Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Klinische implicaties van TP53-mutaties in volwassen T-cel leukemie/lymfoom (0)
2021-08-18 11:52   ( Nieuws )
Tags:  ATL clinical significance of adult T-cell leukemia lymphoma
Adult T-cell leukemia/lymphoma (ATL) is een perifeer T-cel neoplasme dat wordt veroorzaakt door het HTLV-1 virus, en geassocieerd is met slechte prognose. Een multicenterstudie in Japan heeft de impact van TP53-genmutaties op de uitkomsten van verschillende behandelingen voor ATL geïnventariseerd. Prof. Hiroshi Inagaki (Universiteit van Nagoya) en collega’s publiceren de studie in het British Journal of Haematology.1

De retrospectieve studie includeerde 86 mannen en 91 vrouwen. De mediane leeftijd bij diagnose was 64 jaar (range 41-90). Op het moment van diagnose werden tumormonsters genomen. In monsters van 37 patiënten werden 47 single nucleotide variants of insertion-deletions (SNV/indels) in het TP53-gen waargenomen, terwijl TP53 copy number variations (CNVs) werden gezien in monsters van 38 patiënten. In totaal waren er 67 patiënten met TP53-SNVs/indels of TP53-CNVs, tezamen gedefinieerd als TP53-mutaties.

In het cohort was de mediane overleving van patiënten met en zonder TP53-mutaties 1,0 respectievelijk 6,7 jaar (p<0,001). Na allogene hematopoïetische stamceltransplantatie was de mediane overleving 0,4 jaar voor de 16 patiënten met versus niet-bereikt voor de 29 patiënten zonder TP53-mutaties (p=0,001). Onder patiënten die mogamulizumab kregen zonder alloHSCT was de mediane overleving vanaf de eerste dosis van het antilichaam 0,9 jaar voor de 27 patiënten met TP53-mutaties versus 5,1 jaar voor de 42 patiënten zonder TP53-mutaties (p<0,001).

De onderzoekers concluderen dat TP53-mutaties in ATL geassocieerd waren met ongunstige prognose, ongeacht de behandelstrategie.

1.Sakamoto Y, Ishida T, Masaki A et al. Clinical significance of TP53 mutations in adult T-cell leukemia/lymphoma. Br J Haem 2021; epub ahead of print

Summary: A multicenter retrospective study study in Japan found that in adult T-cell leukemia/lymphoma TP53 mutations were associated with unfavorable prognosis, regardless of treatment strategy.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multicenter fase 2-studie van camrelizumab plus famitinib voor gevorderd of metastatisch niercelcarcinoom (0)
2021-08-17 15:00   ( Nieuws )
Tags:  advanced or metastatic RCC camrelizumab plus famitinib
Het is denkbaar dat combinatie van immuuncheckpointblokkade en angiogeneseremming een effectieve behandeling is voor gevorderd of metastisch niercelcarcinoom (RCC). Een multicenterstudie in China heeft de combinatie van de ICI camrelizumab en de angiogeneseremmer famitinib voor A/M RCC geëvalueerd. Prof. Ding-Wei Ye (Fudan Universiteit, Shanghai) en collega’s publiceren de studie in Clinical Cancer Research.1

De studie includeerde 38 patiënten met A/M RCC, onder wie 13 behandelings-naïeve een 25 eerder-behandeld patiënten. De patiënten kregen intraveneus camrelizumab 200 mg iedere drie weken en oraal famitinib 20 mg eenmaal daags. Het primaire eindpunt was objective response rate. Op het moment van data cutoff, mediaan 16,5 maanden na inclusie, was bevestigde respons gezien in 23 patiënten (ORR 60,5%; 95%-bti 43,4-76.0) en was de respons ongoing in 18 responders (78,3%). De ORR was 84,6% in niet-eerder behandelde patiënten en 48,0% in eerder-behandelde patiënten. De mediane duur van respons was niet-bereikt. De mediane progressievrije overleving was 14,6 maanden (95%-bti 6,2-NR). De meest-gerapporteerde graad 3 of 4 treatment-related adverse events waren proteïnurie (18,4% van de patiënten), hypertensie (18,4%), neutropenie (13,2%), palmair-plantaire erythrodysesthesiesyndroom (10,5%), en hypertriglyceridemie (10,5%). Er waren geen graad 5 TRAEs.

