Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Fase 3-studie van lenalidomide versus observatie voor asymptomatisch hoog-risico smeulend multipel myeloom (0)
2019-05-28 13:58   ( Nieuws )
Tags:  E3A06 study high-risk smoldering multiple myeloma lenalidomide
Prof. Sagar LonialSmeulend multipel myeloom (SMM) is een voorloper van myeloom. De standard of care voor SMM is observatie.De Amerikaanse multicenter fase 3-studie E3A06 onderzocht de waarde van lenalidomide voor SMM. Prof. Sagar Lonial (Emory University, Atlanta GA) presenteert de studie aanstaande zondag op de ASCO Annual Meeting in Chicago.1

De studie begon met een fase 2 run-in om de veiligheid van lenalidomide te onderzoeken. In deze fase kregen alle 44 patiënten lenalidomide. In fase 3 werden 90 patiënten gerandomiseerd naar lenalidomide en 92 naar observatie (gestratificeerd naar tijd sinds diagnose korter versus langer dan één jaar). Het primaire eindpunt van de studie was progressievrije overleving. De mediane follow-up was 71 maanden voor het fase 2-cohort en 28 maanden voor het fase 3-cohort. De ORR was 47,7% in fase 2, en 48,9% met lenalidomide in fase 3 versus 0% met observatie. De drie-jaars PFS was 87% in het fase 2- cohort, en 91% met lenalidomide versus 66% met observatie in het fase 3-cohort (HR 0,28; p=0,005). Graad 3- of 4 adverse events in de lenalidomide-behandelde patiënten waren niet-hematologisch in 28% van de patiënten (vermoeidheid werd het meest gezien; n=5 van 90) en hematologisch in 5,7% (neutropenie in 4 van 90 patiënten). Er was geen verschil tussen beide fase 3-armen in QOL-score.

De onderzoekers concluderen dat lenalidomide-behandeling resulteerde in significant betere PFS onder patiënten met asymptomatisch hoog-risico SMM. De studie steunt een verandering in de klinische praktijk.

1.Lonial S et al. ASCO Annual Meeting 2019; abstr. 8001

Summary: The multicenter phase 3 study E3A06 randomized patients with asymptomatic high-risk smoldering multiple myeloma to lenalidomide versus observation. The three-year PFS was 91% with lenalidomide versus 66% with observation (HR 0.28; p=0.005) without a difference in QOL score between both arms.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Niveaus van circulerende geslachtshormonen en risico van colorectaalcarcinoom in postmenopauzale vrouwen in Japan (0)
2019-05-28 12:48   ( Nieuws )
Tags:  JPHC nested case-control study postmenopausal CRC risk circulating sex hormone levels
Er is geen duidelijkheid over de relatie tussen niveaus van circulerende geslachtshormonen en het risico van colorectaalcarcinoom. Een patiënt-controle analyse door medewerkers van het Nationaal Kankercentrum in Japan (Tokio) heeft deze relatie in postmenopauzale vrouwen onderzocht. Dr. Soichiro Tsugane en collega’s publiceren de analyse online in het International Journal of Cancer.1

De analyse is uitgevoerd in het cohort van de JPHC (Japan Public Health Center) prospectieve studie II, met 11.644 postmenopauzale vrouwen die bloedmonsters afstonden. Voor ieder van de 185 CRC-patiënten in het cohort selecteerden de onderzoekers twee gematchte controlevrouwen (n=361). Circulerende niveaus van testosteron bleken positief geassocieerd te zijn met het CRC-risico (hoogste versus laagste tertiel OR 2,10; p trend 0,03). Niveaus van estradiol, SHBG (sex hormone binding globulin), en progesteron waren niet geassocieerd met het CRC-risico. In een subgroep-analyse werd gezien dat SHBG wel positief geassocieerd was met het CRC-risico onder vrouwen met een lage inname van isoflavonen (p trend 0,03).

De onderzoekers concluderen dat endogene niveaus van testosteron in postmenopauzale vrouwen positief geassocieerd waren met het CRC-risico.

