Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

pCR-percentages met neoadjuvant pembrolizumab plus chemotherapie voor ER-laag HER2-negatief mammacarcinoom (0)
2025-02-04 13:00   ( Nieuws )
Tags:  Neo-Real trial
Dr. Romualdo Barroso-SousaER-laag mammacarcinoom (BC) heeft klinisch-pathologische kenmerken en ziektegedrag die sterk lijken op die van triple-negatief (TN) BC, maar is geëxcludeerd uit veel pivotal TNBC-studies. Neoadjuvant pembrolizumab plus chemotherapie (P+CT) is een standaard-behandeling voor stadium II of III TNBC. De Neo-Real studie, in tien centra in Brazilië, heeft zes cycli neoadjuvant P+CT voor ER-laag HER2-negatief BC geëvalueerd. Dr. Romualdo Barroso-Sousa (Grupo Brasileiro de Estudos Em Câncer de Mama, Sâo Paulo) en collega’s publiceren de studie in Breast Cancer Research and Treatment.1

De studie includeerde twintig patiënten (mediane leeftijd 40 jaar; range 28-64; 90% graad 3 tumoren, 70% stadium II tumoren; mediane Ki67 index 75%: range 30-95), die neoadjuvant P+CT kregen voor ER-laag HER2-negatief BC. Alle patiënten ondergingen chirurgie. Het primaire eindpunt van de studie was percentage patiënten met pathologisch complete respons (pCR). Deze werd gezien in twaalf patiënten (60%). Ontvangst van minder dan zes cycli P+CT was geassocieerd met een trend van lager pCR-percentage (20% versus 73,3%).

De onderzoekers concluderen dat de respons van ER-laag HER2-negatief BC op neoadjuvant P+CT vergelijkbaar was met wat is gezien voor TNBC.

1.Colombo Bonadio R, Celeste Tavares M, Cavalcanti Balint F et al. Pathologic complete response rates of patients with ER-low/HER2-negative breast cancer treated with neoadjuvant pembrolizumab plus chemotherapy in the neo-real study. Breast Cancer Res Treat 2025-07628-3

Summary: The multicenter Neo-Real study in Brazil found that neoadjuvant pembrolizumab plus chemotherapy for ER-low, HER2-negative breast cancer resulted in a pCR rate of 60%, similar to what has been seen for triple-negative breast cancer.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Post hoc analyse van adjuvant pembrolizumab voor stadium II melanoom per primaire-tumor locatie (0)
2025-02-03 16:00   ( Nieuws )
Tags:  KEYNOTE-716 outcomes by primary tumor location
Dr. Charles YoonDe multinationale fase 3-studie KEYNOTE-716 heeft laten zien dat na resectie van stadium IIB of IIC melanoom, adjuvant pembrolizumab vergeleken met placebo resulteerde in significante verbetering van de recidiefvrije overleving (RFS) en afstandsmetastasevrije overleving (DMFS). Een post hoc analyse van de studie heeft de werkzaamheid van pembrolizumab voor verschillend locaties van de primaire tumor (hoofd-hals, romp, of ectremiteiten) geëvalueerd. Dr. Charles Yoon (Dana-Farber Brigham Cancer Center, Boston MA) en collega’s publiceren de analyse in Annals of Surgical Oncology.1


KEYNOTE-716 includeerde patiënten in de leeftijd van 12 jaar of ouder na resectie van nieuw-gediagnostiseerd stadium IIB of IIC. De patiënten werden 1:1 gerandomiseerd naar pembrolizumab 200 mg of 2mg/kg tot aan 200 mg voor pediatrische patiënten iedere drie weken (n=487) of placebo (n=489). De mediane follow-up was 39,4 maanden. De HRs voor RFS waren 0,60 (95%-bti 0,38-0,93) voor de hoofd-hals subgroep; 0.57 (0,38-0,84) voor de romp-subgroep; en 0,69 (0,47-1,02) voor de extremiteiten-subgroep; de HRs voor DMFS waren 0,65 (0,37-1,14) voor de hoofd-hals subgroep; 0,59 (0,38-0,92) voor de romp-subgroep; en 0,53 (0,31-0,90) voor de extremiteiten-subgroep.

