Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Tijdsvariatie in effect van radiotherapie na borstsparende chirurgie voor DCIS (0)
2019-08-02 14:58   ( Nieuws )
Tags:  ductal carcinoma in situ RT after BCS
Dr. Eileen RakovitchOm overbehandeling van DCIS te voorkomen is een beter inzicht nodig in de respons op radiotherapie (RT) na borstsparende chirurgie (BCS). De hazard ratio van lokaal recidief (LR) met versus zonder RT zou een indicatie van de werkzaamheid van RT kunnen geven, op voorwaarde dat het effect van RT constant is in de tijd. Een multicenterstudie in Canada heeft het verloop in de tijd onderzocht van het effect van RT op het LR-risico na BCS voor DCIS. Dr. Eileen Rakovitch (University of Toronto) en collega’s publiceren de studie online in Breast Cancer Research and Treatment.1

De studie includeerde 3262 vrouwen die BCIS kregen voor DCIS; 1635 van deze vrouwen kregen tevens RT. De mediane follow-up was 13 jaar. LR kwam tot ontwikkeling in 364 vrouwen die alleen BCS kregen (22,4%) versus 274 vrouwen die BCS plus RT kregen (16,8%). Het LR-risico nam toe tijdens de eerste twee jaar van de follow-up, nam vervolgens af tot jaar zeven, en bleef vervolgens stabiel. In multivariate analyse resulteerde RT in verlaging van het risico van vroeg LR (HR 0,52; p<0,0001) maar niet in verlaging van het risico van late LR (HR 0,59; p=0,44) met een p-interactie van 0,002.

De onderzoekers concluderen dat de impact van RT op het risico van LR varieert in de loop van de tijd.

1.Rakovitch E, Sutradhar R, Hallett M et al. The time-varying effect of radiotherapy after breast-conserving surgery for DCIS. Breast cancer Res Treat 2019; epub ahead of print

Summary: An analysis in a population-based cohort of women receiving breast-conserving surgery for DCIS found that the impact of radiotherapy after BCS on risk of local recurrence is greatest in the first seven years after BCS. Radiotherapy was not associated with risk of late local recurrence.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Moleculaire detectie van recidief na behandeling voor vroeg-stadium mammacarcinoom (0)
2019-08-02 14:00   ( Nieuws )
Tags:  early-stage breast cancer molecular relapse detection
Prof. Nicholas TurnerModerne behandeling resulteert in genezing van de meerderheid van de patiënten met vroeg-stadium primair mammacarcinoom (EBC). Er is echter behoefte aan methoden om patiënten met verhoogd risico van recidief te identificeren. Een studie in vijf centra in het Verenigd Koninkrijk heeft de mogelijkheid onderzocht van moleculaire detectie van recidief door analyse van circulerend tumor (ct)DNA. Prof. Nicholas Turner (Institute of Cancer Research, Londen) en collega’s publiceren de studie online in JAMA Oncology.1

De studie recruteerde 170 vrouwen met EBC, ongeacht HR- of HER2-status. De patiënten kregen neoadjuvante chemotherapie gevolgd door chirurgie of chirurgie gevolgd door adjuvante chemotherapie. In primair tumorweefsel van 101 patiënten identificeerden de onderzoekers somatische mutaties. Deze 101 vrouwen (gemiddelde leeftijd 54 ± 11 jaar) vormden het studiecohort. De onderzoekers bepaalden met gepersonaliseerde tumorspecifieke PCR assays het verschijnen van deze mutaties in ctDNA in seriële bloedmonsters die tijdens de follow-up iedere drie maanden (na een jaar iedere zes maanden) werden genomen. Het primaire eindpunt van de studie was recidiefvrije overleving.

