Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Associatie van lipofiele statines met incidentie van levercelcarcinoom en mortaliteit in patiënten met chronische virale hepatitis (0)
2019-08-20 14:52   ( Nieuws )
Tags:  HCC lipophilic statin use
Prof. Jonas LudvigssonWereldwijd worden jaarlijks ongeveer 500.000 gevallen van levercelcarcinoom (HCC) gediagnostiseerd, vooral gerelateerd aan chronische infectie met HBV en HCV. In Europa en de Verenigde Staten is de incidentie van HCC sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw verdrievoudigd. De prognose van HCC is slecht, met een mediane overleving van minder dan een jaar. Er is behoefte aan effectieve primaire-preventiestrategieën. Een Zweden-brede prospectieve studie heeft de associatie van statines met HCC-incidentie en all-cause mortaliteit onder patiënten met chronische HBV- en HCV-infectie onderzocht. Prof. Jonas Ludvigsson (Karolinska Instituut, Stockholm) en zijn collega’s van Karolinska en Harvard University (Boston MA) publiceren de studie vandaag online in Annals of Internal Medicine.1

In Zweedse nationale registers identificeerden de onderzoekers 63.279 volwassen patiënten met chronische virale hepatitis. Uit deze patiënten vormden ze twee propensiteit-gematchte cohorten van ieder 8334 patiënten. Het eerste cohort begon gebruik van tenminste dertig dagelijkse doses statines (6554 patiënten lipofiele statines en 1780 patiënten hydrofiele statines); het tweede cohort bestond uit niet-statinegebruikers. Het primaire eindpunt van de studie was incidentie van HCC.

Het tien-jaars HCC-risico was 3,3% onder gebruikers van lipofiele statines versus 8,1% onder niet-statinegebruikers (gecorrigeerd HR 0,56; 95%-bti 0,41-0,79) en 6,1% onder gebruikers van hydrofiele statines (versus niet-gebruikers aHR 0,95; 95%-bti 0,86-1,08). De inverse associatie tussen gebruik van lipofiele statines en het risico van HCC leek doseringsafhankelijk. De tien-jaars all-cause mortaliteit was verlaagd onder zowel gebruikers van lipofiele statines versus gematchte niet-gebruikers (7,3% versus 15,2%) als onder gebruikers van hydrofiele statines versus gematchte niet-gebruikers (11,5% versus 16,0%).

De onderzoekers concluderen dat onder patiënten met chronische virale hepatitis gebruik van lipofiele, maar niet hydrofiele, statines geassocieerd was met significante verlaging van het risico van HCC.

1.Simon TG, Duberg A-S, Aleman S et al. Lipophilic statins and risk for hepatocellular carcinoma and death in patients with chronic viral hepatitits: results from a nationwide Swedish population. Ann Intern Med, epub ahead of print

Summary: A nationwide prospective study in Sweden found that among adults with viral hepatitis B or C, use of lipophilic, but not hydrophilic, statins was associated with significantly reduced hepatocellular carcinoma incidence and all-cause mortality.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Adjuvante chemotherapie voor stadium II coloncarcinoom in studies en in de klinische praktijk (0)
2019-08-20 13:52   ( Nieuws )
Tags:  stage II colon cancer neoadjuvant chemotherapy
Gabriëlle JongeneelEr is geen consensus over de waarde van adjuvante chemotherapie voor stadium II colon carcinoom. Een gepoolde analyse van gepubliceerde studies en een observationele studie in een cohort van Nederlandse patiënten hebben het ziektevrije-overlevings (DFS)-profijt van adjuvante chemotherapie voor stadium II coloncarcinoom onderzocht. PhD-kandidaat Gabriëlle Jongeneel (Amsterdam UMC) en collega’s publiceren de resultaten online in het International Journal of Cancer.1

De gepoolde analyse includeerde zeven gerandomiseerde studies met tezamen 4489 patiënten en 853 DFS-gebeurtenissen. De studies vergeleken twee van de drie behandelingen 5FU/LV, FOLFOX of geen adjuvante therapie. De DFS-HR was 0,77 (95%-bti 0,43-1,10) voor 5FU/LV versus controle en 0,93 (95%-bti 0,72-1,15) voor FOLFOX versus 5FU/LV. De observationele studie includeerde 1947 real-world NKR-patiënten. In propensiteit-score gematchte, gewogen, en gestratificeerde analyses waren de DFS-HRs van adjuvante behandeling versus controle respectievelijk 0,95 (95%-bti 0,50-1,80); 0,88 (95%-bti 0,24-3,21); en 1,05 (95%-bti 0,04-2,06). Er waren geen significante verschillen tussen de resultaten van de gepoolde analyse en de real-world resultaten (p interactie > 0,10).

