Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Lichaamssamenstelling, adherentie aan chemotherapie, en overleving na niet-metastatisch mammacarcinoom (0)
2019-12-07 14:29   ( Nieuws )
Tags:  nonmetastatic breast cancer body composition chemotherapy adherence survival
Dr. Elizabeth Cespedes FelicianoEr zijn aanwijzingen voor een associatie van lichaamssamenstelling (hoeveelheid en distributie van spier- en vetweefsel) met tolerantie van en adherentie aan chemotherapie. Een observationele cohortstudie van Kaiser Permanente Northern California (Oakland) heeft de assocatie onderzocht van lichaamssamenstelling met relatieve doseringsintensiteit (RDI, de verhouding tussen werkelijk ontvangen en geplande dosering) onder vrouwen die anthracycline- of taxaan-gebaseerde chemotherapie kregen voor niet-metastatisch mammacarcinoom (NMBC). Dr. Elizabeth Cespedes Feliciano en collega’s publiceren de studie online in JAMA Oncology.1

De studie includeerde 1395 vrouwen met een diagnose NMBC tussen begin 2005 en eind 2013. De gemiddelde leeftijd bij diagnose was 52,8 ± 10,2 jaar. De onderzoekers berekenden gehalten van intramusculair, visceraal, en subcutaan vet en skeletspierweefsel aan de hand van CT-scans gemaakt bij de diagnose. Het primaire eindpunt van de studie was lage RDI, gedefinieerd als RDI lager dan 0,85.

Het risico van lage RDI was significant geassocieerd met hogere viscerale adipositeit (per toename met 1 SD OR 1,19; 95%-bti 1,02-1,39) en hogere intramusculaire adipositeit (per 1 SD OR 1,16; 95%-bti 1,01-1,34). Hogere spiermassa was geassocieerd met verlaagd risico van hematologische toxische effecten (per 1 SD OR 0,84; 95%-bti 0,71-0,98). RDI lager dan 0,85 was geassocieerd met 30% hogere mammacarcinoom-specifieke mortaliteit (HR 1,30; 95%-bti 1,02-1,65). Lagere RDI verklaarde 20% (95%-bti 0,05-0,55) van de associatie van adipositas met mammacarcinoom-specifieke mortaliteit.

De onderzoekers concluderen dat hogere viscerale of intramusculaire adipositas geassocieerd waren met lagere RDI, en dat lagere RDI ten dele de associatie tussen adipositas en slechtere mammacarcinoom-specifieke overleving verklaarde.

1.Cespedes Feliciano E, Chen WY, Lee V et al. Body composition, adherence to anthracyline and taxane-based chemotherapy, and survival after nonmetastatic breast cancer. JAMA Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: An observational cohort study by Kaiser Permanente Northern California (Oakland) found that among patients receiving anthracycline or taxane-based chemotherapy for nonmetastatic breast cancer, excess adiposity, presenting as larger visceral or intramuscular adiposity, was associated with lower relative dose intensity. Lower RDI partially mediated the association of adiposity with worse breast cancer-specific survival.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multinationale fase 1-2a studie van dabrafenib voor BRAF V600-mutatiepositief pediatrisch laaggradig glioom (0)
2019-12-07 13:00   ( Nieuws )
Tags:  pediatric low-grade glioma dabrafenib
Prof. Darren HargravePediatrisch laaggradig glioom (pLGG) is de meest prevalente hersentumor in kinderen. Het is denkbaar dat patiënten met BRAF V600-mutatiepositief pLGG baat hebben bij behandeling met een BRAF-remmer. De BRAF-remmer dabrafenib wordt gebruikt voor sommige typen melanoom in volwassen patiënten. Een multinationale fase 1-2a studie heeft de werkzaamheid van dabrafenib voor pLGG geëvalueerd. Prof. Darren Hargrave (Great Ormond Street Hospital, Londen UK) en collega’s publiceren de studie online in Clinical Cancer Research.1

De studie werd uitgevoerd in achttien centra in acht landen. De studie includeerde patiënten in de leeftijd van één tot achttien jaar, met recidiverend, refractair, of progressief BRAF V600-mutatiepositief pLGG. Fase 1 van de studie, met vijftien patiënten, is eerder dit jaar gepubliceerd. De aanbevolen fase 2-dosering (RP2D) kwam uit op 5,25 mg/kg eenmaal daags voor kinderen jonger dan twaalf jaar, en 4,5 mg/kg eenmaal daags voor kinderen in de leeftijd van twaalf tot achttien jaar. Fase 2a includeerde nog zeventien patiënten die met de RP2D behandeld werden. Hargrave en collega’s publiceren nu objectieve respons en veiligheid voor beide fasen.

