Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Associatie tussen fysieke activiteit voor de leeftijd 35 jaar en risico van mammacarcinoom voor de leeftijd 40 jaar (0)
2024-11-03 13:00   ( Nieuws )
Tags:  breast cancer risk before age 40 years physical activity during adolescence and early adulthood
Prof. Mary Beth TerryDe incidentie van mammacarcinoom (BC) in vrouwen jonger dan veertig jaar neemt toe. Er is behoefte aan inzicht in risicofactoren voor BC in jonge vrouwen. Een multinationale cohortstudie heeft de associatie tussen recreationele fysieke activiteit (RPA) en het risico van BC in vrouwen voor de leeftijd van veertig jaar geïnventariseerd. Prof. Mary Beth Terry (Columbia University, New York) en collega’s publiceren de studie in Cancer Epidemiology, Biomarkers & Prevention.1

De studie in uitgevoerd in het cohort van de Prospective Family Study, dat is verrijkt met vrouwen met familiegeschiedenis van BC. Onder de 26.438 vrouwen in het cohort kregen 2508 een diagnose BC voor de leeftijd van veertig jaar. De vrouwen rapporteerden hun gemiddelde matige of inspannende RPA tijdens de adolescentie (12 tot en met 17 jaar) en vroeg-volwassen jaren (25 tot en met 34 jaar). Vrouwen in het hoogste versus laagste kwartiel van RPA tijdens de adolescentie hadden een 12% verlaagd risico van BC voor de leeftijd veertig jaar (HR 0,88; 95%-bti 0,78-0,98); vrouwen in het hoogste versus laagste kwartiel van RPA tijdens hun vroeg-volwassen jaren hadden een 16% verlaagd risico van BC voor de leeftijd veertig jaar (0,84; 0,74-0,95); vrouwen in het hoogste versus laagste kwartiel in beide perioden hadden een 22% lager risico van BC voor de leeftijd veertig jaar (0,78;0,68-0,89).

De onderzoekers concluderen dat RPA tijdens adolescentie en vroeg-volwassen jaren geassocieerd kan zijn met verlaagd risico van BC voor de leeftijd 40 jaar.

1.Kehm RD, Genkinger JM, Knight JA et al. Physical activity during adolescence and early adulthood and breast cancer risk before age 40 years.

Summary: Analysis in the cohort of the multinational Prospective Family Study, which is enriched with women who have a breast cancer family history, found that moderate or strenuous recreational physical activity during adolescence and early adulthood may lower risk of breast cancer before age 40.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 2-studie van camizestrant versus fulvestrant voor ER-positief HER2-negatief postmenopauzaal gevorderd mammacarcinoom (0)
2024-11-02 16:00   ( Nieuws )
Tags:  SERENA-2 camizestrant
Dr. Mafalda OliveiraResistentie tegen endocriene therapie in HR-positief mammacarcinoom is een uitdaging. De multinationale gerandomiseerde fase 2-studie SERENA-2 heeft de volgende-generatie orale selective estrogen receptor degrader (SERD) camizestrant vergeleken met de eerste goedgekeurde SERD fulvestrant onder postmenopauzale vrouwen met ER-positief HER2-negatief gevorderd mammacarcinoom (ER+ HER2- aBC). Dr. Mafalda Oliveira (Vall d’Hebron Instituut voor Oncologie, Barcelona) en collega’s publiceren de studie in The Lancet Oncology.1

SERENA-2 werd uitgevoerd in 74 centra op drie continenten. De studie includeerde 240 patiënten, die 1:1:1:1 werden gerandomiseerd naar eenmaal daags oraal camizestrant 75 mg (n=74), 150 mg (n=73), 300 mg (n=20; vroegtijdig gesloten), of intramusculair fulvestrant 500 mg (per label). De mediane follow-up was 16,6 maanden in de camizestrant 75 mg-groep, 16,3 maanden in de camizestrant 150 mg-groep, en 14,7 maanden in de fulvestrantgroep. De mediane progressievrije overleving was 7,2 maanden (90%-bti 3,7-10,9) met camizestrant 75 mg; 7,7 maanden (5,5-12,9) met camizestrant 150 mg; en 3,7 maanden (2,0-6,0) met fulvestrant. De HR voor camizestrant 75 mg versus fulvestrant was 0,59 (p=0,017) en de HR voor camizestrant 150 mg versus fulvestrant was 0,64 (p=0,009). Treatment-related adverse events werden gerapporteerd voor 53% van de patiënten in de camizestrant 75 mg-groep, 67% van de patiënten in de camizestrant 150 mg-groep, en 18% van de patiënten in de fulvestrantgroep. Er was geen enkele graad 3 of hoger TRAE die voorkwam in meer dan twee patiënten in elke groep. Geen van de patiënten overleed aan met de behandeling samenhangende oorzaak.

