Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Kenmerken en uitkomsten van tweede primair niet-kleincellig longcarcinoom in overlevers van hoofd-halsmaligniteit (0)
2019-03-05 14:53   ( Nieuws )
Tags:  second primary NSCLC after HNC
Dr. Justin BudnickIn retrospectieve studies is gezien dat patiënten met een geschiedenis van maligniteiten van hoofd en hals (HNC) een verhoogd risico hebben van niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC). Een analyse van de SEER-database heeft kenmerken en uitkomsten van tweede primair NSCLC na HNC vergeleken met die van primair NSCLC. Dr. Justin Budnik (University of Rochester NY) en collega’s publiceren de analyse online in Clinical Lung Cancer.1

In achttien registraties van de SEER-database over de periode van begin 1988 tot eind 2013 identificeerden de onderzoekers 3597 patiënten met tweede primair NSCLC na niet-metastatisch HNSCC (‘HNC-NSCLC patiënten’) die ze vergeleken met 365.551 patiënten met primair NSCLC (‘NSCLC-1 patiënten’) in dezelfde registraties over dezelfde periode. In de HNC-NSCLC groep was squameus NSCLC meer frequent dan in de NSCLC-1 groep (gelokaliseerd 64,1% versus 38,3%; regionaal 71,9% versus 48,2%; distant 63,5% versus 29,8%). De leading doodsoorzaak (60,0%) in HNC-NSCLC was NSCLC . De mediane overall survival in de HNC-NSCLC groep was 2,50 jaar voor gelokaliseerde ziekte; 1,17 jaar voor regionale ziekte; en vijf maanden voor patiënten met afstandsmetastasen; de corresponderende mediane OS in de NSCLC-1 groep was 4,58 jaar; 1,58 jaar, en zes maanden. Al deze verschillen waren statistisch significant (p<0,001). In multivariate analyse was een geschiedenis van HNC geassocieerd met slechtere OS in patiënten met gelokaliseerd (HR 1,40; p<0,001), regionaal (HR 1,26; p<0,001), en distant (HR 1,11; p<0,01) stadium NSCLC.

De onderzoekers concluderen dat een geschiedenis van HNC geassocieerd was met slechtere OS in patiënten met NSCLC.

1.Budnick J, DeNunzio NJ, Singh DP, Milano MT. Second primary non-small-cell lung cancer after head and neck cancer: a population-based study and pathologic characteristics and survival outcomes in 3,597 patients. Clin Lung Cancer 2019; epub ahead of print

Summary: An analysis of the SEER database found that a history of HNC adversely affects overall survival in patients who subsequently develop NSCLC.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 3-studie van nimotuzumab en radiotherapie voor diffuus intrinsiek ponsglioom in ambulante patiënten (0)
2019-03-05 13:43   ( Nieuws )
Tags:  DIPG nimotuzumab
Prof. Gudrun FleischhackDiffuus intrinsiek ponsglioom (DIPG), een maligniteit van vrijwel uitsluitend kinderen en adolescenten, heeft een slechte prognose. Nimotuzumab is een gehumaniseerd EGFR-gericht monoklonaal antilichaam. Een multinationale fase 3-studie heeft de waarde van nimotuzumab plus radiotherapie voor DIPG in ambulante patiënten onderzocht. Prof. Gudrun Fleischhack (Uniklinik Essen) en collega’s in Duitsland, Italië, Rusland, en Cuba publiceren de studie online in het Journal of Neuro-Oncology.1

De studie includeerde 42 patiënten in de leeftijd van drie tot en met twintig jaar met klinisch en radiologisch bevestigd DIPG. De patiënten kregen intraveneus nimotuzumab 150 mg/m2 eens per week gedurende twaalf weken, gecombineerd met EBRT totale dosering 54 Gy van week drie tot en met week negen. Vanaf week twaalf kregen de patiënten nimotuzumab 150 mg/m2 iedere twee weken tot ziekteprogressie of niet-acceptabele toxiciteit optrad.

Er waren twee patiënten met partiële respons, voor een ORR van 4,8%; 27 patiënten hadden stabiele ziekte (64,3%), tien patiënten hadden progressieve ziekte (23,8%), en in drie patiënten kon de respons niet beoordeeld worden. De mediane progressievrije overleving (na voltooiing van de radiotherapie) was 5,8 maanden, en de mediane overall survival was 9,4 maanden. De meest-gerapporteerde adverse events waren alopecie in 14,3% van de patiënten, en braken, hoofdpijn, en stralingsschade van de huid ieder in 7,1%. Ernstige AEs waren intratumorbloeding en acuut respiratoir falen; deze SAEs waren moeilijk te onderscheiden van effecten van tumorprogressie.