De mediane follow-up was 35,5 maanden (IQR 27,9-43,0). Detectie van ctDNA tijdens de follow-up was geassocieerd met recidief (HR 25,2; p<0,001). Detectie van ctDNA bij diagnose was eveneens geassocieerd met recidiefvrije overleving (HR 5,8; p=0,01). Na inclusie van 43 additionele patiënten, die eerder geanalyseerd waren in een proof of principle studie, liep in het gecombineerde cohort van 144 patiënten ctDNA-detectie mediaan 10,7 maanden (95%-bti 8,1-19,1) voor op klinische detectie van recidief. Extracraniële metastatische relapse werd met ctDNA gedetecteerd in 22 van 23 patiënten (96%). Brain-only metastase werd met ctDNA slechts in één van zes patiënten gedetecteerd (17%).

De onderzoekers concluderen dat de studie suggereert dan detectie van ctDNA tijdens de follow-up geassocieerd is met hoog risico van toekomstig recidief van vroeg-stadium mammacarcinoom.

1.Garcia-Murillas I, Chopra N, Comino-Méndez I et al. Assessment of molecular relapse detection in early-stage breast cancer. JAMA Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A study in the UK found that after treatment for early-stage breast cancer detection of circulating tumor DNA during follow-up is associated with a high risk of future relapse


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie tussen psychologische distress en ziekte-specifieke mortaliteit onder patiënten met cervixcarcinoom (0)
2019-08-02 13:00   ( Nieuws )
Tags:  Cervical cancer psychologic distress cancer-specific mortality
Dr. Donghao LuEr is emerging evidence uit zowel experimentele als epidemiologische studies dat psychologische distress de progressie van veel typen maligniteiten kan beïnvloeden, schrijven dr. Donghao Lu (Karolinska Instituut, Stockholm) en collega’s in een publicatie die online is in Cancer Research.1 In de publicatie presenteren ze resultaten van een studie van de associatie tussen psychologische distress en ziekte-specifieke mortaliteit onder Zweedse patiënten met carcinoom van de cervix uteri. De studie includeerde alle 4245 patiënten met tussen begin 2002 en eind 2011 nieuw-gediagnostiseerd cervixcarcinoom, op basis van gegevens van de Zweedse Kankerregistratie. Gegevens over psychologische distress werden verzameld door linkage met het Zweedse Patiëntenregister, waarin gegevens worden opgeslagen over psychiatrische diagnoses. In het Multigeneratieregister inventariseerden de onderzoekers gegevens over stressful life events (gedefinieerd als overlijden of ernstige ziekte van een gezinslid, echtscheiding, of werkloosheid).

De analyses wezen uit dat patiënten die blootstonden aan psychologische distress een verhoogd risico hadden van ziekte-specifieke mortaliteit (HR 1,33; 95%-bti 1,14-1,54). Deze associatie was onafhankelijk van tumorkenmerken of modaliteit van behandeling. De associatie werd voornamelijk gedreven door distress ervaren in het jaar voorafgaand aan de diagnose (HR 1,30; 95%-bti 1,11-1,82), maar niet na de diagnose (HR 1,12; 95%-bti 0,84-1,49).

De onderzoekers concluderen dat de resultaten van de studie integratie van pyschologische screening en interventie steunen in het klinisch management van patiënten met cervixcarcinoom.

1.Lu D, Andrae B, Valdimarsdottir U et al. Psychologic distress is associated with cancer-specific mortality among patients with cervical cancer. Cancer Res 2019;79:3965-3972

Summary: A nationwide cohort study in Sweden found that psychologic distress and stressful life events around the cancer diagnosis were associated with increased cancer-specific mortality among patients with cervical cancer, independent of tumor characteristics and treatment modality.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multicenter fase 3-studie van ibrutinib-rituximab versus fludarabine-cyclofosfamide-rituximab voor CLL (0)
2019-08-02 06:31   ( Nieuws )
Tags:  E1912 study CLL SLL
Dr. Tait ShanafeltDe standaard eerstelijns behandeling voor CLL in patiënten in de leeftijd tot en met zeventig jaar is chemo-immunotherapie met fludarabine, cyclofosfamide, en rituximab (FCR). Deze behandeling is effectief maar geassocieerd met aanzienlijke toxiciteiten, waaronder myelosuppressie, myelodysplasie, en infectiecomplicaties. De multicenter fase 3-studie E1912 vergeleek de combinatie van ibrutinib-rituximab met standaard FCR voor CLL. Dr. Tait Shanafelt (Stanford University CA) en collega’s publiceren een geplande interimanalyse van de studie in The New England Journal of Medicine.1



