen graad 3 of hoger treatment-related adverse event was afgenomen neutrofielengetal (64,7% van de patiënten).

De onderzoekers concluderen dat de combinatie van aumolertinib en chemotherapie een geschikte eerstelijns behandeling kan zijn voor patiënten met EGFR-gemuteerd aNSCLC, met ctDNA als mogelijke prognostische marker.

1.Li Y, Li C, Zhao X et al. Aumolertinib plus chemotherapy as first-line treatment for advanced NSCLC with EGFR exon 19 deletion or exon 21 L858R: a phase II trial. The Oncologist 2025, oyae336

Summary: A phase 2 trial at Tianjin Medical University Tianjin, China) found tolerability and promising efficacy of aumolertinib plus chemotherapy as first-line therapy for advanced NSCLC with EGFR mutations.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Retrospectieve cohortstudie van anti-angiogene therapie voor gevorderde SMARCA4-deficiënte thoraxtumor (0)
2025-03-17 14:30   ( Nieuws )
Tags:  SDTT antiangiogenic therapy
SMARCA4 (BRG1)-deficiënten thoraxtumoren (SDTTs) worden vaak pas in een gevorderd stadium gediagnostiseerd en hebben een slecte prognose. Een retrospectieve cohortstudie in Sun Yat-sen University Cancer Center (Guangzhou, China) heeft inclusie van antiangiogene therapie in eerstelijns behandelingen voor SDTTs geëvalueerd. Prof. Zhixiong Lin en collega’s publiceren de studie in Lung Cancer.1

De studie includeerde 151 patiënten met gevorderde SDTTs, onder wie 49 anti-angiogene therapie kregen en 102 niet. De objective response rate en disease control rate waren 51,4% respectievvelijk 86,5% in de groep met eerstelijns anti-angiogene therapie vergeleken met 37,1% respectievelijk 78,7% in de groep zonder eerstelijns anti-angiogene therapie; de mediane progressievrije overleving in de twee groepen was 7,97 versus 5,87 maanden (HR 0,612; p=0,043). Onder SDTT-patiënten die geen immuuncheckpointremmers kregen was de mediane PFS 5,10 maanden met anti-angiogene therapie plus chemotherapie versus 2,57 maanden met alleen chemotherapie (HR 0,365; p=0,043). Onder patiënten die ICIs plus chemotherapie kregen was toevoeging van anti-angiogene therapie geassocieerd met significant langere PFS (mediaan 11,90 versus 6,90 maanden (HR 0,425; p=0,010).

De onderzoekers concluderen dat inclusie van anti-angiogene therapie in eerstelijns behandeling voor gevorderde SDTTs resulteerde in significante verlenging van de PFS.

1.Shi M, Chen X, Lin T et al. Efficacy of antiangiogenic therapy in patients with advanced SMARCA4-deficient thoracic tumor. Lung Cancer 2025.108498

Summary: A retrospective cohort study at Sun Yat-sen University Cancer Center found that inclusion of antiangiogenic therapy in first-line treatment for SMARCA4-deficient thoracic tumors was associated with significant prolongation of progression-free survival. 


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)