De onderzoekers concluderen dat concomitante behandeling met nimotuzumab en RT feasible was in outpatient setting. De PFS en OS waren vergelijkbaar met wat is bereikt met RT en intensieve chemotherapie in gehospitaliseerde setting.

1.Fleischhack G, Massimo M, Warmuth-Metz M et al. Nimotuzumab and radiotherapy for treatment of newly diagnosed diffuse intrinsic pontine glioma (DIPG): a phase 3 clinical study. J Neuro-Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: An international phase 3 study found that concomitant treatment with radiotherapy and nimotuzumab for diffuse intrinsic pontine glioma was feasible in an outpatient setting. The PFS and OS were comparable to results achieved with RT and intensive chemotherapy in an hospitalized setting.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Soja-gebaseerde voedingssupplementen en risico van mammacarcinoom in vrouwen ouder dan vijftig jaar (0)
2019-03-05 12:34   ( Nieuws )
Tags:  E3N cohort soy-based dietary supplements breast cancer risk
Dr. Marie-Christine Boutron-RuaultIsoflavonen-bevattende soja-gebaseerde voedingssupplementen worden soms aangeprezen als natuurlijke alternatieven voor menopauzale hormoontherapie, maar de associatie van deze supplementen met het risico van mammacarcinoom is niet duidelijk. Een prospectieve cohortstudie in Frankrijk heeft deze associatie onderzocht. Dr. Marie-Christine Boutron-Ruault (FrancecGustave Roussy, Villejuif) en collega’s publiceren de studie online in het American Journal of Clinical Nutrition.1



De Etude Epidemiologique aupres de Femmes de la Mutuelle Generale de l’Education Nationale (E3N) includeerde 76.442 vrouwen die waren geboren tussen 1925 en 1950. Bij inclusie in het jaar 2000 en vervolgens iedere twee tot drie jaar gaven de deelneemsters informatie over onder andere het gebruik van soja-gebaseerde voedingssupplementen. Aan het begin van de follow-up van 2000 tot en met 2011 (gemiddeld 11,2 jaar) waren de deelneemsters gemiddeld 59,5 jaar oud. Tijdens de follow-up werden in het cohort 3608 mammacarcinoom-diagnoses gesteld.

Vergeleken met nooit-gebruik was current gebruik van soja-supplementen niet geassocieerd met het risico van mammacarcinoom overall (HR 0,92; 95%-bti 0,76-1,11) maar wel met significant verlaagd risico van ER-positief mammacarcinoom (HR 0,78; 95%-bti 0,60-0,99) en significant verhoogd risico van ER-negatief mammacarcinoom (HR 2,01; 95%-bti 1,41-2,86). De HRs voor current gebruik van de supplementen waren 1,36 (95%-bti 0,95-1,93) voor vrouwen met familiegeschiedenis van mammacarcinoom versus 0,82 (95%-bti 0,65-1,02) voor vrouwen zonder familiegeschiedenis (p interactie 0,03) en 1,06 (95%-bti 0,87-1,30) vijf jaar of langer na de menopauze versus 0,50 (95%-bti 0,31-0,81) voor de menopauze tot vijf jaar na de menopauze.

De onderzoekers concluderen dat in dit cohort van vrouwen ouder dan vijftig jaar gebruik van soja-voedingssupplementen geassocieerd was met bescherming tegen ER-positief mammacarcinoom en verhoging van het risico van ER-negatief mammacarcinoom. Gebruik van de supplementen is wellicht ook geassocieerd met verhoogd risico onder vrouwen met familiegeschiedenis van mammacarcinoom.

