Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Neoadjuvant degarelix versus triptoreline bij letrozol voor lokaal-gevorderd mammacarcinoom (0)
2018-12-28 14:58   ( Nieuws )
Tags:  breast cancer ovarian function suppression degarelix triptorelin
Dr. Marco ColleoniEen gerandomiseerde fase 2-studie van de International Breast Cancer Study Group heeft de GnRH-antagonist degarelix vergeleken met de GnRH-agonist triptoreline voor ovariumfunctiesuppressie (OFS) in patiënten die neoadjuvant letrozol kregen voor lokaal-gevorderd mammacarcinoom. Dr. Marco Colleoni (Istituto Europeo di Oncologia, Milaan) en collega’s publiceren de studie online in het Journal of Clinical Oncology.1 De studie includeerde premenopauzale vrouwen met stadium cT2 tot 4b, any M, N0, ER en PR hoger dan 50%, HER2-negatief mammacarcinoom.

De patiënten werden gerandomiseerd naar zes neoadjuvante 28-daagse cycli van letrozol 2,5 mg per dag plus intramusculair triptoreline 3,75 mg op dag één van elke cyclus (n=26) of subcutaan degarelix 240 mg op dag één van de eerste cyclus en 80 mg op dag één van de volgende cycli (n=25). Chirurgie werd twee tot drie weken na de laatste injectie uitgevoerd. Het primaire eindpunt van de studie was tijd tot OFS (serum-estradiol 10 pmol/l of lager). Deze bedroeg mediaan 3 dagen in de degarelix plus letrozolgroep versus 14 dagen in de triptoreline plus letrozolgroep (p<0,001). De OFS was aan het begin van de cycli twee tot en met zes gehandhaafd in alle patiënten in de degarelix plus letrozolgroep, maar was aan het begin van de tweede cyclus suboptimaal in 15,4% van de patiënten in de triptoreline plus letrozolgroep. Er waren geen onverwachte adverse events van de behandelingen.

De onderzoekers concluderen dat in premenopauzale vrouwen die neoadjuvant letrozol kregen voor lokaal-gevorderd mammacarcinoom OFS eerder werd bereikt en meer effectief gehandhaafd met degarelix dan met triptoreline.

1.Dellapasqua S, Gray KP, Munzone E et al. Neoadjuvant degarelix versus triptorelin in premenopausal patients who receive letrozole for locally advanced endocrine-responsive breast cancer: a randomized phase II trial. J Clin Oncol 2018; epub ahead of print

Summary: A randomized phase 2 study of the International Breast Cancer Study Group compared the GnRH antagonist degarelix versus the GnRH agonist triptorelin for ovarian function suppression in premenopausal patients receiving neoadjuvant letrozole for locally advanced breast cancer. OFS was achieved earlier and maintained more effectively with degarelix than with triptorelin.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Microsatellietinstabiliteit in prostaatcarcinoom: prevalentie en associatie met respons op ICI-behandeling (0)
2018-12-28 13:58   ( Nieuws )
Tags:  prostate cancer microsatellite instability immune checkpoint blockade
Dr. Wasim AbidaHet anti-PD-1 antilichaam pembrolizumab is door de FDA goedgekeurd voor de behandeling van microsatellite instability-high (MSI-H) of mismatch repair-deficient (dMMR) solide tumoren, maar de prevalentie van MSI-H/dMMR prostaatcarcinoom en de klinische werkzaamheid van immuuncheckpointblokkade in deze subset van prostaatcarcinomen zijn niet bekend. Een studie van Memorial Sloan Kettering Cancer Center (New York) is uitgevoerd om op deze punten meer duidelijkheid te krijgen. Dr. Wasim Abida (Memorial Sloan Kettering Cancer Center, New York) en collega’s publiceren de studie online in JAMA Oncology.1

