Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Fase 2-studie van combinatie van PARP-remming plus PD1-remming voor gevorderd TNBC (0)
2019-06-14 13:03   ( Nieuws )
Tags:  advanced triple-negative breast cancer niraparib plus pembrolizumab
Dr. Shaveta VinayakPARP-remmer monotherapie en anti-PD1 remmer monotherapie hebben beperkte klinische activiteit voor gevorderd triple-negatief mammacarcinoom. Een fase 2-studie in 34 centra in de Verenigde Staten (TOPACIO/KEYNOTE-162) heeft de waarde onderzocht van combinatie van beide benaderingen voor gevorderd TNBC. Dr. Shaveta Vinayak (Fred Hutchinson Cancer Research Center, Seattle WA) en collega’s publiceren de studie online in JAMA Oncology.1

TOPACIO includeerde 55 patiënten met gevorderd of metastatisch TNBC, niet-geselecteerd voor BRCA-mutatiestatus of PD-L1 expressie. De mediane leeftijd was 54 jaar (range 32 tot 90 jaar). De patiënten kregen oraal niraparib 200 mg eens per dag plus intraveneus pembrolizumab 200 mg iedere drie weken. Het primaire eindpunt van de studie was objective response rate. Onder de 47 voor werkzaamheid evalueerbare patiënten waren vijf patiënten met complete respons en vijf patiënten met partiële respons, voor een ORR van 21% (90%-bti 12-33). Stabiele ziekte werd gezien in dertien patiënten (DCR 49%; 90%-bti 36-62), en progressieve ziekte in 24. Op het moment van data cutoff was de mediane duur van respons nog niet bereikt, met zeven patiënten die nog behandeld werden.

Onder de vijftien evaluabele patiënten met tumor BRCA-mutaties was de ORR 47%, de DCR 80%, en de mediane progressievrije overleving 8,3 maanden. Onder de 27 patiënten met BRCA-wildtype tumoren was de ORR 11%, de DCR 33%, en de mediane PFS 2,1 maanden. De meest-gerapporteerde graad 3 of hoger TRAEs waren anemie (18% van de patiënten), trombocytopenie (15%) en vermoeidheid (7%). Immuun-gerelateerde AEs werden gerapporteerd voor acht patiënten (15%), onder wie twee (4%) met graad 3 irAEs. Er waren geen onverwachte toxiciteiten.

De onderzoekers concluderen dat de combinatie van niraparib plus pembrolizumab voor gevorderd of metastatisch TNBC veelbelovende antitumor-activiteit had, met numeriek hogere respons in patiënten met BRCA-gemuteerde tumoren. Het veiligheidsprofiel van de combinatie was tolerable.

1.Vinayak S, Tolaney SM, Schwartzberg L et al. Open-label clinical trial of niraparib combined with pembrolizumab for treatment of advanced or metastatic triple-negative breast cancer. JAMA Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A multicenter phase 2 study in the USA found that the combination of niraparib plus pembrolizumab for advanced or metastatic TNBC provided promising antitumor activity, with numerically higher response rates in patients with tumor BRCA mutations. The safety profile of the combination was tolerable.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 2-studie van erlotinib versus GC-chemotherapie voor stadium IIIA-N2 EGFR-mutant NSCLC (0)
2019-06-14 11:43   ( Nieuws )
Tags:  EMERGING-CTONG 1103 study IIIA-N2 NSCLC
Dr. Wen-Zhao ZhongDe Chinese gerandomiseerde fase 2-studie EMERGING-CTONG 1103 heeft neoadjuvant plus adjuvant erlotinib voor stadium IIIA-N2 NSCLC met EGFR-mutatie vergeleken met gemcitabine-cisplatine chemotherapie. Dr. Wen-Zhao Zhong (Guangdong Akademie van Medische Wetenschappen, Guangzhou) en collega’s publiceren de studie online in het Journal of Clinical Oncology.1 De studie, uitgevoerd in zeventien centra in China, includeerde 72 patiënten die werden gerandomiseerd naar erlotinib 150 mg eens per dag gedurende 42 dagen in neoadjuvante setting en tot maximaal twaalf maanden in adjuvante setting; of naar twee cycli neoadjuvant en twee cycli adjuvant gemcitabine plus cisplatine.


