Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Fase 1b-studie van verzwakte viabele Listeria met expressie van mesotheline voor maligne pleuraal mesothelioom (0)
2019-07-02 12:58   ( Nieuws )
Tags:  MPM Listeria expressing mesothelin
Dr. Raffit HassanMaligne pleuraal mesothelioom (MPM) is een agressieve maligniteit met slechte prognose. CRS-207 is een verzwakte viabele Listeria monocytogenes-variant die is gemodificeerd voor het tot expressie brengen van mesotheline, een tumor-geassocieerd antigen dat ook tot hoge expressie komt in MPM. Toediening van CRS-207 zou anti-MPM immuunrespons kunnen induceren. Een multicenter fase 1b-studie in de Verenigde Staten heeft deze hypothese getoetst. Dr. Raffit Hassan (National Cancer Institute, Bethesda MD) en collega’s publiceren de studie online in Clinical Cancer Research.1

De studie includeerde patiënten met niet-resectabel MPM, ECOG performance score 0 of 1, en adequate orgaanfunctie en longfunctie. Ze kregen twee priming infusies van 1 x 109 CFU CRS-207, gevolgd door pemetrexed-cisplatine chemotherapie, en CRS-207 booster infusies. Primaire eindpunten van de studie waren inductie van immuunrespons en veiligheid. Onder de 35 evalueerbare patiënten waren er 31 met ziektecontrole (89%), van wie één met complete respons en negentien met partiële respons (ORR 57%) en tien met stabiele ziekte (29%). De geschatte mediane duur van respons was 5,0 maanden (95%-bti 3,9-11,5). De mediane duur van progressievrije overleving was 7,5 maanden (95%-bti 7,0-9,9) en de mediane overall survival was 14,7 maanden (95%-bti 11,2-21,9). Na infusie van CRS-207 maar voor begin van de chemotherapie werd afname van de tumorgrootte gezien in elf patiënten (31%). Er waren geen onverwachte behandelings-gerelateerde ernstige adverse events. Immuunhistochemische analyse liet zien dat infusie van CRS-207 significante veranderingen induceerde in de tumor-microömgeving.

De onderzoekers concluderen dat combinatie van CRS-207 met chemotherapie objectieve tumorrespons induceerde in de meerderheid van de behandelde MPM-patiënten.

1.Hassan R, Alley E, Kindler H et al. Live-attenuated, Listeria monocytogenes expressing mesothelin (CRS-207) with chemotherapy for treatment of malignant pleural mesothelioma. Clin Cancer Res 2019; epub ahead of print

Summary: CRS-207 is a live-attenuated Listeria monocytogenes engineered to express mesothelin, which is also highly expressed in malignant pleural mesothelioma. A multicenter phase 1b study found that combination of CRS-207 and chemotherapy induced objective tumor responses in a majority of treated MPM patients.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Mortaliteit na mammacarcinoom in vrouwelijke overlevers van maligniteiten tijdens de jeugd (0)
2019-07-02 12:00   ( Nieuws )
Tags:  childhood cancer survivors mortality after breast cancer
Dr. Chaya MoskowitzVrouwelijke overlevers van maligniteiten tijdens de jeugd hebben een hoog risico van het ontwikkelen van mammacarcinoom. Een analyse in het cohort van de Childhood Cancer Survivor Study heeft de mortaliteit in deze overlevers na de diagnose mammacarcinoom onderzocht. Dr. Chaya Moskowitz (Memorial Sloan Kettering Cancer Center, New York) en collega’s publiceren de analyse online in het Journal of Clinical Oncology.1