De onderzoekers concluderen dat RFS en DMFS consistent beter waren met adjuvant pembrolizumab vergeleken met placebo in de meeste subgroepen van KEYNOTE-716.

1.Yoon CH, Ross MI, Gastman BR et al. Adjuvant pembrolizumab in stage II melanoma: outcomes by primary tumor location in the randomized, double-blind, phase III KEYNOTE-716 trial. Ann Surg Oncol (2025) 024-16642-6

Summary: Post hoc analysis of the multinational phase 3 KEYNOTE-716 trial found that after resection of stage IIB or IIC melanoma, adjuvant pembrolizumab versus placebo consistently resulted in improved RFS and DMFS in most subgroups by primary tumor location.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

NCDB-analyse van adjuvante radiotherapie voor verschillende typen galwegcarcinomen (0)
2025-02-03 14:30   ( Nieuws )
Tags:  BTCs adjuvant RT
Dr. Hop Tran CaoGalwegcarcinomen (BTCs) hebben uiteenlopende tumorbiologie maar delen een slechte prognose, met vijf-jaars overlevingspercentages van 5 tot 20%. Chirurgische resectie is de enige potentieel curatieve behandeling, maar in veel patiënten wordt recidief gezien. Analyse van gegevens in de National Cancer Database heeft de rol van adjuvante radiotherapie (RT) na resectie van BTC geëvalueerd. Dr. Hop Tran Cao (MD Anderson Cancer Center, Houston TX) en collega’s publiceren de analyse in Cancers.1

De analyse includeerde patiënten na R0- of R1-resectie voor niet-metastatisch BTC, die geen neoadjuvante chemotherapie hadden gekregen. Onder de 21.275 patiënten waren 5308 met intrahepatisch cholangiocarcinoom (IHC), 2689 met perihilair cholangiocarcinoom (PHC), 3092 met distaal cholangiocarcinoom (DCC), en 10.186 met galblaascarcinoom (GBC). In propensity matched analyse was adjuvante RT niet geassocieerd met betere overleving van IHC-patiënten. Adjuvante RT was geassocieerd met betere overleving dan geen adjuvante therapie onder patiënten met PHC (mediaan 31,2 versus 26,3 maanden; p=0,004) en DCC (33,7 versus 27,0 maanden; p=0,015) maar niet vergeleken met alleen adjuvante chemotherapie. Onder patiënten met GBC was adjuvante RT geassocieerd met significant betere overleving dan geen adjuvante therapie of chemotherapie (30,2 versus 26,6 versus 24,6 maanden; p=0,05 en p=0,001).

De onderzoekers concluderen dat adjuvante RT overlevingsprofijt levert voor GBC en geen overlevingsprofijt voor IHC, terwijl het overlevingsprofijt voor PHC en DCC wel wordt gezien vergeleken met geen adjuvante therapie maar niet vergeleken met alleen chemotherapie.

1.Seo YD, Acidi B, Newton A et al. Defining the role of adjuvant radiotherapy for biliary tract cancers: a site-specific propensity-matched analysis. Cancers 2025;17:494




  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Impact van voedingsgewoonten op cardiometabole gezondheid van overlevers van mammacarcinoom (0)
2025-02-03 13:00   ( Nieuws )
Tags:  Pathways Study
Dr. Isaac ErgasOverlevers van mammacarcinoom (BC) hebben vergeleken met de algemene bevolking verhoogde risico’s van cardiometabole aandoeningen. In de algemene bevolking kan een gezond voedingspatroon het risico van deze aandoeningen verlagen. Het is niet duidelijk of dit ook het geval is onder BC-overlevers. De Pathways Study is een multicenter prospectieve studie in de Verenigde Staten, die tussen begin 2005 en eind 2013 vrouwen includeerde na een diagnose invasief BC. Dr. Isaac Ergas (Kaiser Permanente Northern California, Pleasanton) en collega’s publiceren in Breast Cancer Research and Treatment een analyse van de associatie van voedingsgewoonten en het risico van cardiometabole aandoening in de Pathways Study.1

De analyse includeerde 3415 Pathways-deelnemers, die bij inclusie informatie verstrekten over hun voedingsgewoonten door het beantwoorden van voedselfrequentievragenlijsten. De onderzoekers bepaalden de concordantie van de voedingsgewoonten met vijf gezonde eetpatronen: de Dietary Approaches to Stop Hypertension (DASH), de healthy Plant-based Dietary Index (hPDI), de 2020 Healthy Eating Index (HEI), de voedingsrichtlijnen van de American Cancer Society (ACS), en de alternate Mediterranean Diet Index (aMED).

