Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Veiligheid van neoadjuvante CRT versus CT gevolgd door minimaal-invasieve oesofagectomie voor LA-ESCC (0)
2021-03-18 16:00   ( Nieuws )
Tags:  locally advanced esophageal squamous cell carcinoma neoadjuvant CRT versus CT
Er is geen duidelijkheid over de veiligheid van toevoegen van radiotherapie aan neoadjuvante chemotherapie voorafgaand aan minimaal-invasieve oesofagectomie (MIE) voor lokaal-gevorderd squameus celcarcinoom van de slokdarm (LA-ESCC). Een multicenter gerandomiseerde studie in China heeft neoadjuvante CRT vergeleken met neoadjuvante CT voorafgaand aan MIE voor LA-ESCC. Dr. Hao Wang (Fudan Universiteit, Shanghai) en collega’s publiceren de studie in JAMA Surgery.1

De studie, uitgevoerd in tien centra, includeerde 264 patiënten die werden gerandomiseerd naar nCRT (n=132) of nCT (n=132). De chemotherapie was paclitaxel en cisplatine voor beide groepen, terwijl de nCRT-groep bovendien 40 Gy concurrente RT kreeg. Ongeveer zes weken na voltooiing van de neoadjuvante behandeling ondergingen de patiënten MIE (n=114 in de nCRT-groep en n=108 in de nCT-groep). Het primaire eindpunt van de studie was overall survival.

Postoperatieve morbiditeit werd gezien in 54 patiënten in de nCRT-groep (47,4%) versus 46 patiënten in de nCT-groep (42,6%; p=0,48). De distributie van de ernst van de complicaties verschilde niet tussen beide groepen. De negentig-dagen mortaliteit was 3,5% in de nCRT-groep versus 2,8% in de nCT-groep (p=0,94). Het percentage patiënten met R0-resectie was 97,3% in de nCRT-groep versus 96,2% in de nCT-groep (p=0,92). Een hoger percentage patiënten in de nCRT-groep dan in de nCT-groep had pathologisch complete respons (35.7% versus 3,8%; p<0,001) en negatieve lymfeklieren (66,1% versus 46,2%; p=0,03). De een-jaars OS was 87,1% in de nCRT-groep versus 82,6% in de nCT-groep (p=0,30). Overlijden door tumorprogressie trof 6,8% in de nCRT-groep versus 14,4% in de nCT-groep (p=0,046); overlijden door andere oorzaken 6,1% versus 3,0% (p=0,24).

De onderzoekers concluderen dat nCRT gevolgd door MIE voor LA-ESCC vergelijkbare veiligheid maar betere histopathologische uitkomsten had dan nCT gevolgd door MIE.

1.Wang H, Tang H, Fang Y et al. Morbidity and mortality of patients who underwent minimally invasive esophagectomy after neoadjuvant chemoradiotherapy vs neoadjuvant chemotherapy for locally advanced esophageal squamous cell carcinoma. A randomized clinical trial. JAMA Surg 2021.0133

Summary: A multicenter randomized study in China compared neoadjuvant chemoradiotherapy versus neoadjuvant chemotherapy before minimally invasive esophagectomy for locally advanced esophageal squamous cell carcinoma. The safety of nCRT was similar to the safety of nCT while the histopathological outcome was better with nCRT than with nCT.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Overleving en nieuwe prognostische factor in metastatisch seminoom (0)
2021-03-18 15:00   ( Nieuws )
Tags:  metastatic seminoma survival and new prognosticator
Prof. Jörg BeyerOngeveer een op de drie patiënten met seminoom heeft bij presentatie metastatische ziekte. Het management van metastatische seminomen is gebaseerd op de classificatie door de International Germ-Cell Cancer Collaborative Group (IGCCCG) uit 1997. Deze indeling is opgesteld aan de hand van gegevens van slechts 660 patiënten die tussen 1975 en 1990 zijn behandeld. Prof. Jörg Beyer (Universiteit van Bern, Zwitserland) en zijn collega’s van IGCCCG publiceren in het Journal of Clinical Oncology een update van de classificatie.1

