Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Wereldwijde incidentie en mortaliteit van 30 typen maligniteiten onder mannen in 2022 en projecties voor 2050 (0)
2024-08-13 12:00   ( Nieuws )
Tags:  global burden of 30 cancers among men in 2022 and projections for 2050
Dr. Habtamu Melli BizuayehuDe prevalentie van modificeerbare risicofactoren voor maligniteiten is hoger onder mannen dan onder vrouwen, hetgeen resulteert in hogere incidentie en slechtere overleving. Een analyse van de 2022 Global Cancer Observatory (GLOBOCAN) schattingen heeft de belasting door dertig typen maligniteiten onder mannen in 185 landen geïnventariseerd. Dr. Habtamu Mellie Bizuayehu (University of Queensland, Brisbane) en collega’s publiceren de analyse in Cancer.1

In 2022 waren er wereldwijd 10,3 miljoen mannen met een diagnose van een maligniteit, en overleden 5,4 miljoen mannen aan een maligniteit. Longcarcinoom was de meest-voorkomende maligniteit en de meest-voorkomende doodsoorzaak. De figuur laat zien dat de incidentie en mortaliteit naar verwachting tot 2050 toe zullen nemen onder mannen van alle leeftijden (A), adolescenten en jongvolwassenen (B), de working-age group (leeftijd 15 tot 65 jaar; C), en onder oudere volwassenen (65 jaar en ouder; D). De verwachte stijging is groter in landen met lage en medium human development index.

De onderzoekers concluderen dat er wereldwijd behoefte is aan versterking van de gezondheids-infrastructuur.

1.Bizuayehu HM, Dadi AF, Ahmed KY et al. Burden of 30 cancers among men: global statistics in 2022 and projections for 2050 using population-based estimates Cancer 2024.35458

Summary: Analysis of GLOBOCAN data for 185 countries/territories found that among men in 2022, 10.3 million cancer cases and 5.4 million cancer deaths occurred. Substantial disparities between HDI and LDI/MDI countries were observed. Between 2022 and 2050, cancer cases are projected to increase to 19 million, and cancer deaths are projected to increase to 10.5 million.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Overleving met atezolizumab plus chemotherapie voor extensief-stadium kleincellig longcarcinoom: vijf-jaar follow-up (0)
2024-08-12 15:00   ( Nieuws )
Tags:  IMbrella A trial ES SCLC
Prof. Martin ReckDe multinationale fase 3-studie IMpower133 randomiseerde niet-eerder behandelde patiënten met extensief-stadium kleincellig longcarcinoom (ES SCLC) naar atezolizumab 1200 mg iedere drie weken plus carboplatine-etoposide voor vier cycli gevolgd door drie-wekelijks atezolizumab-onderhoud (n=201) of placebo plus carboplatine-etoposide voor vier cycli gevolgd door drie-wekelijks placebo onderhoud (n=201). In 2018 is gepubliceerd dat na mediaan 13,9 maanden follow-up de progressievrije overleving en overall survival significant langer waren in de atezolizumabgroep dan in de placebogroep. De extensiestudie IMbrella A includeerde patiënten uit de atezolizumabgroep na sluiting van IMpower133. Prof. Martin Reck (Lung Clinic Grosshansdorf, Duitsland) en collega’s publiceren resultaten van IMbrella A in Lung Cancer.1

Van de 26 patiënten die voldeden aan de inclusiecriteria werden 18 patiënten geïncludeerd in IMbrella A. De patiënten continueerden de behandeling met atezolizumab 1200 mg iedere drie weken. Bij data cutoff voor de nu gepubliceerde analyse was de mediane follow-up 59,4 maanden na randomisering in IMpower133. De drie-, vier-, en vijf-jaars overall survival percentages waren 16% (95%-bti 11-21), 13% (8-18), en 12% (7-17). Ernstige adverse events werden gezien in drie patiënten (16,7% van 18).

