Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Overleving van verschillende histologische subtypen van MPM en overlevingsimpact van chirurgie (0)
2018-08-29 13:59   ( Nieuws )
Tags:  malignant pleural mesothelioma surgery
Dr. Charles SimoneVan maligne pleuraal mesothelioom (MPM) zijn drie histologische subtypen gedefinieerd: epithelioïd, sarcomatoïd, en bifasisch. Dr. Charles Simone (University of Maryland) en collega’s hebben een analyse uitgevoerd van de overleving van de verschillende subtypen, en van de impact van chirurgie op deze overleving. Ze publiceren de analyse online in Clinical Lung Cancer.1

In de National Cancer Database identificeerden de onderzoekers 4207 patiënten met nieuw-gediagnostiseerd niet-metastatisch MPM: 68% epithelioïd, 18% sarcomatoïd, en 13% bifasisch. De mediane overall survival was het hoogst voor epithelioïd MPM (14,4 maanden), gevolgd door bifasisch MPM (9,5 maanden) en sarcomatoïd MPM (5,3 maanden). Deze verschillen bleven significant (p<0,001) na propensity-matching. In voor propensiteit gecorrigeerde analyse was gross macroscopic resection (GMR) versus niet-GMR of geen chirurgie geassocieerd met betere mediane OS voor epithelioïd MPM (20,9 versus 14,7 maanden; p<0,001) en bifasisch MPM (14,5 versus 8,8 maanden; p=0,013) maar niet statistisch significant voor sarcomatoïd MPM (11,2 versus 6,5 maanden; p=0,140). Factoren die in multivariate analyse geassocieerd waren met slechtere OS waren gevorderde leeftijd, mannelijk geslacht, onverzekerd zijn, urbane residentie, behandeling in niet-academisch centrum, en T4/N2-ziekte (p<0,05 voor alle associaties). Chemotherapie (p<0,001) en chirurgie (p<0,001) waren onafhankelijk geassocieerd met betere OS.

De onderzoekers concluderen dat MPM-histologie onafhankelijke impact had op OS, en dat GMR geassocieerd was met betere OS in epithelioïd en bifasisch maar niet sarcomatoïd MPM.

1.Verma V, Ahem CA, Berlind CG et al. Survival by histologic subtype of malignant pleural mesothelioma and the impact of surgical resection on survival. Clin Lung Cancer 2018; epub ahead of print

Summary: An analysis of the National Cancer Database found that histology of malignant pleural mesothelioma independently impacted survival. Gross macroscopic resection was associated with significantly improved survival in epithelioid and biphasic, but not sarcomatoid, MPM.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Relatie tussen MRI-bepaalde extramurale veneuze invasie en uitkomsten van lokaal-gevorderd rectumcarcinoom (0)
2018-08-29 12:44   ( Nieuws )
Tags:  LARC EMVI
Dr. Xiao-Yan Zhang (Peking Universiteit, Beijing) en collega’s hebben een studie uitgevoerd van de relatie tussen pretreatment MRI-bepaalde extramurale invasie (EMVI) en uitkomsten van lokaal-gevorderd rectumcarcinoom (LARC) in patiënten die neoadjuvante chemoradiotherapie kregen gevolgd door chirurgie. Ze publiceren de studie online in Radiology.1 De retrospectieve studie includeerde 517 patiënten (335 mannen; gemiddelde leeftijd 55,6 jaar; SE 11,5 jaar) die van augustus 2008 tot en met december 2014 in Beijing werden behandeld.

Voor aanvang van de behandeling werd met MRI EMVI gezien in 259 patiënten (50%). In multivariate analyse was EMVI geassocieerd met kortere lokaal-recidiefvrije overleving (HR 0,3; p<0,01), kortere metastasevrije overleving (HR 0,3; p<0,01) en kortere overall survival (HR 0,5; p<0,01). MRI-bepaalde invasie van de mesorectale fascie was eveneens voorspellend voor MFS (HR 0,6; p<0,02) en OS (HR 0,5; p=0,02).

De onderzoekers concluderen dat EMVI betrouwbaar kan worden geëvalueerd met MRI, en dat pretreatment-aanwezigheid van EMVI geassocieerd was met hoger risico van lokaal recidief en afstandsmetastase en overlijden in patiënten die neoadjuvante chemoradiotherapie kregen voor LARC.