De update is gebaseerd op gegevens van 2451 mannen met metastatisch seminoom die tussen begin 1990 en eind 2013 in dertig instituten op drie continenten eerstelijns cisplatine- en etoposide-gebaseerde chemotherapie kregen. Vergeleken met de patiënten die tussen 1975 en 1990 waren behandeld was in de groep met IGCCCG-goede prognose de vijf-jaars progressievrije overleving toegenomen van 82% naar 89% (95%-bti 87-90) en de overall survival van 86% naar 95% (95%-bti 94-96), terwijl in de groep met IGCCCG-intermediaire prognose de vijf-jaars PFS was toegenomen van 67% naar 79% (95%-bti 70-85) en de vijf-jaars OS van 72% naar 88% (95%-bti 80-93). De oorspronkelijke IGCCCG-classificatie behield zijn relevantie, maar kon nader worden verfijnd door toevoeging van LDH-niveau hoger dan 2,5 maal de upper limit of normal als ongunstige prognostische factor.

De onderzoekers concluderen dat de PFS en OS van patiënten met metastatisch seminoom sinds 1990 significant zijn verbeterd, en dat verhoogd LDH-niveau een nieuwe ongunstige prognostische factor is.

1.Beyer J, Collette L, Sauvé N et al. Survival and new prognosticators in metastatic seminoma: results from the IGCCCG-Update Consortium. J Clin Oncol 2021; epub ahead of print

Summary: A study with 2451 men with metastatic seminoma treated with first-line chemotherapy between 1990 and 2013 found that PFS and OS were significantly improved compared to patients treated between 1975 and 1990. The original IGCCCG classification retains its relevance, but can be further refined by adding LDH at a cutoff of 2.5 x upper limit of normal as an additional adverse prognostic factor.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Prospectieve studie van associatie tussen ovariëctomie en risico van mammacarcinoom in de algemene bevolking (0)
2021-03-18 14:00   ( Nieuws )
Tags:  breast cancer rate after oophorectomy in the general population
Prof. Martha HickeyEr is geen duidelijkheid over de associatie tussen ovariëctomie en het risico van mammacarcinoom in de algemene bevolking. Een prospectieve analyse in het Danish Nurse Cohort heeft deze associatie onderzocht. Prof. Martha Hickey (University of Melbourne) publiceren de analyse in het International Journal of Cancer.1

De studie includeerde 24.409 vrouwelijke verpleegkundigen in de leeftijd van 45 jaar of ouder.Tijdens 502.463 persoonsjaren follow-up werd in 1975 deelneemsters (8,1%) mammacarcinoom gediagnostiseerd. Vergeleken met deelneemsters met intacte ovaria was het risico van mammacarcinoom significant lager in deelneemsters die bilaterale ovariëctomie hadden ondergaan (aRR 0,79; 95%-bti 0,64-0,99). Een vergelijkbare associatie, maar niet statistisch significant, werd gezien voor unilaterale ovariëctomie.


De onderzoekers concluderen dat bilaterale ovariëctomie geassocieerd was met verlaging van het risico van mammacarcinoom onder vrouwen in de algemene bevolking.

1.Koch T, Therming Jørgensen J, Christensen J et al. Breast cancer rate after oophorectomy: a prospective Danish cohort study. Int J Cancer 2021; epub ahead of print

Summary: A prospective study in Denmark found that bilateral oophorectomy was associated with reduced breast cancer rate in women from the general population. This association was not modified by use of HRT, hysterectomy, BMI, or shift-work.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie tussen ervaring van anesthesioloog en korte-termijn uitkomsten van complexe chirurgie voor GI-maligniteit (0)
2021-03-18 13:01   ( Nieuws )
Tags:  complex gastrointestinal cancer surgery anesthesiologist volume
Dr. Julie HalletIntraoperatieve anesthesiologische zorg is cruciaal voor hoge-kwaliteit chirurgie. Klinische expertise van de anesthesioloog zou kunnen bijdragen aan het risico van ongunstige uitkomsten. Een studie in Ontario (Canada) heeft de associatie tussen ervaring van anesthesiologen en korte-termijn uitkomsten van complexe chirurgie voor gastroïntestinale maligniteiten geïnventariseerd. Dr. Julie Hallet (University of Toronto) en collega’s publiceren de studie in JAMA Surgery.1

De studie includeerde patiënten die tussen begin 2007 en eind 2018 in Ontario oesofagectomie, pancreatectomie, en hepatectomie voor maligniteiten ondergingen. De ervaring van de anesthesioloog werd beoordeeld aan de hand van het aantal van de genoemde ingrepen waaraan hij of zij de voorafgaande twee jaar had bijgedragen. Hoog-volume werd gedefinieerd met het 75e percentiel of tenminste zes procedures per jaar als afsnijpunt. Het primaire eindpunt was een composiet van negentig-dagen majeure morbiditeit (Clavien-Dindo graad 3 of hoger) en heropname.


