
De studie includeerde 60 patiënten (42% vrouwen) die werden gerandomiseerd naar alleen pembrolizumab (n=20), sequentiële therapie (dabrafenib plus trametinib gevolgd door pembrolizumab; n=20) of concurrente triple therapie (n=20), gevolgd door chirurgie en adjuvante therapie. Het primaire eindpunt was pathologische-responspercentage Dit bedroeg 55% inclusief 30% pathologisch complete respons in de alleen-pembrolizumab groep, 50% met 15% pCR in de sequentiële-therapiegroep, en 80% met 50% pCR in de concurrente-therapiegroep; waarmee in elk van de drie groepen het primaire eindpunt bereikt werd. Treatment-related adverse events werden tijdens de neoadjuvante behandeling gezien in 75% tot 100% van de patiënten in de drie groepen, met zeven vroege discontinueringen, alle in de concurrente-therapiegroep. Na twee jaar was het gebeurtenisvrije-overlevingspercentage 60% in de alleen-pembrolizumabgroep, 80% in de sequentiële-therapiegroep, en 71% in de concurrente-therapiegroep. Recidieven na majeure pathologische respons waren meer frequent in de groepen met gerichte therapie, hetgeen kan wijzen op lagere ‘responskwaliteit’ met toevoegen van gerichte therapie aan neoadjuvante immuuntherapie.
De onderzoekers concluderen dat, tot resultaten van langere follow-up bekend zijn, immuuntherapie en gerichte therapie niet dienen te worden gecombineerd in de neoadjuvante setting van melanoom.
1.Long GV, Carlino MS, Au-Yeung G et al. Neoadjuvant pembrolizumab, dabrafenib and trametinib in BRAFV600-mutant resectable melanoma: the randomized phase 2 NeoTrio trial. Nature Med 2024-03077-5
Summary: The multicenter phase 2 NeoTrio trial in Australia found no benefit of adding BRAF-targeted therapy to neoadjuvant immunotherapy among patients with resectable stage III BRAFV600-mutant melanoma.