De onderzoekers concluderen dat de combinatie van camrelizumab en famitinib potente en duurzame antitumoractiviteit had in patiënten met al of niet eerder behandeld A/M RCC.

1.Qu Y-Y, Zhang H-L, Guo H et al. Camrelizumab plus famitinib in patients with advanced or metastatic renal cell carcinoma: data from an open-label, multicenter phase 2 basket study. Clin Cancer Res 2021; epub ahead of print

Summary: A multicenter phase 2 study in China evaluated the combination of the immune checkpoint blocker camrelizumab and the angiogenesis inhibitor famitinib for advanced or metastatic renal cell carcinoma. The median follow-up was 16.5 months. Objective response was seen in 84.6% of treatment-naïve patients and 48.0% in pre-treated patients. Median progression-free survival was not reached in the group of treatment-naïve patients and was 13.4 months in pre-treated patients. No treatment-related deaths occurred, and no new safety signals were observed.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie van preoperatieve kenmerken met ongunstige pathologie van routine splenectomie-specimina (0)
2021-08-17 14:00   ( Nieuws )
Tags:  preoperative features and clinical beneficial pathology routine splenectomy specimens
Dr. Jonathan CanaaniIn eerdere studies is gezien dat uniform pathologisch onderzoek van alle splenectomie-specimina slechts in een minderheid van de gevallen leidt tot nieuwe klinisch-actionabele diagnosen. Een retrospectieve studie in Israël heeft de associatie onderzocht tussen preoperatieve kenmerken en uitkomsten van pathologisch onderzoek van deze specimina. Dr. Jonathan Canaani (Medisch Centrum Chaim Sheba, Ramat-Gan) en collega’s publiceren de studie in JAMA Network Open.1

De studie includeerde 90 patiënten (59% mannen; mediane leeftijd 59 jaar) die tussen begin 2013 en eind 2018 in het centrum splenectomie ondergingen (n=41 therapeutische aanleiding, n=24 trauma, n=15 diagnostisch, n=9 combinatie van therapeutisch en diagnostisch). In veertien patiënten (15%) werd een nieuw maligne neoplasma gevonden, en in acht patiënten (9%) een nieuwe niet-neoplastische aandoening. In zestien patiënten (18%) resulteerde een nieuwe pathologische diagnose in verandering van het management. In patiënten zonder eerdere diagnose van een maligniteit waren 41 van 56 (73%) pathologische biopten normaal, terwijl in 7 biopten (13%) een nieuwe diagnose van een hematologische maligniteit werd gesteld. Patiënten met klinische splenomegalie hadden een significant hogere waarschijnlijkheid van een nieuwe diagnose van een maligniteit dan patiënten zonder splenomegalie (58% versus 7%; p<0,001). In 39 van 43 patiënten (91%) met normale prechirurgie imaging werd normal pathologie gezien, terwijl in 14 van 17 patiënten (82%) met abnormale prechirurgie imaging een nieuwe hematologische maligniteit werd gediagnostiseerd na pathologisch onderzoek van het splenectomie-specimen (p<0,001). Patiënten met duidelijke afwijkingen in macroscopisch onderzoek hadden een verhoogd risico van een hematologische maligniteit (43%) of solide maligniteit (10%) dan patiënten met macroscopisch normale specimina (8%; p<0,001).

De onderzoekers concluderen dat patiënten met splenomegalie, abnormale imaging, eerdere diagnose van een maligniteit, en grossly abnormal spleens verhoogd risico hadden van een maligniteit gediagnostiseerd bij routinematig pathologisch onderzoek van splenectomie-specimina.

1.Erez L, Schiby G, Amiel I et al. Association of preoperative clinical, laboratory, imaging, and pathologic data with clinically benefical pathology among routine splenectomy specimens. JAMA Network Open 2021;4:e2120946

Summary: A cohort study in Israel found that routine pathologic review of spleen specimens with clinically useful in patients with splenomegaly, abnormal imaging results, a prior diagnosis of cancer, and grossly abnormal spleens.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Impact van patiëntenvolume van radiotherapie-centrum op overleving van patiënten met maligniteiten (0)
2021-08-17 13:00   ( Nieuws )
Tags:  impact on survival of cancer patients radiation therapy facility patient volume
Dr. Nicholas ZaorskiEr zijn aanwijzingen dat sommige chirurgische interventies voor maligniteiten betere uitkomsten hebben als ze worden uitgevoerd in centra met grotere patiëntenvolumina. Een analyse van de National Cancer Database heeft onderzocht of dit ook het geval is voor radiotherapie-interventies. Dr. Nicholas Zaorsky (Penn State Cancer Institute, Hershey PA) en collega’s publiceren de analyse in Cancer.1