De onderzoekers concluderen dat deze studie de eerste is met vijf-jaars follow-up data van eerstelijns immuuntherapie plus chemotherapie voor ES-SCLC. Toevoeging van atezolizumab aan eerstelijns chemotherapie resulteerde in vijf-jaars overleving in 12% van de patiënten; een percentage dat gunstig is vergeleken met historische controles met alleen eerstelijns chemotherapie.

1.Reck M, Dziadziuszko R, Sugawara S et al. Five-year survival in patients with extensive-stage small cell lung cancer treated with atezolizumab in the phase III IMpower133 study and the phase III IMbrella a extension study. Lung Cancer 2024.107924

Summary: The IMbrella A trial found that among patients with previously untreated extensive-stage small cell lung cancer, addition of atezolizumab to chemotherapy followed by atezolizumab maintenance resulted in a 5-year overall survival rate of 12%, comparing favorable to historical controls receiving chemotherapy alone.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Real-world uitkomsten met eerstelijns osimertinib versus afatinib of erlotinib voor mNSCLC met atypische EGFR-mutaties (0)
2024-08-12 13:30   ( Nieuws )
Tags:  mNSCLC with atypical EGFR mutations first-line osimertinib versus afatinib or erlotinib
Dr. Adam BarsoukEr is geen duidelijkheid over de relatieve werkzaamheid van osimertinib versus eerdere-generaties tyrosinekinaseremmers (TKIs) zoals afatinib of erlotinib in de eerstelijns behandeling met metastatisch niet-kleincellig longcarcinoom (mNSCLC) met ongebruikelijke EGFR-mutaties (atypical mutations, AMs). Een retrospectieve real-world analyse van patiënten van de University of Pennsylvania (Philadelphia) heeft de eerstelijns werkzaamheid van deze drie TKIs voor mNSCLC met EGFR AMs vergeleken. Dr. Adam Barsouk en collega’s publiceren de analyse in Lung Cancer.1

Onder 355 patiënten met EGFR-gemuteerd mNSCLC die tussen begin 2007 en eind 2023 in het ziekenhuis van de universiteit eerstelijns behandeling kregen waren er 36 met AMs (10%): 21 G719X, elf exon20, zeven L861Q, vier S768I, en één C797S (er waren zes patiënten met compound mutaties). De groep patiënten met classical mutations (CMs) had vergelijkbare baseline demografische en ziekte-kenmerken en gebruik van TKIs als de groep met AMs. Onder de AM-patiënten resulteerde osimertinib in betere mediane progressievrije overleving (22 maanden) dan afatinib (12 maanden; p=0,005) of erlotinib (9 maanden; p=0,001) en eveneens in betere mediane overall survival (32 maanden) dan afatinib (21 maanden; p=0,032) of erlotinib (17 maanden; p=0,011). Doseringsreducties vanwege adverse events waren minder frequent met osimertinib (19%) dan met afatinib (24%; p=0,003) of erlotinib (23%; p=0,002). Ook discontinuaties vanwege adverse events waren minder frequent met osimertinib (1%) dan met afatinib (2%; p<0,001) of erlotinib (2%: p=0,004).

De onderzoekers concluderen dat onder patiënten met mNSCLC en EFGR AMs eerstelijns osimertinib resulteerde in betere PFS en OS en beter verdragen werd dan afatinib of erlotinib.

1.Barsouk A, Elghawy O, Heidlauf A et al. Real-world outcomes of atypical EGFR-mutated metastatic non-small cell lung cancer (mNSCLC) treated with osimertinib (osi) vs. afatinib or erlotinib. Lung Cancer 2024.107926

