Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Verschillende activiteit van PARP-remmers in BRCA1- versus BRCA2-veranderd metastatisch castratieresistent prostaatcarcinoom (0)
2021-07-24 12:00   ( Nieuws )
Tags:  BRCA1-versus BRCA2-altered mCRPC differential activity of PARP inhibitors
Prof. Emmanuel AntonarakisEr zijn twee PARP-remmers goedgekeurd voor behandeling van metastatisch castratieresistent prostaatcarcinoom (mCRPC) met BRCA1/2-mutaties, te weten olaparib en rucaparib. Een multicenter retrospectieve studie heeft onderzocht of de PARP-remmers verschillende activiteit hebben voor BRCA1- versus BRCA2-veranderd mCRPC. Prof. Emmanuel Antonarakis (Johns Hopkins University School of Medicine, Baltimore MD) en collega’s publiceren de studie in JCO Precision Oncology.1

De studie, in twaalf centra in de Verenigde Staten, includeerde 123 patiënten met mCRPC, onder wie 13 met BRCA1- en 110 met BRCA2-mutatie. De meeste patiënten kregen olaparib (n=116), drie kregen rucaparib, twee talazoparib, en twee veliparib. Bij diagnose had 72% van de patiënten Gleason 8 tot en met 10 ziekte. De BRCA1-patiënten hadden hogere waarschijlijkheid van metastatische ziekte bij presentatie (69% versus 37%; p=0,04). Leeftijd, baseline PSA, en eerdere systemische behandelingen waren similar tussen de groepen.Er waren gelijke percentages kiemlijnmutaties in beide groepen (51% versus 46%; p=0,78). De BRCA1-patiënten hadden numeriek meer frequent monoallelische mutaties (56% versus 41%) en concurrente TP53-mutaties (55% versus 36%; p=0,32).

Het primaire werkzaamheids-eindpunt was het percentage patiënten met tenminste 50% PSA-afname. Dit percentage was 23% in de BRCA1-groep versus 63% in de BRCA2-groep (p=0,01). De BRCA2-groep had langere PSA-PFS (HR 1,94; p=0,08), klinische of radiografische PFS (HR 2,08; p=0,05), en OS (HR 3,01; p=0,008). Biallelische versus monoallelische mutaties, truncerende versus missense mutaties, en afwezigheid van concurrente TP53-mutatie waren geassocieerd met gevoeligheid voor PARP-remmer.

De onderzoekers concluderen dat PARP-remmer werkzaamheid voor BRCA1-veranderd mCRPC lager is dan voor BRCA2-veranderd mCRPC. Dit hangt niet samen met inbalans in kiemlijnmutaties, maar kan wellicht verklaard worden uit meer monoallelische mutaties en/of concurrente TP53-veranderingen in de BRCA1-groep.

1.Taza F, Holler AE, Fu W et al. Differential activity of PARP inhibitors in BRCA1- versus BRCA2-altered metastatic castration-resistant prostate cancer. JCO Precision Oncol 2021; epub ahead of print

Summary: A multicenter retrospective study in the USA found that PARP inhibitor efficacy was diminished in BRCA1- versus BRCA2-altered mCRPC. This is not due to an imbalance in germline mutations but might be related to more monoallelic mutations and/or concurrent TP53 alterations in the BRCA1 group.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Eerstelijns abirateron voor mCRPC met botmetastasen: overlevingsimpact van concomitante botresorptieremmers (0)
2021-07-23 15:00   ( Nieuws )
Tags:  first-line abiraterone-prednisone for mCRPC with bone metastases BRIs
Dr. Edoardo FranciniInternationale richtlijnen bevelen botresorptieremmers (BRIs) aan voor preventie van skelet-gerelateerde gebeurtenissen (SREs) onder patiënten met metastatisch castratieresistent prostaatcarcinoom (mCRPC) en botmetastasen. Abirateronacetaat met prednison is de meest-gebruikte eerstelijns behandeling voor mCRPC. De klinische impact van toevoegen van BRIs aan deze behandeling is niet bekend. Een retrospectieve cohortstudie van patiënten in acht centra in Europa en Noord-Amerika heeft de overlevingsimpact van toevoegen van BRIs aan eerstelijns abirateron-prednison voor mCRPC met botmetastasen geïnventariseerd. Dr. Edoardo Francini (Universiteit van Florence, Italië) en collega’s publiceren de studie in JAMA Network Open.1