De onderzoekers concluderen dat onder postmenopauzale patiënten met ER+ HER2- aBC camizestrant 75 en 150 mg resulteerde in significant PFS-profijt vergeleken met fulvestrant.

1.Oliveira M, Pominchuk D, Nowecki Z et al. Camizestrant, a next-generation oral SERD, versus fulvestrant in post-menopausal women with oestrogen receptor-positive, HER2-negative advanced breast cancer (SERENA-2): a multi-dose, open-label, randomised, phase 2 trial. Lancet Oncol 2024;25:1424-1439

Summary: The multinational randomized phase 2 SERENA-2 trialfound that among postmenopausal women with ER-positive HER2-negative advanced breast cancer, oral camizestrant at 75 mg and 150 mg once daily resulted in significant progression-free survival benefit versus fulvestrant.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Real-world werkzaamheid van atezolizumab als latere-lijns behandeling voor gevorderd niet-kleincellig longcarcinoom (0)
2024-11-02 13:00   ( Nieuws )
Tags:  aNSCLC later-line atezolizumab
Dr. Milica KontićImmuuncheckpointremmers zoals atezolizumab hebben de uitkomsten van patiënten met gevorderd niet-kleincellig longcarcinoom (aNSCLC) verbeterd, met name in de tweedelijns setting na progressie op platina-gebaseerde chemotherapie. Een retrospectieve real-world studie in Servië heeft werkzaamheid van atezolizumab voor aNSCLC in latere lijnen van de behandeling geïnventariseerd. Dr. Milica Kontić (Universiteit van Belgrado) en collega’s publiceren de studie in Cancers.1

De studie includeerde 147 aNSCLC-patiënten die na progressie op eerstelijns platina-gebaseerde chemotherapie atezolizumab kregen als tweede- of latere-lijns behandeling. De overall response rate op atezolizumab was 15% en de disease control rate was 57,9%. De mediane progressievrije overleving vanaf de start van atezolizumab was 7,13 maanden en de mediane overall survival was 38,6 maanden. De figuur laat zien dat er geen significante verschillen waren in PFS met atezolizumab als tweede- versus latere-lijns behandeling (A), of tweede/derde- versus latere-lijns behandeling (B), dat patiënten die immuun-gerelateerde bijwerkingen hadden niet-significant betere PFS dan patiënten zonder irAEs (D), en dat patiënten met goede performance status (ECOG 1 of 2) significant betere PFS hadden dan patiënten met slechtere PS (C; mediaan 12,03 versus 1,63 maanden; p<0,0001).

De onderzoekers concluderen dat atezolizumab voor aNSCLC in de klinische praktijk werkzaam is in tweede en latere lijnen.

1.Kontić M, Marković F, Nikolić N et al. Efficacy of atezolizumab in subsequent lines of therapy for NSCLC patients: insights from real-world data. Cancers 2024;16:3696

Summary: Real-world data from two centers in Serbia showed that progression-free survival of advanced NSCLC patients did not significantly differ between patients receiving atezolizumab as second, third, or later line of therapy. Patients with good performance status had significantly better PFS than patients with poor performance status.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Cohortstudie van ischemische cardiotoxiciteit van aromataseremmers voor vroeg postmenopauzaal mammacarcinoom (0)
2024-11-01 16:00   ( Nieuws )
Tags:  AIT for EBC in postmenopausal patients ischemic cardiotoxicity
Prof. Mads MelbyeEr is geen consensus over het risico van ischemische cardiotoxiciteit van aromataseremmertherapie (AIT) voor mammacarcinoom. Een prospectieve cohortstudie in Denemarken heeft de associatie tussen AIT en ischemische cardiotoxiciteit in postmenopauzale patiënten met vroeg-stadium mammacarcinoom (EBC) geïnventariseerd. Prof. Mads Melbye (Universiteit van Kopenhagen) en collega’s publiceren de studie in The Lancet Oncology.1