Tijdens gemiddeld 11,5 jaar follow-up na de BC-diagnose (range 0,3-16,3) ontwikkelden 554 deelnemers (16,2%) hypertensie, 362 (10,6%) diabetes, en 652 (19,1%) dyslipidemie. De cumulative incidence rate van any cardiometabole aandoening 15 jaar na de BC-diagnose was 39,2% onder vrouwen in het hoogste HEI-kwartiel vergeleken met 49,3% onder vrouwen in het laagste kwartiel. Na correctie hadden vrouwen in het hoogste versus laagste HEI-kwartiel lager risico van any cardiometabole aandoening (HR 0,70; p voor trend 0,006), hypertensie (0,71; 0,007), diabetes (0,57; <0.001), en dyslipidemie (0,77; 0,04). Er waren vergelijkbare associaties voor DASH, hPDI, en ACS met de incidentie van diabetes.

De onderzoekers concluderen dat gezondere voedingsgewoonten bij een BC-diagnose geassocieerd waren met lagere cardiometabole risico’s.

1.Ergas IJ, Cheng RK, Roh JM et al. Diet quality and cardiometabolic health in breast cancer survivors: the Pathways Study. Breast Cancer Res Treat 2025-07629-2

Summary: The multicenter prospective Pathways Study in the USA found that healthier diets at breast cancer diagnosis were associated with lower cardiometabolic risks.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multinationale niet-gerandomiseerde fase 1-2 studie van nivolumab met of zonder ipilimumab voor R/M merkelcelcarcinoom (0)
2025-02-02 16:00   ( Nieuws )
Tags:  CheckMate 358 R M MCC nivolumab with or without ipilimumab
Prof. Shailender BhatiaOngeveer 50% van de patiënten met gevorderd merkelcelcarcinoom (MCC) hebben primaire of verworven resistentie tegen PD-(L)1 blokkade. Deze resistentie zou kunnen worden verminderd door combinatie van de PD-(L)1 blokkade met anti-CTLA-4 blokkade. In het recidiverend/metastatisch (R/M)-cohort van de niet-gerandomiseerde multinationale fase 1-2 CheckMate 358 studie is nivolumab met of zonder ipilimumab voor R/M MCC geëvalueerd. Prof. Shailender Bhatia (University of Washington, Seattle) en collega’s publiceren de studie in het Journal of Clinical Oncology.1

De studie includeerde patiënten die ten hoogste twee eerdere lijnen systemische therapie maar geen immuuncheckpointremmers hadden gekregen voor R/M MCC. De patiënten kregen nivolumab 240 mg iedere twee weken (n=25) of nivolumab 3 mg/kg iedere twee weken plus ipilimumab 1 mg/kg iedere zes weken (n=43). Het primaire eindpunt was objectieve respons. De figuur laat zien dat de ORR 60% (95%-bti 38,7-78,9) was in het nivolumab-monotherapiecohort en 58% (42,1-73) in het nivolumab-ipilimumabcohort; de mediane duur van respons was 60,6 maanden (16,7-NA) en 25,9 maanden (10,4-NA) in de twee cohorten. Deze figuur laat zien dat de mediane progressievrije overleving en overall survival 21,3 maanden (95%-bti 9,2-62,5) respectievelijk 80,7 maanden (23,3-NA) waren in het nivolumab-monotherapiecohort en 8,4 maanden (3,7-24,3) respectievelijk 29,8 maanden (8,5-48,3) in het nivolumab-ipilimumabcohort. De incidentie van graad 3 of 4 treatment-related adverse events was 28% met alleen nivolumab en 47% met de combinatie.

