Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Associatie van moleculaire subtypen met uitkomsten van apalutamide voor niet-metastatisch castratieresistent prostaatcarcinoom (0)
2021-06-04 13:00   ( Nieuws )
Tags:  apalutamide for nmCRPC molecular subtypes
Dr. Felix FengEr is behoefte aan prognostische biomarkers voor het geleiden van behandeling voor niet-metastatisch castratieresistent prostaatcarcinoom (nmCRPC). Een analyse van primaire tumormonsters van de fase 3-studie SPARTAN heeft de associatie van genomic classifier (GC)-score en moleculaire subtypen van nmCRPC met de respons op apalutamide geïnventariseerd. Prof. Felix Feng (University of California San Francisco) en collega’s publiceren de analyse in JAMA Oncology.1

De onderzoekers analyseerden genexpressie-gegevens van 233 gearchiveerde monsters van patiënten die in SPARTAN 2:1 werden gerandomiseerd naar apalutamide plus androgeendeprivatietherapie of placebo plus ADT. De mediane leeftijd van de 233 patiënten was 73 jaar (range 49-91); 116 patiënten hadden tumoren met hoge GC-scores, gedefinieerd als GC hoger dan 0,6; en 152 patiënten hadden basaal moleculair subtype.

Hoewel in alle patiënten apalutamide plus ADT geassocieerd was met betere uitkomsten dan placebo plus ADT, was hoge GC-score geassocieerd met de sterkste verbetering van metastasevrije overleving met apalutamide plus ADT (HR 0,21; p<0,001), OS (HR 0,52; p=0,03), en PFS2 (HR 0,39; p=0,001) versus placebo plus ADT. In de placebo plus ADT-arm waren er geen significante verschillen in MFS, OS, of PFS2 tussen patiënten met luminaal versus basaal subtype, maar in de apalutamide plus ADT-arm was luminaal versus basaal subtype geassocieerd met significant langere MFS en trends van langere OS en PFS2. In regressie-analyse was luminaal-basaal subtypescore significant geassocieerd met MFS in de apalutamide plus ADT-arm (HR 2,65; p=0,02), terwijl GC-score significant geassocieerd was met MFS in de placebo plus ADT-arm (HR 2,09; p=0,04).

De onderzoekers concluderen dat de GC-score en basaal-luminaal subtype bepaald in tumormonsters biomarkers van respons van nmCRPC op apalutamide waren.

1.Feng FY, Thomas S, Saad F et al. Association of molecular subtypes with differential outcome to apalutamide treatment in nonmetastatic castration-resistant prostate cancer. JAMA Oncol 2021.1463

Summary: Analysis of primary tumor samples of nmCRPC patients randomized to apalutamide plus ADT versus placebo plus ADT in the SPARTAN trial, suggested that genomic classifier score and basal-luminal subtype may be biomarkers of response to apalutamide.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Gerichte therapie en overleving van patiënten met intracraniële metastatische ziekte (0)
2021-06-04 12:00   ( Nieuws )
Tags:  IMD targeted therapy overall survival
Dr. Sunit DasEr zijn aanwijzingen dat gerichte therapie (TT) kan leiden tot verlenging van de overleving van patiënten met intracraniële metastatische ziekte (IMD), maar TT is ook geassocieerd met verhoging van de IMD-incidentie voor verbetering van de systemische ziektecontrole en verlenging van de overleving na de primaire diagnose. Het real-world profijt van TT voor IMD is niet bekend, omdat klinische studies van TT patiënten met IMD excludeerden. Een retrospectieve cohortstudie in Ontario (Canada) heeft dit profijt geïnventariseerd. Dr. Sunit Das (University of Toronto) en collega’s publiceren de studie in JAMA Oncology.1

De studie includeerde alle patiënten met tussen april 2005 en januari 2018 een IMD-diagnose van mammacarcinoom, longcarcinoom, of melanoom (n=22.676), en controlepatiënten met dezelfde primaire ziekte maar zonder IMD. Onder de patiënten met IMD was post-IMD TT geassocieerd met langere overleving in patiënten met HER2-positief mammacarcinoom (HR 0,41; 95%-bti 0,33-0,50), EGFR-positief longcarcinoom (0,28; 0,23-0,34), en BRAF-positief melanoom (0,20; 0,14-0,29) vergeleken met patiënten die geen post-IMD TT kregen. Onder patiënten die TT kregen was aanwezigheid van IMD geassocieerd met kortere overleving van patiënten met metastatisch HER2-positief mammacarcinoom (HR 1,80; 95%-bti 1,56-2,08) en metastatisch EGFR-positief longcarcinoom (1,22; 1,08-1,39), maar niet metastatisch BRAF-positief melanoom (1.11; 0,77-1,61) vergeleken met patiënten zonder IMD.