Het primaire eindpunt van de studie was objective response rate (RECIST1.1) na neoadjuvante behandeling. Er waren in geen van beide armen patiënten met pathologisch complete respons; majeure pathologische respons werd gezien in 9,7% met erlotinib versus 0 met chemotherapie. De ORR was 54,1% in de erlotinib-arm versus 34,3% in de chemotherapie-arm (OR 2,26; p=0,092). De mediane progressievrije overleving (secundair eindpunt) was 21,5 maanden met erlotinib versus 11,4 maanden met chemotherapie (HR 0,39; p<0,01). Er waren geen onverwachte adverse events.

De onderzoekers concluderen dat er geen significant verschil was tussen beide armen voor het primaire eindpunt (ORR na 42 dagen) maar wel voor het secundaire eindpunt PFS.

1.Zhong W-Z, Chen K-N, Chen C et al. Erlotinib versus gemcitabine plus cisplatin as neoadjuvant treatment of stage IIIA-N2 EGFR-mutant non-small-cell lung cancer (EMERGING-CTONG 1103): a randomized phase II study. J Clin Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: The Chinese phase 2 study EMERGING-CTONG 1103 randomized patients with stage IIIA-N2 EGFR-mutant NSCLC to neoadjuvant plus adjuvant erlotinib versus gemcitabine-cisplatine chemotherapy. The study found no significant difference for the primary endpoint response after neoadjuvant treatment, but the PFS (secondary endpoint) was better in the erlotinib group (median 21.5 months versus 11.4 months; p<0.001).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie tussen patiëntvolume van behandelcentrum en all-cause mortaliteit van HNSCC-patiënten (0)
2019-06-13 15:04   ( Nieuws )
Tags:  head and neck squamous cell carcinoma prognostic case volume thresholds
Dr. Benjamin JudsonDe prognostische relevantie van patiëntvolumes van behandelcentra voor squameus celcarcinoom van hoofd en hals (HNSCC) is niet duidelijk. Een analyse van de National Cancer Database heeft de associatie onderzocht tussen het patiëntvolume van centra en de all-cause mortaliteit van HNSCC-patiënten. Dr. Benjamin Judson (Yale University School of Medicine, New Haven CT) en collega’s publiceren de analyse vandaag online in JAMA Otolaryngology- Head & Neck Surgery.1



De retrospectieve analyse includeerde 250.229 HNSCC-patiënten die tussen begin 2004 en eind 2014 behandeld werden in 1229 centra in de Verenigde Staten. Deze patiënten waren 185.316 mannen (74,1%) en 64.913 vrouwen (25,9%); de gemiddelde leeftijd was 62,8 ± 12,1 jaar. Multivariate analyse resulteerde in de definitie van low-volume facilities (LVFs; 54 of minder patiënten per jaar; 1099 centra; tezamen 144.016 patiënten), moderate-volume facilities (MVFs; 55 tot en met 164 patiënten per jaar; 111 centra; tezamen 76.460 patiënten), en high-volume facilities (HVFs; 165 of meer patiënten per jaar; 19 centra; tezamen 29.753 patiënten).

Vergeleken met behandeling in een MVF was behandeling in een LVF geassocieerd met verhoogde all-cause mortaliteit (HR 1,09; 99%-bti 1,07-1,11) en was behandeling in een HVF geassocieerd met verlaagde all-cause mortaliteit (HR 0,92; 99%-bti 0,89-0,94). Subgroepanalyses met Bonferroni-correctie wezen uit dat voor patiënten met stadium I of II ziekte alleen de drempel tussen LVF en MVF resulteerde in relevante verschillen in uitkomsten (verschillen tussen MVF en HVF niet-significant), terwijl voor patiënten met stadium III of IV ziekte beide drempels relevant uitkomsten-onderscheid leverden. De drempels onderscheidden groepen met verschillen in mortaliteit onder patiënten met M0-ziekte en patiënten met niet-orofarynx HNSCC, maar niet onder patiënten met M1-ziekte of patiënten met OPSCC na controle voor HPV-status.