1.Mori N, Sawada N, Iwasaki M et al. Circulating sex hormone levels and colorectal cancer risk in Japanese postmenopausal women: the JPHC nested case-control study. Int J Cancer 2019; epub ahead of print

Summary: A nested case-control study in the Japan Public Health Center-based cohort study found that in postmenopausal women a higher circulating level of testosterone was associated with a higher risk of colorectal cancer. Sex hormone binding globulin (SHBG) levels were positively associated with CRC risk among those with low isoflavone intake.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multicenter fase 3-studie van optimalisering van dosering van anthracycline voor DLBCL (0)
2019-05-28 11:50   ( Nieuws )
Tags:  NHL-001 study diffuse large B-cell lymphoma anthracyclines
Prof. Wei-Li ZhaoDe optimale dosering van anthracyclines voor de behandeling van grootcellig B-cel lymfoom is niet bekend. De multicenter fase 3-studie NHL-001 in China heeft epirubicine in twee verschillende doseringen vergeleken met doxorubicine. Prof. Wei-Li Zhao (Shanghai Instituut voor Hematologie) en collega’s publiceren de studie online in The Lancet Haematology.1



NHL-001 recruteerde 648 DLBCL-patiënten, onder wie 404 jonge patiënten (leeftijd zestien tot en met zestig jaar) en 244 oudere patiënten (leeftijd tot en met tachtig jaar). De jonge patiënten werden 1:1:1 gerandomiseerd naar zes cycli R-CHOP50 (rituximab, cyclofosfamide, doxorubicine 50 mg/m2, vincristine, en prednison), R-CEOP70 (met epirubicine 70 mg/m2), of R-CEOP90 (met epirubicine 90 mg/m2). De oudere patiënten werden 1:1 gerandomiseerd naar R-CHOP50 of R-CEOP70. Patiënten met bulky ziekte bij diagnose of residuele ziekte aan het eind van de behandeling kregen consoliderende radiotherapie. Het primaire eindpunt van de studie was twee-jaars progressievrije overleving.

De twee-jaars PFS was 72,5% in de R-CHOP50 groep versus 72,4% in de R-CEOP70 groep (HR 1,00; p=0,99). Het optreden van adverse events verschilde niet significant tussen de groepen. Drie jaar na het bereiken van remissie hadden minder patiënten in de R-CEOP70 groep dan in de R-CHOP50 groep meer dan 10% LVEF-afname (13% versus 29%). Onder de jonge patiënten was de twee-jaars PFS 88,8% met R-CEOP90 versus 75,9% met R-CHOP50 (HR 0,44; p=0,0047) en 77,4% met R-CEOP70 (HR 0,49; p=0,017). Onder deze jonge patiënten was graad 3 of 4 neutropenie meer frequent met R-CEOP90 dan met R-CHOP50 of R-CEOP70, maar zonder toename van klinisch relevante infecties. Onder de jonge patiënten hadden in beide R-CEOP groepen een lager percentage patiënten meer dan 10% LVEF-afname na drie jaar dan in de R-CHOP50 groep (11% en 13% versus 26%).

De onderzoekers concluderen dat in DLBCL R-CEOP70 kan dienen als een alternatief mild-cardiotoxisch regime voor R-CHOP50, terwijl jongere patiënten kunnen profiteren van hogere epirubicine-dosering.

1.Xu P-P, Li J-Y, Hu J-D et al. Anthracycline dose optimisation in patients with diffuse large B-cell lymphoma: a multicentre, phase 3, randomised, controlled trial. Lancet Haematol 2019; epub ahead of print