Summary: A retrospective study at the University of Pennsylvania (Philadelphia) found that in the real world first-line osimertinib demonstrated superior progression-free and overall survival and improved tolerability compared to afatinib or erlotinib for metastatic non-small lung cancer with atypical EGFR mutations (L861Q, G719X, S768I, or exon 20).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Invloed van body mass index op keus van type chirurgie voor invasief lobulair mammacarcinoom (0)
2024-08-12 12:00   ( Nieuws )
Tags:  ILC BMI surgical treatment
Dr. Rita MuktharIn eerdere studies is gezien dat de keus voor type chirurgie voor invasief lobulair carcinoom (ILC) van de borst mogelijk beïnvloed wordt door de body mass index (BMI) van de patiënt. Een retrospectieve studie van de University of California-San Francisco heeft de associatie tussen BMI en type chirurgie voor ILC geïnventariseerd. Dr. Rita Mukhtar en collega’s publiceren de studie in Breast Cancer Research and Treatment.1

De studie includeerde 705 patiënten met stadium I tot en met III ILC. In 60% van de patiënten was borstsparende chirurgie (BCS) de eerste operatie, zonder significante invloed van BMI op deze keus. Onder patiënten die BCS ondergingen hadden patiënten met obesitas significant hogere waarschijnlijkheid van oncoplastische chirurgie (46,9%) dan patiënten met overgewicht, normaal gewicht, of ondergewicht (33,6% respectievelijk 37,6% en 7,7%; p=0,032). Onder patiënten die mastectomie ondergingen hadden obese patiënten significant lagere waarschijnlijkheid van reconstructie dan patiënten met overgewicht, normaal gewicht, of ondergewicht (44,2% versus 64,1% respectievelijk 71,1% en 50%; p=0,002).

De onderzoekers concluderen dat obese ILC-patiënten andere typen chirurgische interventies ondergingen dan patiënten met lagere BMI.

1.Falade IO, Switalla KM, Baxter ME et al. Variation in surgical treatment by body mass index in patients with invasive lobular carcinoma of the breast. Breast Cancer Res Treat 2024-07452-1

Summary: A retrospective analysis of patients with stage I-III invasive lobular carcinoma of the breast at the University of California-San Francisco found that overweight/obese patients underwent different surgical interventions compared to those with lower BMI.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multinationale fase 1-2 studie van revumenib voor R/R acute leukemie met KMT2A-rearrangement: fase 2-resultaten (0)
2024-08-11 15:00   ( Nieuws )
Tags:  AUGMENT-101 KMT2A-rearranged relapsed or refractory acute leukemia revumenib
Dr. Eytan SteinRevumenib is een small molecule remmer van menine-KMT2A bindingsinteractie. De multinationale fase 1-2 studie AUGMENT-101, in 22 centra in vijf landen, evalueerde revumenib voor patiënten met recidiverend of refractair (R/R) acute leukemie met KMT2A-rearrangement. Dr. Eytan Stein (Memorial Sloan Kettering Cancer Center, New York) en collega’s publiceren fase 2-resultaten van de studie in het Journal of Clinical Oncology.1

De studie includeerde patiënten met een ECOG performance status 2 of beter voor volwassenen en Karnofsky/Lansky score 50 of hoger voor kinderen. De patiënten kregen oraal revumenib 163 mg tweemaal daags (95 mg/kg voor patiënten met een lichaamsgewicht lager dan 40 kg) samen met een remmer van cytochroom P450 3A4 (omdat revumenib een substraat van dit cytochroom is). Primaire eindpunten waren complete remissie (CR) of CR met partieel hematologisch herstel (CRh) en veiligheid. Onder de 94 geïncludeerde patiënten (mediane leeftijd 37 jaar; range 1,3-75) waren graad 3 of hoger adverse events febriele neutropenie (37,2% van de patiënten), differentiatiesyndroom (16,0%), en QTc-verlenging (13,8%). Onder de 57 patiënten met centraal-bevestigd KMT2A-rearrangement was het percentage patiënten met CR + CRh 22,8% (95%-bti 12,7-35,8), significant hoger dan de nulhypothese van 10% (p=0,0036). De overall response rate was 63,2% (95%-bti 49,3-75,6) met MRD-negativiteit in 15 van 22 patiënten (68,2%). De figuur toont de duur van respons en overall survival.

De onderzoekers concluderen dat revumenib resulteerde in hoge percentages patiënten met remissie, met een voorspelbaar veiligheidsprofiel.