1.Touillaud M, Gelot A, Mesrine S et al. Use of dietary supplements containing soy isoflavones and breast cancer risk among women >50 y: a prospective study. Am J Clin Nutr 2019; epub ahead of print

Summary: A prospective cohort study in France found that among women older than 50 years of age current use of soy-based dietary supplements was associated with decreased risk of ER-positive breast cancer and increased risk of ER-negative breast cancer.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 2-studie van daratumumab, bortezomib, cyclofosfamide, en dexamethason voor multipel myeloom (0)
2019-03-04 16:00   ( Nieuws )
Tags:  LYRA study newly diagnosed or relapsed multiple myeloma D-VCd
Dr. Robert RifkinRecente verbeteringen in behandelopties hebben de klinische uitkomsten van patiënten met multipel myeloom verbeterd. Desondanks wordt na verloop van tijd in vrijwel alle patiënten recidief gezien en is volgende behandeling vereist. De duur en diepte van respons nemen af met elke volgende relapse. De fase 2-studie LYRA, uitgevoerd in community praktijken in de Verenigde Staten, onderzocht de waarde van de combinatie van daratumumab, bortezomib, cyclofosfamide, en dexamethason (D-VCd) voor nieuw-gediagnostiseerd of recidiverend multipel myeloom (NDMM/RMM). Dr. Robert Rifkin (Rocky Mountain Cancer Centers, Denver CO) en collega’s publiceren de studie online in het British Journal of Haematology.1

De studie includeerde 86 NDMM-patiënten en 14 RMM-patiënten met één eerdere lijn van therapie waarop tenminste partiële respons moest zijn bereikt voordat relapse optrad. De patiënten kregen 4 tot 8 vierweekse inductiecycli van bortezomib 1,5 mg/m2 op dagen één, acht en vijftien; cyclofosfamide 300 mg/m2 op dagen één, acht, vijftien en tweeëntwintig; en dexamethason 40 mg eens per week. Intraveneus daratumumab werd gegeven in dosering 8 mg/kg op dagen één en twee van de eerste cyclus, 16 mg/kg op dagen één en acht van de tweede cyclus, 16 mg/kg iedere twee weken in de derde tot en met zesde cyclus, en vervolgens 16 mg/kg iedere vier weken. Patiënten die daarvoor in aanmerking kwamen kregen autologe stamceltransplantatie. De onderhoudsbehandeling voor alle patiënten was daratumumab 16 mg/kg iedere vier weken.

Het primaire eindpunt van de studie was VGPR of beter na vier inductiecycli in de groep NDMM-patiënten. Deze werd gezien in 44% van de patiënten. De ORR in deze groep patiënten was 79%. Aan het eind van de inductie waren VGPR en ORR in de groep NDDM-patiënten respectievelijk 56% en 81%. De twaalf-maands PFS was 87%. Ook in de RMM-patiënten werd werkzaamheid van D-VCd gezien. Vermoeidheid was het meest-frequente TRAE (59%), en neutropenie was het meest-frequente graad 3 en 4 TRAE (13%). Infusiereacties werden gezien in 54% van de patiënten, vooral bij de eerste toediening, en waren mild (slechts in 2% graad 3).

De onderzoekers concluderen dat D-VCd goed verdragen werd, split-first daratumumab-toediening feasible was, en dat de behandeling in NDMM-patiënten resulteerde in goede VGPR en PFS.

1.Yimer H, Melear J, Faber E et al. Daratumumab, bortezomib, cyclophosphamide and dexamethasone in newly diagnosed and relapsed multiple myeloma: LYRA study. Br J Haematol 2019; epub ahead of print

Summary: The community-based phase II study LYRA evaluated the combination of daratumumab, bortezomib, cyclophsophamide, and dexamethasone (D-VCd) for newly diagnosed or relapsed multiple myeloma. Overall, D-VCd was well tolerated and split-first daratumumab dosing was feasible. In NDMM patients the ≥ VGPR rate after 4 cycles was 44% and the 1-year PFS rate was 87%. Efficacy was also observed in RMM patients.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Waarde van toevoegen van pelvische RT aan chemotherapie voor synchroon metastatisch ACSCC (0)
2019-03-04 15:00   ( Nieuws )
Tags:  synchronous stage IV anal canal squamous cell carcinoma CRT versus CT
Dr. Brian CzitoBij gebrek aan prospectieve gegevens is er geen duidelijkheid over de rol van pelvische radiotherapie als toevoeging aan chemotherapie voor patiënten met bij presentatie metastatisch squameus celcarcinoom van de anus. Dr. Brian Czito (Duke University, Durham NC) en collega’s hebben in een analyse van de National Cancer Database pelvische chemoradiotherapie (CRT) vergeleken met alleen chemotherapie (CT) voor synchroon stadium IV ACSCC. Ze publiceren de analyse online in Cancer.1