Summary: The Chinese multicenter phase 3 study NHL-001 compared R-CHOP50 (with doxorubicin 50 mg/m2) with R-CEOP70 (with epirubicin 70 mg/m2) and R-CEOP90 for DLBCL. The study found that R-CEOP70 could serve as an alternative regimen to R-CHOP50 with mild long-term cardiotoxicity. Young patient might benefit from R-CEOP90.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multinationale fase 3-studie van toevoegen van isatuximab aan pomalidomide en dexamethason voor RRMM (0)
2019-05-27 15:00   ( Nieuws )
Tags:  relapsed or refractory multiple myeloma isatuximab
Prof. Paul RichardsonEr is behoefte aan nieuwe behandelopties voor recidiverend of refractair multipel myeloom (RRMM). Isatuximab is een monoklonaal antilichaam dat gericht is op CD38. Een multinationale fase 3-studie vergeleek isatuximab plus pomalidomide en dexamethason (IsaPd) versus alleen Pd voor RRMM. Prof. Paul Richardson (Dana Farber Cancer Institute, Boston MA) presenteert de studie aanstaande zondag op de ASCO Annual Meeting in Chicago.1

De studie includeerde patiënten die tenminste twee eerdere lijnen behandeling hadden gekregen, waaronder lenalidomide en een proteasoomremmer, en die refractair waren tegen de meest recente behandeling. De mediane leeftijd was 67 jaar, het mediane aantal eerdere lijnen behandeling was 3 (range 2-11), en 19,5% van de patiënten hadden hoog-risico cytogenetische kenmerken. Ze werden gerandomiseerd naar IsaPd (n=154) of Pd (n=153). Het primaire eindpunt van de studie was progressievrije overleving.


De mediane follow-up was 11,6 maanden. De mediane PFS was 11,5 maanden met IsaPd versus 6,5 maanden met Pd (HR 0,596; p=0,001). Het PFS-profijt was consistent in alle subgroepen. Objectieve respons werd gezien in 60,4% met IsaPd versus 35,3% met Pd (p<0,001), very good partial response of beter in 31,8% versus 8,5%, en MRD-negativiteit in 5,2% versus 0%. De overall survival gegevens waren op het moment van analyse nog niet matuur maar er was een trend van betere OS met IsaPd (HR 0,687; 95%-bti 0,461-1,023). Graad 3 of hoger adverse events werden gezien in 86,8% met IsaPd versus 70,5% met Pd; discontinuering wegens AEs in 7,2% versus 12,8%; en graad 5 AEs in 7,9% versus 9,4%.

De onderzoekers concluderen dat IsaPd vergeleken met Pd resulteerde in significant betere PFS en ORR, met een hanteerbaar veiligheidsprofiel.

1.Richardson P et al. ASCO Annual Meeting 2019; abstr. 8004

Summary: An international phase 3 study compared the novel anti-CD38 monoclonal antibody isatuximab combined with pomalidomide and dexamethasone, versus pomalidomide and dexamethasone alone, for relapsed or refractory multiple myeloma. The median PFS was 11.5 months with isatuximab versus 6.5 months without isatuximab (HR 0.596; p=0.001). The safety profile of isatuximab was manageable.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Mastectomie versus borstsparende radiotherapie voor patiënten met occult mammacarcinoom en gevorderde nodale ziekte (0)
2019-05-27 13:53   ( Nieuws )
Tags:  occult breast cancer BCS for N2 N3 disease
Prof. Jan WongDe NCCN-richtlijnen voor occult mammacarcinoom bevelen radicale mastectomie aan, met de optie van borstsparende radiotherapie in plaats van mastectomie voor patiënten met N1-ziekte. Een analyse van de SEER-database heeft het effect van lokale therapie –mastectomie versus borstsparende radiotherapie – op mammacarcinoom-specifieke mortaliteit (BCSM) voor patiënten met alle nodale stadia onderzocht. Prof. Jan Wong (East Carolina University, Greenville NC) en collega’s publiceren de analyse online in Breast Cancer Research and Treatment.1