De analyse includeerde vrouwen die tenminste vijf jaar hadden overleefd na diagnose van een maligniteit tussen begin 1970 en eind 1986 voor de leeftijd van 21 jaar, die later mammacarcinoom ontwikkelden (n=274; mediane leeftijd bij diagnose mammacarcinoom 38 jaar; range 20 tot 58), en een gematchte controlegroep van vrouwen met de novo mammacarcinoom (n=1095). Tijdens de follow-up overleden 92 overlevers van childhood cancer, onder wie 49 aan mammacarcinoom. De tien-jaars overall survival na de diagnose mammacarcinoom was 73%. De all-cause mortaliteit was hoger onder overlevers dan onder controlepersonen (HR 2,2; 95%-bti1,7-3,0). De mammacarcinoom-specifieke mortaliteit was slechts licht verhoogd in de overlevers vergeleken met de controlepersonen (HR 1,3; 95%-bti 0,9-2,0), maar de overlevers hadden een meer dan vijf maal verhoogd risico van overlijden aan andere oorzaken, waaronder volgende maligne neoplasmen en cardiovasculaire of pulmonaire ziekte (HR 5,5; 95%-bti 3,4-9,0). De cumulatieve incidentie van een tweede asynchroon mammacarcinoom was ook significant verhoogd in de overlevers vergeleken met de controles (p<0,001).

De onderzoekers concluderen dat de mortaliteit na een diagnose mammacarcinoom hoger was in de groep overlevers van maligniteiten tijdens de jeugd dan in een controlegroep van vrouwen met de novo mammacarcinoom.

1.Moskowitz CS, Chou JF, Neglia JP et al. Mortality after breast cancer among survivors of childhood cancer: a report from the Childhood Cancer Survivor Study. J Clin Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: An analysis in the cohort of the Childhood Cancer Survivor Study found that mortality after a breast cancer diagnosis was higher in childhood cancer survivors than in women with de novo breast cancer.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie van radioactief jodium voor hyperthyreoïdie met maligniteiten-gerelateerde mortaliteit (0)
2019-07-01 15:08   ( Nieuws )
Tags:  RAI for hyperthyroidism cancer mortality
Dr. Cari KitaharaSinds de jaren veertig van de vorige eeuw wordt radioactief jodium (RAI) gebruikt voor de behandeling van hyperthyreoïdie. Het is niet ondenkbaar dat RAI-behandeling geassocieerd is met verhoogd risico van maligniteiten. Een analyse van resultaten van een prospectieve cohortstudie in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk heeft onderzocht of hogere orgaan- of weefsel-geabsorbeerde RAI-doseringen geassocieerd zijn met hogere maligniteit-geassocieerde mortaliteit. Dr. Cari Kitahara (National Cancer Institute, Bethesda MD) en collega’s publiceren de analyse vandaag online in JAMA Internal Medicine.1

De analyse is gebaseerd op een 24-jaars extensie van de multicenter Cooperative Thyrotoxicosis Therapy Follow-up Study, die sinds 1946 Amerikaanse en Britse patiënten heeft gevolgd die werden behandeld voor hyperthyreoïdie. De nu gepubliceerde analyse includeerde 18.805 Amerikaanse patiënten die RAI kregen en op het moment van de eerste behandeling geen geschiedenis van een maligniteit hadden. De gemiddelde leeftijd was 49 ± 14 jaar, 78% waren vrouwen, en 93,7% hadden een diagnose Graves disease. De gemiddelde 131I-dosering was 375 MBq voor de Graves-patiënten en 653MBq voor de patiënten met nodulair struma. De gemiddelde geschatte doseringen naar organen of weefsels liepen uiteen van 20 tot 99 mGy voor colon of rectum, ovarium, uterus. Prostaat, blaas, en centraal zenuwstelsel; van 100 tot 400 mGy voor pancreas, nier, lever, maag, borst (vrouwen), longen, orale mucosa, en beenmerg; tot 1,6 Gy voor de slokdarm, en tot 130 Gy voor de schildklier.