De studie includeerde patiënten in de leeftijd tot en met zeventig jaar met niet-eerder behandeld CLL/SLL. Ze werden 2:1 gerandomiseerd naar één cyclus ibrutinib gevolgd door zes cycli ibrutinib-rituximab gevolgd door ibrutinib tot ziekteprogressie (n=354) of zes cycli FCR (n=175). Het primaire eindpunt was progressievrije overleving. De mediane follow-up was 33,6 maanden. De drie-jaars progressievrije overleving was 89,4% met ibrutinib-rituximab versus 72,9% met FCR (HR 0,35; p<0,001). De drie-jaars overall survival was 98,8% met ibrutinib-rituximab versus 91,5% met FCR (HR 0,17; p<0,001). Ibrutinib-rituximab was in termen van PFS niet superieur aan FCR in de subgroep met IGHV-mutatie. De incidentie van graad 3 of hoger adverse events was vergelijkbaar in de twee groepen (80,1% versus 79,9%), en de incidentie van infectiecomplicaties was lager met rituximab-ibrutinib (10,5%) dan met FCR (20,3%; p<0,001).

De onderzoekers concluderen dat ibrutinib-rituximab vergeleken met FCR resulteerde in significant langere PFS en OS van patiënten in de leeftijd tot en zeventig jaar met niet-eerder behandeld CLL/SLL.

1.Shanafelt TD, Wang XV, Kay NE et al. Ibrutinib-rituximab or chemoimmunotherapy for chronic lymphocytic leukemia. N Engl J Med 2019;381:432-443

Summary: The multicenter phase 3 study E1912 compared ibrutinib-rituximab with standard fludarabine-cyclophosphamide-rituximab for previously untreated CLL in patients aged 70 years or younger. The progression-free survival and overall survival were signficantly longer in de ibrutinib-rituximab-arm

  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Denemarken-brede studie van risico van mammacarcinoom in vrouwen met benigne ovariumtumor (0)
2019-08-01 15:00   ( Nieuws )
Tags:  benign ovarian tumor breast cancer risk
Prof. Susanne KjærEen Denemarken-brede cohortstudie heeft de associatie onderzocht tussen benigne ovariumtumoren en het risico van mammacarcinoom. Prof. Susanne Kjær (Universiteit van Kopenhagen) en collega’s publiceren de studie online in Breast Cancer Research and Treatment.1 De studie includeerde alle Deense vrouwen met een diagnose van een benigne ovariumtumor tussen begin 1978 en eind 2016 in het Deense Nationale Patiëntregister (n=158.221). De incidentie van mammacarcinoom in deze vrouwen werd onderzocht door linkage met de Deense Kankerregistratie.



De onderzoekers vonden een significant verhoogd risico van mammacarcinoom in vrouwen met een benigne ovariumtumor. Dit risico was beperkt tot vrouwen met een solide ovariumtumor (SIR 1,09; 95%-bti 1,05-1,13), met name vrouwen in de leeftijd van vijftig jaar of ouder bij de diagnose van de ovariumtumor (SIR 1,19; 95%-bti 1,12-1,26). Het risico bleef verhoogd gedurende tenminste twintig jaar na de diagnose van de solide ovariumtumor (SIR 1,1; 95%-bti 1,04-1,18). De associatie werd gezien voor alle typen mammacarcinoom; het meest consistent voor lobulair subtype.

De onderzoekers concluderen dat vrouwen met een benigne solide ovariumtumor een verhoogd risico hadden van mammacarcinoom; de risicoverhoging bleef tenminste twintig jaar bestaan. Het onderliggende mechanisme is niet bekend.