De studie includeerde 1346 patiënten (gemiddelde leeftijd 65,6 jaar; SD 9,3 jaar) met 1551 prostaattumoren die tussen begin 2015 en eind januari 2018 in MSKCC behandeld werden, met follow-up tot eind mei 2018. Het moleculair profiel van de tumoren werd prospectief geanalyseerd. Onder de 1033 patiënten met tumorkwaliteit adequaat voor MSIsensor-analyse waren er 32 (3,1%) met MSI-H/dMMR prostaatcarcinoom: drieëntwintig patiënten hadden tumoren met een hoge MSIsensor-score, en negen hadden onduidelijke scores met evidentie van dMMR. Zeven van de 32 patiënten (21,9%) hadden een pathogene kiemlijnmutatie in een met Lynch sydroom geassocieerd gen. Voor zes patiënten werd meer dan één tumor geanalyseerd; van wie twee verkregen MSI-H fenotype later in de loop van de ziekte lieten zien. Elf patiënten met MSI-H/dMMR castratieresistent prostaatcarcinoom kregen anti-PD-1/PD-L1 therapie. Zes van deze elf patiënten (54,5%) hadden meer dan 50% daling van het PSA-niveau, en vier van deze zes hadden radiografische respons. Per mei 2018 werden vijf van de zes responders (vijf van totaal elf; 45,5%) nog steeds behandeld, na 89 weken of langer.

De onderzoekers concluderen dat het MSI-H/dMMR moleculair fenotype niet veel voorkomt in prostaatcarcinoom, maar wel therapeutisch relevant is vanwege de mogelijkheid van duurzame respons op anti-PD-1/PD-L1 therapie. Het fenotype kan somatisch verkregen worden in de loop van de ziekte.

1.Abida W, Cheng ML, Armenia J et al. Analysis of the prevalence of microsatellite instabililty in prostate cancer and response to immunce checkpoint blockade. JAMA Oncol 2018; epub ahead of print

Summary: An analysis of a series of patients of Memorial Sloan Kettering Cancer Center found that the MSI-high/dMMR molecular phenotype is uncommon in prostate cancer (3%), and can be somatically acquired during disease evolution. Five of 11 patients with this phenotype had durable clinical benefit of anti-PD-1/PD-L1 therapy.

  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Impact van voor-behandeling-aanwezige antilichamen op uitkomsten van anti-PD-1 therapie voor gevorderd NSCLC (0)
2018-12-28 13:00   ( Nieuws )
Tags:  NSCLC anti-PD-1 therapy preexisting antibodies
Dr. Shunichi SugawaraAnti-PD-1 therapie is een standaard-behandeling voor gevorderd niet-kleincellig longcarcinoom. Gebruik van deze therapie is tot op heden niet onderzocht in patiënten met subklinische ziekte met gevorderd NSCLC, en er zijn geen bruikbare biomarkers bekend voor immuungerelateerde bijwerkingen (irAEs) in anti-PD-1 behandelde patiënten. Dr. Shunichi Sugawara (Sendai Kousei Ziekenhuis, Japan) en collega’s hebben onderzocht of auto-immuunmarkers die voor aanvang van de behandeling aanwezig zijn geassocieerd zijn met klinisch profijt en/of irAEs in deze patiënten. Ze publiceren de studie online in JAMA Oncology.1



De retrospectieve studie includeerde 137 patiënten (105 mannen; mediane leeftijd 68 jaar; ECOG performance status 0 of 1 in 134 patiënten) die van januari 2016 tot en met januari 2018 in het ziekenhuis in Sendai nivolumab (n=99) of pembrolizumab (n=38) monotherapie kregen voor gevorderd NSCLC. De onderzoekers bepaalden aan de hand van de dossiers welke patiënten voor aanvang van de behandeling detecteerbare gehalten hadden van de antilichamen rheumatoïde factor, antinucleair antilichaam, antithyroglobuline, en antithyroïdperoxidase.

De mediane PFS was 6,5 maanden (95%-bti 4,4-12,9) in de patiënten met vooraf-bestaande antilichamen versus 3,5 maanden (95%-bti 2,4-4,1) in de patiënten zonder de antilichamen (HR 0,53; p=0,002). Patiënten met de antilichamen hadden ook meer frequent irAEs (OR 3,25; p=0,001). Huidreacties waren meer frequent onder patiënten met vooraf-bestaande rheumatoïde factor (47% versus 27%; p=0,02) en schildklierdysfunctie was meer frequent onder patiënten met vooraf-bestaande antithyroïd antilichamen (20% versus 1%; p<0,001).