1.Zhang X-Y, Wang S, Li X-T et al. MRI of extramural venous invasion in locally advanced rectal cancer: relationship to tumor recurrence and overall survival. Radiology 2018; epub ahead of print

Summary: A retrospective study in China showed that extramural venous invasion (EMVI) in locally advanced rectal cancer patients can be reliably evaluated with MRI. The pretreatment presence of EMVI was associated with greater risk of local and distant tumor recurrence and death after neoadjuvant chemoradiation therapy and surgery.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

CNS-respons op eerstelijns osimertinib versus standaard EGFR-TKIs voor EGFR-gemuteerd gevorderd niet-kleincellig longcarcinoom (0)
2018-08-29 11:29   ( Nieuws )
Tags:  FLAURA study osimertinib CNS response
Prof. Johan VansteenkisteDe fase 3-studie FLAURA onderzocht de werkzaamheid van de derdegeneratie EGFR-TKI osimertinib vergeleken met standaard EGFR-TKIs voor niet-eerder behandeld EGFR-gemuteerd gevorderd NSCLC. De studie liet zien dat de mediane progressievrije overleving beter was met osimertinib dan met standaard-TKI (18,9 maanden versus 10,2 maanden; HR 0,46; p<0,001). Prof. Johan Vansteenkiste (Katholieke Universiteit Leuven) en collega’s hebben een analyse uitgevoerd van de CNS-respons in beide armen van de studie. Ze publiceren de analyse online in het Journal of Clinical Oncology.1



FLAURA randomiseerde 556 patiënten 1:1 naar osimertinib of standaard-TKI (gefitinib of erlotinib). Onder de 200 patiënten van wie hersenscans beschikbaar waren hadden er 128 CNS-lesies (61 in de osimertinib-arm; 67 in de standaard-TKI arm) inclusief 41 met tenminste één meetbare CNS-lesie (22 osimertinib, 19 standaard-TKI). De mediane CNS-progressievrije overleving was niet-bereikt met osimertinib (95%-bti 16,5 maanden tot niet-berekenbaar) versus 13,9 maanden met standaard-TKI (95%-bti 8,3 maanden tot niet-berekenbaar) resulterend in een CNS-progressie HR 0,48 (p=0,014). De CNS-ORR in de groep patiënten met meetbare lesies was 91% met osimertinib versus 68% met standaard-TKI (OR 4,6; p=0,066).

De onderzoekers concluderen dat osimertinib CNS-werkzaamheid had voor niet-eerder behandeld EGFR-gemuteerd NSCLC. Het risico van CNS-progressie was lager met osimertinib dan met standaard EGFR-TKIs.

1.Reungwetwattana T, Nakagawa K, Cho BC et al. CNS response to osimertinib versus standard epidermal growth factor receptor tyrosine kinase inhibitors in patients with untreated EGFR-mutated advanced non-small-cell lung cancer. J Clin Oncol 2018; epub ahead of print

Summary: An analysis of results of the phase III study FLAURA showed that the third generation EGFR TKI osimertinib had CNS efficacy in patients with untreated EGFR-mutated advanced non-small cell lung cancer. The risk of CNS progression was reduced with osimertinib compared to standard EGFR-TKIs (gefitinib or erlotinib).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Heterogeniteit van incidentie van colon- en rectumcarcinoom over 612 SEER counties (2000 tot en met 2014) (0)
2018-08-28 15:05   ( Nieuws )
Tags:  CRC incidence heterogeneity between SEER counties
Dr. Philip RosenbergRecente analyses hebben aanwijzingen laten zien voor afname in de loop van de tijd van de incidentie van colorectaalcarcinoom in patiënten van 55 jaar en ouder maar toename in patiënten van 54 jaar en jonger. Dr. Philip Rosenberg (National Cancer Institute, Bethesda MD) en collega’s hebben een studie uitgevoerd van de geografische heterogeniteit van de CRC-incidentie in de beide leeftijdsgroepen in de Verenigde Staten over de periode van 2000 tot en met 2014. Ze publiceren de studie online in het International Journal of Cancer.1