De analyse includeerde patiënten die tussen begin 2004 en eind 2013 radiotherapie met curatieve intentie hadden gekregen voor solide tumoren. Onder de 253.422 geïncludeerde patienten die bij 1289 centra werden behandeld kregen 6231 neoadjuvante RT, 147.980 adjuvante RT, en 99.211 definitieve RT zonder chirurgie. De centra werden gestratificeerd in vier volume-categorieën: laag, intermediair, hoog, en zeer hoog. Het eindpunt van de analyse was overleving vijf jaar na de RT.

Onder patiënten die neoadjuvante RT kregen voor rectumcarcinoom was de vijf-jaars overleving gecorreleerd met centrumvolume (p=0,01). Onder patiënten met mammacarcinoom was adjuvante RT in zeer-hoog volume centra versus laag-volume centra geassocieerd met betere vijf-jaars overleving (HR 0,83; p<0,001). Dit was ook het geval onder patiënten met uteruscarcinoom (HR 0,77; p=0,03). Behandeling in hoog-volume centra was geassocieerd met betere vijf-jaars overleving onder patiënten die definitieve RT kregen voor prostaat-, niet-kleincellig long-, pancreas-, en hoofd/hals-carcinoom (p<0,05).

De onderzoekers concluderen dat onder selecte patiënten met maligniteiten radiotherapie met curatieve intentie geassocieerd was met betere vijf-jaars overleving indien uitgevoerd in hoog-volume centra.

1.Tchelebi LT, Shen B, Wang M et al. Impact of radiation therapy facility volume on survival in patients with cancer. Cancer 2021; epub ahead of print

Summary: Analysis of the National Cancer Database found that for select cancer patients, treatment with curative intent radiotherapy at higher volume facilities was associated with improved survival. In particular, patients receiving radiotherapy in the definitive setting without surgery may benefit most from treatment at high-volume centers.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Casus en literatuuroverzicht van primair CNS embryonaal rhabdomyosarcoom met PAX3-NCOA2 fusie (0)
2021-08-17 12:00   ( Nieuws )
Tags:  primary CNS embryonal rhabdomyosarcoma with PAX3-NCOA2 fusion
Dr. Ryuma TanakaPrimair centraal-zenuwstelsel rhabdomyosarcoom is een zeldzame mesenchymale tumor die vooral wordt gezien in kinderen, en die geassocieerd is met slechte uitkomst. Japanse onderzoekers rapporteren een casus van primair CNS rhabdomyosarcoom met PAX3-NCOA2 fusie, vergezeld van een systematisch literatuuroverzicht van deze tumor. Dr. Ryuma Tanaka (Keio Universiteit, Tokio) en collega’s publiceren de bevindingen in het Journal of Neuro-Oncology.1

De patiënt was een zes jaar oude jongen met primair CNS rhabdomyosarcoom in de posterior fossa. Hij onderging bruto totale resectie, gevolgd door concurrente chemotherapie (vincristine, actinomycine D, en cyclofosfamide) en focale radiotherapie. Twee jaar na voltooiing van de behandeling was hij nog in leven zonder aanwijzingen voor ziekte. Histopathologisch onderzoek liet embryonaal type rhabdomysarcoom zien, en in whole-transcriptome analyse werd PAX3 (EX6)-NCOA2 (EX12) fusie vastgesteld. In de literatuur vonden de onderzoekers gegevens van 77 patiënten met primair CNS rhabdomyosarcoom, met demografische kenmerken die vergelijkbaar waren met die van rhabdomyosarcoom op andere locaties. Overall survival en gebeurtenisvrije overleving waren beschikbaar voor 64 respectievelijk 56 patiënten, met drie-jaars OS percentage van 29,0% en drie-jaars EFS percentage van 25,7%. De groep die trimodale behandeling kreeg had betere uitkomsten met drie-jaars OS-percentage van 57,4% en drie-jaars EFS-percentage van 46,3%.