De studie includeerde 745 mannen (mediane leeftijd 77,6 jaar; IQR 68,1-83,6), onder wie 420 (56,4%) met hoog-volume ziekte en 276 (37,0%) met laag-volume ziekte. Het cohort telde 529 patiënten (71,0%) die alleen abirateron plus prednison kregen (abirateroncohort) en 216 (29,0%) die abirateron plus prednison plus BRIs kregen (BRI-cohort). De mediane follow-up was 23,5 maanden. De figuur laat zien dat in het BRI-cohort de overall survival significant langer was dan in het abirateroncohort (mediaan 31,8 versus 23,0 maanden; HR 0,65; p<0,001). Dit OS-profijt in het BRI-cohort was hoger onder de patiënten met hoog-volume ziekte dan onder patiënten met laag-volume ziekte (33,6 versus 19,7 maanden; HR 0,51; p<0,001). In multivariate analyse was concomitant BRI-gebruik onafhankelijk geassocieerd met langere OS (HR 0,64; p<0,001). De figuur laat ook zien dat het BRI-cohort een significant kortere tijd tot eerste SRE had dan het abirateroncohort (mediaan 32,4 versus 42,7 maanden (HR 1,27; p=0,04). Dit effect werd alleen gezien in de groep met laag-volume ziekte; onder de patiënten met hoog-volume ziekte was de tijd tot eerste SRE niet-significant langer in het BRI-cohort (31,7 versus 51,5 maanden; HR 0,70; p=0,07).

De onderzoekers concluderen dat toevoeging van BRIs aan eerstelijns abirateronacetaat-prednison voor mCRPC met botmetastasen geassocieerd was met langere OS.

1.Francini E, Montagnani F, Nuzzo PV et al. Association of concomitant bone resorption inhibitors with overall survival among patients with metastatic castration-resistant prostate cancer and bone metastases receiving abiraterone acetate with prednisone as first-line therapy. JAMA Network Open 2021;4:e2116536

Summary: A retrospective cohort study in 8 centers in Europe and North America evaluated the OS impact of adding bone resorption inhibitors to first line abiraterone acetate plus prednisone for mCRPC with bone metastases. The OS was significantly longer among the patients receiving BRIs plus abiraterone acetate plus prednisone compared to the patients receiving only abiraterone acetate plus prednisone. The OS benefit with BRIs was strongest among patients with high-volume disease. The BRI cohort also had a significantly shorter time to first skeletal-related event compared with the abiraterone acetate cohort.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Gerandomiseerde studie van werkzaamheid van carboplatine en isotretinoïne voor pediatrisch hoog-risico medulloblastoom (0)
2021-07-23 14:00   ( Nieuws )
Tags:  pediatric high-risk medulloblastoma carboplatin isotretinoin
Dr. Sarah LearyHersentumoren vormen de belangrijkste oorzaak van ziekte-gerelateerd overlijden van kinderen. Medulloblastoom is de meest-prevalent embryonale hersentumor. Er is behoefte aan strategieën om de overleving van medulloblastoom te verbeteren. Een fase 3-studie van de Children’s Oncology Group heeft intensivering van de behandeling met carboplatine als radiosensitizer en isotretinoïne als pro-apoptotisch middel geëvalueerd. Dr. Sarah Leary (University of Washington, Seattle) en collega’s publiceren de studie in JAMA Oncology.1

De studie, in centra in Australië, Canada, Nieuw-Zeeland, en de Verenigde Staten, includeerde patiënten in de leeftijd van 3 tot en met 21 jaar, met nieuw-gediagnostiseerd hoog-risico medulloblastoom. Hoog-risico kenmerken waren metastase, residuele ziekte, of diffusie anaplasie. De patiënten werden tijdens de craniospinale bestraling gerandomiseerd naar wekelijks vincristine met of zonder dagelijks carboplatine, gevolgd door zes cycli onderhouds-chemotherapie met cisplatine, cyclofosfamide, en vincristine, met of zonder twaalf cycli isotretinoïne tijdens en na de onderhoudsbehandeling. Het primaire eindpunt was gebeurtenisvrije overleving.