De studie includeerde 32.635 postmenopauzale patiënten met een EBC-diagnose geregistreeerd in de database van de Danish Breast Cancer Cooperative Group tussen begin 2009 en eind 2020. Onder de 29.118 patiënten zonder geschiedenis van cardiovasculaire ziekte kregen 22.135 AIT en 6983 geen AIT. Majeure ongunstige cardiovasculaire gebeurtenissen (MACE; acuut myocardinfarct of ischemische stroke) tijdens de follow-up werden gezien in 510 patiënten in de AIT-groep (4,3 per 1000 persoonsjaren) en 170 patiënten in de niet-AIT groep (4,1 per 1000 persoonsjaren) overeenkomend met een gecorrigeerd HR van 0,91 (95%-bti 0,73-1,14). Onder de 3517 patiënten met geschiedenis van cardiovasculaire ziekten werden 158 MACE gezien onder 2661 patiënten die AIT kregen (12,4 per 1000 persoonsjaren) en 50 onder 856 patiënten die geen AIT kregen (12,1 per 1000 persoonsjaren) overeenkomend met een HR van 0,81 (95%-bti 0,58-1,15).

De onderzoekers concluderen dat de studie geen klinisch relevante ischemische cardiotoxiciteit van AIT voor postmenopauzaal EBC heeft laten zien.

1.Lund M, Corn G, Jensen M-B et al. Ischaemic cardiotoxicity of aromatase inhibitors in postmenopausal patients with early breast cancer in Denmark: a cohort study of real-world data. Lancet Oncol 2024;25:1496-1506

Summary: A prospective cohort study in Denmark found no clinically relevant ischemic cardiotoxicity of aromatase inhibitor treatment for early breast cancer in postmenopausal women.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multicenter fase 2-studie van enfortumab vedotin voor eerder-behandeld gevorderd hoofd-halscarcinoom (0)
2024-11-01 14:26   ( Nieuws )
Tags:  EV-202 trial R M HNC enfortumab vedotin
Dr. Paul SwiecickiPatiënten met niet-resectabel recidiverend of metastatisch hoofd-halscarcinoom (R/M HNC) hebben een slechte prognose. In HNC wordt vaak expressie van nectine-4 gezien. De multicenter multicohort fase 2-studie EV-202 evalueert het op nectine-4 gerichte antibody-drug conjugate enfortumab vedotin (EV) voor solide tumoren met nectine-4 expressie. Dr. Paul Swiecicki (University of Michigan, Ann Arbor) en collega’s publiceren resultaten van het R/M HNC-cohort in het Journal of Clinical Oncology.1


Het cohort telde 46 patiënten met R/M HNC, die eerder een PD-(L)1 remmer en platina-gebaseerde therapie voor gevorderde ziekte hadden gekregen. De mediane leeftijd was 65 jaar (range 33-81); 40 patiënten waren mannen. De meeste patiënten (52,2%) hadden drie of meer lijnen systemische therapie gekregen. De patiënten kregen intraveneus EV 1,25 mg/kg op dagen één, acht, en vijftien van vier-weekse cycli. Het primaire eindpunt van de studie was door lokale onderzoekers beoordeelde objective response rate. De figuur laat zien dat de ORR 23,9% bedroeg, dat de disease control rate 56,5% bedroeg, en dat de mediane duur van respons tijdens mediaan 9,3 maanden follow-up niet bereikt werd (de mediane DOR was 9,4 maanden bij analyse na mediaan 11,3 maanden follow-up). De mediane progressievrije overleving was 3,9 maanden en de mediane overall survival was 6,0 maanden. De meest-waargenomen treatment-related adverse events waren alopecie (28,3% van de patiënten), vermoeidheid (26,1%), en perifere sensorische neuropathie (23,9%). Graad 3 of hoger TRAEs werden gezien in 34,8%.