De onderzoekers concluderen dat hogere patiëntvolumes van behandelcentra geassocieerd waren met lagere mortaliteit van patiënten met HNSCC. Dit suggereert dat patiëntvolume zou kunnen worden gebruikt als kwaliteitsmarker.

1.Torabi SJ, Benchetrit L, Yu PK et al. Prognostic case volume thresholds in patients with head and neck squamous cell carcinoma. JAMA Otolaryngol Head Neck Surg 2019; epub ahead of print

Summary: An analysis of the National Cancer Database showed that among HNSCC patients treatment in higher volume facilities was associated with increased survival rates. The authors conclude that volume facility thresholds may be used as quality markers.



  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Overleving na HIPEC plus CRS voor maagadenocarcinoom (0)
2019-06-13 14:05   ( Nieuws )
Tags:  gastric adenocarcinoma hyperthermic intraperitoneal chemotherapy plus cytoreductive surgery
Maagadenocarcinoom met peritoneale metastasen is geassocieerd met een slechte prognose. De overleving met alleen systemische chemotherapie is gewoonlijk korter dan een jaar. Hyperthermische intraperitoneale chemotherapie gecombineerd met cytoreductieve chirurgie (HIPEC-CRS) heeft geresulteerd in verbetering van de uitkomsten van verscheidene andere typen maligniteiten met peritoneale tumoren. Een studie in zeven centra van de US HIPEC Collaborative heeft de waarde onderzocht van HIPEC-CRS voor maagadenocarcinoom. Dr. Jordan Cloyd (The Ohio State University, Columbus) en collega’s publiceren de studie online in JAMA Surgery.1

De studie includeerde 28 patiënten (61% vrouwen, gemiddelde leeftijd 48,5 ± 14,2 jaar). De mediane peritoneale carcinomatose-index (PCI) was 12 (IQR 4-17). Vijf patiënten ondergingen palliatieve HIPEC, de overige 23 werden behandeld met curatieve intentie. Vrijwel alle patiënten (n=27) kregen neoadjuvante of adjuvante chemotherapie. Onder de patiënten die met curatieve intentie werden behandeld was de mediane recidiefvrije overleving 7 maanden (95%-bti 4,9-9,1) en de mediane overall survival 10 maanden (95%-bti 6,5-13,5). De mediane OS in deze groep was significant beter onder de elf patiënten met PCI 9 of lager (26 maanden) dan onder de twaalf patiënten met PCI 10 of hoger (8 maanden; p=0,01). Na palliatieve HIPEC was de mediane OS 2 maanden (range 2-13). De perioperatieve morbiditeit was hoog: 21 patiënten (75%) hadden tenminste één complicatie, waaronder vijf van Clavien-Dindo graad 3 of hoger. Vijf patiënten ondergingen nieuwe chirurgie, dertien patiënten hadden parenterale voeding nodig, en negen vereisten sondevoeding. Twee patiënten overleden binnen negentig dagen na chirurgie.

De onderzoekers concluderen dat de studie geen duidelijk overlevingsvoordeel van HIPEC-CRS voor maagadenocarcinoom vergeleken met wat wordt gerapporteerd met standaard chemotherapie heeft laten zien. De morbiditeit was hoog. HIPEC-CRS voor maagadenocarcinoom dient beperkt te blijven tot klinische studies, en bij voorkeur alleen te worden toegepast in patiënten met PCI 9 of lager.