De analyse vond statistisch significant positieve associaties tussen RAI-dosering en alle maligniteiten-gerelateerde mortaliteit (per 100 mGy-dosering naar de maag RR 1,06; p=0,002) inclusief mortaliteit aan mammacarcinoom (per 100 mGy-dosering naar de borst RR 1,12; p=0,04) en alle andere solide maligniteiten tezamen (per 100 mGy-dosering naar de maag RR 1,05; p=0,01). De onderzoekers berekenen een mogelijke levenslange oversterfte aan solide maligniteiten van 19 tot 32 voor elke duizend patiënten die typerende doseringen RAI krijgen voor hyperthyreoïdie.

De onderzoekers concluderen dat onder RAI-behandelde patiënten met hyperthyreoïdie hogere doseringen naar organen positief geassocieerd waren met hoger risico van overlijden aan maligniteiten. Er is behoefte aan nader onderzoek van risico’s en baten van behandelopties voor hyperthyreoïdie.

1.Kitahara CM, Berrington de Gonzalez A, Bouville A et al. Association of radioactive iodine treatment with cancer mortality in patients with hyperthyroidism. JAMA Intern Med 2019; epub ahead of print

Summary: Analysis of 24-year extension of the multicenter Cooperative Thyrotoxicosis Therapy Follow-up Study found that in patients treated with radioactive iodine for hyperthyroidism, greater organ-absorbed doses appeared to be modestly positively associated with risk of death from solid cancer.



  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Prospectieve studie van impact van verschillende behandelingen voor prostaatcarcinoom op seksueel functioneren (0)
2019-07-01 14:00   ( Nieuws )
Tags:  prostate cancer treatments impact on sexual function
Dr. Ronald ChenVoor de behandeling van prostaatcarcinoom bestaan verscheidene opties. Er is tot op heden geen vergelijkend prospectief onderzoek gepubliceerd van de impact van de verschillende behandelingen op het seksueel functioneren. Onderzoekers van de University of North Carolina (Chapel Hill) hebben een dergelijke studie uitgevoerd. Dr. Ronald Chen en collega’s publiceren de studie online in Cancer.1

Tussen begin 2011 en eind 2013 includeerde de prospectieve studie 835 mannen met een nieuwe diagnose prostaatcarcinoom. De mannen werden gerecruteerd voor aanvang van de behandeling, die bestond uit hetzij external-beam radiotherapie (EBRT), of brachytherapie, EBRT met androgeendeprivatietherapie (ADT), zenuwsparende radicale prostatectomie (RP), of niet-zenuwsparende RP. De patiënten beantwoordden op verschillende tijdsstippen gedurende twee jaar na de behandeling de seksueel-functioneren vragenlijst van het gevalideerde Prostate Cancer Symptom Indices (PCSI) instrument. De patiëntkenmerken van de verschillende groepen werden in evenwicht gebracht met behulp van propensity scores.

Er waren geen significante verschillen in de PCSI-scores tussen EBRT-patiënten en brachytherapie-patiënten. De scores van patiënten die EBRT plus ADT, of zenuwsparende RP kregen waren op alle tijdstippen lager dan de scores van alleen-EBRT patiënten. Niet-zenuwsparende RP was geassocieerd met de slechtste scores. Behoud van het seksueel functioneren na 24 maanden was geassocieerd met behandeltype, baseline score, en leeftijd. De voorspelde preservation rates liepen uiteen van 14% tot 71% voor EBRT, 8% tot 53% voor EBRT plus ADT, 5% tot 45% voor zenuwsparende RP, en 5% tot 35% voor niet-zenuwsparende RP.

De onderzoekers concluderen dat alleen-EBRT en brachytherapie geassocieerd zijn met het beste behoud van het seksueel functioneren van patiënten met prostaatcarcinoom.

