Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Effect van leefstijlinterventie op ziektevrije overleving in patiënten met vroeg-stadium mammacarcinoom (0)
2018-12-08 14:29   ( Nieuws )
Tags:  SUCCESS-C study early breast cancer lifestyle intervention disease-free survival
Prof. Wolfgang JanniEr zijn aanwijzingen dat obesitas en gebrek aan fysieke activiteit geassocieerd zijn met verhoogd risico van mammacarcinoom. Dit leidt tot de vraag of er ook een verband is met verhoogd risico van recidief na behandeling voor de ziekte. De Duitse fase 3-studie SUCCESS-C randomiseerde in een 2x2 factorial design patiënten met vroeg-stadium HER2-negatief mammacarcinoom naar twee typen chemotherapie (randomisatie 1) en naar een op gewichtsverlies gerichte leefstijlinterventie (LI-groep) of gebruikelijke zorg (UC-groep). Prof. Wolfgang Janni (Universitätsklinikum Ulm) presenteerde een interimanalyse van resultaten van de tweede randomisatie gisteren op het San Antonio Breast Cancer Symposium.1

De analyse heeft betrekking op 2292 patiënten met een BMI van 24 tot 40 kg/m2, die werden gerandomiseerd naar twee jaar LI (n=1146) of UC (n=1146). De interventie was succesvol voor het eindpunt gewichtsverlies: de vrouwen in de LI-groep waren na twee jaar gemiddeld 1,0 kg lichter geworden terwijl de vrouwen in de UC-groep gemiddeld 0,95 kg zwaarder waren geworden p<0,001). Er was geen significant effect voor het eindpunt ziektevrije overleving (multivariaat HR 0,91; p=0,48). Een exploratieve analyse vergeleek de 552 LI-patiënten (48,2%) en de 925 UC-patiënten (80,7%) die het twee jaar durende programma voltooid hadden. In deze analyse hadden de LI-patiënten wel een significant betere DFS dan de UC-patiënten (HR 0,51; p=0,002). Binnen de groep LI-patiënten hadden de completers een significant betere DFS dan de non-completers (HR 0,35; p<0,001).

De onderzoekers concluderen dat de exploratieve aard van de analyse niet uitsluit dat hier sprake is van een healthy patients effect. Maar de resultaten van de studie zijn in ieder geval niet in tegenspraak met de mogelijkheid dat obesitas en gebrek aan fysieke activiteit na behandeling geassocieerd zijn met verhoogd risico van recidief van de ziekte.

1.Janni W et al. SABCS 2018; abstr. GS5-03

Summary: The German phase 3 study SUCCESS-C randomized patients with early stage HER2-negative breast cancer in a 2x2 factorial design to two types of chemotherapy (randomisation 1) and to weight-loss directed lifestyle intervention or usual care (randomisation 2). The results of the second intervention were presented yesterday in San Antonio. The intervention was succesful for the end point weight loss. There was no effect on disease-free survival. But an exploratory analysis showed that the patients who completed the two years lifestyle intervention had a significant better DFS than non-completers (HR 0.35; p<0,001). Among completers, patients in the lifestyle intervention arm had better DFS than patients in the usual care arm (multivariate HR 0.51; p=0,002). The authors conclude that this might be due to a healthy patient effect, but the results are not conflicting with the hypothesis that weight loss and physical activity are associated with a decreased risk of recurrence of breast cancer.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie van chemoradiotherapie met uitkomsten van SCLC stadium I-II versus III (0)
2018-12-08 13:00   ( Nieuws )
Tags:  secondary analysis CONVERT study small-cell lung cancer
Prof. Corinne Faivre-FinnEr is weinig evidentie voor behandelkeuzen in stadium I en II kleincellig longcarcinoom. Een post-hoc secundaire analyse van de Concurrent Once-Daily vs Twice-daily Radiotherapy Trial (CONVERT) onderzocht de kenmerken en uitkomsten van verschillende stadia SCLC met moderne chemoradiotherapie. Prof. Corinne Faivre-Finn (The University of Manchester UK) en collega’s publiceren de analyse online in JAMA Oncology.1