Zowel de gepoolde analyse als de observationele studie heeft geen significant DFS-profijt laten zien van adjuvante chemotherapie voor stadium II coloncarcinoom.

1.Jongeneel G, Klausch T, van Erning FN et al. Estimating adjuvant treatment effects in stage II colon cancer: comparing the synthesis of randomized clinical trial data to real world data. Int J Cancer 2019; epub ahead of print

Summary: A pooled analysis of published studies and an observational cohort study both did not find a significant DFS benefit from adjuvant chemotherapy for stage II colon cancer.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Pathologisch compete respons en uitkomsten van verschillende subtypen mammacarcinoom in NSABP B-41 (0)
2019-08-20 12:36   ( Nieuws )
Tags:  NSABP B-41 neoadjuvant trial pCR and outcomes by intrinsic subtypes of breast cancer
Prof. Sandra SwainDe fase 3-studie NSABP B-41 evalueerde neoadjuvant lapatinib, trastuzumab, of de combinatie van lapatinib plus trastuzumab, in alle drie de armen met chemotherapie voor HER2-positief operabel mammacarcinoom. De studie vond tussen de drie armen geen significante verschillen in percentage patiënten met pathologisch complete respons. Patiënten die pCR bereikten hadden wel significant langere overall survival. Een analyse in een subset van de B-41 patiënten heeft nu de relatie onderzocht tussen intrinsiek subtype van de tumoren en het bereiken van pCR. Prof. Sandra Swain (Georgetown University Medical Center, Washington DC) en collega’s publiceren de analyse online in Breast Cancer Research and Treatment.1

De onderzoekers bepaalden intrinsiek subtype in 271 baseline biopten. Er waren 197 tumoren van HER2-verrijkt subtype (HER2E) en 74 tumoren van overige subtypen. De pCR rate was hoger onder de HER2E-tumoren dan onder de overige tumoren (60,9% versus 25,7%; p<0,001). In multivariate analyse onder patiënten die trastuzumab-bevattende behandeling kregen was HER2E-subtype sterk geassocieerd met pCR (OR 8,41; p<0,001). Patiënten met HER2E-tumoren hadden niet meer baat bij de duale HER2-gerichte therapie dan bij alleen trastuzumab. De pCR rate was hoger onder HER2E-tumoren dan ander subtypen in zowel de ER-positieve (p=0,001) als de ER-negatieve (p<0,001) groep. Er waren geen associaties tussen subtype (HER2E versus andere subtypen) en lange-termijn gebeurtenisvrije overleving (p=0,98).

De onderzoekers concluderen dat in NSABP B-41 patiënten met HER2E-tumoren een hogere waarschijnlijkheid hadden van het bereiken van pCR dan patiënten met andere subtypen.

1.Swain SM, Tang G, Lucas PC et al. Pathologic complete response and outcomes by intrinsic subtypes in NSABP B-41, a randomized neoadjuvant trial of chemotherapy with trastuzumab, lapatinib, or the combination. Breast Cancer Res Treat 2019; epub ahead of print

Summary: An analysis within the neoadjuvant breast cancer NSABP B-41 trial found that patients with HER2-enriched tumors compared to other subtypes were more likely to attain pCR.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Uitkomsten van haploïdentieke versus niet-verwante stamceltransplantatie voor ALL in eerste complete remissie (0)
2019-08-20 11:27   ( Nieuws )
Tags:  ALL haploidentical versus unrelated SCT
Prof. Arnon NaglerHaploïdentieke allogene stamceltransplantatie (SCT) wordt in toenemende mate toegepast voor patiënten die geen HLA-gematchte verwante of niet-verwante donor hebben. Er zijn nog niet veel gegevens over uitkomsten van haploïdentieke SCT in ALL-patiënten . Een studie van de Acute Leukaemia Working Party van de European Society for Blood and Marrow Transplantation heeft deze uitkomsten geïnventariseerd. Prof. Arnon Nagler (Universiteit van Tel Aviv) en collega’s publiceren de studie online in Leukemia.1

De studie includeerde 1234 volwassen patiënten met ALL in eerste complete remissie die SCT ondergingen tussen begin 2007 en eind 2016. Er waren 136 patiënten die haploïdentieke SCT ondergingen (haplo-groep), 809 patiënten die matched unrelated donor SCT ondergingen (MUD 10/10-groep) en 289 patiënten die mismatched unrelated donor SCT ondergingen (MMUD 9/10-groep). In multivariate analyse waren de uitkomsten in de haplo-groep niet slechter dan die in de MUD 10/10-groep en de MMUD 9/10-groep. Vergeleken met de haplo-groep had de MUD 10/10-groep HR 1,1 (p=0,7) voor leukemievrije overleving; 0,9 (p=0,4) voor overall survival; 1,35 (p=0,2) voor incidentie van relapse; 0,7 (p=0,2) voor niet-relapse mortaliteit; 1,1 (p=0,8) voor acute GVHD; en 0,8 (p=0,2) voor chronische GVHD. Vergeleken met de haplo-groep had de MMUD 9/10-groep HR 1,1 (p=0,8 voor LFS; 1.0 (p=1,0) voor OS; 1,2 (p=0,3) voor RI; 0,8 (p=0,4) voor NRM; 1,2 (p=0,3) voor AGVHD; en 0,9 (p=0,6) voor CGVHD.