Na minimaal 26,2 maanden follow-up werden vijftien patiënten (47%) nog met dabrafrenib behandeld. De centraal-beoordeelde ORR voor alle 32 patiënten was 44% (95%-bti 26-62). Na één jaar was 85% van de patiënten progressievrij (95%-bti 64-94).Treatment-related adverse events werden gezien in 91% van de patiënten (vermoeidheid in 34%). Graad 3 of 4 TRAEs werden gezien in 28%.

De onderzoekers concluderen dat dabrafenib voor BRAF V600-mutatiepositief pLGG klinisch relevante activiteit en acceptabele tolerabiliteit had.

1.Hargrave DR, Bouffet E, Tabori U et al. Efficacy and safety of dabrafenib in pediatric patients with BRAF V600 mutation-positive relapsed or refractory low-grade glioma: results from a phase I/Iia study. Clin Cancer Res 2019; epub ahead of print

Summary: A multinational phase 1-2a study found meaningful clinical activity and acceptable tolerability of dabrafenib for BRAF V600-mutant pediatric low-grade glioma.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Immuuncheckpointremmers in patiënten met reeds bestaande inflammatoire darmziekte (0)
2019-12-06 16:00   ( Nieuws )
Tags:  ICI therapy in IBD patients GI adverse events
Dr. Yinghong WangImmuuncheckpointremmer (ICI)-therapie heeft geresulteerd in aanzienlijke successen in de behandeling van maligniteiten, maar verstoring van de regulering van het immuunsysteem kan resulteren in ernstige bijwerkingen. Een multinationale retrospectieve studie heeft het risico van ICI-therapie gerelateerde gastroïntestinale (GI)-bijwerkingen onderzocht in patiënten met reeds bestaande inflammatoire darmziekte (IBD). Dr. Yinghong Wang (MD Anderson Cancer Center, Houston TX) en collega’s publiceren de studie online in het Journal of Clinical Oncology.1

De studie werd uitgevoerd in veertien centra in vier landen. Tussen begin 2010 en eind 2015 kregen in de centra ongeveer 12.000 patiënten ICI-therapie voor maligniteiten, onder wie 102 met vooraf-bestaande IBD. Van deze 102 patiënten kregen 17 CTLA-4 gerichte therapie en 85 PD-1 of PD-L1 gerichte therapie. De helft van de patiënten had de ziekte van Crohn, en de andere helft ulceratieve colitis. De mediane tijd tussen de laatste actieve IBD-episode en het begin van de immuuntherapie was 5 jaar (IQR 3-12). Drieënveertig patiënten werden niet behandeld voor IBD.

GI-bijwerkingen werden gezien in 41% van de IBD-patiënten, vergeleken met 11% van de niet-IBD controlepatiënten in de deelnemende centra (p<0,001). De GI-bijwerkingen in de IBD-patiënten werden gezien mediaan 62 dagen (IQR 33-123) dagen na start van de ICI-therapie. Tot deze bijwerkingen behoorden graad 3 of 4 diarree in 21% van de patiënten. In vier patiënten trad colonperforatie op, waarvoor twee patiënten chirurgie moesten ondergaan. De figuur toont de prevalentie van GI-irAEs in subgroepen. Anti-CTLA-4 therapie was geassocieerd met hoger risico van GI-bijwerkingen dan anti-PD/(L)1 therapie in univariate analyse (OR 3,19; p=0,037) maar niet in multivariate analyse (p=0,058).

De onderzoekers concluderen dat vooraf-bestaande IBD geassocieerd was met verhoging van het risico van ernstige GI-bijwerkingen in patiënten die ICI-therapie ondergingen.

1.Abu-Sbeih H, Faleck DM, Ricciuiti B et al. Immune checkpoint inhibitor therapy in patients with preexisting inflammatory bowel disease. J Clin Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A multinational retrospective study found that preexisting inflammatory bowel disease was associated with increased risk of severe GI adverse events in patients treated with immune checkpoint inhibitors.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multinationale fase 3-studie van tivozanib versus sorafenib voor eerder-behandeld gevorderd niercelcarcinoom (0)
2019-12-06 14:29   ( Nieuws )
Tags:  TIVO-3 study advanced renal cell carcinoma tivozanib
Prof. Brian RiniMet remmers van de VEGF-receptor zijn goede resultaten gezien in de behandeling voor niercelcarcinoom. In eerdere studies is gezien dat behandeling met een VEGFR-TKI werkzaam kan zijn in patiënten die eerder checkpointremmer-therapie hadden gekregen. De multinationale fase 3-studie TIVO-3 heeft werkzaamheid en veiligheid van de VEGFR-remmer tivozanib vergeleken met die van sorafenib als derde- of vierdelijns behandeling voor metastatisch niercelcarcinoom (mRCC). Prof. Brian Rini (Taussig Cancer Institute, Cleveland OH) en collega’s publiceren de studie online in The Lancet Oncology.1