De studie includeerde 261 evalueerbare patiënten: 183 jongens (70%) en 79 meisjes. De mediane leeftijd was 8,6 jaar (range 3,3-21,2). Honderdnegenentachtig patiënten (72%) hadden metastastische ziekte, 58 (22%) hadden diffuse anaplasie, en 14 (5%) hadden meer dan 1.5 cm2 residuele ziekte. Onder alle patiënten was het vijf-jaars EFS-percentage 62,9% (95%-bti 55,6-70,2) en het vijf-jaars overall survival-percentage 73,4% (66,7-80,1). De isotretinoïne-randomisatie werd vroeg gesloten vanwege futiliteit. Het vijf-jaars EFS-percentage was onder alle patiënten 66,4% met carboplatine versus 59,2% zonder carboplatine (p=0,11). In de subgroep van patiënten met group 3 ziekte was het effect van carboplatine wel significant (73,2% versus 53,7%; p=0,047). Onder alle patiënten verschilde de vijf-jaars OS voor de verschillende moleculaire subgroepen (WNT-route geactiveerd 100%; SHH-route geactiveerd 53,6%; group 3 37,3%; en group 4 76,9%).

De onderzoekers concluderen dat toevoegen van carboplatine tijdens de bestraling resulteerde in significante verbetering van het vijf-jaars EFS-percentage onder kinderen met hoog-risico group 3 medulloblastoom.

1.Leary SES, Packer RJ, Li Y et al. Efficacy of carboplatin and isotretinoin in children with high-risk medulloblastoma. A randomized clinical trial from the Children’s Oncology Group. JAMA Oncology 2021.2224

Summary: A multinational randomized clinical trial by the Children’s Oncology Group investigated addition of daily carboplatin to weekly vincristine during radiotherapy for pediatric high-risk medulloblastoma. Among all patients, carboplatin had no significant effect (p=0.11) but among patients with group 3 disease the 5-year event-free survival rate was 73.2% with carboplatin versus 53.7% without carboplatin (p=0.047).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Meta-analyse van hepatotoxiciteit met nieuwe BCR-ABL TKIs versus imatinib voor CML (0)
2021-07-23 13:00   ( Nieuws )
Tags:  new-generation BCR-ABL TKIs versus imatinib for CML hepatotoxicity
BCR-ABL TKIs kunnen het overlevingspercentage onder CML-patiënten substantieel verbeteren, maar zijn ook geassocieerd met ernstige hepatotoxiciteit. Een systematisch overzicht en meta-analyse van gepubliceerde gerandomiseerde fase 2- en 3-studies heeft hepatotoxiciteit met nieuwe-generatie BCR-ABL TKIs (bosutinib, dasatinib, nilotinib of ponatinib) vergeleken met hepatotoxiciteit met imatinib. Prof. Yong Liu (Technische Universiteit van Dalian, China) en collega’s publiceren de analyse in JAMA Network Open.1

In de literatuur tot en met april 2020 vonden de onderzoekers negen studies die voldeden aan de inclusiecriteria van de analyse. De studies telden tezamen 3475 patiënten met mediane leeftijd 49 jaar (range 18-91); 59,2% waren mannen. Voor alle nieuwe-generatie TKIs met uitzondering van dasatinib werden in vergelijking met imatinib verhoogde risico’s van hepatotoxiciteit gezien. Bosutinib, nilotinib, en ponatinib versus imatinib waren geassocieerd met verhoogd risico van ALT-verhoging (alle graden: gepoold RR 2,89; p<0,001; graad 3 of 4 RR 4,36; p<0,001), AST-verhoging (alle graden RR 2,20; p<0,001; graad 3 of 4 RR 2,65; p<0,001). Nieuwe-generatie BCR-ABL TKIs waren versus imatinib geassocieerd met significant hoger percentage patiënten met majeure moleculaire respons na één jaar (gepoold RR 1,59; p<0,001) maar niet met hoger overall survival-percentage na één jaar (RR 1,00; p=0,33).

De onderzoekers concluderen dat bosutinib, nilotinib, en ponatinib vergeleken met imatinib geassocieerd waren met hogere risico’s van hepatotoxiciteit onder CML-patiënten. Nieuwe-generatie TKIs waren geassocieerd met hoger één-jaars MMR-percentage maar niet met hoger één-jaars OS-percentage.

