Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Fase 2-studie van eerstelijns pembrolizumab monotherapie voor gevorderd niet-heldercellig niercelcarcinoom (0)
2019-02-16 13:04   ( Nieuws )
Tags:  KEYNOTE-427 study cohort B pembrolizumab advanced non-clear cell RCC
Prof. David McDermottRemmers van de PD-1/L1 route zijn werkzaam voor heldercellig niercelcarcinoom (ccRCC), maar de werkzaamheid van deze middelen voor niet-heldercellig (ncc)RCC is onbekend. De multinationale fase 2-studie KEYNOTE-427 onderzocht werzaamheid van eerstelijns pembrolizumab voor gevorderd RCC in twee cohorten: patiënten met ccRCC (cohort A) en patiënten met nccRCC (cohort B). Prof. David McDermott (Beth Israel Deaconess Medical Center, Boston MA) presenteert resultaten van cohort B vandaag op het 2019 Genitourinary Cancers Symposium van ASCO in San Francisco.1

Het cohort includeerde 165 patiënten met gevorderd histologisch bevestigd nccRCC, geen eerdere systemische therapie, en een Karnofsky performance score tenminste 70%. De centraal-beoordeelde histologie was papillair (72% van de patiënten), chromofoob (13%), en niet-geklasseerd (16%). De IMDC-risicostatus was intermediair of slecht voor 68%, en 62% had een combined positive score voor PD-L1 expressie 1 of hoger. De patiënten kregen intraveneus pembrolizumab 200 mg iedere drie weken gedurende 35 cycli of tot progressie of niet-acceptabele toxiciteit optrad.

Het primaire eindpunt was centraal-beoordeelde ORR. Op het moment van data cutoff voor de nu gepresenteerde analyse waren 49 patiënten overleden, en hadden 3 zich teruggetrokken. Bij mediaan 11,1 maanden follow-up (range 0,9-21,3) was progressie gezien in 56% van de patiënten. De ORR was 24,8% waaronder 8 complete responsen en 33 partiële responsen. De mediane duur van respons was niet bereikt. De ORR was 25,4% in de groep patiënten met papillaire histologie; 9,5% in de groep patiënten met chromofobe histologie; en 34,6% in de groep patiënten met niet-geklasseerde histologie. De ORR was 28,3% in de groep patiënten met gunstig-risico ziekte en 23,2% in de groep patiënten met intermediair/slecht-risico ziekte. De ORR was 33,3% in de groep patiënten met CPS 1 of hoger en 10,3% in de groep patiënten met CPS lager dan 1. Graad 3 tot en met 5 treatment-related adverse events werden gezien in 11% van de patiënten, en resulteerden in discontinuering in 6%. Zes patiënten overleden, onder wie twee aan TRAEs.

De onderzoekers concluderen dat pembrolizumab monotherapie bemoedigende antitumor-activiteit had voor gevorderd nccRCC, vooral met papillaire en niet-geklasseerde histologie. De veiligheid van pembrolizumab was in grote lijnen als verwacht.

1.McDermott DF et al. 2019 Genitourinary Cancers Symposium; abstr. 546

Summary: The international phase 2 study KEYNOTE-427 (cohort B) found encouraging antitumor activity of first-line single-agent pembrolizumab for advanced non-clear cell renal cell carcinoma, especially with papillary or unclassified histology. The safety profile of pembrolizumab was generally as expected.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Netwerk meta-analyse van therapeutische opties voor neuro-endocriene tumoren (0)
2019-02-15 15:56   ( Nieuws )
Tags:  NETs therapeutic options
Prof. Martin WalterBehandeling van neuro-endocriene tumoren (NETs) is een interdisciplinair en dynamisch onderwerp met veel recente innovaties. De beschikbare therapieën voor NETs zijn niet head-to-head vergeleken in gerandomiseerde klinische studies. Om toch een oordeel te kunnen vormen over de relatieve werkzaamheid van veiligheid van de verschillende opties hebben prof. Martin Walter (Universiteit van Genève) en collega’s een systematisch overzicht van de literatuur en netwerk meta-analyse (NMA) uitgevoerd. Ze publiceren hun bevindingen online in JAMA Oncology.1