De analyse includeerde 353 OBC patiënten die tussen begin 2004 en eind 2015 axillaire dissectie ondergingen, onder wie 152 die borst-RT kregen en 201 die mastectomie ondergingen. Van deze vrouwen hadden 57,5% N1-ziekte, hadden 54,4% ER-positieve tumoren, waren 80,7% blank, en kregen 88,1% chemotherapie. De vrouwen die RT kregen waren ouder (p<0,001) maar verder waren er geen significante verschillen in ziektekenmerken tussen de beide groepen. Tijdens mediaan 66 maanden follow-up overleden 32 vrouwen aan mammacarcinoom (11 in de RT-groep versus 21 in de mastectomiegroep). De vijf-jaars cumulatieve BCSM was 8,0 ± 2,6% met RT versus 10,9% ± 2,6% met mastectomie (p=0,309). Onafhankelijke voorspellers van BCSM in multivariate analyse waren hogere leeftijd, hoger N-stadium, en ER-negativiteit, maar niet het type lokale therapie.

De onderzoekers concluderen dat de analyse suggereert dat in OBC borstsparende behandeling met radiotherapie een redelijk alternatief is voor mastectomie, ongeacht nodaal stadium.

1.Johnson HM, Irish W, Vohra NA, Wong JH. The effect of local therapy on breast-cancer specific mortality of women with occult breast cancer and advanced nodal disease (N2/N3): a population analysis. Breast Cancer Res Treat 2019; epub ahead of print

Summary: An analysis of the SEER database suggests that in occult breast cancer breast preservation with radiotherapy is a reasonable alternative to mastectomy, regardless of nodal stage.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Gecombineerd effect van borstdichtheid en body mass index op risico van mammacarcinoom (0)
2019-05-27 12:56   ( Nieuws )
Tags:  breast cancer risk combined effect of breast density and BMI
Dr. Karla KerlikowskeZowel borstdichtheid als body mass index worden gebruikt voor stratificatie van het risico van mammacarcinoom. Het is niet bekend of deze beide factoren onafhankelijk van elkaar van invloed zijn op het risico. Een analyse van data van het San Francisco Mammography Registry en van de Mayo Clinic Rochester heeft onderzocht of de positieve associatie tussen volumetrische borstdichtheid en risico van mammacarcinoom sterker wordt met toenemen van de BMI. Dr. Karla Kerlikowske (University of California, San Francisco) en collega’s publiceren de analyse online in Breast Cancer Research and Treatment.1

De analyse includeerde 781 premenopauzale en 1850 postmenopauzale vrouwen met een diagnose mammacarcinoom tussen begin 2007 en eind 2015 van wie een screening digitaal mammogram beschikbaar was van tenminste zes maanden voor de diagnose. Voor elk van deze vrouwen selecteerden de onderzoekers tot drie controlevrouwen (3535) gematcht voor leeftijd, rase, kalenderdatum, mammografiemachine, en staat. De analyse wees uit dat de toename van het risico van mammacarcinoom met hogere borstdichtheid sterker was bij hoger BMI. Onder premenopauzale vrouwen was de OR per 1 SD toename in volumetrische borstdichtheid 1,24 bij een BMI lager dan 25; 1,65 bij BMI 25 tot 30; en 1,97 bij BMI hoger dan 30 kg/m2. Onder postmenopauzale vrouwen waren de corresponderende ORs 1,20; 1,55; en 2,25.

De onderzoekers concluderen dat de associatie tussen volumetrische borstdichtheid en het risico van mammacarcinoom het grootst is in vrouwen met overgewicht en obesitas.

1.Engmann NJ, Scott CG, Jensen MR et al. Combined effect of volumetric breast density and body mass index on breast cancer risk. Breast Cancer Res Treat 2019; epub ahead of print