De onderzoekers concluderen dat vooraf-bestaande antilichamen geassocieerd waren met klinisch profijt en met ontwikkeling van irAEs in patiënten die nivolumab of pembrolizumab kregen voor gevorderd NSCLC. Bepaling van specifieke antilichamen voor begin van de behandeling kan bijdragen het vaststellen van de risico/profijt-verhouding voor individuele patiënten.

1.Toi Y, Sugawara S, Sugisaka J et al. Profiling preexisting antibodies in patients treated with anti-PD-1 therapy for advanced non-small cell lung cancer. JAMA Oncol 2018; epub ahead of print

Summary: A retrospective study in Japan included patients receiving nivolumab or pembrolizumab monotherapy for advanced NSCLC. Presence of preexisting antibodies was associated with better PFS but also with more irAEs. 


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

SMAD4-verlies in colorectaalcarcinoom is geassocieerd met recidief, verlies van immuuninfiltratie, en chemoresistentie (0)
2018-12-27 15:44   ( Nieuws )
Tags:  colorectal cancer SMAD4 loss
Dr. Joshua SmithEr zijn aanwijzingen dat verlies van SMAD4 in colorectaalcarcinoom patiënten kan identificeren met hoog risico van recidief of overlijden. Dr. Joshua Smith (Memorial Sloan Kettering Cancer Center, New York) en collega’s hebben een studie uitgevoerd om deze aanwijzingen te valideren. Ze publiceren de studie online in Clinical Cancer Research.1

De onderzoekers bepaalden de SMAD4-status in een discovery cohort. Het cohort bestond uit 364 patiënten met stadium I tot en met IV CRC. De mediane leeftijd bij diagnose was 53 jaar; 61% van de patiënten had linkszijdige tumoren; 62% had stadium II of III ziekte. De mediane follow-up was 5,4 jaar (IQR 2,3-8,2 jaar). SMAD4-verlies, gezien in 13% van de tumoren, was geassocieerd met hoger tumor- en nodaal stadium, meer gebruik van adjuvante therapie, minder TILs, en lagere peritumorale lymfocytaggregaat (PLA)-scores (p<0,04 voor alle associaties). SMAD4-verlies was geassocieerd met slechtere recidiefvrije overleving (p=0,02). Onder patiënten die 5-FU gebaseerde chemotherapie kregen was de mediane RFS 3,8 jaar in patiënten met SMAD4-verlies versus 13 jaar in patiënten zonder SMAD4-verlies. In het validatiecohort werden deze resultaten gerepliceerd. In muizen met patiënt-verkregen xenograften was SMAD4-verlies geassocieerd met resistentie tegen 5-FU.

De onderzoekers concluderen dat SMAD4-verlies in CRC geassocieerd was met slechtere klinische uitkomst, resistentie tegen chemotherapie, en verlaagde immuuninfiltratie. SMAD4 was een goede prognostische marker in CRC-patiënten.

1.Wasserman I, Lee LH, Ogino S et al. SMAD4 loss in colorectal cancer patients correlates with recurrence, loss of immune infiltrate, and chemoresistance. Clin Cancer Res 2018; epub ahead of print

Summary: A multicenter study in the USA found that SMAD4 loss, noted in 13% of colorectal tumors, was associated with worse clinical outcome, resistance to chemotherapy, and decreased immune infiltration, supporting its use as a prognostic marker in CRC patients.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Impact van FIT-screeningsprogramma op stadium-distributie van diagnose colorectaalcarcinoom (0)
2018-12-27 14:54   ( Nieuws )
Tags:  IMPATTO study FIT screening CRC stage distribution
Dr. Massimo VicentiniDe Italiaanse IMPATTO-studie heeft de impact onderzocht van een FIT-screeningsprogramma op de distributie van verschillende stadia na een diagnose colorectaalcarcinoom. Dr. Massimo Vicentini (Azienda Unità Sanitaria Locale Reggio Emilia, Italië) en collega’s publiceren de studie online in het International Journal of Cancer.1 De studie includeerde alle incidente gevallen van CRC die tussen begin 2000 en eind 2008 werden gediagnostiseerd in personen in de leeftijd van vijftig tot en met zeventig jaar in Italiaanse regio’s met een FIT-screeningsprogramma. De onderzoekers vergeleken de relative risk ratio (RRR) van stadium I en IV, vergeleken met II+III, gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht, geografische regio, en kalenderjaar.