De studie includeerde 8096 patiënten (66,3% mannen; mediane leeftijd 65 jaar; IQR 57-72). De operaties werden uitgevoerd door 186 chirurgen die werden bijgestaan door 842 anesthesiologen. Het mediane volume van de anesthesioloog was 3 procedures per jaar (IQR 1,5-6). Er waren 2166 patiënten (26,7%) die geopereerd werden met zorg van een hoog-volume anesthesioloog. Het primaire eindpunt werd gezien in 36,6% van de patiënten in de hoog-volumegroep en 45,7% van de patiënten in de laag-volumegroep. Na correctie voor mogelijk verstorende variabelen was zorg door een hoog-volume anesthesioloog onafhankelijk geassocieerd met lager risico van het primaire eindpunt (aOR 0,85; 95%-bti 0,76-0,94), negentig-dagen majeure morbiditeit (0,83; 0,75-0,91), niet-geplande heropname op de afdeling intensieve zorg (0,84; 0,76-0,94), maar niet significant met heropname in het ziekenhuis (0,87; 0,73-1,05) of mortaliteit (1,05; 0,84-1,31).

De onderzoekers concluderen dat onder patiënten die complexe chirurgie voor gastroïntestinale maligniteiten ondergingen, hoger volume van de anesthesioloog geassocieerd was met lager risico van ongunstige postoperatieve uitkomsten.

1.Hallet J, Jerath A, Turgeon AF et al. Association between anesthesiologist volume and short-term outcomes in complex gastrointestinal cancer surgery. JAMA Surg 2021.0135

Summary: A study in Ontario found that among adults who underwent complex gastrointestinal cancer surgery, those who received care from high-volume anesthesiologists (75th percentile or 6 or more procedures per year as cutoff point) had a lower risk of adverse postoperative outcomes compared to those who received care from low-volume anesthesiologists.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 1b-2 studie van eribuline plus pembrolizumab voor metastatisch triple-negatief mammacarcinoom (0)
2021-03-17 16:00   ( Nieuws )
Tags:  ENHANCE 1 study mTNBC eribulin plus pembrolizumab
Dr. Sara TolaneyIn eerdere studies is activiteit gezien van eribuline en van pembrolizumab als monotherapie voor metastatisch triple-negatief mammacarcinoom. Het is denkbaar dat de combinatie van chemotherapie en immuuntherapie resulteert in sterkere activiteit. De multicenter fase 1b-2 studie ENHANCE 1 in de Verenigde Staten heeft de combinatie van eribuline en pembrolizumab voor mTNBC geëvalueerd. Dr. Sara Tolaney (Dana-Farber Cancer Institute, Boston MA) en collega’s publiceren de studie in Clinical Cancer Research.1


De studie includeerde 167 patiënten met mTNBC, meetbare ziekte, en 0 (stratum 1; n=66) of ten hoogste 2 (stratum 2; n=101) eerdere systemische behandeling voor metastatische ziekte. De patiënten kregen drie-weekse cycli van intraveneus eribuline 1,4 mg/m2 op dagen één en acht plus intraveneus pembrolizumab 200 mg op dag één. Primaire eindpunten waren veiligheid, tolerabiliteit, en objective response rate.


De meest-waargenomen treatment-emergent adverse events waren vermoeidheid (66% van de patiënten), misselijkheid (58%), perifere sensorische neuropathie (41%), alopecie (40%), en obstipatie (37%). De ORR was 25,8% (95%-bti 15,8-38,0) in stratum 1 en 21,8% (95%-bti 14,2-31,1) in stratum 2. Patiënten met PD-L1 positieve tumoren (CPS 1% of hoger) hadden numeriek hogere ORR dan patiënten met PD-L1 negatieve tumoren.