1.Kimbrough CW, Beal E, Abdel-Misih S et al. Survival outcomes among patients with gastric adenocarcinoma who received hyperthermic intraperitoneal chemotherapy with cytoreductive surgery. JAMA Surg 2019; epub ahead of print

Summary: A study by the US HIPEC Collaborative found no clear survival advantage from HIPEC-CRS for gastric adenocarcinoma, compared with results reported from standard chemotherapy alone. The authors conclude that HIPEC for GC should be limited to clinical trials and preferably restricted to patients with low peritoneal carcinomatosis index scores (9 or less).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Timing van HPV16-E6 antilichaam seroconversie voorafgaand aan diagnose orofarynx squameus celcarcinoom (0)
2019-06-13 13:00   ( Nieuws )
Tags:  OPSCC timing of HPV16-E6 antibody seroconversion
Dr. Aimée KreimerHPV16-E6 antilichamen kunnen vaak voorafgaand aan een diagnose orofarynx squameus celcarcinoom (OPSCC) reeds in het bloed worden gedetecteerd. De timing van seroconversie is niet bekend. Een analyse door het multinational HPVC3-consortium heeft deze timing onderzocht. Dr. Aimée Kreimer (National Cancer Institute, Bethesda MD) en collega’s publiceren de analyse online in Annals of Oncology.1

De onderzoekers voerden een gepoolde analyse uit van negen cohorten in Australië, Europa, en Noord-Amerika. De cohorten omvatten tezamen 743 patiënten met incident OPSCC en 5814 controlepersonen, van wie tenminste één prediagnostisch bloedmonster beschikbaar was. Er waren 111 patiënten met meerdere prediagnostische monsters. De mediane tijd tussen de eerste monstername en de OPSCC-diagnose was 11,4 jaar (range 0 tot 40 jaar). In de monsters werd aanwezigheid van antilichamen tegen HPV16-E6 bepaald met een serologische test (Luminex assay).

HPV16-E6 seropositiviteit werd gezien in 0,4% van de controlepersonen (95%-bti 0,2-0,6) versus 26,2% van de OPSCC-patiënten (95%-bti 23,1-29,6). HPV16-E6 seropositiviteit was geassocieerd met 98,2 maal verhoogd risico van OPSCC in blanke deelnemers (95%-bti 62,1-155,4) en 17,2 maal verhoogd risico van OPSCC in zwarte deelnemers (95%-bti 1,7-170,5). De figuur (blanke patiënten) laat zien dat de seropositiviteit in patiënten met lead-time korter dan vijf jaar meer frequent was in meer recente kalenderperioden, met een range van 21,9% voor 1996 tot 68,4% na 2005. Onder de 47 seropositieve patiënten met seriële bloedmonsters waren er 17 met seroconversie tijdens de follow-up, in een range van 6 tot 28 jaar voor de diagnose, en 30 met seropositiviteit tot 25 jaar voor de diagnose.

De onderzoekers concluderen dat de immuunrespons op HPV16-gedreven tumorigenese vaak reeds decennia voor de OPSCC-diagnose detecteerbaar is. Personen met HPV16-E6 seropositiviteit hebben een verhoogd risico van OPSCC gedurende meerdere decennia.

1.Kreimer AR, Ferreiro-Iglesias A, Nygard M et al. Timing of HPV16-E6 antibody serosonversion before OPSCC: findings from the HPVC3 consortium. Ann Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A pooled analysis of nine prospective cohorts found that the immune respons to HPV16-drive tumorigenesis is most often detectable several decades before OPSCC diagnosis. HPV16-E6 seropositive individuals have increased risk of OPSCC over several decades.