De onderzoekers concluderen dat EV antitumoractiviteit had onder patiënten met zwaar-voorbehandeld HNC, zonder nieuwe veiligheidssignalen.

1.Swiecicki PL, Yilmaz E, Rosenberg AJ et al. Phase II trial of enfortumab vedotin in patients with previously treated advanced head and neck cancer. J Clin Oncol 2024; epub ahead of print

Summary: In the HNC cohort of the multicenter phase 2 EV-202 trial, enfortumab vedotin demonstrated antitumor activity among patients wit heavily pretreated recurrent or metastatic head and neck cancer.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multicenter fase 2-studie van tweedelijns onvansertib plus chemotherapie en bevacizumab voor KRAS-gemuteerd mCRC (0)
2024-11-01 12:51   ( Nieuws )
Tags:  KRAS-mutant metastatic colorectal cancer onvansertib
Prof. Heinz-Josef LenzOnvansertib is een selectieve polo-like kinase 1 (PLK1)-remmer, met sterke antitumorwerkzaamheid in preklinische modellen. Een multicenter fase 2-studie in de Verenigde Staten heeft de combinatie van onvansertib met FOLFIRI chemotherapie en bevacizumab geëvalueerd als tweedelijns behandeling na eerstelijns oxaliplatine en fluorouracil met of zonder bevacizumab voor KRAS-gemuteerd metastatisch colorectaalcarcinoom (mCRC). Prof. Heinz-Josef Lenz (University of Southern California, Los Angeles) en collega’s publiceren de studie in het Journal of Clinical Oncology.1

De studie includeerde 53 patiënten die onvansertib kregen (15 mg/m2 eens per dag op dagen een tot en met vijf en vijftien tot en met negentien van vier-weekse cycli), in combinatie met FOLFIRI en bevacizumab. Het primaire eindpunt was objective response rate. De ORR bedroeg 26,4% (95%-bti 15,3-40,3) en de mediane duur van respons was 11,7 maanden (9,4-NR). Graad 3 of 4 adverse events werden gerapporteerd in 62% van de patiënten. De figuur laat de resultaten zien van een exploratieve analyse van uitkomsten van de behandeling onder patiënten die wel versus niet in de eerste lijn bevacizumab hadden gekregen. De bevacizumab-naïeve patiënten hadden een ORR van 76,9% en een mediane PFS van 14,9 maanden vergeleken met 10% en 6,6 maanden onder de patiënten die eerder bevacizumab hadden gezien (voor ORR een odds ratio van 30,0; p<0,001; en voor PFS een HR van 0,16; p<0,001).

De onderzoekers concluderen dat onvansertib in combinatie met FOLFIRI en bevacizumab significante activiteit heeft laten zien als tweedelijns behandeling voor KRAS-gemuteerd mCRC, in het bijzonder onder patiënten die niet eerder bevacizumab hadden gekregen.

1.Ahn DH, Ridinger M, Cannon TL et al. Onvansertib in combination of with chemotherapy and bevacizumab in second-line treatment of KRAS-mutant metastatic colorectal cancer: a single-arm, phase II trial. J Clin Oncol 2024; epub ahead of print

Summary: A multicenter phase 2 trial in the USA found significant activity of onvansertib plus FOLFIRI and bevacizumab as second line treatment for KRAS-mutant mCRC, particularly in patients with no prior bevacizumab treatment.

  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Bevolkings-gebaseerde cohortstudie van associatie van chemotherapie tijdens zwangerschap en pediatrische uitkomsten (0)
2024-10-31 16:00   ( Nieuws )
Tags:  cancer chemotherapy during pregnancy adverse pediatric outcomes
Dr. Amy MetcalfeVanwege het risico van vroeggeboorte wordt toediening van chemotherapie tijdens de zwangerschap vaak uitgesteld. Het is niet duidelijk of de associatie tussen chemotherapie tijdens de zwangerschap en ongunstige pediatrische uitkomsten direct kan worden toegeschreven aan de chemotherapie of wordt gemedieerd door vroeggeboorte. Een bevolkings-gebaseerde cohortstudie in Canada heeft deze associaties geïnventariseerd. Dr. Amy Metcalfe (University of Calgary) en collega’s publiceren de studie in het Journal of the National Cancer Institute.1