De onderzoekers concluderen dat primair CNS rhabdomyosarcoom histologische, moleculaire, en demografische kenmerken gemeen heeft met niet-CNS rhabdomyosarcoom. Trimodale behandeling met vroege introductie van radiotherapie kan wellicht resulteren in relatief gunstige overlevingsuitkomsten.

1.Tanaka R, Inoue K, Yamada Y et al. A case of primary CNS embryonal rhabdomyosarcoma with PEX3-NCOA2 fusion and systematic meta-review. J Neuro-Oncol 2021; epub ahead of print

Summary: A case study and systematic literature review revealed that primary CNS rhabdomyosarcoma shares common histological, molecular, and demographic features with non-CNS rhabdomyosarcoma. A trimodal treatment approach with early introduction of radiation therapy may result in favorable survival outcomes.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Drie-jaars interimanalyse van ICE3-studie van cryoablatie zonder excisie voor laag-risico mammacarcinoom (0)
2021-08-16 15:00   ( Nieuws )
Tags:  cryoablation with excision ICE3 trial low-risk early-stage breast cancer
Dr. Richard FineEr zijn aanwijzingen voor bruikbaarheid van cryoablatie voor niet- en prostaatmaligniteiten. De prospectieve multicenter ICE3-studie in de Verenigde Staten evalueert veiligheid en werkzaamheid van cryoablatie zonder excisie voor laag-risico vroeg-stadium mammacarcinoom in oudere vrouwen. Dr. Richard Fine (West Cancer Center and Research Institute, Germantown TN) en collega’s publiceren in Annals of Surgical Oncology een interimanalyse van de studie.1


ICE3 includeert vrouwen in de leeftijd van zestig jaar of ouder met unifocaal, ultrasound-zichtbaar laag- of intermediairgradig HR-positief HER2-negatief invasief ductaal carcinoom kleiner dan 1,5 cm. Het primaire eindpunt van de studie is ipsilateraal recidief (IBTR) tijdens vijf jaar follow-up. De nu gepubliceerde interimanalyse is uitgevoerd na gemiddeld 34,83 maanden.

De analyse heeft betrekking of 194 patiënten die succesvolle cryoablatie zonder excisie ondergingen. De gemiddelde leeftijd was 75 jaar (range 55-94); de gemiddelde tumorlengte was 8,1 mm (range 8-14,9) en de gemiddelde tumorbreedte was 7,4 mm (range 2,8-14). IBTR tijdens de follow-up werd gezien in vier patiënten (2,06%). Adverse events van de ingreep werden gerapporteerd als mild in 18,4% en matig in 2,4% van de patiënten. Meer dan 95% van de patiënten en meer dan 98% van de behandelaars rapporteerden tevreden te zijn over de cosmetische resultaten.

De onderzoekers concluderen dat cryoablatie voor mammacarcinoom een veelbelovend alternatief lijkt te zijn voor chirurgie, met de voordelen van een minimaal-invasieve procedure met geringe risico’s.

1.Fine RE, Gilmore RC, Dietz JR et al. Cryoablation without excision for low-risk early-stage breast cancer: 3-year interim analysis of ipsilateral breast tumor recurrence in the ICE3 trial. Ann Surg Oncol 2021; epub ahead of print

Summary: The multicenter prospective ICE3 trial evaluates safety and efficacy of breast cryoablation for low-risk early-stage breast cancer. Interim analysis at three years after the procedure found low ipsilateral breast tumor recurrence (4 of 194 patients; 2.06%). Device-related adverse events were reported as mild in 18.4% and moderate in 2.4% of the patients. More than 95% of the patients and 98% of the physicians reported satisfaction with the cosmetic results.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Botmodificerende middelen voor botverlies in patiënten die ADT krijgen voor prostaatcarcinoom: netwerk meta-analyse (0)
2021-08-16 14:00   ( Nieuws )
Tags:  BMAs for bone loss in prostate cancer patients receiving androgen deprivation therapy
Er zijn niet veel head-to-head vergelijkingen uitgevoerd van verschillende botmodificerende middelen (BMAs) voor botverlies in patiënten die androgeendeprivatietherapie (ADT) krijgen voor prostaatcarcinoom zonder skeletmetastasen. Een netwerk meta-analyse heeft werkzaamheid van verschillende BMAs geïnventariseerd. Dr. Vaibhav Patel (Tisch Cancer Institute, New York) en collega’s publiceren de analyse in Supportive Care in Cancer.1

