Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Mendeliaanse randomisatiestudie van causale associatie van roken of alcoholgebruik met het risico van blaascarcinoom (0)
2022-07-31 15:00   ( Nieuws )
Tags:  smoking or alcohol consumption and risk of bladder cancer mendelian randomization study
In observationele studies zijn associaties gezien tussen roken of alcoholconsumptie en verhoogd risico van blaascarcinoom. Onderzoekers van de Universiteit van Wuhan (China) hebben een mendeliaanse randomisatie (MR)-studie uitgevoerd om de causaliteit van deze associaties te beoordelen. Dr. Yong-Bo Wang en collega’s publiceren de studie in het International Journal of Cancer.1

De studie includeerde 1115 patiënten met blaascarcinoom en 174.006 controlepersonen van het FinnGen consortium en 2883 patiënten en 417.955 controlepersonen van de UK Biobank. De onderzoekers gebruikten 21, 126, 360, en 39 SNPs als instrumentele variabelen voor respectievelijk aantal sigaretten per dag, levenslange roken-index, leeftijd van beginnen met roken, en aantal alcoholische consumpties per week. Genetische predispositie voor aantal sigaretten per dag (per toename met één standaarddeviatie OR 1,79; p=0,0002), levenslange roken-index (2,38; p=0,0005), en leeftijd van beginnen met roken (1,91; p= 1,59 x 10-6) waren in beide databases geassocieerd met verhoogd risico van blaascarcinoom. Deze associaties bleven bestaan in multivariate analyse gecorrigeerd voor BMI en opleidingsniveau. Genetische predispositie voor aantal alcoholische consumpties per dag was niet geassocieerd met het risico van blaascarcinoom (OR 0,69; p=0,1237).

De onderzoekers concluderen dat de studie suggereert dat roken wel maar alcoholgebruik niet causaal geassocieerd is met het risico van blaascarcinoom.

1.Xiong J, Yang L, Deng Y-Q et al. The causal association between smoking, alcohol consumption and risk of bladder cancer: a univariable and multivariable Mendelian randomization study. Int J Cancer 2022; epub ahead of print

Summary: Mendelian randomization analysis of bladder cancer patients and non-cases from the FinnGen consortium and the UK Biobank found a causal association of smoking with bladder cancer risk but no causal association of alcohol consumption with bladder cancer risk.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Voedingsvet in relatie tot mortaliteit en progressie onder patiënten met metastatisch colorectaalcarcinoom (0)
2022-07-31 13:30   ( Nieuws )
Tags:  mCRC dietary fat
Dr. Erin Van BlariganEr is slechts beperkte informatie beschikbaar over de relatie tussen voedingsgewoonten en overleving van patiënten met metastatisch colorectaalcarcinoom (mCRC). Een analyse onder deelnemers van de CALGB/SWOG 80405 heeft de associatie tussen inname van voedingsvet en all-cause mortality (ACM) en ziekteprogressie/ziekte-gerelateerde mortaliteit geïnventariseerd. Dr. Erin Van Blarigan (University of California San Francisco) en collega’s publiceren de analyse in het International Journal of Cancer.1

De analyse includeerde 1149 deelnemers aan de studie die voor aanvang van de behandeling voor mCRC een voedselfrequentievragenlijst beantwoordden. De mediane leeftijd van de patiënten was 59 jaar, 41% waren vrouwen, en 86% waren blank. Tijdens mediaan 6,1 jaar follow-up (IQR 5,3-7,2) overleden 974 deelnemers en werd progressie zonder overlijden gezien in 103 deelnemers. Inname van plantaardig vet was geassocieerd met lager risico van ACM: versus het kwartiel met de laagste inname was in de kwartielen twee, drie, en vier de HR 0,74 (95%-bti 0,62-0,90); 0,75 (0,61-0,91) en 0,79 (0,63-1,00); met p voor trend 0,12. Inname van plantaardig vet was ook geassocieerd met verlaagd risico van progressie of overlijden: versus kwartiel één was in de kwartielen twee, drie, en vier de HR 0,74 (95%-bti 0,62-0,89); 0,78 (0,64-0,95) en 0,71 (0,57-0,88) met p voor trend 0,01. Inname van verzadigd, enkelvoudig onverzadigd, meervoudig onverzadigd, en dierlijk vet was niet geassocieerd met risico van mortaliteit of progressie.