1.Mullins BT, Basak R, Broughman JR, Chen RC. Patient-reported sexual quality of life after different types of radical prostatectomy and radiotherapy: analysis of a population based prospective cohort. Cancer 2019; epub ahead of print

Summary: A prospective study among prostate cancer patients at the University of North Carolina (Chapel Hill) found that radiotherapy alone resulted in the best preservation of patient-reported sexual function, and brachytherapy provided similar outcomes. Worse outcomes were seen with RT with androgen deprivation therapy and nerve-spering radical prostatectomy, while non-nerve-sparing prostatectomy resulted in the worst sexual function.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 2-studie van pembrolizumab voor gevorderd niet-resectabel levercelcarcinoom (0)
2019-07-01 12:59   ( Nieuws )
Tags:  HCC pembrolizumab
Prof. Lynn FeunCheckpointremming heeft tot op heden matige activiteit laten zien voor gevorderd levercelcarcinoom (aHCC). Een prospectieve single-center fase 2-studie van de University of Miami (FL) heeft de werkzaamheid onderzocht van pembrolizumab voor niet-resectabel aHCC, en heeft gezocht naar biomarkers die geassocieerd zijn met respons. Prof. Lynn Feun en collega’s publiceren de studie online in Cancer.1

De studie includeerde 29 patiënten ziekteprogressie op, of intolerantie voor, of weigeren van sorafenib. De patiënten kregen intraveneus pembrolizumab 200 mg iedere drie weken. Respons kon worden beoordeeld in 28 patiënten. Er was één patiënt met complete respons en acht met partiële respons, voor een ORR van 32%, plus vier patiënten met stabiele ziekte (DCR 46%). De mediane progressievrije overleving was 4,5 maanden, en de mediane overall survival was 13 maanden. Respons was niet gecorreleerd met eerdere sorafenib-behandeling, PD-L1 tumorkleuring, of geschiedenis van hepatitis. Hoge baseline plasmaniveaus van TGF-β (200 pg/ml of hoger) waren geassocieerd met slechte respons op pembrolizumab. De meest-geziene laboratorium graad 3 of 4 adverse events waren verhoogde aminozuurtransferasen en serum bilirubinegehalten. Deze AEs waren in de meeste gevallen reversibel.

De onderzoekers concluderen dat pembrolizumab antitumoractiviteit had voor aHCC, met toxiciteit die over het algemeen tolerabel en reversibel was. TGF-β kan een predictieve biomarker zijn voor respons van aHCC op pembrolizumab.

1.Feun LG, Li Y-Y, Wu C et al. Phase 2 study of pembrolizumab and circulating biomarkers to predict anticancer response in advanced, unresectable hepatocellular carcinoma. Cancer 2019; epub ahead of print

Summary: A phase 2 study at the University of Miami found activity of pembrolizumab for advanced hepatocellular carcinoma (ORR 32%) with generally tolerable and reversible toxicity. Baseline TGF-β could be a predictive biomarker of respons to pembrolizumab.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Circulerend tumor DNA als marker van profijt van adjuvante chemotherapie voor gelokaliseerd pancreascarcinoom (0)
2019-07-01 11:58   ( Nieuws )
Tags:  localized pancreatic cancer ctDNA
Dr. Belinda LeeEr zijn geen biomarkers bekend voor het geleiden van selectie van therapeutische opties voor vroeg-stadium pancreascarcinoom. Een prospectieve multicenterstudie in Australië en de Verenigde Staten heeft de waarde onderzocht van circulerend tumor DNA (ctDNA) als biomarker. Dr. Belinda Lee (Walter & Eliza Hall Institute, Melbourne) en collega’s publiceren de studie online in Annals of Oncology.1

De studie includeerde patiënten die naar oordeel van het multidisicplinaire team van de betrokken instituten resectabel pancreasadenocarcinoom hadden. Voor en na chirurgie stonden de patiënten bloedmonsters af. De onderzoekers gebruikten PCR-gebaseerde assays voor detectie van mutaties op KRAS-codons 12, 13, en 61 in de primaire pancreastumor en in circulerend DNA. De patiënten kregen standaard-behandeling, geblindeerd voor ctDNA-data.