De onderzoekers concluderen dat er een associatie was tussen real-world gebruik van TT en verlengde overleving van patiënten met IMD van HER2-positief mammacarcinoom, EGFR-positief longcarcinoom, en BRAF-positief melanoom.

1.Erickson AW, Habbous S, Wright F et al. Assessing the association of targeted therapy and intracranial metastatic disease. JAMA Oncol 2021.1600

Summary: A retrospective study in Ontario found that targeted therapies were associated with improved survival of intracranial metastatic disease from HER2-positive breast cancer, EGFR-positive lung cancer, of BRAF-positive melanoma


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multinationale fase 3-studie van adjuvant nivolumab versus placebo voor spierinvasief urotheelcarcinoom (0)
2021-06-03 15:00   ( Nieuws )
Tags:  CheckMate 274 MIUC adjuvant nivolumab versus placebo
Prof. Dean BajorinEr is geen duidelijkheid over de waarde van adjuvante behandeling van hoog-risico spierinvasief urotheelcarcinoom (MIUC). De multinationale fase 3-studie CheckMate 274 heeft adjuvant nivolumab vergeleken met placebo voor hoog-risico MIUC. Prof. Dean Bajorin (Memorial Sloan Kettering Cancer Center, New York) en collega’s publiceren de studie in The New England Journal of Medicine.1

De studie includeerde patiënten die radicale chirurgie hadden ondergaan voor hoog-risico MIUC 1:1 naar intraveneus nivolumab 240 mg (n=353) of placebo (n=356) iedere twee weken voor de duur van ten hoogste een jaar. Neoadjuvante cisplatine-gebaseerde chemotherapie voor inclusie in de studie was toegestaan. De primaire eindpunten waren ziektevrije overleving onder alle patiënten (ITT-populatie) en onder patiënten met expressie van PD-L1 1% of hoger.

De mediane DFS in de ITT-populatie was 20,8 maanden met nivolumab versus 10,8 maanden met placebo. Het percentage ziektevrije patiënten na zes maanden in de ITT-populatie was 74,9% met nivolumab versus 60,3% met placebo (HR 0,70; p<0,001). In de groep patiënten met PD-L1 expressie 1% of hoger was het percentage ziektevrije patiënten na zes maanden 74,5% met nivolumab versus 55,7% met placebo (HR 0,55; p<0,001). Graad 3 of hoger treatment-related adverse events werden gezien in 17,9% van de patiënten in de nivolumabgroep en 7,2% van de patiënten in de placebogroep. Twee patiënten in de nivolumabgroep overleden aan behandelings-gerelateerde pneumonitis.

De onderzoekers concluderen dat na radicale chirurgie voor hoog-risico MIUC de ziektevrije overleving significant langer was met adjuvant nivolumab dan met placebo, zowel in de ITT-populatie als in de groep patiënten met PD-L1 expressie 1% of hoger.

1.Bajorin DF, Witjes JA, Gschwend JE et al. Adjuvant nivolumab versus placebo in muscle-invasive urothelial carcinoma. N Engl J Med 2021;384:2102-2114

Summary: The multinational phase 3 trial CheckMate 274 compared adjuvant nivolumab versus placebo after radical surgery for high-risk muscle-invasive urothelial carcinoma. In the ITT population the disease-free survival rate at six months was 74.9% with nivolumab versus 60.3% with placebo (HR 0.70; p<0.001). Among patients with a PD-L1 expression level of 1% or more, the DFS rate was 74.5% with nivolumab versus 55.7% with placebo (HR 0.55; p<0.001).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Meta-analyse van studies van klinische relevantie van consensus moleculaire subtypen in colorectaalcarcinoom (0)
2021-06-03 14:00   ( Nieuws )
Tags:  CRC CMSs clinical value
Prof. Louis VermeulenDe consensus moleculaire subtypen (CMSs) van colorectaalcarcinoom (CRC) worden onderscheiden op basis van heterogeniteit van genexpressie in de tumoren. Een systematisch overzicht en meta-anslyse van gepubliceerde studies heeft de klinische relevantie van deze CMSs geïnventariseerd. Prof. Louis Vermeulen (Amsterdam UMC) en collega’s publiceren de analyse in het Journal of the National Cancer Institute.1