CONVERT was een fase 3-studie die van april 2008 tot december 2013 SCLC-patiënten includeerde en randomiseerde naar 45 Gy in 30 fracties (tweemaal daags) of 66 Gy in 33 fracties (éénmaal daags), in combinatie met chemotherapie en indien geïndiceerd ook met profylactische craniële bestraling (PCI). De nu gepubliceerde analyse heeft betrekking op 509 patiënten met beschikbare TNM-stadiëringsinformatie, onder wie 86 stadium I of II ziekte hadden (16,9%). Het mediane bruto tumorvolume was kleiner (p<0,001) in de patiënten met I-II ziekte (38,4 cm3) dan in de patiënten met stadium III ziekte (93 cm3); verder waren er tussen beide groepen geen significante verschillen in baseline-kenmerken, en evenmin in adherentie aan de behandeling. In de groep met stadium I-II ziekte kreeg 90,7% PCI en in de groep met stadium III ziekte kreeg 81,8% PCI (p=0,10).

De patiënten in de groep met stadium I-II ziekte hadden langere OS dan patiënten in de groep met stadium III ziekte (mediaan 50 versus 25 maanden; HR 0,60; p=0,001). Onder de patiënten met stadium I-II ziekte was er geen significant verschil in overleving tussen de beide armen van de studie (mediaan 39 maanden in de éénmaal-daags arm versus 72 maanden in de tweemaal-daags arm; p=0,38). Qua acute en late toxische effecten waren er geen verschillen tussen de de patiënten in de groep met stadium I-II ziekte en patiënten in de groep met stadium III ziekte, met uitzondering van een lagere incidentie van graad 3 acute oesofagitis in de groep met I-II ziekte (11,3% versus 21,1%; p<0,001).

De onderzoekers concluderen dat patiënten met stadium I-II SCLC lange-termijn overleving hadden met acceptabele toxiciteiten na behandeling met moderne chemoradiotherapie en PCI.

1.Salem A, Mistry H, Hatton M et al. Association of chemoradiotherapy with outcomes among patients with stage I to II vs stage III small cell lung cancer. Secondary analysis of a randomized clinical trial. JAMA Oncol 2018; epub ahead of print

Summary: A secondary analysis of the randomized study CONVERT found that patients with stage I and II SCLC achieved long-term survival with acceptable toxic effects after modern chemoradiotherapy and prophylactic cranial irradiation. The outcomes of treatment of stage I and II disease were better than the outcomes of stage III disease.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Impact van pCR na neoadjuvante therapie op uitkomsten, gestratificeerd naar subtypen en adjuvante chemotherapie (0)
2018-12-07 16:01   ( Nieuws )
Tags:  breast cancer pCR impact on outcomes
Dr. Laura SpringDe prognostische relevantie van het bereiken van pCR na neoadjuvante chemotherapie voor mammacarcinoom is relatief goed vastgesteld, maar de impact van pCR op uitkomsten voor verschillende subtypen van de ziekte en de invloed van adjuvante chemotherapie na pCR is niet duidelijk. Dr. Laura Spring (Massachusetts General Hospital, Boston) en collega’s hebben een individual patient-level meta-analysis van deze onderwerpen uitgevoerd. Spring presenteerde de meta-analyse op het San Antonio Breast Cancer Symposium, dat morgen wordt afgesloten.1

In de literatuur tot september 2016 vonden de onderzoekers 52 voor het onderwerp relevante studies, met tezamen 27.895 patiënten. Bereiken van pCR, versus geen pCR, was geassocieerd met significant betere gebeurtenisvrije overleving overall (HR 0,31; 95%-bti 0,24-0,39), en met name in TNBC (HR 0,18; 95%-bti 0,10-0,31) en HER2-positieve ziekte (HR 0,32; 95%-bti 0,21-0,47), met een niet-significante associatie voor HR-positieve ziekte (HR 0,15; 95%-bti 0,02-1,10). Voor overall survival werden vergelijkbare associaties gevonden, zowel overall (HR 0,22; 95%-bti 0,15-0,30) als voor de subtypen. De associatie van pCR met verminderd recidief was vergelijkbaar tussen studies waarin patiënten adjuvante chemotherapie kregen (HR 0,34; 95%-bti 0,18-0,61) en studies zonder adjuvante chemotherapie (HR 0,36; 95%-bti 0,27-0,54).