Het systematisch overzicht van de literatuur tot 2 maart 2018 identificeerde 30 RCTs die tenminste twee behandelingen voor NETs vergeleken (tezamen 22 verschillende behandelingen en 3895 patiënten). Zestien van deze studies met een relatief laag risico van bias voldeden aan de inclusiecriteria van de NMA. De NMA vond zeven behandelingen voor pancreas-NETs: everolimus (versus placebo PFS-HR 0,35), everolimus plus somatostatine-analoog (SSA, PFS-HR 0,35), everolimus plus bevacizumab plus SSA (PFS-HR 0,44), interferon (PFS-HR 0,37), interferon plus SSA (PFS-HR 0,31), sunitinib (PFS-HR 0,42), en SSA (PFS-HR 0,46). Voor gastro-intestinale NETs werden vijf behandelingen geïdentificeerd: bevacizumab plus SSA (PFS-HR 0,22), everolimus plus SSA (PFS-HR 0,31), interferon plus SSA (PFS-HR 0,27), 177Lu-dotatate plus SSA (PFS-HR 0,08), en SSA (PFS-HR 0,40). De veiligheidsprofielen van de behandelingen liepen uiteen.

De onderzoekers concluderen dat er een range van werkzame behandelingen is voor NETs, met combinatiebehandelingen als de meest-werkzame.

1.Kaderli RM, Spanjol M, Kollár A et al. Therapeutic options for neuroendocrine tumors. A systematic review and network meta-analysis. JAMA Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A systematic review and network meta-analysis identified a range of efficient therapies with different safety profiles for neuroendocrine tumors.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Hypogefractioneerde versus conventioneel gefractioneerde RT voor laag-risico prostaatcarcinoom: impact op kwaliteit van leven (0)
2019-02-15 14:56   ( Nieuws )
Tags:  low-risk prostate cancer QOL HRT versus CRT
prof. Deborah BrunerDe gerandomiseerde fase 3-studie RTOG 0415 randomiseerde patiënten met laag-risico prostaatcarcinoom (Gleason score 2 tot en met 6; PSA lager dan 10 ng/ml) in Canada, de Verenigde Staten, en Zwitserland 1:1 naar conventioneel-gefractioneerde radiotherapie (CRT; 73,8 Gy in 41 fracties over 8,2 weken) of hypogefractioneerde radiotherapie (HRT; 70 Gy in 28 fracties over 5,6 weken). De mediane follow-up was 5,8 jaar. In 2017 is gepubliceerd dat de vijf-jaars ziektevrije overleving (primair eindpunt van de studie) 85,3% was in de CRT-arm en 86,3% in de HRT-arm, waarmee voldaan werd aan het per-protocol non-inferioriteitscriterium. Prof. Deborah Bruner (Emory University, Atlanta GA) en collega’s publiceren nu online in JAMA Oncology kwaliteit-van-leven resultaten van de studie.1

Er waren 962 patiënten die consent gaven voor de QOL-analyses: 478 in de CRT-arm en 484 in de HRT-arm. De gemiddelde leeftijd van deze patiënten was 66,6 jaar (SD 7,4). De patiënten beantwoordden vragenlijsten over prostaatcarcinoom-specifiek en algemene QOL bij inclusie in de studie en na 6, 12, 24, en 60 maanden. Bij inclusie waren er geen significante verschillen tussen beide armen in scores voor de verschillende QOL-domeinen. Er waren evenmin significante verschillen tussen beide armen in veranderingen in deze scores in de loop van de behandeling, met uitzondering van een slechtere verandering van score voor het bowel domain in de de HRT-arm na twaalf maanden (- 7,5 versus – 3,7 voor CRT; p<0,001) maar dit verschil was niet groot genoeg om klinisch relevant te zijn.

De onderzoekers concluderen dat de studie suggereert dat HRT in termen van kwaliteit van leven niet-inferieur is aan CRT voor laag-risico prostaatcarcinoom.