In patiënten met lokale ziekte waren CMS4-tumoren geassocieerd met slechtere overall survival vergeleken met CMS1 (HR 3,28; 95%-bti 1,27-8,47) en vergeleken met CMS 2 (2,60;1,93-3,50). In patiënten met metastatische ziekte was CMS1 consistent geassocieerd met slechtere overleving dan CMS2-4 (OS-HR range 0,33 tot 0,55; PFS-HR range 0,52-0,89). Adjuvante chemotherapie voor stadium II of III CRC resulteerde in de beste OS onder CMS2 en CMS3 (HR-range 0,16 tot 0,45) en was niet effectief voor CMS4. In patiënten met metastatisch CMS4 CRC was irinotecan-gebaseerde therapie geassocieerd met betere uikomsten dan oxaliplatine (HR-range 0,31 tot 0,72). Toevoeging van bevacizumab aan de behandeling was geassocieerd met betere uitkomsten in CMS1, en anti-EGFR therapie was geassocieerd met betere uitkomsten in KRAS-wildtype CMS2.

De onderzoekers concluderen dat de CMS-klassering klinische relevantie kan hebben, met voorspelling van zowel de prognose als de respons op systemische therapie. Deze relevantie dient te worden bevestigd in prospectieve studies.

1.Ten Hoorn S, de Back TR, Sommeijer DW, Vermeulen L. Clinical value of consensus molecular subtypes in colorectal cancer: a systematic review and meta-analysis. J Natl Cancer Inst 2021; epub ahead of print

Summary: Systematic review and meta-analysis of published studies showed that the Consensus Molecular Subtype classification in colorectal cancer holds clear potential for clinical use in predicting both prognosis and response to systemic therapy.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Risicofactoren voor diagnose gevorderd mammacarcinoom binnen twee jaar na een negatief mammogram (0)
2021-06-03 13:00   ( Nieuws )
Dr. Anne Marie McCarthyHet kunnen identificeren van vrouwen met verhoogd risico van interval-mammacarcinomen heeft evidente voordelen. Een analyse onder vrouwen die deelnemen aan screeningsprogramma’s in de Verenigde Staten heeft risicofactoren geïnventariseerd voor een diagnose gevorderd mammacarcinoom binnen twee jaar na een negatief mammogram. Dr. Anne Marie McCarthy (Perelman School of Medicine van de University of Pennsylvania, Philadelphia) en collega’s publiceren de analyse analyse in Cancer.1

De analyse includeerde 74.736 vrouwen die tussen begin 2006 en eind 2015 deelnamen aan mammografiescreening. Intervalcarcinomen werden gedefinieerd als gevorderd als ze groter waren dan 2 cm, of groter dan 1 cm en triple-negatief of HER2-positief, geassocieerd waren met positieve lymfeklieren, of metastatisch waren. Onder de 1345 intervalcarcinomen die in het cohort werden gezien waren 357 gevorderd (26,5%) en 988 vroeg-stadium (73,5%). Borstdichtheid, eerdere biopsie, en familiegeschiedenis waren geassocieerd met verhoogd risico van zowel gevorderd als vroeg-stadium mammacarcinoom. Vrouwen met overgewicht of obesitas hadden in het tweede jaar na de screening een 41% verhoogd risico van vroeg-stadium mammacarcinoom (HR 1,41; p<0,001). Vrouwen met obesitas hadden in het eerste jaar na de screening een 90% verhoogd risico van gevorderd mammacarcinoom (HR 1,90; p=0,014). Zowel vrouwen met overgewicht als vrouwen met obesitas hadden in het tweede jaar een verhoogd risico van gevorderd mammacarcinoom (overgewicht: HR ,55; p=0,005; obesitas 1,42; p=0,051).

De onderzoekers concluderen dat overgewicht en obesitas geassocieerd waren met verhoogd risico van gevorderd mammacarcinoom binnen twee jaar na een negatief mammogram.