Van de 112 gerecruteerde patiënten ondergingen 81 resectie (72%). KRAS-mutaties werden gezien in 91% (38 van 42) van de beschikbare tumormonsters. In de plasmamonsters van deze 42 patiënten werd KRAS-gemuteerd DNA gedetecteerd in 62% van de prechirurgie-monsters en in 37% van de postchirurgiemonsters. Bij mediaan 38,4 maanden follow-up was detectie van ctDNA in prechirurgie-monsters geassocieerd met slechtere recidiefvrije overleving (HR 4,1; p=0,002) en overall survival (HR 4,1; p=0,015). Detectie van ctDNA in postchirurgie-monsters was eveneens geassocieerd met slechtere RFS (HR 5,4; p<0,0001) en OS (HR 4,0; p=0,003). Recidief werd gezien in alle dertien patiënten met detecteerbaar ctDNA in postchirurgie-monsters, inclusief de zeven patiënten die gemcitabine-gebaseerde adjuvante chemotherapie kregen.

De onderzoekers concluderen dat het uitvoeren van ctDNA-studies in patiënten met gelokaliseerd pancreascarcinoom een uitdaging is omdat een substantieel percentage van de patiënten geen resectie kan ondergaan of niet voldoende beschikbaar tumorweefsel heeft voor de analyse. ctDNA, zowel voor als na de chirurgie, is wel een veelbelovende prognostische marker.

1.Lee B, Lipton L, Cohen J et al. Circulating tumor DNA as a potential biomarker of adjuvant chemotherapy benefit following surgery for localised pancreatic cancer. Ann Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A prospective multicenter study in Australia and the USA found that ctDNA studies in localized pancreatic cancer are challenging, with a substantial proportion of patients not able to undergo resection or not having sufficient tumor tissue for analysis. Detection of ctDNA in pre- and/or postsurgical samples was associated with worse RFS and OS.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Impact van centralisatie binnen ziekenhuisorganisaties op korte-termijn uitkomsten van hoog-risico chirurgie voor maligniteiten (0)
2019-06-30 15:00   ( Nieuws )
Tags:  high-risk cancer surgery impact of centralization within hospital systems
Dr. Kyle SheetzHet is denkbaar dat centralisatie van sommige hoog-risico behandelingen resulteert in betere uitkomsten. Een analyse in de Verenigde Staten heeft de impact onderzocht van centralisatie binnen ziekenhuisorganisaties op korte-termijn uitkomsten van hoog-risico chirurgie voor maligniteiten, Dr. Kyle Sheetz (University of Michigan, Ann Arbor) en collega’s publiceren de analyse online in het Journal of Clinical Oncology.1

De is gebaseerd op gegevens van de American Hospital Association’s annual survey en Medicare claims voor patiënten die tussen begin 2005 en eind 2014 chirurgie ondergingen voor maligniteiten van pancreas, slokdarm, colon, long, of rectum. De onderzoekers berekenden de graad van centralisatie aan de hand van het percentage operaties dat binnen iedere organisatie werd uitgevoerd in het ziekenhuis met het hoogste aantal ingrepen. De gemiddelde centralisatiegraad liep uiteen van 25,2% (range 6,6% tot 100%) voor colectomie tot 71,2% (range 8,3% tot 100%) voor pancreatectomie. Voor longresectie, oesofagectomie, en pancreatectomie was hogere centralisatiegraad geassocieerd met lager percentage postoperatieve complicaties en overlijden binnen dertig dagen na de operatie. Bijvoorbeeld, er was een 1,1% (95%-bti 0,8-1,4) absolute afname in dertig-dagen mortaliteit na pancreatectomie voor iedere 20% toename van de graad van centralisatie binnen een ziekenhuisorganisatie. De postoperatieve mortaliteit na pancreatectomie was 8,9% in de minst-gecentraliseerde organisaties versus 3,7% in de meest-gecentraliseerde organisaties (p<0,01). Er was geen associatie tussen centralisatie en uitkomsten na colectomie of proctectomie.