De onderzoekers concluderen dat de studie frequente en duurzame respons van R/M MCC heeft laten zien op zowel nivolumab monotherapie als op nivolumab plus ipilimumab. Er waren echter geen aanwijzingen voor betere uitkomsten met de combinatie dan met nivolumab monotherapie.

1.Bhatia S, Topalian SL, Sharfman W et al. Nivolumab with or without ipilimumab in patients with recurrent or metastatic Merkel cell carcinoma: a nonrandomized, open-label, international, multicenter phase I/II study. J Clin Oncol (2025) 24-02138

Summary: In the R/M Merkel cell carcinoma cohort of the multinational nonrandomized CheckMate 358 trial, both nivolumab monotherapy and nivolumab plus ipilimumab resulted in frequent and durable responses, without improved efficacy with the combination over nivolumab monotherapy.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Systematich overzicht en meta-analyse van immuuncheckpointremmers voor gevorderd NSCLC in oudere patiënten (0)
2025-02-02 08:06   ( Nieuws )
Tags:  aNSCLC in elderly patients ICIs
Immuuncheckpointremmers (ICIs) zijn de behandeling van eerste keus voor gevorderd niet-kleincellig longcarcinoom zonder targetabele veranderingen. De evidentie in de populatie van oudere patiënten (65 jaar of ouder) is echter beperkt. Een systematisch overzicht en meta-analyse van gepubliceerde studies heeft werkzaamheid en veiligheid van ICIs voor aNSCLC in oudere patiënten geïnventariseerd. Prof. Jun Dang (China Medical University, Shenyang) en collega’s publiceren de analyse in eClinicalMedicine.1

In de literatuur tot en met eind september 2024 identificeerden de onderzoeker 35 gerandomiseerde fase 3-studies met tezamen 9788 oudere patiënten en 64 observationele studies met tezamen 37.111 oudere patiënten. In meta-analyse van de RCTs waren ICIs vergeleken met chemotherapie geassocieerd met significant betere progressievrije overleving (HR 0.67; 95%-bti 0,60-0,75) en overall survival (0,78; 0,74-0,82). De associatie tussen ICIs en betere OS was onafhankelijk van ras van de patiënt of histologisch type van de ziekte en van ICI-type of lijn van behandeling. Echter, significant betere OS werd niet gezien in de subgroepen met leeftijd 75 jaar of ouder en PD-L1 expressie lager dan 1%. In de observationele real-world studies was de mediane OS met ICIs 11,8 maanden (95%-bti 11,2-12,4). ECOG performance score 2 of hoger had een verzwakkende impact of de werkzaamheid van de ICIs.

De onderzoekers concluderen dat onder aNSCLC-patiënten in de leeftijd van 65 jaar en ouder ICIs geassocieerd zijn met significant PFS- en OS-profijt vergeleken met chemotherapie. Sommige patiënt-kenmerken zoals leeftijd 75 jaar of hoger, ECOG PS 2 of hoger, en PD-L1 expressie lager and 1% hadden verzwakkend impact of de werkzaamheid van ICIs.

1.Yao J, Li S, Bai L et al. Efficacy and safety of immune checkpoint inhibitors in elderly patients with advanced non-small cell lung cancer: a systematic review and meta-analysis. eClinMed 2025.103081

Summary: Systematic review and meta-analysis of published studies found that ICIs are associated with a significant improvement in OS and PFS compared to chemotherapy in eldery patients (≥ 65 years) with advanced NSCLC. Nevertheless. Some patient characteristics such as age ≥ 75 years, ECOG score ≥2, and PD-L1 < 1% seem to have a negative impact on the efficacy of ICIs.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Jaarlijkse versus minder frequente mammografie-surveillance onder vijftig-plussers met mammacarcinoom (0)
2025-02-01 16:00   ( Nieuws )
Tags:  Mammo-50
Prof. Janet DunnDe frequentie van mammografie-surveillance onder vrouwen na een diagnose mammacarcinoom loopt uiteen tussen verschillende landen. De noninferioriteits fase 3-studie Mammo-50, in 114 centra in het Verenigd Koninkrijk, heeft resultaten met minder dan jaarlijkse versus jaarlijks mammografie-surveillance onder mammacarcinoom-patiënten in de leeftijd van 50 jaar of ouder vergeleken. Prof. Janet Dunn (University of Warwick) en collega’s publiceren de studie in The Lancet.1

