
De mediane dosis was 50,4 Gy relatief biologisch equivalent (RBE). De target volumes waren de borst/borstwand en regionale lymfeklieren, inclusief de interne borstlymfeklieren in 93%. Geen van de patiënten had onderbreking van de behandeling nodig. Onder patiënten met meer dan drie maanden follow-up (28 van 30 patiënten) werd graad 2-dermatitis gezien in 20 patiënten (71,4%) met vochtige desquamatie in 8 patiënten (28,6%). Graad 2-oesofagitis werd gezien in 8 patiënten (28,6%). Graad 3-reconstructieve complicaties kwamen voor in één patiënt.
De mediane hart-dosis was 0,88 Gy (RBE), range 0,01 tot 3,20 Gy (RBE) voor alle patiënten; en 1,00 Gy (RBE) voor patiënten met linkszijdige tumoren. De mediane V20 van de ipsilaterale long was 16,50% (range 6,1% tot 30,3%). De mediane V5 van de contralaterale long was 0,34% (range 0% tot 5,30%). De mediane maximale puntdosis naar de oesofagus was 45,65 Gy (RBE) met een range van 0 tot 65,4 Gy (RBE). De mediane dosis naar de contralaterale borst was 0,29 Gy (RBE) met een range van 0,03 tot 3,50 Gy (RBE).
De onderzoekers concluderen dat postoperatieve protontherapie voor mammacarcinoom goed verdragen worden, met acceptabele proporties van patiënten met huidtoxiciteit. Protontherapie ontziet normaal weefsel bij gewenste dekking van het doelweefsel.
1.Cuaron JJ, Chon B, Tsai H et al. Early toxicity in patients treated with postoperative proton therapy for locally advanced breast cancer. Int J Radiot Oncol Biol Physics 2015; epub ahead of print