Op basis van incidentiegegevens in 612 SEER-counties berekenden de onderzoekers het realtief risico (RR) en de leeftijds-gecorrigeerde jaarlijkse procentuele verandering (‘Net Drift’) per county, voor colon- en rectumcarcinoom afzonderlijk, gestratificeerd naar leeftijdsgroep (20 tot en met 54 jaar versus 55 tot en met 84 jaar). Ze zagen dat in alle counties de incidentie van colon- en rectumcarcinoom toenam in de jongere patiëntengroep en afnam in de oudere patiëntengroep. Voor zowel colon- als rectumcarcinoom was er aanzienlijke heterogeniteit in zowel RR als Net Drift tussen staten en counties, met gelokaliseerde clusters van RR en Net Drift in verscheidene staten. Er was in de counties met hoge RR en ongunstige Net Drift een trend van hogere prevalentie van obesitas en diabetes en van lagere sociaal-economische status. Counties met hogere screeningspercentages hadden een tendens van lagere Net Drift voor zowel colon- als rectumcarcinoom.

De onderzoekers concluderen dat toename van CRC-incidentie geografisch wijdverbreid is, hoewel er significante heterogeniteit is is temporele trends en risico, zowel binnen als tussen staten. Deze geografische patronen zijn gecorreleerd met verschillende kenmerken op county-niveau afhankelijk van type maligniteit en leeftijdsgroep.

1.Chernyavskiy P, Kennerley VM, Jemal A et al. Heterogeneity of colon and rectum cancer incidence across 612 SEER counties, 2000-2014. Int J Cancer 2018; epub ahead of print

Summary: An analysis of colorectal cancer incidence in 612 SEER counties found that increasing colorectal cancer incidence in patients younger than 55 years of age is geographically widespread, although there is significant geographic heterogeneity of incidence in younger as well as older patients.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

PD-L1 expressie, tumor-mutatiebelasting, en respons op immuuntherapie van longcarcinoom met MET-exon 14 verandering (0)
2018-08-28 13:47   ( Nieuws )
Tags:  MET exon 14 altered lung cancer PD-L1 expression TMB
Dr. Alexander DrilonVeranderingen in MET-exon 14 zijn actionabele oncogene drijvers. In prospectieve studies zijn duurzame responsen gezien van MET-exon 14-veranderde longcarcinomen op MET-remmers. De activiteit van immuuntherapie, de expressie van PD-L1, en de tumor-mutatiebelasting (TMB) van deze tumoren zijn echter niet goed beschreven. Dr. Alexander Drilon (Memorial Sloan Kettering Cancer Center, New York) en collega’s hebben een studie van deze onderwerpen uitgevoerd. Ze publiceren de studie online in Annals of Oncology.1

De onderzoekers identificeerden 147 patiënten met any stage MET-exon 14-veranderde longcarcinomen die werden behandeld in Sloan Kettering of Dana-Farber Cancer Insitute (Boston). Van de 111 evalueerbare tumormonsters werd in 37% geen expressie van PD-L1 gezien, in 22% van de monsters expressie uiteenlopend van 1% tot 50%, en in 41% van de monsters expressie van 50% of hoger. In beide onafhankelijk beoordeelde cohorten (Sloan Kettering en Dana-Farber) was de mediane TMB van MET-exon 14-veranderde longcarcinomen lager dan die van niet-geselecteerde NSCLCs: 3,8 versus 5,7 mutaties per megabase in het eerste cohort (p<0,001) en 7,3 versus 11,8 mutaties per megabase in het tweede cohort (p<0,001). Er was geen associatie tussen expressie van PD-L1 en TMB (Spearman rho 0,18; p=0,069). Onder de 24 voor respons evalueerbare patiënten werd objectieve respons gezien in vier (17%); de mediane progressievrije overleving was 1,9 maanden. De responspercentages waren niet verhoogd in tumoren met hoge expressie van PD-L1 of hoge TMB.

De onderzoekers concluderen dat expressie van PD-L1 werd gezien in een substantieel percentage van MET-exon 14-veranderde longcarcinomen, maar dat deze een lagere TMB hebben in vergelijking met niet-geselecteerde NSCLCs. De klinische werkzaamheid van blokkade van PD-L1 is matig.