De onderzoekers concluderen dat de combinatie van eribuline plus pembrolizumab over het algemeen goed verdragen werd en veelbelovende activiteit had voor mTNBC. Lijn van therapie en PD-L1 status hadden invloed op de werkzaamheid.

1.Tolaney SM, Kalinsky K, Kaklamani V et al. Eribulin plus pembrolizumab in patients with metastatic triple-negative breast cancer (ENHANCE 1): a phase 1b/2 study. Clin Cancer Res 2021; epub ahead of print

Summary: The multicenter phase 1b-2 study ENHANCE 1 found that the combination of eribulin and pembrolizumab was generally well tolerated and had promising activity for mTNBC. Efficacy outcomes were influenced by line of therapy and PD-L1 status.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Prospectieve studie van associatie tussen cardiovasculaire risicofactoren en risico van maligniteiten (0)
2021-03-17 15:00   ( Nieuws )
Tags:  cardiovascular risk factors future cancer risk
Dr. Emily LauCardiovasculaire ziekte (CVD) en maligniteiten zijn wereldwijd twee belangrijke oorzaken van morbiditeit en mortaliteit. Een prospectieve analyse in de cohorten van de Framingham Heart Study en de PREVEND-studie (Prevention of Renal and Vascular End-Stage Disease) heeft de associatie tussen CVD-risicofactoren en het risico van maligniteiten onderzocht. Dr. Emily Lau (Massachusetts General Hospital, Boston) en collega’s publiceren de analyse in JACC: CardioOncology.1

De analyse includeerde 20.305 deelnemers van de twee studies, die bij inclusie vrij waren van maligniteiten. De gemiddelde leeftijd bij inclusie was 50 ± 14 jaar; 54% vrouwen). Tijdens mediaan 15,0 jaar follow-up werden onder de deelnemers 2548 maligniteiten gediagnostiseerd. Traditionele CVD-risicofactoren, waaronder leeftijd, geslacht, en rookstatus, waren onafhankelijk geassocieerd met het risico van maligniteiten (p<0,001 voor alle associaties). Ook het geschatte tien-jaars ASCVD-risico bij inclusie was geassocieerd met het risico van het ontwikkelen van een maligniteit (per 5% toename van het ASCVD-risico HR 1,16; p<0,001). Gehalte van natriuretische peptiden (tertiel 3 versus tertiel 1 HR 1,40; p=0,035) maar niet troponine (p=0,47) was geassocieerd met incidente maligniteiten. Prevalente CVD bij inclusie en interim CV-gebeurtenissen waren niet geassocieerd met risico van toekomstige maligniteit, maar American Heart Association Life’s Simple 7 CV health score wel (per toename van de score met 1 punt HR 0,95; p=0,009).

De onderzoekers concluderen dat het CVD-risico geassocieerd is met het risico van toekomstige maligniteiten, hetgeen suggereert dat er gedeelde risicofactoren voor CVD en maligniteiten bestaan.

1.Lau ES, Paniagua SM, Liu E et al. Cardiovascular risk factors are associated with future cancer. JACC: CardioOnc 2021;3:48-58

Summary: Analysis of the cohorts of the Framingham Heart Study and the PREVEND study found that cardiovascular disease risk, as captured by traditional CVD risk factors, 10-year ASCVD risk score, and natriuretic peptide concentrations are associated with increased risk of future cancer. Conversely, a heart healthy lifestyle is associated with a lower risk of future cancer.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Prognostische betekenis van PD-L1 expressie door CTCs in ICI-behandeld gevorderd NSCLC (0)
2021-03-17 14:00   ( Nieuws )
Tags:  ICIs for aNSCLC prognostic role of PD-L1 expression on circulating tumor cells
Prof. Andrea ArdizzoniIn sommige typen maligniteiten is gezien dat circulerende tumorcellen (CTCs) een nuttige bron kunnen vormen van informatie over de tumoren. Een prospectieve studie van de universiteit van Bologna heeft de prognostische betekenis onderzocht van PD-L1 expressie door CTCs van patiënten die immuuncheckpointremmers (ICIs) kregen voor gevorderd niet-kleincellig longcarcinoom (aNSCLC). Prof. Andrea Ardizzoni en collega’s publiceren de studie in Clinical Lung Cancer.1