TIVO-3 werd uitgevoerd in 120 centra in twaalf landen. De studie includeerde volwassen patiënten met mRCC waarvoor ze tenminste twee eerdere lijnen behandeling hadden gekregen, waaronder een VEGFR-remmer, maar niet tivozanib of sorafenib, en een ECOG performance status 0 of 1. De patiënten werden gerandomiseerd naar oraal tivozanib 1,5 mg eenmaal daags (n=175) of oraal sorafenib 400 mg tweemaal daags (n=175). Het primaire eindpunt was centraal-beoordeelde progressievrije overleving.

De mediane follow-up was 19,0 maanden (IQR 15,0-23,4). De mediane PFS was 5,6 maanden met tivozanib versus 3,9 maanden met sorafenib (HR 0,73; p=0,016). De meest-gerapporteerde graad 3 of 4 adverse event was hypertensie (20% van de patiënten in de tivozanib-arm versus 14% van de patiënten in de sorafenib-arm). Ernstige TRAEs werden gerapporteerd voo 11% versus 10%. Geen van de patiënten overleed aan de behandeling.

De onderzoekers concluderen dat tivozanib vergeleken met sorafenib als derde- of vierdelijns behandeling voor mRCC resulteerde in langere PFS.

1.Rini BI, Pal SK, Escudier BJ et al. Tivozanib versus sorafenib in patients with advanced renal cell carcinoma (TIVO-3): a phase 3, multicentre, randomised, controlled, open-label study. Lancet Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: The multinational phase 3 study TIVO-3 compared tivozanib with sorafenib as third-line or fourth-line therapy for metastatic renal cell carcinoma. The study found longer PFS with tivozanib (5.6 versus 3.9 months; HR 0.73; p=0.016).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

CYP2D6-genotype voorspelt tamoxifen-discontinuering en prognose van mammacarcinoompatiënten (0)
2019-12-06 13:32   ( Nieuws )
Tags:  breast cancer patients CYP2D6 genotype
Dr. Wei HeAdjuvant tamoxifen is geassocieerd met 31% verlaging van de mortaliteit van mammacarcinoom. De werkzaamheid van tamoxifen varieert echter sterk tussen individuele patiënten, onder meer afhankelijk van de activiteit van het activerende cytochroom P450 2D6 (CYP2D6) in de lever. Een studie van het Karolinska Instituut (Stockholm) heeft de associatie onderzocht van CYP2D6-genotype met discontinuering van de tamoxifenbehandeling en prognose van patiënten met mammacarcinoom. Dr. Wei He en collega’s publiceren de studie online in het Journal of Clinical Oncology.1

De retrospectieve studie is gebaseerd op gegevens in een borstkankerregister, een geneesmiddelen-voorschriftenregister, door patiënten beantwoorde vragenlijsten, en CYPD26-genotypering van 1309 patiënten die tamoxifen kregen voor mammacarcinoom dat was gediagnostiseerd tussen begin 2005 en eind 2012. Op basis van de genotypering werden de patiënten gecategoriseerd als slecht-, intermediair-, normaal-, of ultrasnel-CYP2D6 metabolizers. De zes-maands discontinuering van tamoxifen in deze vier groepen was 7,1%; 7,6%; 6,7%; en 18,8%. Discontinuering van tamoxifen was
geassocieerd met verhoogde mammacarcinoom-specifieke mortaliteit. De relatie tussen CYP2D6 metabolizer status was U-vormig, met gecorrigeerd HR 2,59 (95%-bti 1,01-6,67) voor slecht; HR 1,48 (95%-bti 0,72-3,05) voor intermediair; HR 1 (referentie) voor normaal; en HR 4,52 (95%-bti 1,42-14,37) voor ultrasnel metabolizers.

De onderzoekers concluderen dat onder mammacarcinoompatiënten die standaard-dosering tamoxifen kregen zowel de slecht- als de ultrasnel-CYP2D6 metabolizers een slechtere prognose hadden dan de normaal-CYP2D6 metabolizers.