1.Sabari JK, Leonardi GC, Shu CA et al. PD-L1 expression, tumor mutational burden, and response to immunotherapy in patients with MET exon 14 altered lung cancers. Ann Oncol 2018; epub ahead of print

Summary: A study at Memorial Sloan Kettering Cancer Center and Dana-Farber Cancer Institute found that a substantial proportion of MET exon 14-altered lung cancers express PD-L1, but the median tumor mutational burden is lower compared with unselected NSCLCs. Occasional responses to PD-L1 blockade can be achieved, but overall clinical efficacy is modest.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Beroepsgebonden variatie in het risico van mammacarcinoom in vrouwen in de Noordse landen (0)
2018-08-28 12:58   ( Nieuws )
Tags:  female breast cancer risk occupational variation NOCCA study
Prof. Eero PukkalaDe Nordic Occupational Cancer Study (NOCCA) inventariseert de associatie tussen beroepen en het risico van maligniteiten in Denemarken, Finland, IJsland, Noorwegen en Zweden. Prof. Eero Pukkala (Universiteit van Tampere, Finland) en collega’s publiceren online in Cancer Causes & Control een NOCCA-analyse van het risico van mammacarcinoom in relatie tot het beroep van vrouwen.1 De analyse includeerde bijna 7,5 miljoen vrouwen in de leeftijd van 30 tot 65 jaar, die werden gevolgd van begin 1961 tot eind 2005. In deze periode werd mammacarcinoom vastgesteld in 62.000 van de geïncludeerde vrouwen.

Ten opzichte van de land-specifieke achtergrondbevolking werden de grootste risicoverhogingen gezien voor militairen (SIR 1,58; 95%-bti 1,03-2,32), tandartsen (SIR 1,43; 95%-bti 1,31-1,56), en artsen (SIR 1,35; 95%-bti 1,26-1,46). De laagste risico’s werden gezien in tuinders (SIR 0,76; 95%-bti 0,74-0,78) en boeren (SIR 0,80; 95%-bti 0,78-0,82). Lassers, tabakswerkers, en schilders hadden verhoogde SIRs voor mammacarcinoom gediagnostiseerd voor de leeftijd vijftig jaar. Onder vrouwen die in laboratoria werkten was het risico van mammacarcinoom significant hoger in de periode 1991 tot en met 2005 vergeleken met eerdere perioden. De SIRs varieerden niet substantieel met histologie van mammacarcinoom.

De onderzoekers concluderen dat de analyse suggereert dat het risico van mammacarcinoom uiteenloopt tussen verschillende beroepen.

1.Katuwal S, Martinsen JI, Kjaerheim K et al. Occupational variation in the risk of female breast cancer in the Nordic countries. Cancer Causes Control 2018; epub ahead of print

Summary: An analysis of the Nordic Occupational Cancer Study data found that the risk of female breast cancer varies by occupation. The highest risk was found among military personnel, dentists, and physicians, while the lowest risk was observed among gardeners and farmers.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Prognostische impact van dissectie van 4L-lymfeklieren in linkszijdig longcarcinoom (0)
2018-08-28 11:58   ( Nieuws )
Tags:  left lung cancer 4L lymph node dissection
Dr. Zhen-Fa Zhang (Medische Universiteit van Tianjin, China) en collega’s hebben een studie uitgevoerd van de prognostische impact van dissectie van het 4L lymph node (LN) station in patiënten met linkszijdig longcarcinoom, en van relatief-risicofactoren voor 4L LN-metastase. Ze publiceren de studie online in het Journal of Clinical Oncology.1 De retrospectieve studie is gebaseerd op gegevens van 657 patiënten die tussen begin 2005 en eind 2009 pulmonaire resectie ondergingen voor linkszijdig longcarcinoom. Onder deze patiënten waren er 139 die 4L LN-dissectie ondergingen (4LD+ groep); de 4LD- groep bestond uit de overige 518 patiënten. De eindpunten van de studie waren ziektevrije overleving (DFS) en overall survival (OS).


Het metastasepercentage van station 4L was 20,9%; significant hoger dan van station 7 (14,0%; p=0,048) en station 9 (9,8%; p<0,001). Station 4L-metastase was in univariate analyse geassocieerd met metastase van de meeste ander LN-stations, maar in multivariate analyse was alleen station 10 LN-metastase een onafhankelijke risicofactor voor 4L LN-metastase (OR 0,253; p=0,001). De 4LD+ groep had significant betere uitkomsten dan de 4LD- groep: vijf-jaars DFS 54,8% versus 42,7% (p=0,0376) en vijf-jaars OS 58,9% versus 47,2% (p=0,0200). In multivariate analyse bleef dissectie van 4L LN onafhankelijk voorspellend voor gunstige DFS (HR 1,502; p=0,002) en OS (HR 1,585; p=0,001). Ook in voor propensiteit gecorrigeerde analyses was dissectie van 4L LN geassocieerd met gunstige DFS (p=0,0014) en OS (p<0,001).