1.Wang Z, Wang X, Wang Z et al. Comparison of hepatotoxicity associated with new BCR-ABL tyrosine kinase inhibitors vs imatinib among patients with chronic myeloid leukemia. A systematic review and meta-analysis. JAMA Network Open 2021;4:2120165

Summary: Systematic review and meta-analysis of nine phase 2 or 3 randomized studies found that most new-generation BCR-ABL TKIs (bosutinib, nilotinib or ponatinib, but not dasatinib) compared with imatinib were associated with higher hepatotoxicity in CML patients. New-generation TKIs were associated with higher MMR rate at 1 year but not with 1-year overall survival.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Gerandomiseerde fase 2-studie van monotherapie of combinatie van tremelumab en durvalumab voor niet-resectabel levercelcarcinoom (0)
2021-07-23 12:01   ( Nieuws )
Tags:  unresectable HCC tremelimumab and durvalumab
Dr. Robin Kate KelleyOndanks vorderingen in de behandeling van niet-resectabel levercelcarcinoom (uHCC) hebben slechts weinig patiënten duurzaam profijt en blijft het lange-termijn overlevingspercentage laag. De resistentie tegen behandeling wordt ten dele toegeschreven aan immuunsuppressie in de micro-omgeving van de tumor. Een multinationale fase 1-2 studie heeft tremelimumab (anti-CTLA-4) en durvalumab (anti-PD-L1) als monotherapie of in combinatie voor uHCC geëvalueerd. Dr. Robin Kate Kelley (University of California, San Francisco) en collega’s publiceren resultaten van expansie van de studie in het Journal of Clinical Oncology.1

De studie, uitgevoerd in negentien centra in negen landen, includeerde uHCC-patiënten na progressie op, intolerantie voor, of weigeren van sorafenib. De patiënten werden gerandomiseerd naar vier groepen: durvalumab monotherapie (1500 mg iedere vier weken; n=104; groep D), tremelimumab monotherapie (750 mg iedere vier weken; na zeven doses 750 mg iedere twaalf weken; n=69; groep T), tremelimumab 300 mg plus durvalumab 1500 mg tijdens de eerste cyclus gevolgd door durvalumab iedere vier weken (n=75; groep T300+D), of tremelimumab 75 mg iedere vier weken plus durvalumab 1500 mg iedere vier weken tijdens de eerste vier cycli gevolgd door durvalumab 1500 mg iedere vier weken (n=84; groep T75+D). Het primaire eindpunt van veiligheid. Secundaire eindpunten waren ORR en OS.

De tolerabiliteit was acceptabel in alle vier de armen, met graad 3 of hoger adverse events in 37,8% van de patiënten met T300+D; 20,8% met D; 43,5% met T; en 24,4% met T75+D. Bevestigde ORRs waren 24,0% (95%-bti 14,9-35,3); 10,6% (5,4-18,1); 7,2% (2,4-16,1); en 9,5% (4,2-17,9) in de vier armen in de genoemde volgorde. Vroege expansie van CD8+ lymfocyten was geassocieerd met respons over de armen, met de hoogste proliferende CD8+ lymfocyten-niveaus in de T300+D arm. De mediane mediane overall survival was 18,7 maanden (95%-bti 10,8-27,3); 13,6 maanden (8,7-17,6); 15,1 maanden (11,3-20,5); en 11,3 (8,4-15,0) in de vier armen in de genoemde volgorde.

De onderzoekers concluderen dat alle regimes tolerabel waren en klinische activiteit hadden. Het T300+D regime had het beste profijt-risico profiel.

1.Kelley RK, Sangro B, Harris W et al. Safety, efficacy, and pharmacodynamics of tremelimumab plus durvalumab for patients with unresectable hepatocellular carcinoma: randomized expansion of a phase I/II study. J Clin Oncol 2021; epub ahead of print

Summary: Randomized expansion of a phase I/II study evaluated tremelimumab and durvalumab as monotherapies or in combination for unresectable hepatocellular carcinoma. All regimes were found to be tolerable and clinically active.The most encouraging benefit-risk profile was seen with T300 + D (tremelimumab 300 mg plus durvalumab 1,500 mg one dose during the first cycle, followed by durvalumab 1,500 mg once every 4 weeks).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Prognostische waarde van minimale residuele ziekte na resectie van metastasen van colorectaalcarcinoom (0)
2021-07-22 15:00   ( Nieuws )
Tags:  PREDATOR trial prognostic value of ctDNA after resection for mCRC
Dr. Fotios LoupakisOngeveer 15 tot 25% van de patiënten met colorectaalcarcinoom (CRC) heeft bij presentatie metastatische ziekte, en ongeveer de helft van de patiënten met vroeg-stadium CRC ontwikkelt metastasen. Meer dan de helft van de patiënten met metastatisch CRC (mCRC) heeft na resectie recidiverende ziekte. De werkzaamheid van postoperatieve systemische behandeling in deze setting is beperkt. Er is behoefte aan een biomarker voor het identificeren van minimale residuele ziekte (MRD) na resectie voor mCRC. Een analyse van deelnemers aan de prospectieve PREDATOR studie van de universiteit van Padua (Italië) heeft de prognostische waarde van circulerend tumor DNA (ctDNA) als biomarker van MRD onderzocht. Dr. Fotios Loupakis en collega’s publiceren de studie in JCO Precision Oncology.1