1.Bruner DW, Pugh SL, Lee WR et al. Quality of life in patients with low-risk prostate cancer treated with hypofractionated vs conventional radiotherapy. A phase 3 randomized clinical trial. JAMA Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: The phase 3 study RTOG 0415 showed that hypofractionated RT for low-risk prostate cancer is noninferior to conventionally fractionated RT in terms of disease-free survival. The quality of life results of the study have now been published. HRT was noninferior to CRT for prostate cancer-specific and general QOL, and for anxiety and depression.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 1/2-studie van sacituzumab govitecan voor eerder-behandeld metastatisch urotheelcarcinoom (0)
2019-02-15 14:01   ( Nieuws )
Tags:  mUC sacituzumab govitecan
Dr. Scott TagawaPatiënten met metastatisch urotheelcarcinoom (mUC) dat progressie vertoont na platina-gebaseerde chemotherapie en immuuncheckpoint-remmer therapie hebben slechte uitkomsten en weinig behandelingsopties. Sacituzumab govitecan (SG) is een nieuw antibody-drug conjugate, dat bestaat uit een monoklonaal antilichaam dat is gericht op Trop 2 (een oppervlakte-antigeen dat tot overexpressie komt in UC), geconjugeerd aan het actieve metaboliet van irinotecan. Een multicenter fase 1/2-studie onderzocht de waarde van SG voor eerder-behandeld mUC. Dr. Scott Tagawa (Weill Cornell Medical College, New York) presenteert de studie vandaag op het 2019 Genitourinary Cancers Symposium van ASCO in San Francisco.1

De studie includeerde 45 patiënten (41 mannen, 4 vrouwen) met een mediane leeftijd 67 jaar (range 49-90), een ECOG performance status 0 of 1, en mediaan 2 (range 1-6) eerdere lijnen behandeling waaronder platina-gebaseerde chemotherapie (95% van de patiënten) en immuuncheckpointremmers (38%). De patiënten hadden metastasen in lever (n=15), longen (n=27), en andere organen (n=5). Ze kregen intraveneus SG 10 mg/kg op dag één en acht van drieweekse cycli, tot progressie of niet-acceptabele toxiciteit optrad.

Het primaire eindpunt van de studie was percentage patiënten met objectieve respons. De ORR was 31% (14/45) met twee complete responsen en twaalf partiële responsen. In patiënten met viscerale metastasen was de ORR 27% (9/33), en in patiënten die eerder immuuncheckpointremmers kregen was de ORR 23% (4/17). De mediane duur van respons was 12,6 maanden. De CBR (CR, PR, of SD langer dan zes maanden) was 47% (21/45). De mediane progressievrije overleving was 7,3 maanden, en de mediane overall survival was 18,9 maanden. Graad 3 of hoger adverse events in 5% of meer van de patiënten waren neutropenie (38% van de patiënten), anemie (11%), hypofosfatemie (11%), diarree (9%), vermoeidheid (9%), en febriele neutropenie (7%).

De onderzoekers concluderen dat SG actief was voor eerder-behandeld mUC, inclusief patiënten met viscerale metastasen en patiënten die eerder immuuncheckpointremmers kregen.

1.Tagawa ST et al. 2019 Genitourinary Cancers Symposium, abstr. 354

Summary: A multicenter phase 1/2-study found that the antibody-drug conjugate sacituzumab govitecan was active for previously treated metastatic urothelial cancer (ORR 31%) including in patients with visceral disease (ORR 27%) and patients previously treated with immune checkpoint inhibitors (ORR 23%).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Impact van sarcopenie op ongunstige uitkomsten na allogene hematopoïetische-celtransplantatie (0)
2019-02-15 12:47   ( Nieuws )
Tags:  allogeneic hematopietic cell transplantation sarcopenic patients
Prof. Saro ArmenianBehandelingen met hoge intensiteit, zoals hematopoïetische-celtransplantatie (HCT), kunnen effectief zijn voor hematologische maligniteiten, maar dit profijt dient te worden afgewogen tegen het hoge risico van nonrelapse mortaliteit (NRM) tijdens de eerste twee jaar na de behandeling. Sarcopenie is geassocieerd met fysieke disabiliteit en premature mortaliteit in patiënten met niet-maligne ziekten. Het is denkbaar dat sarcopenie ook een voorspeller is van NRM en slechte overall survival in patiënten die HCT ondergaan. Prof. Saro Armenian (City of Hope, Duarte CA) en collega’s hebben deze hypothese onderzocht. Ze publiceren hun studie online in het Journal of the National Cancer Institute.1


De retrospectieve cohortstudie includeerde 859 volwassen patiënten die tussen begin 2007 en eind 2014 een eerste alloHCT ondergingen voor acute leukemie of MDS. De mediane leeftijd op het moment van HCT was 51 jaar (range 18-74), en 52,5% van de patiënten had een hoge HCT-comorbiditeitenindex (3 of hoger). Voor aanvang van de behandeling werden abdominale CT-scans gemaakt om aanwezigheid van sarcopenie te kunnen beoordelen. Sarcopenie werd gezien in 33,7% van de patiënten. Sarcopenie versus geen sarcopenie was geassocieerd met een bijna 60% hoger risico van twee-jaars NRM (HR 1,58; 95%-bti 1,16-2,16). In de groep patiënten met sarcopenie en het HCT-comorbiditeitenindex 3 of hoger bedroeg de twee-jaars NRM bijna 30%. De twee-jaars OS was 55,2% in patiënten met sarcopenie versus 66,9% in patiënten zonder sarcopenie (p<0,001).