1.He W, Grassmann F, Eriksson M et al. CYP2D6 genotype predicts tamoxifen discontinuation and prognosis in patients with breast cancer. J Clin Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A study in Sweden found that both poor and ultrarapid CYP2D6 metabolizers of tamoxifen have a worse prognosis of standard dose tamoxifen treated breast cancer compared with normal metabolizers. This U-shaped association might call for individualized tamoxifen dosage. Discontinuation of therapy was associated with increased breast cancer mortality.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie van perioperatieve cfDNA-dynamiek met vroeg recidief van coloncarcinoom (0)
2019-12-05 16:00   ( Nieuws )
Tags:  colon cancer perioperative cell-free DNA dynamics early recurrence
Dr. Christina FlemingCelvrij DNA (cfDNA) bestaat uit circulerend tumor-DNA dat in de circulatie vrijkomt na necrose of apoptose van tumorcellen, of na manipulatie van de tumor tijdens chirurgie. Een studie van University College Cork (Ierland) heeft onderzocht of de dynamiek van cfDNA in de perioperatieve periode, van voor de chirurgie tot postoperatieve dag vijf, geassocieerd is met vroeg recidief in patiënten met coloncarcinoom. Dr. Christina Fleming en collega’s publiceren de studie online in JAMA Surgery.1



De studie includeerde twintig patiënten die chirurgie ondergingen voor coloncarcinoom. In alle patiënten werd R0-resectie uitgevoerd met adequate nodale oogst. Serummonsters werden genomen op zeven tijdstippen: voorafgaand aan chirurgie, en 3, 6, 24, en 48 uur na de operatie, en postoperatieve dag 3 en postoperatieve dag 5. In de monsters werd cfDNA bepaald. De mediane follow-up was 22 maanden (IQR 14-36). In drie patiënten werd vroeg recidief gezien, na mediaan 19 maanden (IQR 8-23). Er waren geen significante klinisch-pathologische verschillen tussen de patiënten met vroeg recidief en de patiënten zonder vroeg recidief.

De cfDNA-gehalten waren het hoogst voorafgaand aan de chirurgie (gemiddeld 320 ng/dl). Direct na verwijdering van de primaire tumor namen de gehalten snel af: na 3 uur 42 ng/dl, na 6 uur 42 ng/dl, en na 24 uur 30 ng/dl. Vervolgens begonnen de gehalten weer toe te nemen, maar ze bleven onder de preoperatieve waarde (na 48 uur 64 ng/dl, na 3 dagen 109 ng/dl, en na 5 dagen 180 ng/dl. Vanaf 48 uur na de operatie ontstonden significante verschillen in cfDNA-niveaus tussen patiënten die vroeg recidief zouden ontwikkelen en patiënten zonder vroeg recidief: na 48 uur 203 versus 39 ng/ml (p=0,01), na 3 dagen 403 versus 58 ng/ml (p=0,01), en na 5 dagen 847 versus 63 ng/ml (p=0,001).

De onderzoekers concluderen dat de studie suggereert dat vanaf 48 uur na de operatie voor coloncarcinoom de dynamiek van cfDNA een belangrijke biomarker kan zijn voor het identificeren van patiënten met risico van vroeg recidief.

1.Fleming CA, O’Leary DP, Wang J, Redmond HP. Association of observed perioperative cell-free DNA dynamics with early recurrence in patients with colon cancer. JAMA Surg 2019; epub ahead of print

Summary: A study at University College Cork (Ireland) found a significant difference in the perioperative dynamics of cell-free DNA from 48 hours postoperatively between patients with early recurrence of colon cancer and patients with no early recurrence. cfDNA may serve as an important biomarker to identify those at risk for early recurrence.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Decitabine met of zonder valproaat en retinoïnezuur voor AML in niet-fitte oudere patiënten (0)
2019-12-05 14:29   ( Nieuws )
Tags:  AML in elderly nonfit patients valproate and retinoic acid in combination with decitabine
Prof. Hartmut DöhnerEr wordt veel onderzoek gedaan naar werkzaamheid van combinaties van middelen voor myeloïde neoplasie. De Duitse multicenter fase 2-studie DECIDER onderzocht in een 2 x 2 factoriële opzet de combinatie van decitabine met de histondeacytelaseremmer valproaat of all-trans retinoïnezuur (ATRA) voor niet-eerder behandeld AML in oudere patiënten die niet in aanmerking kwamen voor inductiechemotherapie. Prof. Hartmut Döhner (Universitätsklinikum Ulm) en collega’s publiceren de studie online in het Journal of Clinical Oncology.1