De onderzoekers concluderen dat de uitkomsten van haplo, MUD 10/10, en MMUD 9/10 SCT voor ALL in eerste complete remissie niet significant van elkaar verschillen. Haplo dient te worden beschouwd als goede optie voor patiënten zonder gematchte sibling donor.

1.Shem-Tov N, Peczynski C, Labopin M et al. Haploidentical vs. unrelated allogeneic stem cell transplantation for acute lymphoblastic leukemia in first complete remission: on behalf of the ALWP of the EBMT. Leukemia 2019; epub ahead of print

Summary: A study by the Acute Leukaemia Working Party of the European Society for Blood and Marrow Transplantation compared outcomes of adult ALL patients in first complete remission receiving stem cell transplantation from haploidentical donors, matched unrelated donors, or mismatched unvrelated donors. There were no significant differences in outcomes between the groups. The authors conclude that SCT from haploidentical donors should be considered as a clinically relevant option for patients lacking a matched sibling donor.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Enkele-fractie versus hypogefractioneerde stereotactische radiochirurgie voor hersenmetastasen van 2,5 tot 3,0 cm (0)
2019-08-19 15:00   ( Nieuws )
Tags:  medium-sized brain metastases single-fraction versus hypofractionated SRS
Recente studies hebben aanwijzingen gevonden voor bruikbaarheid van hypogefractioneerde stereotactische radiochirurgie (SRS) voor grote hersenmetastasen (BMs; groter dan 3 cm). Een studie van Asan Medisch Centrum (Songpa-gu, Zuid-Korea) heeft nu de waarde onderzocht van hypogefractioneerde en enkele-fractie SRS voor medium-sized BMs (2,5 tot en met 3 cm). Dr. Young Hyun Cho en collega’s publiceren de studie online in het Journal of Neuro-Oncology.1

De prospectieve studie includeerde honderd patiënten met tezamen 105 nieuw-gediagnostiseerde BMs van 2,5 tot en met 3 cm. Zevenenzestig BMs werden behandeld met enkele-fractie SRS (mediane dosering 20 Gy), en 38 met hypogefractioneerde SRS (mediane cumulatieve dosering 35 Gy in vijf dagelijkse fracties). Eindpunten van de studie waren lokale tumorcontrole (LTC), progressievrije overleving en overall survival, en incidentie van stralingsnecrose (RN).

De mediane follow-up was 14 maanden. Er waren tussen single-fraction en hypofractionated SRS geen statistisch significante verschillen in PFS (mediaan 6 maanden versus 6 maanden; p=0,381) of OS (mediaan 13 maanden versus 18 maanden; p=0,239) maar wel in indicentie van RN (29,3% versus 5,3%; p<0,001) en LTC (één-jaars LTC 66,6% versus 92,4%; p=0,028). Graad 2 of hoger treatment-related adverse events waren niet-significant meer frequent in de enkele-fractie groep (56,3% versus 36,1%; p=0,084).

De onderzoekers concluderen dat de studie suggereert dat hypogefractioneerde vergeleken met enkele-fractie SRS voor medium-sized BMs resulteerde in betere lokale controle en betere veiligheid.

1.Chon H, Yoon KJ, Lee D et al. Single-fraction versus hypofractionated stereotactic radiosurgery for medium-sized brain metastases of 2.5 to 3.0 cm. J Neuro-Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A study at Asan Medical Center (South Korea) found a better safety and efficacy profile of hypofractionated stereotactic radiosurgery for medium-sized brain metastases compared with single-fraction SRS.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Impact van geschiedenis van een maligniteit op functionele leeftijd en mortaliteit (0)
2019-08-19 14:00   ( Nieuws )
Tags:  cancer history impact on functional age and mortality
Dr. Cindy BlairZowel maligniteiten als de behandeling zouden kunnen resulteren in versnelling van de functionele veroudering. Een analyse van de Iowa Women’s Health Study heeft geriatric assessment (GA) gebruikt om de functionele leeftijd van lange-termijn overlevers van maligniteiten te vergelijken met die van leeftijdsgenoten zonder geschiedenis van een maligniteit en om de impact op de mortaliteit te bepalen. Dr. Cindy Blair (University of New Mexico, Albuquerque) en collega’s publiceren de analyse online in Cancer.1