De onderzoekers concluderen dat matige of hoge inname van plantaardig vet geassocieerd kan zijn met lager risico van overlijden of progressie onder patiënten met mCRC.

1.Van Blarigan EL, Ma C, Ou F-S et al. Dietary fat in relation to all-cause mortality and cancer progression and death among people with metastatic colorectal cancer: data fron CALGB 80405 (Alliance)/SWOG 80405. Int J Cancer 2022; epub ahead of print

Summary: Analysis of patients participating in the CALGB/SWOG 80405 trial found that moderate or higher vegetable fat intake may be associated with lower risk of cancer progression or death among patients with metastatic colorectal cancer.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Real-life analyse van gebruik en uitkomsten van ponatinib voor CML in Italië (0)
2022-07-31 12:00   ( Nieuws )
Tags:  CML ponatinib real-life outcomes
Dr. Massimo BrecciaDe TKI ponatinib is goedgekeurd voor de behandeling van volwassen patiënten met CML in chronische fase (CP), acceleratiefase (AP), of blastaire fase (BP) die resistent of intolerant zijn tegen dasatinib of nilotinib. Een analyse door het Agenzia Italiana del Farmaco heeft real-life gebruik en uitkomsten van ponatinib voor CML geïnventariseerd. Dr. Massimo Breccia (Sapienza Universiteit, Rome) en collega’s publiceren de analyse in het British Journal of Haematology.1

Tussen begin februari 2015 en eind december 2020 werden in Italië 666 CML-patiënten met ponatinib behandeld: 515 in CP, 50 in AP, en 101 in BP. De mediane leeftijd bij begin van de behandeling was 58,7 jaar, en de meeste patiënten (57,1%) waren mannen. De mediane tijd van de diagnose tot start van ponatinib was 2,35 jaar: 259 patiënten (38,9%) hadden twee eerdere lijnen gehad, 260 (39,0%) drie lijnen, en 147 (22,1%) vier of meer lijnen. Onder de 593 patiënten met beschikbare gegevens resulteerde ponatinib in moleculaire respons (van majeure moleculaire respons tot een score lager dan 0,01% op de International Reporting Scale) in 59% van de patiënten. De mediane follow-up was 14,4 maanden. Tenminste één doseringsreductie vanwege adverse events was vereist in 136 patiënten (20,4%), terwijl in 309 patiënten (46,4%) de dosering verlaagd werd zonder waargenomen AE maar uit voorzorg. Discontinuering van de behandeling vond plaats in 261 patiënten (39%), zonder significante associatie tussen het aantal eerdere lijnen behandeling en duur van de ponatinib-behandeling.

De onderzoekers concluderen dat ponatinib als derde- of laterelijns behandeling voor CML resulteerde in moleculaire respons in bijna 60% van de patiënten, en dat doseringsreductie niet alleen als reactie op AEs werd toegepast.

1.Breccia M, Olimpieri PP, Celant S et al. Management of chronic myeloid leukaemia patients treated with ponatinib in a real-life setting: a retrospective analysis from the monitoring registries of the Italian Medicines Agency (AIFA). Br J Haematol 2022; epub ahead of print

Summary: Real-life analysis of Italian CML patients treated with ponatinib found that almost 60% of patients had a molecular response.

  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Real-world verloop van behandeling van Amerikaanse patiënten met recidiverend of metastatisch cervixcarcinoom (0)
2022-07-30 15:00   ( Nieuws )
Tags:  R M CC real-world treatment drop-off
Prof. Bradley MonkOmdat klinische studies vaak niet representatief zijn voor de klinische praktijk is er behoefte aan informatie over real-world verloop van behandelingen voor maligniteiten. Een retrospectieve observationele cohortstudie van gegevens van The US Oncology Network heeft het verloop van behandeling voor recidiverend of metastatisch cervixcarcinoom (R/M CC) geïnventariseerd. Prof. Bradley Monk (University of Arizona, Phoenix) en collega’s publiceren de studie in Gynecologic Oncology.1