1.Issa GC, Aldoss IA, Thirman MJ et al. Menin inhibition with revumenib for KMT2A-rearranged relapsed or refractory acute leukemia (AUGMENT-101). J Clin Oncol 2024.00826

Summary: Phase 2 results of the multinational phase 1-2 AUGMENT-101 trial showed that revumenib led to high remission rates with a predictable safety profile in relapsed of refractory acute leukemia with KMT2A rearrangement.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Moleculaire en klinisch-pathologische impact van GNAS-varianten in solide tumoren (0)
2024-08-11 13:30   ( Nieuws )
Tags:  GNAS variants in solid tumors
Dr. Michael FooteDe moleculaire drivers van pathogeniteit van mucineuze tumoren worden niet goed begrepen. GNAS-mutaties voorspellen metastasebelasting en resistentie tegen behandeling in mucineus appendix-adenocarcinoom. Een studie van Memorial Sloan Kettering Cancer Center (New York) heeft de klinisch-pathologische relevantie van GNAS-varianten in andere solide tumoren geïnventariseerd. Dr. Michael Foote en collega’s publiceren de studie in het Journal of Clinical Oncology.1

De onderzoekers voerden met MSK-IMPACT sequentie-analyse uit van tumoren van 58.043 patiënten om oncogene varianten te identificeren die geassocieerd zijn met mucineus tumor-fenotype. De analyses wezen uit dat mucineuze tumoren verrijkt waren voor oncogene GNAS-varianten. GNAS was gemuteerd in meer dan 1% van dunnedarm-, cervix-, colorectum-, pancreas-, slokdarm/maag-, hepatobiliaire, en GI neuro-endocriene carcinomen. GNAS-gemuteerde tumoren hadden verhoogde prevalentie van peritoneale metastase (OR 1,7; p=0,006), slechtere respons op eerstelijns systemische therapie (2,2; p=0,003), en kortere mediane progressievrije overleving (5,6 versus 7,0 maanden; p=0,047). In multivariate analyse was GNAS-gemuteerde status onafhankelijk voorspellend voor slechtere overall survival (HR 1,25; p=0,04).

De onderzoekers concluderen dat onder de geanalyseerde maligniteiten GNAS-mutaties geassocieerd waren met een fenotype dat werd gekenmerkt door mucineuze tumoren, toegenomen peritoneale metastase, slechte respons of eerstelijns systemische behandeling, en slechte overlevingsuitkomsten.

1.Johannet P, Abdelfattah S, Wilde C et al. Molecular and clinicopathologic impact of GNAS variants across solid tumors. J Clin Oncol 2024.00186

Summary: A study at Memorial Sloan Kettering Cancer Center (New York, NY) found that GNAS-mutant tumors exhibit a conserved molecular and clinical phenotype defined by mucinous tumor status, increased peritoneal metastasis, poor response to first-line systemic therapy, and worse survival.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Genomische determinanten van uitkomsten van acute lymfoblastische leukemie in kinderen (0)
2024-08-11 12:00   ( Nieuws )
Tags:  ALL in children genomic determinants of outcomes
Prof. Mignon LohAcute lymfoblastische leukemia is een belangrijke doodsoorzaak in kinderen. De helft van de relapsen ontstaan in kinderen die aanvankelijk gediagnostiseerd worden met standaard-risico (SR)-ziekte. Een retrospectieve studie van de Children’s Oncology Group (COG) heeft genomische determinanten van relapse in kinderen met SR-ALL geïnventariseerd. Prof. Mignon Loh (University of Washington, Seattle) en collega’s publiceren de studie in het Journal of Clinical Oncology.1