De studie includeerde 39 patiënten die ICIs kregen als tweede- of derdelijns behandeling voor aNSCLC. Voor het begin van de behandeling werden CTC-gehalten en PD-L1 expressie door CTCs bepaald. Er waren vijftien patiënten zonder detecteerbare CTCs (CTC-nul groep), dertien patiënten met PD-L1 positieve CTCs (CTC-pos groep), en elf patiënten met PD-L1 negatieve CTCs (CTC-neg groep). Het primaire eindpunt van de studie was de associatie tussen PD-L1 expressie van CTCs en overall survival. De mediane OS was 2,2 maanden in de CTC-neg groep versus 3,7 maanden in de CTC-pos groep (HR 0,33; p=0,019). De mediane OS in de CTC-nul groep was 16,0 maanden. Er was geen correlatie tussen PD-L1 expressie door CTCs en PD-L1 expressie in tumorweefsel.

De onderzoekers concluderen dat PD-L1 expressie door CTCs geassocieerd was met betere overleving onder patiënten die ICIs kregen voor aNSCLC.

1.Dall’Olio FG, Gelsomine F, Conci N et al. PD-L1 expression in circulating tumor cells as promising prognostic biomarker in advanced non-small cell lung cancer treated with immune checkpoint inhibitors. Clin Lung Cancer 2021.03.005

Summary: A prospective study at the University of Bologna (Italy) found that expression of PD-L1 on circulating tumor cells is a promising biomarker for overall survival of patients receiving immune checkpoint inhibitors for advanced non-small cell lung cancer.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Overleving onder patiënten met distante versus ipsilaterale supraclaviculaire lymfekliermetastasen van mammacarcinoom (0)
2021-03-17 12:54   ( Nieuws )
Tags:  breast cancer distant versus supraclavicular lymph node metastases survival
Dr. Wenbin ZhouHet is niet bekend of de overleving van patiënten met afstands-lymfekliermetastasen (DLNM) van mammacarcinoom verschilt van die van patiënten met ipsilaterale supraclaviculaire lymfekliermetastasen (ISLM) of van patiënten met overig stadium IV mammacarcinoom. Een analyse van de SEER-database heeft de overleving van deze groepen patiënten geïnventariseerd. Dr. Wenbin Zhou (Medische Universiteit van Nanjing, China) en collega’s publiceren de analyse in JAMA Network Open.1

In de database voor de periode begin 2010 tot eind 2014 identificeerden de onderzoekers 2033 vrouwen met stadium IV mammacarcinoom. De gemiddelde leeftijd was 62 jaar (SD 15; range 23-99). Onder deze patiënten waren er 347 met DLNM (17,0%), 212 met ISLM (10,4%), en 1475 met afstandsmetastasen na exclusie van DLNM (72,6%). Eindpunten van de analyse waren mammacarcinoomspecifieke overleving en overall survival. De figuur toont het verloop in de tijd van BCSS en OS. Vergeleken met de ISLM-patiënten hadden DLNM-patiënten similar BCSS (HR 0,81; p=0,34) en OS (HR 0,73; p=0,09) terwijl patiënten met afstandsmetastasen significant slechtere BCSS (HR 1,99; p<0,001) en OS (HR 1,79; p<0,001) hadden. Onder de DLNM-patiënten waren primaire chirurgie (HR 0,21; p<0,001) en radiotherapie (HR 0,46; p=0,02) geassocieerd met significante verbetering van OS.

De onderzoekers concluderen dat DLNM van mammacarcinoom, met overlevingsuitkomsten die niet significant verschillen van die van ISLM, wellicht dient te worden gezien als regionale ziekte. Agressieve locoregionale behandeling voor DLNM worden aanbevolen.

1.Pan H, Wang H, Qian M et al. Comparison of survival outcomes among patients with breast cancer with distant vs ipsilateral supraclavicular lymph node metastases. JAMA Network Open 2021;4:e211809

Summary: A cohort study using data in the SEER database found that patients with distant lymph node metastases from breast cancer had similar survival compared to patients with N3c disease. Breast cancer with DLNM might be considered a regional disease, which could benefit from aggressive locoregional therapies.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)