In de database identificeerden de onderzoekers 262 volwassen patiënten die tussen begin september 2014 en eind december 2019 begonnen aan eerstelijns behandeling voor R/M CC. De patiënten werden gevolgd tot eind 2020. De gemiddelde leeftijd bij diagnose R/M CC was 53 jaar. De meerderheid van de patiënten (66%) kreeg eerstelijns platina-gebaseerde doublet chemotherapie plus bevacizumab, of alleen doublet chemotherapie (24%). Bijna de helft van de patiënten (48%) kreeg na voltooien van eerstelijns therapie tweedelijns therapie, zonder consistente geprefereerde behandeling. De mediane tijd van begin tot discontinuering van eerstelijns therapie was 3,5 maanden, en het volgende behandelingsvrije interval was mediaan 2,1 maanden. Abnormale BMI was geassocieerd met een trend van lagere waarschijnlijkheid van tweedelijns therapie.

De onderzoekers concluderen dat meer dan de helft van de patiënten die eerstelijns behandeling begonnen geen tweedelijns behandeling kreeg. Deze waarneming onderstreept de behoefte aan nieuwe therapieën voor R/M CC.

1.Alholm Z, He D, Ting J et al. Real-world treatment drop-off among recurrent or metastatic cervical cancer patients: a US community oncology-based analysis. Gynecol Oncol 2022.07.026

Summary: A retrospective observational cohort study found that among US women initiating first-line therapy for recurrent or metastatic cervical cancer, the median time to treatment discontinuation was 3.5 months. More than half of these patients did not receive second-line therapy. Among patients who did, the median treatment-free interval was 2.1 months. The authors conclude that these data highlight the need for novel treatment options.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Impact van ras op werkzaamheid van neoadjuvant durvalumab plus chemotherapie voor triple-negatief mammacarcinoom (0)
2022-07-30 13:30   ( Nieuws )
Tags:  TNBC neoadjuvant durvalumab plus chemotherapy impact of race
Prof. Lajos PusztaiDe incidentie van triple-negatief mammacarcinoom (TNBC) is hoger onder zwarte (AA) vrouwen dan onder blanke vrouwen, hoewel ze ondervertegenwoordigd zijn in klinische studies. Om de impact van ras op veiligheid en werkzaamheid van de neoadjuvante combinatie van durvalumab en chemotherapie te evalueren heeft een fase 1-2 studie van Yale University (New Haven CT) de studiepopulatie verrijkt met een extension cohort van zwarte vrouwen. Prof. Lajos Pusztai en collega’s publiceren de studie in Clinical Cancer Research.1

Inclusief het extension cohort telde de studie 67 patiënten, onder wie 21 AA (31%). Er waren geen significante associaties tussen ras en baseline tumorstadium (p=0,40), PD-L1 status (p=0,92), en stroma tumorinfiltrerende lymfocytengetal (p=0,57). Het primaire eindpunt van de studie was percentage patiënten met pathologisch complete respons. pCR werd gezien in 43% van de AA patiënten versus 48% van de niet-AA patiënten (p=0,71). Het drie-jaars gebeurtenisvrije-overlevingspercentage was 71,4% versus 78,3% (p=0,474), en het drie-jaars overall survival percentage was 81% versus 87% (p=0,405). Ook de incidentie van irAEs was similar in beide groepen, en er waren geen significante associaties tussen irAEs en pCR.

De onderzoekers concluderen dat AA-ras geen significante impact had op werkzaamheid en veiligheid van neoadjuvant durvalumab plus chemotherapie voor vroeg-stadium TNBC.

1.Foldi J, Kahn A, Silber A et al. Clinical outcomes and immune markers by race in a phase I/II clinical trial of durvalumab concomitant with neoadjuvant chemotherapy in early-stage TNBC. Clin Cancer Res 2022; epub ahead of print

Summary: To evaluate the safety and efficacy of neoadjuvant durvalumab plus chemotherapy for stage I-III TNBC by race, a phase 1-2 study at Yale University (New Haven, CT) enrolled additional AA patients. The study found that pCR rates, 3-year EFS and 3-year OS after neoadjuvant chemoimmunotherapy were similar in AA and non-AA patients. Toxicities were also similar