De studie includeerde tweehonderd patiënten, met mediane leeftijd 76 jaar (range 1-92). Ze kregen vier-weekse cycli van intraveneus decitabine 20 mg/m2 op dagen één tot en met vijf (n=47), decitabine plus valproaat (n=57), decitabine plus ATRA (n=46), of decitabine plus valproaat en ATRA (n=50). Het primaire eindpunt was objectieve respons. In de groepen zonder ATRA werd remissie bereikt in 13,5% van de patiënten, versus 21,9% in de groepen met ATRA (OR 1,80; p=0,06). In de groepen zonder valproaat werd remissie gezien in 17,2% van de patiënten, versus 17,8 in de groepen met valproaat (p=0,44). De mediane overall survival was 8,2 maanden met ATRA versus 5,1 maanden zonder ATRA (HR 0,65; p=0,006). Deze verlenging van de OS werd gezien in de verschillende risicogroepen, inclusief patiënten met ongunstige cytogenetica. De mediane OS verschilde niet tussen de groepen met en zonder valproaat. De toxiciteiten waren vooral hematologisch, zondere relevante verschillen tussen de vier armen.

De onderzoekers concluderen dat toevoeging van ATRA aan decitabine voor AML in oudere niet-fitte patiënten resulteerde in een hoger percentage patiënten met remissie en klinisch relevante verlenging van de overleving zonder extra toxiciteit.

1.Lübbert M, Grishina O, Schmoor C et al. Valproate and retinoic acid in combination with decitabine in elderly nonfit patients with acute myeloid leukemia: results of a multicenter, randomized, 2 x 2, phase II trial. J Clin Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: The German multicenter phase 2 study DECIDER found that addition af ATRA to decitabine for AML in elderly nonfit patients resulted a higher remission rate and a clinically meaningful extension of survival.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multinationale fase 2-studie van tremelimumab na platina-gebaseerde chemotherapie voor metastatisch urotheelcarcinoom (0)
2019-12-05 13:00   ( Nieuws )
Tags:  metastatic urothelial carcinoma tremelimumab after platinum
Prof. Padmanee SharmaPatiënten met gevorderd urotheelcarcinoom hebben na falen van platina-gebaseerde chemotherapie een slechte prognose. Tremelimumab is een IgG2 monoklonaal antilichaam gericht op CTLA-4. In eerdere studies is activiteit gezien van tremelimumab voor metastatisch melanoom. Een multinationale fase 2-studie onderzoekt de werkzaamheid en tolerabiliteit van tremelimumab voor andere typen solide maligniteiten. Prof. Padmanee Sharma (MD Anderson Cancer Center, Houston TX) en collega’s publiceren resultaten van het urotheelcarcinoom-cohort van de studie online in Clinical Cancer Research.1

Het cohort, in vijf landen waaronder Nederland, includeerde 32 patiënten die allen metastatisch urotheelcarcinoom hadden. Onder deze patiënten waren er 29 die eerder cytotoxische chemotherapie hadden gekregen. De patiënten kregen zeven cycli intraveneus tremelimumab 750 mg iedere vier weken, gevolgd door nog twee cycli iedere twaalf weken, of tot ziekteprogressie of niet-acceptabele toxiciteit optrad. De behandeling resulteerde in objectieve respons in 18,8% (95%-bti 7,2-36,4) van de patiënten, waaronder complete respons in twee en partiële respons in vier patiënten. De mediane duur van respons was na mediaan 9,3 maanden follow-up niet bereikt. Eén patiënten had stabiele ziekte langer dan twaalf maanden, waarmee de twaalf-maands disease control rate uitkwam op 21,9%. De mediane progressievrije overleving onder de 32 patiënten was 2,6 maanden, en de mediane overall survival was 10,3 maanden. Tremelimumab werd over het algemeen goed verdragen; de waargenomen veiligheid was consistent met het bekende veiligheidsprofiel van tremelimumab.

De onderzoekers concluderen dat tremelimumab monotherapie klinische activiteit had voor metastatisch urotheelcarcinoom. Dit is de eerste studie waarin complete respons van metastatisch urotheel carcinoom op een monotherapie is gezien.

1.Sharma P, Sohn J, Shin SJ et al. Efficacy and tolerability of tremelimumab in locally advanced or metastatic urothelial carcinoma patients who have failed first-line platinum-based chemotherapy. Clin Cancer Res 2019; epub ahead of print

Summary: A multinational phase 2 study investigated efficacy and tolerability of the anti-CTLA-4 monoclonal antibody tremelimumab as monotherapy for metastatic urothelial carcinoma after failure of first-line platinum based chemotherapy. The treatment resulted in durable responses (ORR 18.8%; median DOR not reached after median 9.3 months follow-up; 83.3% remained in response at 12 months). The median PFS was 2.6 months and the median OS was 10.3 months. Tremelimumab was generally well tolerated.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)