De onderzoekers concluderen dat betrokkenheid van station 4L LN niet zeldzaam is in linkszijdig longcarcinoom, en dat dissectie geassocieerd was met verbeterde prognose.

1.Wang Y-N, Yao S, Wang C-L et al. Clinical significance of 4L lymph node dissection in left lung cancer. J Clin Oncol 2018; epub ahead of print

Summary: A retrospective study in Tianjin (China) found that station 4L lymph node involvement is not rare in left lung cancer. Dissection of the 4L lymph node station in patients with left lung cancer seemed to be associated with an improved prognosis.

  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Eerstelijns pembrolizumab plus platina-gebaseerde chemotherapie voor gevorderd niet-kleincellig longcarcinoom (0)
2018-08-27 15:00   ( Nieuws )
Tags:  KEYNOTE-021 study advanced NSCLC
Platina-gebaseerde chemotherapie heeft slechts bescheiden werkzaamheid voor gevorderd niet-kleincellig longcarcinoom, maar kan wellicht immuunresponsen versterken. De fase 1/2-studie KEYNOTE-021 heeft de werkzaamheid en veiligheid onderzocht van van platina-doublet chemotherapie in combinatie met de immuuncheckpointremmer pembrolizumab als eerstelijns behandeling voor gevorderd NSCLC. Dr. Shirish Gadgeel (Wayne State University, Detroit MI) en collega’s publiceren de studie online in Lung Cancer.1

De studie includeerde 74 patiënten, met niet-eerder behandeld gevorderd NSCLC zonder EGFR/ALK-veranderingen, in drie cohorten. Patiënten in cohort A (any histology) kregen pembrolizumab 2 of 10 mg/kg iedere drie weken plus carboplatine AUC 6 mg/ml/min plus paclitaxel 200 mg/m2. Patiënten in cohort B (niet-squameus NSCLC) kregen pembrolizumab plus carboplatine AUC 6 mg/ml/min plus paclitaxel 200 mg/m2 plus bevacizumab 15 mg/kg. Patiënten in cohort C (niet-squameus NSCLC) kregen pembrolizumab plus carboplatine AUC 5 mg/ml/min plus pemetrexed 500 mg/m2. Na vier cycli kregen de patiënten onderhoudsbehandeling met pembrolizumab (cohort A), pembrolizumab plus bevacizumab (cohort B), of pembrolizumab plus pemetrexed (cohort C).

De mediane follw-up was 21,4 maanden in cohort A; 16,4 maanden in cohort B; en 17,4 maanden in cohort C. In geen van de cohorten werden pembrolizumab-doseringslimiterende toxiciteiten gezien. De meest-frequente behandelings-gerelateerde adverse events waren alopecie, vermoeidheid, en misselijkheid. Graad 3 of 4 AEs werden gezien in 40% van de patiënten in cohort A, 42% in cohort B, en 46% in cohort C. De geblindeerd centraal-beoordeelde ORRs in de drie cohorten waren 48%, 56%, en 75%.

De onderzoekers concluderen dat pembrolizumab in combinatie met carboplatine-paclitaxel of pemetrexed-carboplatine voor gevorderd NSCLC resulteerde in bemoedigende antitumor-activiteit met toxiciteit die consistent was met bekende toxiciteit van pembrolizumab monotherapie en platina-gebaseerde chemotherapie.

1.Gadgeel SM, Stevenson JP, Langer CJ et al. Pembrolizumab and platinum-based chemotherapy as first-line therapy for advanced non-small-cell lung cancer: phase 1 cohorts from the KEYNOTE-021 study. Lung Cancer 2018; epub ahead of print

Summary: The KEYNOTE-021 study showed that in patients with previously untreated advanced NSCLC without EGFR/ALK aberrations pembrolizumab in combination with carboplatin-paclitaxel or pemetrexed-carboplatin yielded encouraging antitumor activity and toxicity consistent with known toxicity of pembrolizumab monotherapy or platinum-based chemotherapy.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)