De studie includeerde 1150 patiënten met een diagnose van een maligniteit tijdens de zwangerschap tussen begin 2003 en eind 2017 in de provincies Alberta, British Columbia, en Ontario. Onder deze vrouwen kregen 142 (12,3%) chemotherapie tijdens de zwangerschap. In utero blootstelling aan chemotherapie was geassocieerd met verhoogd risico van ernstige neonatale morbiditeit en mortaliteit (SNM-M; RR 1,67; 95%-bti 1,13-2,46), maar niet neurodevelopmental disorders and disabilities (HR 0,93; 95%-bti 0,71-1,22) of pediatrische complexe chronische aandoeningen (0,96; 0,80-1,16). Geboorte voor de 34e of 37e week van de zwangerschap medieerde 75,8% respectievelijk 100% van de associatie tussen chemotherapie-blootstelling en SNM-M.

De onderzoekers concluderen dat de meeste kinderen die worden geboren uit vrouwen met een maligniteit tijdens de zwangerschap gunstige lange-termijn uitkomsten hebben. Vroeggeboorte is echter niet ongebruikelijk, en kan bijdragen aan verhoogd risico van ongunstige neonatale uitkomsten.

1.Metcalfe A, Cairncross ZF, McMorris CA et al. Cancer chemotherapy in pregnancy and adverse pediatric outcomes: a population-based cohort study. J Natl Cancer Inst 2024.djae273

Summary: A population-based cohort study in Canada found that most children born to women with cancer during pregnancy have favorable long-term outcomes, even following exposure to chemotherapy in pregnancy. However, preterm birth is common, and may contribute to increased rates of adverse neonatal outcomes.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Pembrolizumab met of zonder chemotherapie voor gevorderd urotheelcarcinoom: predictieve waarde van TMB en PD-L1 (0)
2024-10-31 14:30   ( Nieuws )
Tags:  KEYNOTE-361 tumor mutational burden PD-L1 combined positive score
Dr. Aude FléchonDe multinationale fase 3-studie KEYNOTE-361 bereikte niet de primaire eindpunten van progressievrije overleving en overall survival met eerstelijns pembrolizumab plus chemotherapie versus chemotherapie voor gevorderd urotheelcarcinoom. Een vooraf-gespecificeerde exploratieve analyse heeft de associatie van tumormutatiebelasting (TMB) en PD-L1 combined positive score (CPS) met klinische uitkomsten in de studie geïnventariseerd. Dr. Aude Fléchon (Centre Léon Bérard, Lyon) en collega’s publiceren de analyse in Clinical Cancer Research.1

Onder de 993 patiënten in KEYNOTE-361 hadden 820 (82,6%) evalueerbare TMB-data en 993 (100%) evalueerbare CPS data. TMB als continue variabele was positief geassocieerd met ORR (p<0,001), PFS (p<0,001), en OS (p=0,007) voor pembrolizumab monotherapie; met PFS (p=0,007) en OS (p=0,010) voor pembrolizumab plus chemotherapie; en met OS (p=0,040) voor alleen chemotherapie. PD-L1 CPS als continue variabele was geassocieerd met ORR en PFS voor pembrolizumab monotherapie. De subgroep met TMB ≥ 175 mutaties per exoom en PD-L1 CPS ≥ 10 had de hoogste PFS- en OS-winst met pembrolizumab met of zonder chemotherapie versus alleen chemotherapie.

De onderzoekers concluderen dat TMB predictief kan zijn voor de respons van gevorderd urotheelcarcinoom op pembrolizumab met of zonder chemotherapie.

1.Fléchon A, Morales-Barrera R, Powles T et al. Association of tumor mutational burden and PD-L1 with the efficacy of pembrolizumab with or without chemotherapy versus chemotherapy in advanced urothelial carcinoma. Clin Cancer Res 2024; epub ahead of print

Summary: Prespecified exploratory analysis of the multinational phase 3 KEYNOTE-361 trial found that tumor mutational burden may be predictive for the response of advanced urothelial carcinoma to pembrolizumab with or without chemotherapy.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)