De onderzoekers concluderen dat sarcopenie een belangrijke en onafhankelijke voorspeller is van overleving na HCT.

1.Armenian SH, Xiao M, Berano Teh J et al. Impact of sarcopenia on adverse outcomes after allogeneic hematopoietic cell transplantation. J Natl Cancer Inst 2019; epub ahead of print

Summary: A retrospective cohort study at City of Hope (Duarte, CA) found that sarcopenia is an important and independent predictor of survival after allogeneic hematopoietic cell transplantation for acute leukemia or MDS.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Uitkomsten van DCIS van de borst bij achterwege laten van locoregionale behandeling (0)
2019-02-14 16:00   ( Nieuws )
Tags:  DCIS outcomes without locoregional treatment
Dr. Marc RyserVerreweg de meeste vrouwen met ductal carcinoma in situ van de borst worden daarvoor behandeld. Er is geen betrouwbare informatie over het risico van invasieve progressie bij achterwege laten van locoregionale behandeling voor DCIS. Dr. Marc Ryser (Duke University, Durham NC) en collega’s op basis van SEER-data een analyse van dit onderwerp uitgevoerd . Ze publiceren de analyse online in het Journal of the National Cancer Institute.1

In de SEER-database identificeerden de onderzoekers 1286 patiënten die geen definitieve chirurgie of radiotherapie ondergingen na een diagnose DCIS tussen begin 1992 en eind 2014. De mediane leeftijd bij diagnose was 60 jaar (IQR 51-74), en de mediane follow-up was 5,5 jaar (IQR 2,3-10,6). De tien-jaars cumulatieve incidentie van ipsilateraal invasief mammacarcinoom was 10,5% (95%-bti 8,5-12,4), de tien-jaars cumulatieve incidentie van contralateraal mammacarcinoom was 3,9% (2,6-5,2), en de tien-jaars all-cause mortaliteit was 24,1% (21,2-26,9). De tien-jaars cumulatieve incidentie van ipsilateraal invasief mammacarcinoom was 12,2% onder patiënten met graad I/II tumoren (n=547), 17,6% onder patiënten met graad III tumoren (n=244), en 10,1% onder patiënten met tumoren van onbekende graad (n=495).

De onderzoekers concluderen dat de analyse suggereert dat het risico van invasieve progressie bij niet-behandelen voor DCIS beperkt is. Dit zou kunnen wijzen op het bestaan van overbehandeling, vooral onder oudere patiënten en patiënten met ernstige comorbiditeiten.

1.Ryser MD, Weaver DL, Zhao F et al. Cancer outcomes in DCIS patients without locoregional treatment. J Natl Cancer Inst 2019; epub ahead of print

Summary: An analysis of the SEER database found that DCIS patients without locoregional treatment had a limited risk of invasive progression (10.5% in 10 years). This suggests that there might be overtreatment, especially among older patients and patients with comorbidities.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multinationale fase 3-studie van darolutamide voor niet-metastatisch castratieresistent prostaatcarcinoom (0)
2019-02-14 14:54   ( Nieuws )
Tags:  ARAMIS study darolutamide nmCRPC
Prof. Karim FizaziEen belangrijk doel van behandeling van niet-metastatisch castratieresistent prostaatcarcinoom (nmCRPC) is het uitstellen van de ontwikkeling van metastasen bij een zo laag mogelijk risico van adverse events. Darolutamide is een antagonist van de androgeenreceptor. De multinationale fase 3-studie ARAMIS onderzocht de werkzaamheid en veiligheid van darolutamide voor nmCRPC. Prof. Karim Fizazi (Institut Gustave Roussy, Villejuif) presenteert de studie vandaag op het 2019 Genitourinary Cancers Symposium van ASCO in San Francisco.1