1.McCarthy AM, Ehsan S, Appel S et al. Risk factors for an advanced breast cancer diagnosis within 2 years of a negative mammogram. Cancer 2021; epub ahead of print

Summary: Analysis among 74,736 women found that overweight and obesity were associated with an advanced breast cancer diagnosis within 2 years of a negative mammogram.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multicenter gerandomiseerde fase 2 studie van PET-respons geleide chemoradiotherapie voor slokdarmadenocarcinoom (0)
2021-06-03 12:00   ( Nieuws )
Tags:  CALGB 80803 esophageal and esophagogastric junction adenocarcinoma
Prof. Karyn GoodmanHet optimale neoadjuvante chemotherapie voor adenocarcinoom van de slokdarm of maag-slokdarmovergang is niet bekend. De multicenter gerandomiseerde fase 2-studie CALGB 80803 in de Verenigde Staten evalueerde vroege PET-respons in deze setting. Prof. Karyn Goodman (Icahn School of Medicine at Mount Sinai, New York) en collega’s publiceren de studie in het Journal of Clinical Oncology.1

De studie includeerde 241 patiënten. Na baseline-PET werden de patiënten gerandomiseerd naar inductiechemotherapie met FOLFOX of carboplatine-paclitaxel (PC), waarna de patiënten opnieuw PET-scan ondergingen. De PET-nonresponders (<35% afname in SUV) in de FOLFOX-groep kregen CP en de nonresponders in de CP-groep kregen FOLFOX tijdens de chemoradiotherapiefase (50,4 Gy in 28 fracties), terwijl de PET-responders tijdens de CRT hun initiële chemotherapie voortzetten. Zes weken na de CRT ondergingen de patiënten chirurgie. Het primaire eindpunt van de studie was pathologisch complete respons in PET-nonresponders na switchen naar de alternatieve chemotherapie.

Onder de 241 geïncludeerde patiënten waren er 225 met evalueerbare tweede PET. Er waren 39 patiënten in de FOLFOX-groep die wegens gebrek aan respons overgingen op CP, en 50 patiënten in de CP-groep die overgingen op FOLFOX. De pCR-percentages in deze twee groepen waren 18,0% (95%-bti 7,5-33,5) respectievelijk 20% (95%-bti 10-33,7). Onder de PET-responders waren de pCR-percentages 40,3% (95%-bti 28,9-52,5) in de FOLFOX-groep en 14,1% (95%-bti 6,6-25,0) in de CP-groep. Met mediaan 5,2 jaar follow-up was de mediane overall survival 48,4 maanden (95%-bti 33,2-NE) voor PET-responders en 27,4 maanden (95%-bti 19,4-NE) voor PET-nonresponders. De mediane OS van PET-responders in de inductie FOLFOX-groep was niet bereikt (na vijf jaar was 53% van de patiënten in leven).

De onderzoekers concluderen dat vroege-respons bepaling met PET voor het individualiseren van de therapie voor patiënten met adenocarcinoom van de slokdarm of maag-slokdarmovergang effectief was, met verbetering van de pCR-percentages onder PET-nonresponders.

1.Goodman KA, Ou F-S, Hall NC et al. Randomized phase II study of PET response-adapted combined modality therapy for esophageal cancer: mature results of the CALGB 80803 (Alliance) trial. J Clin Oncol 2021; epub ahead of print

Summary: The multicenter randomizes phase II trial CALGB 80803 evaluated early PET response-adapted neoadjuvant combined modality therapy for esophageal and esophagogastric adenocarcinoma The authors concluder that early response assessment was effective, improving pCR rates in PET nonresponders.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Overleving na primaire definitieve chemoradiotherapie versus upfront chirurgie voor gevorderd-stadium OPSCC (0)
2021-06-02 15:00   ( Nieuws )
Tags:  advanced-stage orophryngeal squamous cell carcinoma primary definitve CRT versus upfront surgery
Dr. Yuan-Hua WuPrimaire definitieve chemoradiotherapie (CRT) en upfront chirurgie zijn beide geaccepteerde behandeling voor gevorderd-stadium squameus celcarcinoom van de orofarynx (OPSCC). De optimale primaire behandeling is niet bekend. Een retrospectieve studie in Taiwan heeft uitkomsten na beide behandelingen vergeleken. Dr. Yuan-Hua Wu (Nationale Cheng Kung Universiteit, Tainan) en collega’s publiceren de studie in JAMA Network Open.1

In de bevolkings-gebaseerde Taiwan Cancer Registry identificeerden de onderzoekers patiënten met een diagnose klinisch stadium III of IV OPSCC tussen begin 2007 en eind 2015, met follow-up tot eind 2018. Na exclusie van patiënten met T4b of N3 ziekte bestond het cohort uit 1180 patiënten, onder wie 694 (58,8%) primaire definitieve CRT kregen en 486 (41,2%) upfront chirurgie. De gemiddelde leeftijd was 54,59 ± 10,35 jaar; 89% van de patiënten waren mannen. De mediane follow-up was 3,62 jaar (IQR 1,63-5,47).