De onderzoekers concluderen dat het bereiken van pCR na neoadjuvante chemotherapie geassocieerd was met significant betere EFS en OS, met name voor TNBC en HER2-positieve ziekte. De vergelijkbare associaties voor studies met en zonder adjuvante chemotherapie zouden kunnen betekenen dat in sommige omstandigheden adjuvante chemotherapie zou kunnen worden bekort.

1.Spring LM et al. SABCS 2018, abstr. GS2-03

Summary: An individual patient-level meta-analysis of over 27,000 breast cancer patients found that achieving pCR following neoadjuvant chemotherapy was associated with significantly improved disease recurrence and survival, particularly for triple negative and HER2-positive breast cancer. The outcomes of patients who attained pCR with neoadjuvant chemotherapy were similar for the groups with and without adjuvant chemotherapy, which suggests that in certain circumstances adjuvant chemotherapy could potentially be abbreviated.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Gerandomiseerde fase 2-studie van eerstelijns cisplatine plus etoposide met of zonder veliparib voor ES-SCLC (0)
2018-12-07 14:57   ( Nieuws )
Tags:  ECOG-ACRIN 2511 study extensive-stage small-cell lung cancer
Dr. Taofeek OwonikokoIn preklinische studies zijn aanwijzingen gezien dat de PARP-remmer veliparib de werkzaamheid van chemotherapie voor kleincellig longcarcinoom kan bevorderen. De gerandomiseerde fase 2-studie ECOG-ACRIN 2511 randomiseerde patiënten met niet-eerder behandeld extensief-stadium (ES)-SCLC naar cisplatine plus etoposide met veliparib of placebo (CE+V, CE+P). Dr. Taofeek Owonikoko (Emory University, Atlanta GA) en collega’s publiceren de studie online in het Journal of Clinical Oncology.1

De studie includeerde 128 patiënten, met een mediane leeftijd van 66 jaar; 52% mannen; 29% met ECOG perfomance status 0 en 71% met ECOG PS 1. Ze werden gestratificeerd naar geslacht en serum lactaatdehydrogenase-niveaus gerandomiseerd naar vier drie-weekse cycli van CE+V of CE+P (V en P oraal 100 mg tweemaal per dag op dagen één tot en met zeven). Het primaire eindpunt van de studie was progressievrije overleving.

De mediane PFS was 6,1 maanden met CE+V versus 5,5 maanden met CE+P (niet-gestratificeerd HR 0,75; p=0,06; gestratificeerd HR 0,63; p=0,01). De mediane overall survival was 10,3 maanden met CE+V versus 8,9 maanden met CE+P (gestratificeerd HR 0,83; p=0,17). Er was een significant treatment-by-strata interactie in PFS: mannen met hoge LDH-niveaus profiteerden sterk van toevoeging van V aan CE (HR 0,34; 80%-bti 0,22-0,51) maar er was geen profijt in de andere strata. Graad 3 of hoger hematologische toxiciteiten die meer frequent waren met CE+V dan met CE+P waren CD4 lymfopenie (8% versus 0%) en neutropenie (49% versus 32%). Het aantal patiënten met discontinuering of doseringsreductie was vergelijkbaar in beide armen.

De onderzoekers concluderen dat toevoeging van veliparib aan eerstelijns chemotherapie voor ES-SCLC veelbelovende activiteit heeft laten zien.

1.Owonikoko TK, Dahlberg SE, Sica GL et al. Randomized phase II trial of cisplatin and etoposide in combination with veliparib or placebo for extensive-stage small-cell lung cancer: ECOG-ACRIN 2511 study. J Clin Oncol 2018; epub ahead of print

Summary: The phase II ECOG-ACRIN 2511 study study randomized patients with extensive-stage small-cell lung cancer to cisplatin and etoposide (CE) with veliparib (V) or placebo (P), stratified by sex and serum lactate dehydrogenase levels. The stratified PFS-HR for CE+V versus CE+P was 0.63 (p=0.01). Male patients with high LDH levels derived significant benefit from addition of V to CE (HR 0.34; 80% CI 0.22-0.51) but there was no benefit in other strata.