De studie randomiseerde nmCRPC-patiënten 2:1 naar oraal darolutamide 600 mg tweemaal daags (n=955) of placebo (n=554), met androgeendeprivatietherapie in beide armen. De randomisatie geschiedde gestratificeerd naar PSA-verdubbelingstijd (≤ 6 maanden versus > 6 maanden) en gebruik van osteoclast-gerichte therapie. De patiënten ondergingen iedere zestien weken radiografische imaging. Het primaire eindpunt was metastasevrije overleving (MFS). De mediane MFS was 40,4 maanden met darolutamide versus 18,4 maanden met placebo (HR 0,41; p<0,0001). Ook overall survival (HR 0,71; p=0,045) en tijd-tot-pijnprogressie (HR 0,65; p<0,0001) waren beter met darolutamide dan met placebo. De incidentie van TRAEs verschilde niet significant tussen de armen; alleen vermoeidheid werd in meer dan 10% van de patiënten gezien. Discontinuering wegens AEs kwam voor in 8,9% van de patiënten in de darolutamidegroep versus 8,7% van de patiënten in de placebogroep.


De onderzoekers concluderen dat onder mannen met nmCRPC de MFS significant langer was met darolutamide dan met placebo, met een lage incidentie van TRAEs in deze asymptomatische patiëntengroep.

1.Fizazi K et al. 2019 Genitourinary Cancers Symposium; abstr. 140

Summary: The international phase 3 study ARAMIS randomized men with nonmetastatic castration-resistant prostate cancer to the AR-antagonist darolutamide or placebo, while continuing androgen deprivation therapy. The metastasis-free survival was 40.4 months with darolutamide versus 18.4 months with placebo (HR 0.41; p<0.0001). The incidence of treatment-related adverse events was low.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 2-studie van lutetium-177 PSMA-617 voor metastatisch castratieresistent prostaatcarcinoom (0)
2019-02-14 13:53   ( Nieuws )
Tags:  mCRPC LuPSMA
Prof. Michael HofmanVandaag begint in San Francisco het 2019 Genitourinary Cancer Symposium van ASCO. Prof. Michael Hofman (Peter MacCallum Cancer Centre, Melbourne) zal daar later vandaag resultaten presenteren van een fase 2-studie van lutetium-177 PSMA voor metastatisch castratieresistent prostaatcarcinoom.1 LuPSMA is een radiogelabeld molecuul dat zich met hoge affiniteit bindt aan prostaatspecifiek membraanantigen (PSMA) en zo gerichte aflevering van betastraling kan teweegbrengen.

De studie includeerde vijftig patiënten met PSMA-avide mCRPC met progressie na standaardbehandelingen. De mediane PSA-verdubbelingstijd was 2,6 maanden. De meerderheid van de patiënten waren eerder behandeld met docetaxel (84% van de patiënten), cabazitaxel (48%) en abirateron en/of enzalutamide (90%). Ze kregen maximaal vier doses van LuPSMA iedere zes weken. De gemiddelde toegediende dosering radioactiviteit was 7,5 GBq per cyclus. De primaire eindpunten van de studie waren PSA-respons en toxiciteit.


PSA-afname van 50% of meer werd gezien in 32 patiënten (64%; 95%-bti 50-77) en PSA-afname van 80% of meer in 22 patiënten (44%;30-59). Onder de 27 patiënten die voor weefselrespons konden worden beoordeeld had 56% complete of partiële respons. De meest-frequente toxiciteiten waren transiënte graad 1 of 2 droge mond (68% van de patienten), graad 1 of 2 misselijkheid (48%), en graad 1 of 2 vermoeidheid (36%). Graad 3 of 4 toxiciteiten waren infrequent (trombocytopenie in 10% en anemie in 10%). De mediane PSA-PFS was 6,9 maanden (95%-bti 6,0-8,7) en de mediane OS was 13,3 maanden (10,5-18,0). Na subsequente progressie kregen veertien patiënten opnieuw LuPSMA (mediaan 2 cycli vanaf 359 dagen na inclusie), resulterend in PSA ≥ 50% respons in negen patiënten (64%).

De onderzoekers concluderen dat de studie suggereert dat LuPSMA-behandeling voor PSMA-avide mCRPC met progressie na standaard-behandelingen resulteert in hoge respons en lage toxiciteit.

1.Hofman M et al. 2019 Genitourinary Cancer Symposium; abstr. 228

Summary: A phase 2 study in Australia found that in patients with PSMA-avid mCRPC treatment with 177LuPSMA resulted in response in a high percentage of patients, with low toxicity.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)