
De onderzoekers voerden genoom- en transcriptoom sequencing analyse uit van diagnostische en remissie-monsters van kinderen met SR-ALL (n=1381) of hoog-risico B-ALL met gunstige cytogenetische kenmerken (n=115) in studies van de COG. Ze gebruikten een case-control studie-opzet voor het vergelijken van 439 patiënten met relapse versus 1057 patiënten die tenminste vijf jaar in complete remissie bleven. De analyses wezen uit dat genomisch subtype geassocieerd was met relapse, die voorkwam in ongeveer 50% van de patiënten met PAX5-veranderd ALL (OR 3,31; p=3,18 x 10-8). Binnen de groep met hoog-hyperdiploïd ALL was gain van chromosoom 10 met disomie van chromosoom 7 geassocieerd met gunstige uitkomst (OR 0,27; p=8,02 x 10-10) en was disomie van chromosomen 10 en 17 met gain van chromosoom 6 geassocieerd met relapse (7,16; p=2,10 x 10-5). Genomische veranderingen waren subtype-afhankelijk geassocieerd met relapse, waaronder veranderingen in INO80 in ETV6::RUNX1 ALL, IKZF1 en CREBBP in hoog-hyperdiploïd ALL, en FHIT in BCR::ABL1-like ALL. Genomische veranderingen waren ook geassocieerd met aanwezigheid van minimaal residuele ziekte.
De onderzoekers concluderen dat genetisch subtype, aneuploïdiepatronen, en secundaire genomische veranderingen het risico van relapse in kinderen met ALL bepalen.
1.Chang T-C, Chen W, Qu C et al. Genomic determinants of outcome in acute lymphoblastic leukemia. J Clin Oncol 2024; epub ahead of print
Summary: Pooled analysis of diagnostic and remission samples of children enrolled in Children’s Oncology Group trials found that genetic subtype, patterns of aneuploidy, and secondary genomic alterations determine risk of relapse in childhood standard-risk ALL.