  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Factoren geassocieerd met agressief squameus celcarcinoom in ontvangers van solide orgaantransplantaten (0)
2018-12-07 13:58   ( Nieuws )
Tags:  Organ transplant recipients agressive squamous cell carcinoma
Prof. Günther HofbauerSquameus celcarcinoom (SCC) is de meest frequente maligniteit die wordt gezien in ontvangers van solide-orgaantransplantaten. In deze patiënten hebben de SCCs een meer agressief ziektebeloop en een hoger risico van metastase dan SCCs in de algemene bevolking. Een studie van een serie van 51 patiënten in vijf Europese landen heeft onderzocht welke factoren in deze patiënten geassocieerd zijn met agressief SCC, gedefinieerd als nodale of afstandsmetastase of overlijden aan primair SCC. Prof. Günther Hofbauer (Universiteitsziekenhuis Zürich) en collega’s publiceren de studie online in JAMA Dermatology.1

De retrospectieve studie includeerde 51 patiënten die orgaantransplantatie ontvingen en vervolgens agressief SCC ontwikkelden. De patiëntengroep bestond uit 43 mannen en 8 vrouwen, met een mediane leeftijd van 51 jaar (range 19-71 jaar) bij transplantatie en 62 jaar (range 36-77 jaar) bij diagnose van agressief SCC. De figuur laat de oncologische uitkomsten zien van de SCCs. De vijf-jaars overall survival was 23%, en de vijf-jaars ziektespecifieke overleving was 30,5%. De locatie van de agressieve SCCs was voornamelijk op het gezicht (67%), de scalp (12%), en de armen (12%). Eenentwintig tumoren (41%) waren slecht-gedifferentieerd, met een mediane tumordiameter van 18,0 mm (range 4,0-64,0 mm) en mediane tumordiepte van 6,2 mm (range 1,0-20,00 mm). Twintig patiënten (39%) hadden perineurale invasie, en 23 patiënten (45%) hadden lokaal recidief.

De onderzoekers concluderen dat anatomische locatie, differentiatie, tumordiameter, tumordiepte, en perineurale invasie risicofactoren zijn voor agressief SCC in ontvangers van solide-orgaantransplantaten.

1.Lanz J, Bouwes Bavinck JN, Westhuis M et al. Aggressive squamous cell carcinoma in organ transplant recipients. JAMA Dermatol 2018; epub ahead of print

Summary: A case series analysis of 51 patients in five European countries found that in recipients of organ transplants aggressive SCCs (defined as nodal or distant metastasis or death by primary SCC) are associated with anatomical site, differentiation, tumor diameter, tumor depth, and perineural invasion.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie van lichaamsvetgehalte en risico van mammacarcinoom in postmenopauzale vrouwen met normale BMI (0)
2018-12-07 12:58   ( Nieuws )
Tags:  body fat breast cancer risk Women’s Health Initiative
Prof. Andrew DannenbergObesitas is geassocieerd met verhoogd risico van mammacarcinoom, waaronder het ER-positieve subtype in postmenopauzale vrouwen. Het is niet duidelijk of overmaat adipositas in vrouwen met een normale body mass index eveneens geassocieerd is met het risico. Een vooraf-geplande analyse in de cohorten van de Women’s Health Inititiative (WHI) clinical trial en WHI observational study heeft dit onderwerp onderzocht. Prof. Andrew Dannenberg (Weill Cornell Medical College, New York) en collega’s publiceren de analyse online in JAMA Oncology.1

De analyse includeerde uit de beide cohorten 3460 postmenopauzale vrouwen met een BMI tussen 18,5 en 25, bij inclusie in de leeftijd van vijftig tot tachtig jaar, die bij inclusie DEXA-lichaamsvetbepalingen hadden ondergaan. Deze bepalingen werden herhaald na één, drie, zes, en negen jaar. Tijdens mediaan zestien jaar (range negen tot twintig jaar) follow-up werd in 182 van deze vrouwen incident mammacarcinoom gediagnostiseerd (146 ER-positief).


Het risico van invasief mammacarcinoom was in multivariabele analyse 89% hoger voor de vrouwen in het kwartiel met de hoogste lichaamsvetmassa bij inclusie dan voor vrouwen in het kwartiel met de laagste vetmassa (HR 1,89; 95%-bti 1,21-2,95) en 88% hoger voor vrouwen in het kwartiel met de hoogste vetmassa in de romp dan voor vrouwen in het kwartiel met de laagste vetmassa in de romp (HR 1,88; 95%-bti 1,18-2,98). De corresponderende HRs voor ER-positief mammacarcinoom waren 2,21 (95%-bti 1,23-3,67) en 1,98 (95%-bti 1,18-3,31). Vergelijkbare associaties werden gezien in analyses van seriële DEXA-vetmassabepalingen. Circulerende niveaus van insuline, CRP, IL6, leptine, en triglyceriden waren hoger, en niveaus van HDL-cholesterol en sex hormone-binding globulin waren lager in de hoogste versus laagste kwartielen van de romp-vetmassa.