1.Gottschau M, Jensen A, Reinholdt K et al. Risk of breast cancer among women with benign ovarian tumors: a Danish nationwide cohort study. Breast Cancer Res Treat 2019; epub ahead of print

Summary: A nationwide cohort study in Denmark found that women with a benign ovarian tumor were at increased risk of breast cancer. This association was largely confined to women with a solid ovarian tumor, and the excess risk was present twenty years or longer after the ovarian tumor diagnosis.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Casusrapport van excretie van paclitaxel in moedermelk na intraveneuze chemotherapie (0)
2019-08-01 13:58   ( Nieuws )
Tags:  breast milk paclitaxel excretion
Dr. Christopher JacksonMammacarcinoom kan worden gediagnostiseerd tijdens de zwangerschap en in de peri-partum periode. Potentiële blootstelling van de foetus of pasgeborene aan chemotherapie-metabolieten zou schadelijk kunnen zijn. Paclitaxel is een veel-gebruikt chemotherapeuticum voor mammacarcinoom, maar er is weinig informatie over excretie van het middel in moedermelk. Een n=1 studie in Nieuw-Zeeland heeft deze excretie bepaald. Dr. Christopher Jackson (University of Otago, Dunedin) en collega’s publiceren het casusrapport online in het British Journal of Cancer.1

De patiënt was een 33-jaar oude vrouw, met vroeg-stadium mammacarcinoom dat was gediagnostiseerd tijdens de zwangerschap. Ze werd behandeld met paclitaxel 80 mg/m2 eens per week. Het niveau van paclitaxel in de moedermelk was 72 uur na toediening gedaald beneden de detectielimiet, resulterend in hypothetisch blootstelling van de zuigeling aan een relatieve dosering van 0,091%.

De onderzoekers concluderen dat in geval van behandeling met paclitaxel 80 mg/m2 eens per week de borstvoeding 72 uur na de chemotherapie herstart zou kunnen worden.

1.Jackson CGCA, Morris T, Hung N, Hung T. Breast milk paclitaxel excretion following intravenous chemotherapy – a case report. Br J Cancer 2019; epub ahead of print

Summary: A case study in New Zealand measured serum and breast milk concentrations of paclitaxel in a woman with early stage breast cancer diagnosed during pregnancy, treated with weekly paclitaxel 80 mg/m2. The study found breast milk paclitaxel levels drop below the minimum quantifiable dose at 72h following chemotherapy. The authors conclude 72h after chemotherapy may be a safe time to recommence breast feeding.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie tussen inname van vitamine A en risico van cutaan squameus celcarcinoom (0)
2019-08-01 12:58   ( Nieuws )
Tags:  CSCC vitamin A Nurses’ Health Study Health Professionals Follow-up Study
Dr. Eunyoung ChoRetinoïden zijn bioactieve metabolieten van vitamine A die een belangrijke rol spelen in maturatie en differentiatie van het epitheel. Synthetische retinoïden worden gebruikt voor de chemopreventie van huidmaligniteiten in hoog-risicopopulaties. De relatie tussen inname van vitamine A met de voeding en het risico van cutaan squameus celcarcinoom (CSCC) is niet duidelijk. Een analyse in de gepoolde cohorten van de Nurses’ Health Study (NHS) en de Health Professionals Follow-up Study (HPFS) heeft deze associatie onderzocht. Dr. Eunyoung Cho (Brown University, Providence RI) en collega’s publiceren de analyse online in JAMA Dermatology.1

De analyse includeerde 75.170 vrouwen in het NHS-cohort (gemiddelde leeftijd 50,4 ± 7,2 jaar; follow-up van 1984 tot en met 2012) en 48.400 mannen in het HPFS-cohort (gemiddelde leeftijd 54,3 ± 9,9 jaar; follow-up van 1986 tot en met 2012). Bij inclusie in de cohorten en vervolgens iedere twee jaar gaven de deelnemers informatie over hun voedingsgewoonten. Patiënten met een maligniteit bij inclusie werden uit de analyse geëxcludeerd, evenals niet-blanke deelnemers in beide cohorten.