  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Proteasoomremmer voor recidiverend multipel myeloom: prospectieve studie van cardiale gebeurtenissen (0)
2019-06-13 11:58   ( Nieuws )
Tags:  relapsed multiple myeloma proteasome inhibitor cardiac events
Dr. Robert CornellEr zijn aanwijzingen voor een verhoogd risico van cardiovascular adverse events (CVAEs) in patiënten die proteasoomremmer (PI)-therapie krijgen voor recidiverend multipel myeloom (MM). Een prospectieve multicenterstudie in de Verenigde Staten heeft risicofactoren voor en uitkomsten van deze gebeurtenissen geïnventariseerd. Dr. Robert Cornell (Vanderbilt University Medical Center, Nashville TN) en collega’s publiceren de studie online in het Journal of Clinical Oncology.1

De studie includeerde patiënten die begonnen met carfilzomib (n=65) of bortezomib (n=30) voor recidiverend MM. Bij aanvang van de behandeling en op reguliere tijdstippen tijdens de eerste zes maanden ondergingen de patiënten echocardiografie en bepalingen van cardiale biomarkers (troponine, BNP, N-terminal proBNP). Ze werden gedurende tenminste achttien maanden gevolgd voor ontwikkeling van CVAEs.

Tijdens mediaan 25 maanden follow-up werden 64 CVAEs gezien, waaronder 55% met ernst graad 3 of hoger. CVAEs werden waargenomen in 51% van de carfilzomib-patiënten en 17% van de bortezomib-patiënten (p=0,002). De mediane tijd tussen begin van de behandeling en eerste CVAE was 31 dagen, en 86% van de CVAEs vonden plaats tijdens de eerste drie maanden van de behandeling. Het CVAE-risico was verhoogd (OR 10,8; p<0,001) in patiënten die carfilzomib kregen en een baseline BNP-niveau hoger dan 100 pg/ml of een N-terminal proBNP niveau hoger dan 125 pg/ml hadden. Verhoogd niveau van natriuretische peptide tijdens de eerste cyclus van de carfilzomib-behandeling was eveneens geassocieerd met verhoogd risico van CVAEs (OR 36,0; p<0,001). CVAEs waren geassocieerd met inferieure progressievrije overleving (p=0,01) en inferieure overall survival (p<0,001).

De onderzoekers concluderen dat CVAEs frequent voorkomen tijdens PI-therapie voor recidiverend MM, vooral met carfilzomib, en met name tijdens de eerste drie maanden. CVAEs waren geassocieerd met slechtere oncologische uitkomsten. Hoge gehalten van natriuretrische peptiden waren sterk voorspellend voor CVAEs.

1.Cornell RF, Ky B, Weiss BM et al. Prospective study of cardiac events during proteasome inhibitor therapy for relapsed multiple myeloma. J Clin Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A prospective multicenter study in the USA found that cardiovascular adverse events are common during proteasome inhibitor therapy for relapsed multiple myeloma, especially with carfilzomib, particularly within the first three months of therapy. CVAEs were associated with worse outcomes. Matriuretic peptides werd highly predictive of CVAEs.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Klinische factoren met impact op overleving van sorafenib-behandeld gevorderd levercelcarcinoom (0)
2019-06-12 15:00   ( Nieuws )
Tags:  sorafenib for advanced HCC clinical features for prediction of survival
Dr. Sarah BerhaneDe standaard-behandeling voor gevorderd levercelcarcinoom (aHCC) is sorafenib. Vergeleken met placebo verbetert sorafenib de overall survival van aHCC-patiënten met gemiddeld ongeveer drie maanden. Deze overleving loopt echter sterk uiteen, van minder dan drie maanden tot meer dan twee jaar. Dr. Sarah Berhane (University of Liverpool UK) en collega’s hebben een analyse uitgevoerd van klinische baseline-factoren met impact op de overleving, waarmee ze een model konden construeren dat gepersonaliseerde voorspelling van overleving mogelijk maakt. Ze publiceren de analyse online in het British Journal of Cancer.1

De analyse is gebaseerd op gegevens van 1130 aHCC-patiënten die sorafenib kregen in de controle-arm van twee fase 3 gerandomiseerde klinische studies. De baseline-variabelen met impact op OS waren vasculaire invasie, leeftijd, ECOG-score, AFP, albumine, creatinine, AST, extrahepatische verspreiding, en etiologie. Het model op basis van deze variabelen voorspelde overleving die very similar was aan de waargenomen overleving, met Harrell’s c-indices voor de training- en validatieset van respectievelijk 0,72 en 0,70.