In de NCDB over de periode begin 2004 tot eind 2012 identificeerden de onderzoekers 978 patiënten met initieel metastatisch ACSCC, onder wie 582 die geschikt waren voor een gematchte analyse: 388 in de CRT-groep en 194 in de alleen-CT groep. Het eindpunt van de analyse was overall survival. De mediane OS was 21,1 maanden in de CRT-groep versus 14,6 maanden in de alleen-CT groep (HR 0,75; p=0,006). De vijf-jaars OS was 23% (95%-bti 18-28) in de CRT-groep versus 14% (95%-bti 7-21) in de alleen-CT groep.

De onderzoekers concluderen dat pelvische CRT vergeleken met alleen-CT resulteert in langere overleving van patiënten met synchroon stadium IV ACSCC.

1.Abdelazim YA, Rushing CN, Palta M et al. Role of pelvic chemoradiation therapy in patients with initially metastatic anal canal cancer: a National Cancer Data Base review. Cancer 2019; epub ahead of print

Summary: A NCDB-analysis of patients with synchronous stage IV anal canal squamous cell carcinoma found better OS in patients receiving pelvic chemoradiotherapy (median 21.1 months) than in patients receiving chemotherapy only (median 14.6 months; p=0.006).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Single-institution uitkomsten van protontherapie voor chondrosarcoom van de schedelbasis (0)
2019-03-04 14:00   ( Nieuws )
Tags:  skull-base chondrosarcoma proton therapy
Dr. Adam HoltzmanSinds begin 2007 hebben in het ziekenhuis van het College of Medicine van de University of Florida in Jacksonville patiënten definitieve of adjuvante external-beam protontherapie gekregen voor chondrosarcoom van de schedelbasis. Dr. Adam Holtzman en collega’s publiceren uitkomsten van de behandeling online in het Journal of Neuro-Oncology.1 De studie includeerde 43 patiënten met een mediane leeftijd van 49 jaar (range 23 tot 80 jaar). Negentien patiënten (44%) hadden graad 1 tumoren, tweeëntwintig patiënten (51%) graad 2, en twee patiënten (5%) graad 3.

Zesendertig van de patiënten (84%) ondergingen chirurgische resectie voorafgaand aan de protontherapie. De mediane radiotherapiedosering was 73,8 Gy RBE (range 64,5-74,4). Er waren geen gevallen van graad 3 of hoger acute toxiciteit. De mediane follow-up was 3,7 jaar (range 0,7 tot 10,1 jaar). Vier jaar na de RT was de overall survival 95%, de ziekte-specifieke overleving 100%, locale controle 89%, en de RT-gerelateerde graad 3 toxiciteit-vrije overleving 95%.

De onderzoekers concluderen dat hoge-dosering protontherapie alleen of na chirurgische resectie voor chondrosarcoom van de schedelbasis een effectieve behandeling is die resulteert in een hoog percentage patiënten met locale controle en geen acute graad 3 of hoger RT-gerelateerde toxiciteit.

1.Holtzman AL, Rotondo RL, Rutenberg MS et al. Proton therapy for skull-base chondrosarcoma, a single-institution outocmes study. J Neuro-Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A study at the University of Florida College of Medicine found that high-dose, double-scattered 3D conformal proton therapy alone or following surgical resection for skull-base chondrosarcoma is an effective treatment resulting in a high rate of local control with no acute grade 3 or higher radiation-related toxicity.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

HRQOL van lange-termijn ziektevrije overlevers van mammacarcinoom in Duitsland (0)
2019-03-04 12:59   ( Nieuws )
Tags:  long-term disease-free breast cancer survivors HRQOL
Dr. Daniela DoegeEr is weinig informatie beschikbaar over gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven van vrouwen die langer dan vijf jaar hebben overleefd na een diagnose mammacarcinoom. Een studie in Duitsland was aan dit onderwerp gewijd. Dr. Daniela Doege (Deutsches Krebsforschungszentrum, Heidelberg) en collega’s publiceren de studie online in Breast Cancer Research and Treatment.1