Primaire chirurgie was in niet-gecorrigeerde analyse geassocieerd met betere overall survival dan primaire CRT (HR 0,81; p=0,02) maar na correctie voor stadium, subsite, histologische graad, en T- en N-klassering was deze associatie niet langer statistisch significant (HR 0,96; p=0,70). Ook in propensity score gematchte analyses en in landmark analyses van patiënten die meer dan 12, 18, en 24 maanden overleefden waren er geen verschillen in OS tussen beide groepen. Progressievrije overleving was in niet-gecorrigeerde analyse slechter in de groep met upfront chirurgie dan in de groep met primaire CRT (HR 1,64; p=0,02), en deze associatie bleef significant na correctie (HR 1,72; p=0,01).

De onderzoekers concluderen dat primaire definitieve CRT geassocieerd was met werkzaamheid die vergelijkbaar was met die van upfront chirurgie voor patiënten met gevorderd-stadium OPSCC.

1.Tsai M-H, Cheng Y-J, Pao T-H et al. Association of primary treatment modality for advanced-stage squamous cell carcinoma with survival outcomes. JAMA Network Open 2021;4:e2112067

Summary: A retrospective study in Taiwan compared primary definitive chemoradiotherapy versus upfront surgery for advanced-stage OPSCC. In adjusted analyses there were no differences in overall survival between the two groups (HR 0.96; p=0.70), while progression-free survival was worse in the upfront surgery group compared with the primary definitive CRT group (HR 1.72; p=0.01). 


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

CDKN2A-veranderingen in solide tumoren en respons op immuuntherapie (0)
2021-06-02 14:00   ( Nieuws )
Tags:  CDKN2A alterations in solid tumors response to immunotherapy
Prof. David KwiatkowskiImmuuncheckpointremmers (ICIs) hebben geresulteerd in klinisch profijt in veel typen metastatische maligniteiten. Tot op heden zijn weinig predictieve biomarkers voor deze werkzaamheid geïdentificeerd. Een studie in Dana-Farber Cancer Institute (Boston MA) en Memorial Sloan Kettering Cancer Center (New York NY) heeft de associatie tussen loss-of-function CDKN2A genomische veranderingen (GAs) en respons van solide tumoren op ICIs geïnventariseerd. Prof. David Kwiatkowski (DFCI) en collega’s publiceren de studie in Clinical Cancer Research.1


De studie includeerde 789 patiënten van DFCI en 1250 patiënten van MSKCC met zes verschillende typen solide maligniteiten. Aanwezigheid van CDKN2 GAs werd bepaald met Oncopanel of MSK-IMPACT sequencing. In het DFCI-cohort waren CDKN2A GAs geassocieerd met slechte respons en overleving van patiënten met urotheelcarcinoom die ICI-behandeling kregen maar niet in UC-patiënten die chemotherapie kregen. Ook in het MSKCC UC-cohort waren CDKN2A GAs geassocieerd met slechtere uitkomsten van ICI-behandeling. Er waren geen associaties tussen CDKN2A GAs en uitkomsten van ICIs voor de vijf andere typen maligniteiten (maag-slokdarm, hoof-hals, niet-kleincellig long, en niercelcarcinoom en melanoom).

De onderzoekers concluderen dat CDKN2A GAs in urotheelcarcinoom maar niet in de vijf andere onderzochte maligniteiten geassocieerd waren met verlaagd profijt van ICI-behandeling.

1.Adib E, Nassar AH, Akl EW et al. CDKN2A alterations and response to immunotherapy in solid tumors. Clin Cancer Res 2021; epub ahead of print

Summary: A study at Dana-Farber Cancer Institute (Boston, MA) and Memorial Sloan Kettering Cancer Center (New York, NY) found that genomic alterations in CDKN2A in urothelial carcinoma were associated with reduced benefit from immune checkpoint inhibitor therapy. There were no associations of CDKN2A status with ICI treatment outcomes in five other cancers: esophagastric, head and neck, non-small cell lung, renal cell carcinoma, and melanoma.



  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)