  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multicenter fase 3-studie van sintilimab plus IBI305 en chemotherapie voor EGFR-gemuteerd nsqNSCLC na EGFR-TKI (0)
2022-07-30 11:54   ( Nieuws )
Tags:  ORIENT-31 trial non-squamous non-small cell lung cancer
Prof. Shun LuVEGF-remmers kunnen de werkzaamheid van immuuntherapie voor maligniteiten versterken, maar ondanks hoge initiële responspercentages ontwikkelen vrijwel alle patiënten resistentie tegen EGFR-TKIs. De multicenter fase 3 studie ORIENT-31 in China evalueerde sintilimab (anti-PD-1) plus IBI305 (biosimilar van bevacizumab) en pemetrexed-cisplatine chemotherapie voor lokaal-gevorderd of metastatisch EGFR-gemuteerd niet-squameus NSCLC na progressie op EGFR-TKI. Prof. Shun Lu (Jiatong Universiteit, Shanghai) en collega’s publiceren een interimanalyse van de studie in The Lancet Oncology.1



ORIENT-31 werd uitgevoerd in 52 centra. De studie includeerde 444 patiënten in de leeftijd van 18 tot en met 75 jaar, een ECOG performance status 0 of 1, en een levensverwachting van tenminste drie maanden. De patiënten werden 1:1:1 gerandomiseerd naar drie-weekse cycli van sintilimab plus IBI305 plus pemetrexed-cisplatine (groep A, n=148), sintilimab plus pemetrexed-cisplatine (groep B, n=145), of alleen pemetrexed-cisplatine (groep C, n=151). Cisplatine werd gedurende de eerste vier cycli gegeven; alle andere middelen werden gegeven voor de duur van twee jaar, of tot ziekteprogressie of niet-acceptabele toxiciteit optrad. De nu gepubliceerde interimanalyse heeft betrekking op de progressievrije overleving in groep A versus groep C.

De mediane follow-up was 9,8 maanden (IQR 4,4-13,3). De PFS was significant langer in groep A dan in groep C (mediaan 6,9 maanden versus 4,3 maanden; HR 0,46; p<0,0001). De meest-gerapporteerde graad 3 of 4 treatment-related adverse events waren afgenomen neutrofielengetal (20% van de patiënten in groep A versus 18% in groep B versus 18% in groep C), afgenomen leukocytengetal (11% versus 8% versus 9%), en anemie (12% versus 7% versus 10%). Mogelijk met de behandeling samenhangende graad 5 AEs werden gezien in zes patiënten in groep A, drie in groep B, en één in groep C.

De onderzoekers concluderen dat de interimanalyse suggereert dat sintilimab plus IBI305 plus chemotherapie werkzaam was en goed werd verdragen in patiënten met EGFR-gemuteerd NSCLC na progressie op EGFR-TKI behandeling.

1.Lu S, Wu L, Jian H et al. Sintilimab plus bevacizumab biosimilar IBI305 and chemotherapy for patients with EGFR-mutated non-squamous non-small-cell lung cancer who progressed on EGFR tyrosine-kinase inhibitor therapy (ORIENT-31): first interim results from a randomised, double-blind, multicentre, phase 3 trial. Lancet Oncol 2022; epub ahead of print

Summary: The phase 3 ORIENT-31 trial, at 52 centers in China, found that the combination of sintilimab (anti-PD-1), IBI305 (bevacizumab biosimilar) and cisplatin-pemetrexed was efficacious and well tolerated in patients with advanced EGFR-mutated NSCLC after progression on EGFR-TKI therapy.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Risico van tweede primaire maligniteit na radiotherapie versus andere behandeling voor prostaatcarcinoom (0)
2022-07-29 15:00   ( Nieuws )
Tags:  prostate cancer radiotherapy vs surgery SPM risk
Dr. Hilary BagshawVoor de keus tussen primaire behandeling met radiotherapie versus andere behandeling voor prostaatcarcinoom is informatie vereist over lange-termijn risico van bijwerkingen, waaronder tweede primaire maligniteit (SPM). Een retrospectieve cohortstudie op basis van gegevens van het Veterans Affairs Corporate Data Warehouse heeft het SPM-risico na radiotherapie versus andere behandeling voor gelokaliseerd prostaatcarcinoom geïnventariseerd. Dr. Hilary Bagshaw (Stanford University, CA) en collega’s publiceren de studie in JAMA Network Open.1