De onderzoekers concluderen dat ze een model hebben opgesteld en gevalideerd dat overleving van sorafenib-behandelde aHCC-patiënten kan voorspellen op basis van baseline klinische factoren.

1.Berhane S, Fox R, Garcia-Fiñana et al. Using prognostic and predictive clinical features to make personalised survival prediction in advanced hepatocellular carcinoma patients undergoing sorafenib treatment. Br J Cancer 2019; epub ahead of print

Summary: An analysis of two phase III RCTs investigated baseline clinical features with impact on survival of patients receiving sorafenib for advanced hepatocellular carcinoma. The features predicting overall survival were vascular invasion, age, ECOG score, AFP, albumin, creatinine, AST, extra-hepatic spread, and etiology. The model-predicted survival was very similar to the observed survival, with Harrell’s c-indices for training and validation sets of 0.72 and 0.70, respectively.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multicenter fase 2-studie van brentuximab vedotin plus AVD voor non-bulky stadium I/II klassiek Hodgkin lymfoom (0)
2019-06-12 13:52   ( Nieuws )
Tags:  cHL BV plus AVD
Dr. Jeremy AbramsonStandaard-behandeling voor stadium I of II klassiek Hodgkin lymfoom (cHL) is ABVD met of zonder radiotherapie. Deze behandeling is geassocieerd met het risico van stralingstoxiciteit en bleomycine-geïnduceerde longschade. Een multicenter fase 2-studie in de Verenigde Staten heeft de waarde van brentuximab vedotin (BV) plus AVD zonder consoliderende radiotherapie voor fase I/II cHL onderzocht. Dr. Jeremy Abramson (Massachusetts General Hospital, Boston) en collega’s publiceren de studie online in Blood.1

De studie includeerde 34 patiënten (mediane leeftijd 36 jaar; range 20-75); 21 patiënten hadden gunstig-risico ziekte en 15 ongunstig-risico ziekte. De patiënten kregen een lead-in cyclus van BV op dagen één en vijftien, gevolgd door vier tot zes cycli (gebaseerd op interim-PET/CT na cyclus twee) BV plus AVD. De beste complete response rate was 100%. Na mediaan 38 maanden follow-up waren 94% van de patiënten progressievrij en waren 97% in leven. Adverse events waren perifere sensorische neuropathie (79% van de patiënten), neutropenie (76%), vermoeidheid (74%), en misselijkheid (71%), en graad 3 of 4 AEs waren neutropenie (62%), febriele neutropenie (35%), en perifere sensorische neuropathie (24%). Eén patiënt overleed aan neuropene sepsis tijdens de eerste BV-cyclus. BV-doseringsreductie was vereist in 38% van de patiënten.

De onderzoekers concluderen dat BV-AVD (zonder bleomycine of radiotherapie) voor non-bulky stadium I/II cHL resulteerde in een hoge CRR, met toxiciteit die hoger was dan zou worden verwacht van alleen AVD. Vanwege de toxiciteit is de behandeling wellicht niet optimaal voor patiënten met een zeer gunstige prognose.

1.Abramson JS, Arnason JE, LaCasce AS et al. Brentuximab vedotin, doxorubicin, vinblastine and dacarbazine for non-bulky limited stage classical Hodgkin lymphoma. Blood 2019; epub ahead of print

Summary: A multicenter phase 2 study in the United States found that brentuximab vedotin plus AVD (without bleomycin and radiation) for non-bulky stage I or II classical Hodgkin lymphoma resulted in a high complete response rate, with most patients requiring only four cycles of therapy. Toxicity was higher than would be expected from AVD alone.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)