De analyse includeerde 112 mCRC-patiënten die metastaseresectie met curatieve intentie hadden ondergaan. Met een gepersonaliseerde en tumor-geïnformeerde PCR next-generation assay werd ctDNA bepaald. MRD-positiviteit werd na de chirurgie gezien in 61 van 112 patiënten (54,4%). Deze figuur toont de prognostische waarde van MRD-status. Onder de 61 MRD-positieve patiënten waren er 59 (96,7%) die op het moment van data cutoff voor de nu gepubliceerde analyse progressie hadden doorgemaakt (versus MRD-negatieve patiënten was de progressie-HR 5,8; p<0,001). MRD-positieve status was ook geassocieerd met slechtere overall survival (HR 16,0; p<0,001). Op het moment van data cutoff waren 49 van 51 MRD-negatieve patiënten (96%) in leven, vergeleken met 32 van 61 MRD-positieve patiënten (52,4%). In multivariate analyse was ctDNA-gebaseerde positieve MRD-status significant geassocieerd met slechtere ziektevrije overleving (HR 5,78; p<0,001).

De onderzoekers concluderen dat onder patiënten met mCRC na resectie van metastasen MRD-status een sterke prognostische biomarker was.

1.Loupakis F, Sharma S, Derouazi M et al. Detection of molecular residual disease using personalized circulating tumor DNA assay in patients with colorectal cancer undergoing resection of metastases. JCO Precision Oncol 2021; epub ahead of print

Summary: Analysis of data from the Italian prospective PREDATOR trial found that among mCRC patients after resection of metastases ctDNA-based MRD status was a significant prognostic factor for disease-free and overall survival.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Vergelijking van verschillende eerstelijns behandelingen voor metastatisch pancreascarcinoom (0)
2021-07-22 14:00   ( Nieuws )
Tags:  PANOPTIMOX-PRODIGE 35 trial metastatic pancreatic cancer
Prof. Laetitia DahanPatiënten met metastatisch pancreascarcinoom (mPC) hebben een slechte prognose. De Franse PRODIGE 4-ACCORD 11 studie heeft laten zien dat zes maanden FOLFIRINOX-chemotherapie vergeleken met gemcitabine resulteerde in beter overall survival, maar de oxaliplatine-gerelateerde neurotoxiciteit noopt tot zoeken naar alternatieve doseringsschema’s. De Franse multicenter fase 2-studie PANOPTIMOX-PRODIGE 35 heeft eerstelijns FOLFIRINOX vergeleken met een oxaliplatine stop-and-go strategie en met een sequentiële strategie. Prof. Laetitia Dahan (Hôpital La Timone, Marseille) en collega’s publiceren de studie in het Journal of Clinical Oncology.1

De studie includeerde 273 patiënten met niet-eerder behandeld mPC, in de leeftijd van 40 tot en met 76 jaar (gemiddeld 63). De patiënten werden gerandomiseerd naar zes maanden FOLFIRINOX (arm A, n=91), vier maanden FOLFIRINOX gevolgd door leucovorine-fluorouracil onderhoudsbehandeling voor patiënten met gecontroleerde ziekte (arm B, n=92), of iedere twee maanden afwisselend gemcitabine en fluorouracil-leucovorine-irinotecan (arm C, n=90). Het primaire eindpunt van de studie was progressievrije overleving na zes maanden.

Het percentage na zes maanden progressievrije patiënten was 47,1% in arm A, 42,9% in arm B, en 34,1% in arm C. De mediane overall survival was 10,1 maanden in arm A, 11,2 maanden in arm B, en 7,3 maanden in arm C. Graad 3 of 4 neurotoxiciteit werd gerapporteerd voor 10,2% van de patiënten in arm A en 19,8% van de patiënten in arm B. Deze hogere neurotoxiciteit hing mogelijk samen met de verhouding tussen ontvangen en geplande dosering van oxaliplatine (83% in arm A en 92% in arm B). De mediane overleving zonder verslechtering van scores voor kwaliteit van leven was langer in arm B (11,4 maanden) dan in arm A (7,2 maanden) en arm C (7,5 maanden).