In de database identificeerden de onderzoekers 143.886 mannen in de leeftijd van achttien jaar of ouder met gelokaliseerd prostaatcarcinoom (stadium T1 tot en met T3). De mediane leeftijd was 65 jaar (IQR 60-71). Van deze patiënten ondergingen 52.866 (36,8%) primaire radiotherapie en kregen 91.000 (63,2%) een andere behandeling, onder wie 31.218 (34,3%) chirurgie en 59.782 (65,7%) actieve surveillance, medicatie, of observatie. Tijdens mediaan 8 jaar follow-up (IQR 5-12) beginnend een jaar na de diagnose werd in 4257 patiënten een SPM gediagnostiseerd: 1955 (3,7%) in het radiotherapiecohort en 2302 patiënten (2,5%) in het niet-radiotherapiecohort. In multivariate analyse hadden patiënten in het radiotherapiecohort hoger risico van SPM dan patiënten in het niet-radiotherapiecohort één tot vijf jaar na de diagnose (HR 1,24; p<0,001), vijf tot tien jaar na de diagnose (HR 1,50; p<0,001), tien tot vijftien jaar na de diagnose (HR 1,59; p<0,001), en vijftien tot 20 jaar na de diagnose (HR 1,47; p=0,02).

De onderzoekers concluderen dat radiotherapie voor gelokaliseerd prostaatcarcinoom geassocieerd was met verhoogd SPM-risico.

1.Bagshaw HP, Arnow KD, Trickey AW et al. Assessment of second primary cancer risk among men receiving primary radiotherapy vs surgery for the treatment of prostate cancer. JAMA Network Open 2022;5:e2223025

Summary: A a retrospective cohort study of 143,886 patients with localized prostate cancer found that patients who received radiotherapy were more likely to develop a SPM than patients who did not receive radiotherapy, with increasing risk over time. 


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 2-studie van talazoparib plus avelumab voor recidiverend MMR-proficiënt endometriumcarcinoom (0)
2022-07-29 13:30   ( Nieuws )
Tags:  MMRP EC talazoparib plus avelumab
Dr. Panagiotis KonstantinopoulosDe combinatie van pembrolizumab plus lenvatinib is door de FDA goedgekeurd voor de behandeling van mismatch repair proficient endometriumcarcinoom (MMRP EC). Veel patiënten verdragen deze behandeling niet, of hebben geen respons, of ontwikkelen resistentie. Een fase 2-studie in vier centra in de Verenigde Staten heeft veiligheid en werkzaamheid van de combinatie van talazoparib (PARP-remmer) en avelumab (anti-PD-L1) voor recidiverend MMRP EC geëvalueerd. Dr. Panagiotis Konstantinopoulos (Dana-Farber Cancer Institute, Boston MA) en collega’s publiceren de studie in JAMA Oncology.1

De studie includeerde 35 patiënten (gemiddelde leeftijd 67,9 ± 8,41 jaar), die oraal talazoparib 1 mg per dag plus intraveneus avelumab 10 mg/kg iedere twee weken kregen, tot progressie of niet-acceptabele toxiciteit optrad. Coprimaire eindpunten waren objective response rate en zes-maands progressievrije overlevingspercentage. De figuur laat zien dat vier patiënten (11,4%) objectieve respons hadden. Er waren acht patiënten (22,9%) die na zes maanden progressievrij waren. De meest-gerapporteerde graad 3 of 4 treatment-related adverse events waren anemie (46% van de patiënten), trombocytopenie (29%), en neutropenie (11%). Geen van de patiënten discontinueerde de behandeling wegens TRAEs. Tumoren met HRR-veranderingen waren geassocieerd met klinisch profijt van de behandeling. Tumormutatiebelasting, tumorinfiltrerende lymfocyten, en PD-L1 status waren niet geassocieerd met klinisch profijt.

De onderzoekers concluderen dat de combinatie van avelumab plus talazoparib voor MMRP EC een gunstig toxiciteitsprofiel had, en nadere bestudering verdient.

1.Konstantinopoulos PA, Gockley AA, Xiong N et al. Evaluation of treatment with talazoparib and avelumab in patients with recurrent mismatch repair proficient endometrial cancer. JAMA Oncol 2022.2181

Summary: A phase 2 study at four US centers found that among patients with mismatch repair proficient endometrial cancer the combination of avelumab and talazoparib had a favorable toxicity profile and resulted in clinical benefit in 25.7% of patients.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)