De onderzoekers voerden genoom- en transcriptoom sequencing analyse uit van diagnostische en remissie-monsters van kinderen met SR-ALL (n=1381) of hoog-risico B-ALL met gunstige cytogenetische kenmerken (n=115) in studies van de COG. Ze gebruikten een case-control studie-opzet voor het vergelijken van 439 patiënten met relapse versus 1057 patiënten die tenminste vijf jaar in complete remissie bleven. De analyses wezen uit dat genomisch subtype geassocieerd was met relapse, die voorkwam in ongeveer 50% van de patiënten met PAX5-veranderd ALL (OR 3,31; p=3,18 x 10-8). Binnen de groep met hoog-hyperdiploïd ALL was gain van chromosoom 10 met disomie van chromosoom 7 geassocieerd met gunstige uitkomst (OR 0,27; p=8,02 x 10-10) en was disomie van chromosomen 10 en 17 met gain van chromosoom 6 geassocieerd met relapse (7,16; p=2,10 x 10-5). Genomische veranderingen waren subtype-afhankelijk geassocieerd met relapse, waaronder veranderingen in INO80 in ETV6::RUNX1 ALL, IKZF1 en CREBBP in hoog-hyperdiploïd ALL, en FHIT in BCR::ABL1-like ALL. Genomische veranderingen waren ook geassocieerd met aanwezigheid van minimaal residuele ziekte.

De onderzoekers concluderen dat genetisch subtype, aneuploïdiepatronen, en secundaire genomische veranderingen het risico van relapse in kinderen met ALL bepalen.

1.Chang T-C, Chen W, Qu C et al. Genomic determinants of outcome in acute lymphoblastic leukemia. J Clin Oncol 2024; epub ahead of print

Summary: Pooled analysis of diagnostic and remission samples of children enrolled in Children’s Oncology Group trials found that genetic subtype, patterns of aneuploidy, and secondary genomic alterations determine risk of relapse in childhood standard-risk ALL.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multicenter fase 1b-2 studie van chiauranib met of zonder chemotherapie voor platina-resistent ovariumcarcinoom (0)
2024-08-10 15:00   ( Nieuws )
Tags:  ovarian cancer chiauranib
Prof. Xiaohua WuPatiënten met recidiverend ovariumcarcinoom na platina-gebaseerde chemotherapie hebben een slechte prognose en weinig behandelopties. Chiauranib is een nieuwe small-molecule remmer van meerdere routes in tumorcellen. Een fase 1b-2 studie in negen centra in China heeft chiauranib met of zonder chemotherapie voor PROC geëvalueerd. Prof. Xiaohua Wu (Fudan Universiteit, Shanghai) en collega’s publiceren de studie in Molecular Cancer.1

Het fase 1b-gedeelte van de studie includeerde 23 patiënten met recidiverend ovariumcarcinoom (mediane leeftijd 50 jaar; range 34-69; 88% met tenminste drie eerdere lijnen therapie). Deze patiënten kregen chiauranib monotherapie. In fase 2 kregen 22 patiënten chiauranib in combinatie met etoposide en 21 patiënten chiauranib in combinatie met paclitaxel gedurende zes cycli gevolgd door chiauranib onderhoudstherapie tot ziekteprogressie. De figuur laat zien dat in fase 1b de objective response rate 8,7% was (panel A) en de mediane progressievrije overleving 3,7 maanden (panel D); dat chiauranib in combinatie met etoposide resulteerde in ORR 40,9% (panel B) en mediane PFS 5,4 maanden (panel E); en dat chiauranib in combinatie met paclitaxel leidde tot ORR 52,4% (panel C) en mediane PFS 5,6 maanden. Adverse events waren manageable.

De onderzoekers concluderen dat deze eerste studie met chiauranib voor PROC bemoedigende resultaten heeft laten zien. Een fase 3-studie is ongoing.

1.Li J, Liu J, Yin R et al. Efficacy and safety of chiauranib in a combination therapy in platinum-resistant or refractory ovarian cancer: a multicenter, open-label, phase Ib and II study. Molecular Cancer 2024-02076-x

Summary: A multicenter phase 1b-2 trial in China found promising efficacy and manageable safety of the combination of chiauranib with chemotherapy for platinum-resistant ovarian cancer 


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)