De onderzoekers concluderen dat in patiënten met mPC na vier maanden FOLFIRINOX inductiechemotherapie onderhoudsbehandeling met leucovorine-fluorouracil feasible was, en resulteerde in langere overleving zonder verslechtering van de kwaliteit van leven dan zes maanden FOLFIRINOX.

1.Dahan L, Williet N, Le Malicot K et al. Randomized phase II trial evaluating two sequential treatments in first line of metastatic pancreatic cancer: results of the PANOPTIMOX-PRODIGE 35 trial. J Clin Oncol 2021; epub ahead of print

Summary: The French multicenter randomized PANOPTIMOX-PRODIGE 35 phase 2 trial found that in patients with metastatic pancreatic cancer controlled after 4 months FOLFIRINOX, maintenance with leucovorin-fluorouracil was feasible and effective. The median survival without deterioriation in quality-of-life scores was 11.4 months with this strategy, compared with 7.2 months with FOLFIRINOX.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Hoge-gevoeligheid cardiaal troponine T voor vroege voorspelling van cardiotoxiciteit van CRT voor NSCLC (0)
2021-07-22 13:00   ( Nieuws )
Tags:  NSCLC hs-cTnT early prediction of chemoradiotherapy-induced cardiotoxicity
Prof. Zhongxing LiaoCardiotoxiciteit die wordt geïnduceerd door behandeling voor maligniteiten kan ongunstige impact hebben op kwaliteit van leven en op overleving. Een studie van MD Anderson Cancer Center (Houston TX) heeft de waarde onderzocht van hoge-gevoeligheid cardiaal troponine T (hs-cTnT) als biomarker voor vroege detectie van cardiotoxiciteit die wordt geïnduceerd door chemoradiotherapie (CRT) voor niet-kleincellig longcarcinoom. Prof. Zhongxing Liao en collega’s publiceren de studie in het International Journal of Radiation Oncology.1



De studie includeerde 225 NSCLC-patiënten die concurrente doublet chemotherapie met thorax-radiotherapie kregen (totale dosering 60 tot 74 Gy). Alle patiënten werden geëvalueerd voor cardiale adverse events (CAEs). In 190 patiënten werd serieel het niveau van hs-cTnT bepaald. Graad 3 of hoger CAEs kwamen voor in 24 patiënten (11%), mediaan 9 maanden na de CRT. Pre-treatment hs-cTnT niveaus waren hoger in mannen, patiënten van 64 jaar en ouder, en in patiënten met vooraf-bestaande hartziekte of slechte performance status (p<0,05 voor alle associaties). De niveaus van hs-cTnT namen toen na vier weken CRT en namen weer af na voltooiing van de CRT, hoewel ze niet terugkwamen op het pre-treatment niveau. De verandering in hs-cTnT tijdens de CRT waren gecorreleerd met de gemiddelde dosering naar het hart. Het risico van ernstige CAEs en mortaliteit ware significant verhoogd als het pre-treatment hs-cTnT niveau hoger was dan 10 ng/l, of als de toename tijdens de CRT 5 ng/l of hoger was .

De onderzoekers concluderen dat verhoging van het hs-cTnT niveau tijdens de CRT afhankelijk was van de stralingsdosering naar het hart, en dat hoge niveaus tijdens de CRT geassocieerd waren met CAEs en mortaliteit. Routinematige monitoring van hs-cTNT zou in een vroeg stadium patiënten kunnen identificeren met een hoog risico van CRT-geïnduceerde CAEs.

1.Xu T, Meng QH, Gilchrist SC et al. Assessment of prognostic value of high-sensitivity cardiac troponin T for early prediction of chemoradiotherapy-induced cardiotoxicity in non-small cell lung cancer patients: a secondary analysis of a prospective randomized trial. Int J Radiat Oncol Biol Phys 2021.07.035

Summary: Secondary analysis of a prospective study at MD Anderson Cancer Center (Houston, TX) found that elevation of high-sensitivity cardiac troponin T (hs-cTnT) during chemoradiotherapy for NSCLC was radiation heart dose-dependent, and high hs-cTnT levels during the course of CRT were associated with cardiac adverse events and mortality. Routine monitoring for hs-cTnT could early identify patients who are at high risk of CRT-induced CAEs.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)