In totaal includeerde de studie 11.663 CRCs, waaronder 5965 in patiënten die niet waren uitgenodigd voor screening en 5698 in patiënten die wel waren uitgenodigd, onder wie 3425 in patiënten die daadwerkelijk aan de screening hadden deelgenomen. Vergeleken met niet-uitgenodigden hadden wel-uitgenodigden een RRR 2,04 (95%-bti 1,84-2,46) van stadium I versus II+III, en een RRR van 0,77 (95%-bti 0,69-0,87) van stadium IV versus II+III. De veschillen waren groter bij vergelijking van deelnemers versus niet-deelnemers aan de screening. Interval-CRCs waren in uitgenodigde patiënten meer-frequent stadium I dan in niet-uitgenodigden, maar er waren geen statistisch significante verschillen voor stadium IV.

De incidence rate ratios in de eerste ronde voor gescreende versus niet-gescreende patiënten waren 4,6 (95%-bti 4,2-5,1) voor stadium I; 1,4 (95%-bti 1,3-1,5) voor stadium II+III; en 0,7 (95%-bti 0,6-0,9) voor stadium IV. In tweede en volgende ronde waren de IRRs voor gescreende versus niet-gescreende patiënten 1,4 (95%-bti 1,2-1,6) voor stadium I; 0,8 (95%-bti 0,7-0,9) voor stadium II+III; en 0,3 (95%-bti 0,1-0,4) voor stadium IV.

De onderzoekers concluderen dat FIT-screening de incidentie van metastatisch CRC na de tweede ronde verlaagde met ongeveer 70%.

1.Vicentini M, Zorzi M, Bovo E et al. Impact of screening programme using the faecal immunochemical test on stage of colorectal cancer. Results from the IMPATTO study. Int J Cancer 2018; epub ahead of print

Summary: The Italian IMPATTO study evaluated the impact of FIT screening on stage distribution at colorectal cancer diagnosis. The study found that FIT screening reduced the incidence of metastatic cancers by about 70% after the first round.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 1-studie van verschillende doseringsschema’s van sunitinib voor refractaire solide tumoren (0)
2018-12-27 13:47   ( Nieuws )
Tags:  sunitinib dose and schedule optimization
Dr. Maria RovithiEr is behoefte aan optimalisering van dosering en toedieningsschema’s van behandelingen met tyrosinekinaseremmers. Dr. Maria Rovithi (Amsterdam UMC) en collega’s hebben een fase 1-studie uitgevoerd van hoge-dosering sunitinib eens per week of eens per twee weken voor gevorderde solide tumoren die refractair waren tegen standaard-behandeling. Ze publiceren de studie online in het Journal of Clinical Oncology.1




De volgens 3+3 fase 1-design uitgevoerde studie includeerde 69 patiënten met gevorderde maligniteiten, voornamelijk colorectaalcarcinoom (42%). De dosering begon op het niveau van 200 mg eens per week, en werd opgehoogd met 100 mg-increments. De maximaal-verdragen dosering was 300 mg eens per week en 700 mg eens per twee weken, resulterend in respectievelijk negen- en achttienmaal hogere maximale plasmaconcentraties dan wat is gezien bij standaard-behandeling. De behandeling werd goed verdragen, met vermoeidheid (81% van de patiënten), misselijkheid (48%), en anorexie (33%) als meest-frequente adverse events. De enige graad 3 of 4 AE in meer dan 5% van de patiënten was vermoeidheid (6%). Significant klinisch profijt werd gezien in 63% van de patiënten, met PFS vijf maanden of langer in 30% van de patiënten.

De onderzoekers concluderen dat sunitinib 300 mg eens per week of 700 mg eens per twee weken feasible was in patiënten met gevorderde solide tumoren die refractair waren tegen standaard-behandeling. De tolerabiliteit was vergelijkbaar met wat is gezien met dagelijkse toediening. De studie suggereert dat sunitinib 700 mg eens per twee weken het optimale schema is.