De studie includeerde 2647 ziektevrije overlevers tussen vijf en zestien jaar na de diagnose mammacarcinoom en 1005 controlevrouwen in meerdere regio’s in Duitsland. De deelneemsters gaven informatie over hun HRQOL door het beantwoorden van de EORTC QLQ-C30 vragenlijst. Onder deelneemsters in de leeftijd tot tachtig jaar waren er geen statistisch significante verschillen tussen de groep overlevers en de controlegroep voor algemene gezondheidsstatus en kwaliteit van leven. De overlevers rapporteerden wel statistisch significant slechter fysiek, rol-, emotioneel, sociaal, en cognitief functioneren, en ze rapporteerden meer vermoeidheid, slaapproblemen, dyspnoe, en financiële problemen. De verschillen werden door de onderzoekers beoordeeld als van geringe klinische relevantie. De verschillen in emotioneel en cognitief functioneren, en in slaapproblemen en vermoeidheid, waren persistent, in die zin dat ze werden gerapporteerd door zowel long-term survivors (vijf tot tien jaar na de diagnose) als very long-term survivors (langer dan tien jaar na de diagnose). Onder deelneemsters ouder dan 79 jaar werden geen verschillen tussen beide groepen gezien.

De onderzoekers concluderen dat de studie heeft laten zien dat er tussen lange-termijn overlevers van mammacarcinoom en controlevrouwen geen significante verschillen bestaan voor gezondheid en kwaliteit van leven, maar wel kleine maar significante verschillen voor cognitief en emotioneel functioneren en symptoombelasting.

1.Doege D, Thong MS-Y, Koch-Gallenkamp L et al. Health-related quality of life in long-term-disease-free breast cancer survivors versus female population controls in Germany. Breast Cancer Res Treat 2019; epub ahead of print

Summary: A German multi-regional population-based study found that long-term disease-free breast cancer survivors compared to female population controls reported comparable overall global health status but significant small detriments in cognitive and emotional functioning and higher symptom burden.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Observationele studie van discontinueren van TKIs voor CML in de Italiaanse klinische praktijk (0)
2019-03-03 16:00   ( Nieuws )
Tags:  Observationele studie van discontinueren van TKIs voor CML in de Italiaanse klinische praktijk
In gecontroleerde studies is gezien dat tyrosinekinaseremmers voor CML veilig kunnen worden gediscontinueerd in patiënten die gedurende lange tijd in diepe remissie zijn. Er zijn weinig of geen ervaringen gepubliceerd met discontinueren van TKIs voor CML in de klinische praktijk. Dr. Carmen Fava (Universiteit van Turijn) en collega’s publiceren online in Haematologica uitkomsten van discontinueren in Italiaanse patiënten met diepe moleculaire respons op TKI.1

De studie includeerde 293 patiënten met chronische-fase CML die diepe moleculaire respons hadden op imatinib (28%) of tweedegeneratie TKIs (72%) en de behandeling discontinueerden. De mediane duur van de behandeling was 77 maanden geweest (IQR 54-111) en de mediane duur van diepe moleculaire respons 46 maanden (IQR 31-74). Verreweg de meeste patiënten (88%) discontinueerden de TKIs in de klinische praktijk, buiten verband van een gecontroleerde studie. De redenen voor discontinuering waren toxiciteit (20% van de patiënten), zwangerschap (6%), shared decision van patiënt en behandelaar (62%), of andere redenen. Na mediaan 34 maanden follow-up (range 12-161) was 62% (95%-bti 58-68) van de patiënten in behandelingsvrije remissie. Na 12 maanden gold dit voor 68% (95%-bti 62-74) van de patiënten die met imatinib behandeld waren geweest en 73% (95%-bti 64-83) van de patiënten die tweedegeneratie TKIs gediscontinueerd hadden. Onder de patiënten die een nieuwe TKI-behandeling startten was de mediane tijd tot herstart 6 maanden (IQR 4-11). In geen van de patiënten werd progressie gezien.

De onderzoekers concluderen dat binnen de beperking van de retrospectieve opzet, de studie bevestigt dat discontinuering van TKIs voor CML in de klinische praktijk feasible en veilig is.

1.Fava C, Rege-Cambrin G, Dogliotti I et al. Observational study of chronic myeloid leukemia Italian patients who discontinued tyrosine kinase inhibitors in clinical practice. Haematologica 2019; epub ahead of print

Summary: A retrospective, observational study in Italy confirmed that discontinuation of imatinib and 2nd generation TKIs in CP-CML patients with deep molecular response is feasible and safe in clinical practice.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)