De onderzoekers concluderen dat in postmenopauzale vrouwen met normale BMI, relatief hoge lichaamsvetmassa geassocieerd was met verhoogd risico van invasief mammacarcinoom en met veranderde niveaus van circulerende metabole en inflammatiefactoren. Normale BMI is wellicht geen adequate proxy voor het risico van mammacarcinoom in postmenopauzale vrouwen.

1.Iyengar NM, Arthur R, Manson JE et al. Association of body fat and risk of breast cancer in postmenopausal women with normal body mass index. A secondary analysis of a randomized clinical trial and observational study. JAMA Oncol 2018; epub ahead of print

Summary: An ad hoc secondary analysis of the Women’s Health Initiative Clinical Trial and WHI Observational Study found that in postmenopausal women with normal BMI, relatively high body fat levels were associated with an elevated risk of invasive breast cancer and altered levels of circulating metabolic and inflammatory factors. Normal BMI categorization may be an inadquate proxy for the risk of breast cancer in postmenopausal women.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 2-studie van tumorinfiltrerende-lymfocytentherapie voor HPV-geassocieerde epitheliale maligniteiten (0)
2018-12-06 16:00   ( Nieuws )
Tags:  HPV-associated epithelial cancers TIL therapy
Dr. Christian HinrichsCellulaire therapie wordt in toenemende mate gebruikt voor de behandeling van maligniteiten, maar de toepassing voor epitheliale maligniteiten is tot op heden beperkt gebleven. Een fase 2-studie van het National Cancer Institute (Bethesda MD) heeft de waarde onderzocht van tumorinfiltrerende-lymfocyten (TIL)-therapie voor metastatische HPV-geassocieerde carcinomen. Dr. Christian Hinrichs en collega’s publiceren de studie online in Clinical Cancer Research.1

De studie includeerde patiënten in twee cohorten; een cohort van patiënten met cervixcarcinomen (n=18) en een cohort van patiënten met overige epitheliale HPV-geassocieerde carcinomen. De infusie van TILs werd voorafgegaan door een lymfocyt-depleterend conditionerend regime, en gevolgd door systemisch hoge-doseringe aldesleukine. De behandeling resulteerde in objectieve responsen in vijf van achttien patiënten in het cervixcarcinoom-cohort (28%) en twee van elf patiënten in het niet-cervixcarcinoomcohort (18%). Twee van de responsen in het cervixcarcinoomcohort waren compleet en ongoing op het moment van de nu gepubliceerde analyse, 53 en 67 maanden na de behandeling. De twee responsen in het niet-cervixcarcinoomcohort waren in een patiënt met anuscarcinoom en een patiënt met orofarynxcarcinoom. De HPV-reactiviteit van de geïnfundeerde T-cellen was gecorreleerd met klinische respons.

De onderzoekers concluderen dat de studie suggereert dat cellulaire therapie regressie van metastatische epitheliale maligniteiten kan mediëren.

1.Stevanovic S, Helman SR, Wunderlich JR et al. A phase II study of tumor-infiltrating lymphocyte therapy for human papillomavirus-associated epithelial cancers. Clin Cancer Res 2018; epub ahead of print

Summary: A phase II study at the National Cancer Institute found that tumor-infiltrating lymphocyte therapy can mediate the regression of metastatic epithelial cancers.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Eerstelijns atezolizumab plus chemotherapie voor extensief-stadium kleincellig longcarcinoom (0)
2018-12-06 15:39   ( Nieuws )
In september jl. berichtten we over de fase 3-studie IMpower133, die toen door dr. Leora Horn (Vanderbilt University, Nashville TN) werd gepresenteerd op het World Congress on Lung Cancer in Toronto. De studie liet zien dat toevoeging van atezolizumab aan eerstelijns chemotherapie voor extensief-stadium kleincellig longcarcinoom resulteerde in significante verlenging van de overall survival en progressievrije overleving. De studie is vandaag online gepubliceerd in The New England Journal of Medicine en voorzien van een nader-verhelderende video.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)