Summary: An analysis of the combined San Francisco Mammography Registry and Mayo Clinic Rochester data showed that the effect of volumetric percent density on breast cancer risk is strongest in overweight and obese women.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie tussen serumniveaus van thiolen en het risico van verschillende maligniteiten (0)
2019-05-27 12:00   ( Nieuws )
Tags:  serum thiol levels risk of lung colorectal breast and prostate cancer
Dr. Ben SchöttkerVrije thiolgroepen van intra- en extracellulaire moleculen worden verondersteld antioxidatieve werking te hebben en cellen te beschermen tegen schade die wordt veroorzaakt door vrije radicalen. Het is denkbaar dat deze vrije thiolen daarmee ook beschermen tegen maligniteiten. Een analyse van de prospectieve Noorse Tromsø studie heeft de associatie onderzocht tussen serum total thiol levels (TTL) en de incidentie van long-, colorectaal-, mamma- en prostaatcarcinoom. Dr. Ben Schöttker (Deutsches Krebsforschungszentrum Heidelberg) en collega’s publiceren de analyse online in het International Journal of Cancer.1

De analyse heeft betrekking op deelnemers aan de derde ronde van de Tomsø studie, die in 1986-1987 mannen en vrouwen (n=21.626) includeerde. De deelnemers stonden bloedmonsters af waarin onder meer het TTL bepaald werd. Tijdens de follow-up werden maligniteiten vastgesteld in 941 deelnemers. Er waren significante associaties tussen TTL en risico van longcarcinoom (hoogste versus laagste tertiel HR 0,64; 95%-bto 0,41-0,99) en tussen TTL en risico van mammacarcinoom (HR 0,64; 95%-bti 0,42-0,96). De associaties tussen TTL en colorectaalcarcinoom (HR 0,78; 95%-bti 0,54-1,16) en TTL en prostaatcarcinoom (HR 0,79; 95%-bti 0,53-1,17) waren niet significant maar wezen wel op een door thiolen tegen deze maligniteiten beschermende trend.

De onderzoekers concluderen dat deze analyse van een grote prospectieve bevolkings-gebaseerde cohortstudie suggereert dat vrije thiolen in het serum beschermen tegen het ontstaan van maligniteiten.

1.Gào X, Wilsgaard T, Jansen EHJM et al. Serum total thiol levels and the risk of lung, colorectal, breast and prostate cancer: a prospective case-cohort study. Int J Cancer 2019; epub ahead of print

Summary: Results from the prospective Tromsø study in Norway suggest that high total thiol levels in serum protect against lung, colorectal, breast and prostate cancer.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Meta-analyse van gerandomiseerde studies van yoga voor mammacarcinoom-gerelateerde vermoeidheid (0)
2019-05-26 15:00   ( Nieuws )
Tags:  breast cancer-related fatigue yoga
Een meta-analyse van gerandomiseerde gecontroleerde studies heeft de waarde onderzocht van yoga voor mammacarcinoom-gerelateerde vermoeidheid. Dr. Li Tian (Soochow Universiteit, Suzhou) en collega’s publiceren de meta-analyse online in Breast Cancer Research and Treatment.1 In de literatuur tot en met januari 2019 vonden de onderzoekers zeventien RCTs die aan de inclusiecriteria van de meta-analyse voldeden. De studies telden tezamen 1112 patiënten in de yoga-armen en 1071 patiënten in de controle-armen.

De meta-analyse laat een groot effect van yoga zien op vermoeidheid in patiënten die hun behandeling hadden voltooid, en een gering effect op vermoeidheid in patiënten tijdens de behandeling. Het grootste effect werd gezien van een supervised yoga class met sessies van 60 of 90 minuten gedurende acht weken. Het effect van yoga op fysieke vermoeidheid was sterk, het effect op cognitieve vermoeidheid matig, en het effect op mentale vermoeidheid gering. In acht studies werden adverse events gerapporteerd.

De onderzoekers concluderen dat yoga kan worden gezien als alternatieve therapie voor vermoeidheid in patiënten tijdens of na behandeling voor mammacarcinoom.

1.Dong B, Xie C, Jing X et al. Yoga has a solid effect on cancer-related fatigue in patients with breast cancer: a meta-analysis. Breast Cancer Res Treat 2019; epub ahead of print

Summary: A meta-analysis of seventeen randomized studies with 2183 patients (yoga: 1112; control: 1071) found that yoga can be considered as an alternative therapy for relieving fatigue in breast cancer patients who are undergoing or have completed treatment.

  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)