De onderzoekers concluderen dat hogere centralisatie van complexe chirurgie voor maligniteiten binnen ziekenhuisorganisaties geassocieerd was met betere uitkomsten van longresectie, oesofagectomie, en pancreatectomie.

1.Sheetz KH, Dimick JB, Nathan H. Centralization of high-risk cancer surgery within existing hospital systems. J Clin Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: An analysis of data from the American Hospital Association’s annual survey merged with Medicare claims showed that greater centralization of complex cancer surgery within existing hospital systems was associated with better short-term clinical outcomes after lung resection, esophagectomy, and pancreatectomy; but not after colectomy or proctectomy.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Optimalisatie van dosering van regorafenib voor refractair metastatisch colorectaalcarcinoom (0)
2019-06-30 13:29   ( Nieuws )
Tags:  ReDOS study mCRC regorafenib
Prof. Tanios Bekaii-SaabRegorafenib-behandeling kan de overleving van patiënten met refractair metastatisch colorectaalcarcinoom (mCRC) verlengen, maar het bijwerkingenprofiel van regorafenib beperkt het gebruik. Verlaging van de dosering zou het optreden van adverse events kunnen verminderen. De multicenter fase 2-studie ReDOS heeft de veiligheid en werkzaamheid van twee doseringsschema’s geëvalueerd. Prof. Tanios Bekaii-Saab (Mayo Clinic, Scottsdale AZ) en collega’s publiceren de studie online in The Lancet Oncology.1

ReDOS werd uitgevoerd in 39 centra in de Verenigde Staten. De studie includeerde volwassen patiënten met gevorderd adenocarcinoom van colon of rectum dat refractair was tegen eerdere standaardtherapie, een ECOG performance status 0 of 1, en geen eerdere blootstelling aan regorafenib. De patiënten werden gerandomiseerd naar vier groepen: twee regorafenib-doseringsschema’s gecombineerd met twee clobetasol-gebruiksplannen. Er bleek geen interactie te zijn tussen beide interventies, zodat in het nu gepubliceerde rapport alleen de beide regorafenib-doseringsschema’s kunnen worden vergeleken. Patiënten in de standaard-doseringsgroep (n=62 evalueerbare patiënten) kregen oraal regorafenib 160 mg eenmaal daags tijdens de eerste drie weken van vier-weekse cycli. Patiënten in de doseringsescalatie-groep (n=54) begonnen met 80 mg eenmaal daags gedurende de eerste week, 120 mg eenmaal daags gedurende de tweede week, en 160 mg eenmaal daags gedurende de derde week.

Het primaire eindpunt was het percentage patiënten dat aan cyclus drie kon beginnen. Dit percentage was 43% in de doserings-escalatiegroep versus 26% in de standaard-doseringgroep (p=0,043) waarmee de doserings-escalatiestrategie voldeed aan het vooraf gespecificeerde criterium voor superioriteit (p kleiner dan 0,2). De meest-gerapporteerde graad 3 of 4 AEs waren vermoeidheid (13% van de patiënten in de doserings-escalatiegroep versus 18% in de standaard-doseringsgroep), hand-voet huidreacties (15% versus 16%), abdominale pijns (17% versus 6%), en hypertensie (7% versus 15%). Er was één geval van waarschijnlijk behandelingsgerelateerd overlijden in de standaard-doseringsgroep (myocardinfarct).

De onderzoekers concluderen dat de strategie van doserings-escalatie een mogelijkheid is voor het optimaliseren van de regorafenib-behandeling

1.Bekaii-Saab TS, Ou F-S, Ahn DH et al. Regorafenib dose-optimisation in patients with refractory metastatic colorectal cancer (ReDOS): a randomised, multicentre, open-label, phase 2 study. Lancet Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: The multicenter phase 2 study ReDOS evaluated two dosing schedules of regorafenib for refractory metastatic CRC: dose-escalation versus standard dosing. The dose-escalation group had less adverse events and more patients entering cycle 3.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)