Eindpunten van de analyse waren verandering in botmineraaldichtheid (BMD) van de lumbale wervels (LS) en total hip (TH) een jaar na start van de BMA, en risico van vertebrale fractuur. In de literatuur vonden de onderzoekers vijftien gerandomiseerde studies die voldeden aan de inclusiecriteria van de meta-analyse. Vergeleken met patiënten die geen BMAs kregen werd voor alle BMAs met uitzondering van risedronaat significante toename van BMD van LS gezien, met de grootste BMD-toename met zoledronaat. BMD van de TH nam in vergelijking met de niet-BMA groep significant toe met alendronaat, pamidronaat, zoledronaat, en denosumab, met de grootste BMD-toename met denosumab. Alleen denosumab was geassocieerd met significant verlaging van het risico van vertebrale fractuur (RR 0,40; 95%-bti 0,20-0,81).

De onderzoekers concluderen dat de meeste bisfosfonaten en denosumab resulteerden in significante toename van BMD van LS en TH, en dat alleen denosumab geassocieerd was met significant verlaging van het risico van wervelfractuur.

1.Miyashita H, Satoi S, Cruz C et al. Bone-modifying agents for bone loss in patients with prostate cancer receiving androgen deprivation therapy; insights from a network meta-analysis. Supp Care Cancer 2021; epub ahead of print

Summary: A network meta-analysis compared bone-modifying agents for bone loss in patients receiving androgen deprivation therapy for prostate cancer without skeletal metastasis. Most bisphosponates and denosumab significantly increased bone mineral density at the lumbar spine and total hip. Denosumab was the only BMA associated with significant reduction of vertebral fraction risk.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Lage-dosering thymoglobuline voor cGVHD-preventie na HLA-matched verwante-donor transplantatie (0)
2021-08-16 13:00   ( Nieuws )
Tags:  HLA-matched sibling donor transplantation prevention of cGVHD thymogolublin
Dr. Seok LeeEr is geen consensus over de optimale profylaxe van chronische GVHD na stamceltransplantatie van een HLA-gematchte verwante donor. Een prospectieve studie van de Katholieke Universiteit (Seoel, Zuid-Korea) heeft de waarde onderzocht van lage-dosering thymoglobuline (2,5 mg/kg) in deze setting. Dr. Seok Lee en collega’s publiceren de studie in het American Journal of Hematology.1

De studie includeerde 120 patiënten die transplantatie van een HLA-gematchte verwante donor ondergingen voor ALL. De patiënten werden 1:1 gerandomiseerd naar al of niet lage-dosering antithymocyt globuline (ATG). Na mediaan 27 maanden follow-up was de cumulatieve incidentie van cGVHD 25,% in de ATG-groep versus 65,4% in de niet-ATG groep (p<0,001). De ATG-groep had een hoger relapse-percentage dan de niet-ATG groep (20,0% versus 9,3%; p=0,055) met verschillen afhankelijk van het cytogenetisch risico (hoog-risicogroep 29,6% versus 9,3%; p=0,042; niet-hoog risicogroep 12,2% versus 9,2%; p=0,596). De chronisch-GVHD en relapsevrije overleving (cGRFS) was 46,7% in de ATG-groep versus 19,4% in de niet-ATG groep (p=0,070) met significant verschil in de cytogenetisch niet-hoog risicogroep (45,0% versus 0; p=0,0038). Er waren tussen beide groepen geen verschillen in andere overlevingsuitkomsten. Twaalf maanden na de transplantatie was de fysieke component van de kwaliteit-van-leven score beter in de ATG-groep.

De onderzoekers concluderen dat lage-dosering thymoglobuline effectief cGVHD voorkwam na matched sibling donor transplantatie.

1.Cho B-S, Min G-J, Park S-S et al. Low-dose thymoglobulin for prevention of chronic graft-versus-host disease in transplantation from an HLA-matched sibling donor. Am J Hematol 2021;epub ahead of print

Summary: A study in South Korea found that low-dose thymoglobuline effectively prevented chronic GVHD after HLA-matched sibling donor transplantation for ALL.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)