1.Rovithi M, Gerritse SL, Honeywell RJ et al. Phase I dose-escalation study of once weekly or once every two weeks administration of high-dose sunitinib in patients with refractory solide tumors. J Clin Oncol 2018; epub ahead of print

Summary: A phase 1 dose-escalation study in The Netherlands found that sunitinib administered once weekly at 300 mg or once every two weeks at 700 mg was feasible in patients with advanced cancer refractory to standard treatment. The tolerability was comparable to what is seen with standard daily administration, and the maximum plasma concentrations were nine- and eighteen-fold higher.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Deelnemen aan gezondheidstesten als mogelijke bron van detectiebias in bepaling van risico van huidmaligniteiten (0)
2018-12-27 13:03   ( Nieuws )
Tags:  skin cancer risk health maintenance practices detection bias
Dr. Eunyoung ChoDetectiebias is een belangrijke oorzaak van aanvechtbare conclusies van epidemiologisch onderzoek. Dit speelt onder meer een rol in onderzoek van maligniteiten waarop gescreend wordt, omdat screening de diagnose van een aandoening waarschijnlijker maakt, maar niet alle individuen in een populatie deelnemen aan de screening. Dr. Eunyoung Cho (Brown University, Providence RI) en collega’s hebben de assocatie onderzocht tussen deelnemen aan gezondheidstesten en het risico van huidmaligniteiten (BCC, SCC, en melanoom). Ze publiceren de analyse online in JAMA Dermatology.1

De analyse is uitgevoerd in een cohort van 77.736 vrouwen (deelneemsters van de Nurses’ Health Study, gemiddelde leeftijd bij inclusie 56 jaar, SD 7 jaar, follow-up 1.388.523 persoonsjaren) en 39.756 mannen (deelnemers van de Health Professionals Follow-up Study, gemiddelde leeftijd bij inclusie 58 jaar, SD 10 jaar, follow-up 635.319 persoonsjaren). Bij inclusie en op gezette tijden gedurende de follow-up gaven de deelnemers informatie over de screenings die ze hadden ondergaan, waaronder lichamelijk onderzoek door een arts, sigmoïdoscopie of coloscopie, oogonderzoek, serumcholesterolbepaling, mammografie, PSA-test, en rectaal onderzoek. Primaire uitkomst van de analyse was incident BCC, SCC, en invasief melanoom.

Tijdens de follow-up werden onder de vrouwelijke deelnemers 14.319 BCCs, 1517 SCCs, en 506 melanomen gediagnostiseerd, en onder de mannelijke deelnemers 8741 BCCs, 1191 SCCs, en 469 melanomen. Zowel onder mannen als vrouwen was deelnemen aan gezondheidstesten positief geassocieerd met diagnose van BCC en SCC, en was er voor sommige testen ook een associatie met de diagnose van melanoom. Zo was onder de vrouwen ondergaan van een lichamelijk onderzoek door een arts geassocieerd met multivariaat HR 1,46 (95%-bti 1,30-1,64) van BCC; multivariaat HR 2,32 (95%-bti 1,41-3,80) van SCC, en multivariaat HR 1,66 (95%-bti 0,85-3,22). Voor de mannelijke deelnemers werden vergelijkbare associaties gezien.

De onderzoekers concluderen dat ondergaan van health care screening practices de waarschijnlijkheid van gediagnostiseerd worden met een huidmaligniteit verhoogt.

1.Drucker AM, Li W-Q, Savitz DA et al. Association between health maintenance practices and skin cancer risk as a possible source of detection bias. JAMA Dermatol 2018; epub ahead of print

Summary: An analysis of the Nurses’ Health Study and the Health Professionals Follow-up Study found that undergoing health care screening practices increases the likelihood of being diagnosed with skin cancer.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Olaparib-onderhoud voor nieuw-gediagnostiseerd gevorderd ovariumcarcinoom (0)
2018-12-27 12:40   ( Nieuws )
In oktober jl. berichtten we over de SOLO1-studie, die toen door dr. Kathleen Moore (University of Oklahoma) werd gepresenteerd op de ESMO Annual Meeting in München. De studie liet zien dat onder vrouwen met niet-gediagnostiseerd gevorderd ovariumcarcinoom en een BRCA1/2-mutatie na chirurgie en platina-gebaseerde chemotherapie olaparib-onderhoudsbehandeling vergeleken met placebo resulteerde in 70% lager risico van progressie of overlijden. De studie is vandaag gepubliceerd in The New England Journal of Medicine, en voorzien van een nader-verhelderende video.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)