De studie includeerde 5235 vrouwen drie jaar na curatieve chirurgie voor mammacarcinoom. De vrouwen werden gerandomiseerd naar jaarlijkse mammografie (n=2618) of minder-frequente mammografie (iedere twee jaar na borstsparende chirurgie; iedere drie jaar na mastectomie; n=2617). Tijdens mediaan 5,7 jaar follow-up (IQR 5,0-6,0; 8,7 jaar na curatieve chirurgie) overleden 343 vrouwen, onder wie 116 aan mammacarcinoom (61 in de jaarlijkse-mammografiegroep en 55 in de minder-frequente mammografiegroep). De figuur laat zien dat minder-frequente mammografie niet-inferieur was aan jaarlijkse mammografie voor de eindpunten mammacarcinoom-specfieke overleving, recidiefvrije overleving, en overall survival.

De onderzoekers concluderen dat onder vrouwen in de leeftijd van 50 jaar of ouder en drie jaar na de diagnose mammacarcinoom, minder frequent dan jaarlijkse mammografie niet-inferieur was aan jaarlijkse mammagrafie voor ziektespecifieke overleving, recidiefvrije overleving, en overall survival

1.Dunn JA, Donnelly P, Elbeltagi N et al. Annual versus less frequent mammographic surveillance in people with breast cancer aged 50 years and older in the UK (Mammo-50): a multicentre, randomised, phase 3, non-inferiority trial. Lancet 2025;405:396-407




  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Surrogaat-eindpunten voor overall survival in neoadjuvante gerandomiseerde studies van vroeg-stadium mammacarcinoom (0)
2025-02-01 14:30   ( Nieuws )
Tags:  neoadjuvant EBC RCTs pCR and iDFS as surrogate endpoints for OS
Dr. Fabio ConfortiHet is niet duidelijk in hoeverre pathologisch complete respons (pCR) en invasieve-ziektevrije overleving (iDFS) geschikte surrogaat eindpunten zijn voor overall survival (OS) in neoadjuvante gerandomiseerde klinische studies (RCTs) van vroeg-stadium mammacarcinoom (EBC). Een analyse van individuele patiëntgegevens van neoadjuvante RCTs van EBC heeft de associatie van pCR en iDFS met OS geëvalueerd. Dr. Fabio Conforti (Humanitas Universiteit, Rozzano, Italië) en collega’s publiceren de analyse in het Journal of Clinical Oncology.1

De analyse includeerde elf RCTs met vijftien behandelings-vergelijkingen en 12.247 patiënten. De associatie tussen HRs voor OS en ORs van pCR was zwak, zowel onder alle patiënten (R2 0,07; 95%-bti 0,00-0,48) als in onderzochte subgroepen. De R2 voor de associatie tussen de OS-HR en iDFS-HR bedroeg onder alle patiënten 0,46 (95%-bti 0,08-0,71), dicht onder het afsnijpunt voor matige surrogacy. De R2 liep in de meerderheid van de onderzochte subgroepen uiteen van 0,5 tot 0,7; en was sterker in subgroepen met HR-negatief HER2-negatieve ziekte, histologisch graad 1 of 2 tumoren, en lobulaire tumoren. De surrogaat-waarde van iDFS voor OS werd beïnvloed door de lengte van follow-up: R2 nam substantieel toe met lengte van follow-up tot 36 maanden, met weinig verdere verbetering na 48 maanden follow-up.

De onderzoekers concluderen dat in neoadjuvante RCTs van EBC, iDFS met voldoende follow-up een acceptabel surrogaat-eindpunt was voor OS, met uitzondering van HR-positieve ziekte.


1.Conforti F, Nekljudova V, Sala I et al. Surrogate end points for overall survival in neoadjuvant randomized clinical trials for early breast cancer. J Clin Oncol (2025) 24-01360

Summary: Individual patient data analysis of 11 neoadjuvant RCTs of early breast cancer found that invasive disease-free survival with sufficient follow-up is an acceptable surrogate endpoint for overall survival. This holds true across many subgroups, with a notable exception of HR-positive disease.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)