Tijdens de follow-up werd CSCC gediagnostiseerd in 3978 deelnemers. Hogere inname van vitamine A met de voeding was geassocieerd met verlaagd risico van CSCC: met kwintiel 1 als referentie waren de multivariate HRs 0,97 (95%-bti 0,87-1,07) in kwintiel 2; 0,97 (95%-bti 0,80-1,17) in kwintiel 3; 0,93 (95%-bti 0,84-1,03) in kwintiel 4; en 0,83 (95%-bti 0,75-0,93) in kwintiel 5, met een p voor trend <0,001. Ook voor retinol, beta-cryptoxanthine, lycopeen, luteïne, en zeaxanthine werden inverse associaties tussen inname en het CSCC-risico gezien. De resultaten waren over het algemeen consistent tussen mannen en vrouwen, en onafhankelijk van andere risicofactoren voor CSCC.

De onderzoekers concluderen dat de analyse suggereert dat hogere inname van vitamine A met de voeding geassocieerd is met verlaagd risico van CSCC.

1.Kim J, Park MK, Li W-Q et al. Association of vitamin A intake with cutaneous squamous cell carcinoma risk in the United States. JAMA Dermatol 2019; epub ahead of print

Summary: An analysis in the pooled cohorts of the Nurses’ Health Study and the Health Professionals Follow-up Study suggested that increased intake of dietary vitamin A is associated with decreased risk of incident cutaneous squamous cell carcinoma.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Trends in incidentie van colorectaalcarcinoom in oudere en jongere volwassenen in Canada (0)
2019-08-01 11:45   ( Nieuws )
Tags:  CRC incidence in Canada younger versus older adults
Dr. Darren BrennerVorige week bespraken we een studie die liet zien dat in de Verenigde Staten de incidentie van colorectaalcarcinoom onder patiënten jonger dan vijftig jaar gedurende het afgelopen decennium toegenomen is. Een cohortstudie heeft de nationale trends in CRC-incidentie onder oudere en jongere volwassenen in Canada onderzocht. Dr. Darren Brenner (University of Calgary) en collega’s publiceren de studie in JAMA Network Open.1

De cohortstudie is gebaseerd op gegevens van het National Cancer Incidence Reporting System (1969-1992) en het Canadian Cancer Registry (1992-2015). De studie includeerde alle Canadezen die tussen begin 1969 en eind 2015 een CRC-diagnose kregen (n=688.515; 52,9% vrouwen), in vijf-jaars geboortecohorten vanaf 1886. De analyses lieten zien dat de incidentie van CRC in oudere mannen en vrouwen afgenomen is, maar dat de incidentie in jongere mannen vanaf 2006 en in jongere vrouwen vanaf 2010 toeneemt. Onder vrouwen jonger dan vijftig jaar is de incidentie vanaf 2010 toegenomen met een gemiddelde annual percentage change (APC) van 4,45%. Onder mannen jonger dan vijftig jaar is de incidentie vanaf 2006 toegenomen met een gemiddelde APC van 3,47%. Onder mannen was het risico van CRC in het jongste geboortecohort meer dan verdubbeld vergeleken met het referentiecohort geboren tussen 1936 en 1940 (incidence rate ratio 2,57; 95%-bti 1,32-5,02). Onder vrouwen werd een vergelijkbare trend gezien, hoewel de IRR niet significant was (IRR 2,12; 95%-bti 0,95-4,70).

De onderzoekers concluderen dat de incidentie van CRC onder Canadezen jonger dan vijftig jaar toeneemt.

1.Brenner DR, Heer E, Sutherland L et al. National trends in colorectal cancer incidence among older and younger adults in Canada. JAMA Network Open 2019;2:198090

Summary: A cohort study in Canada found that the incidence of colorectal cancer in men and women younger than 50 years of age is increasing.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)