De analyse heeft betrekking op 1723 overlevers van een maligniteit en 11.145 voor leeftijd gematchte vrouwen zonder geschiedenis van een maligniteit, die in 1986 in de IWHS geïncludeerd werden, en op de leeftijd van 73 tot en met 88 jaar GA-vragenlijsten beantwoordden. GA-domein defecten werden gedefinieerd als tenminste twee fysieke-functiebeperkingen, tenminste twee comorbiditeiten, slechte algemene gezondheid, slechte mentale gezondheid, en ondergewicht. De onderzoekers bepaalden voor elk van deze domeinen de associaties tussen defecten en tien-jaars mortaliteit voor overlevers en vrouwen zonder geschiedenis van een maligniteit.

De analyse laat zien dat zowel geschiedenis van een maligniteit als GA-domein defecten voor alle domeinen significant voorspellend waren voor tien-jaars mortaliteit. Vergeleken met de referentiegroep van vrouwen zonder geschiedenis van een maligniteit en zonder GA-domein defect, hadden vrouwen met geschiedenis van maligniteit maar zonder GA-domein defect een significant 1,3 tot 1,4 maal verhoogd risico van mortaliteit; vergelijkbaar met het 1,1 tot 1,7 maal verhoogde mortaliteitsrisico in vrouwen met GA-domein defecten maar zonder geschiedenis van een maligniteit (p<0,05 voor alle associaties). De hoogste tien-jaars mortaliteit werd gezien in de groep vrouwen met geschiedenis van maligniteit en GA-domein defecten voor vier van de vijf domeinen (HR range 1,6-2,0). Het mortaliteitsrisico nam toe met toename van het aantal GA-domein defecten; deze toename van het risico was groter onder de overlevers dan onder vrouwen zonder geschiedenis van een maligniteit.

De onderzoekers concluderen dat ook zonder GA-defecten overlevers van een maligniteit een verhoogde mortaliteit hebben vergeleken met vrouwen zonder geschiedenis van een maligniteit; eventuele GA-defecten zijn geassocieerd met verdere verhoging van de mortaliteit.

1.Blair CK, Jacobs DR, Demark-Wahnefried W et al. Effects of cancer history on functional age and mortality. Cancer 2019; epub ahead of print

Summary: An analysis of women enrolled in the Iowa Women’s Health Study found that cancer survivors without geriatric assessment deficits had a similar elevated mortality risk as women without a cancer history with GA deficits. Cancer survivors with GA deficits had the highest mortality risk.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Incidentie, mortaliteit en sequentiële associaties van ziekten na een diagnose mammacarcinoom (0)
2019-08-19 13:00   ( Nieuws )
Tags:  disease trajectories and mortality after breast cancer
Prof. Kamila CzeneMammacarcinoom is een veel-voorkomende ziekte met een relatief goede prognose. Het is daarom van belang het spectrum van ziekten en daarmee samenhangende mortaliteit na een diagnose mammacarcinoom te analyseren. Een studie in Zweden heeft incidentie, mortaliteit, en sequentiële associaties (trajectories) van ziekten onder overlevers van mammacarcinoom vergeleken met die in de algemene bevolking. Prof. Kamila Czene (Karolinska Instituut, Stockholm) en collega’s publiceren de studie online in Breast Cancer Research.1

De studie includeerde 57.501 Zweedse vrouwen met een diagnose mammacarcinoom (2001-2011) en 564.703 gematchte vrouwen in de algemene bevolking. Matching-criteria waren geboortejaar, residentieprovincie (althans county), en sociaal-economische status. Onder 225 geanalyseerde ziekten waren er 45 waarvan het risico in de overlevers verhoogd was met HR hoger dan 1,5 en p<0,0002. De ziekten met de hoogste HRs waren lymfoedeem, radiodermatitis, en neutropenie, die bijwerkingen zijn van respectievelijk chirurgie, radiotherapie, en chemotherapie. Onder al deze ziekten waren naast mammacarcinoom alleen andere solide maligniteiten in de overlevers vergeleken met de algemene bevolking geassocieerd met verhoogde mortaliteit (HR 1,16; 95%-bti 1,08-1,24). De onderzoekers identificeerden twee belangrijke ziekten-trajectories, die suggereren dat menopauzale aandoeningen indicatoren waren voor andere solide maligniteiten, en neutropenie en dorsalgie voorspellers waren van overlijden aan mammacarcinoom.

De onderzoekers concluderen dat overlevers van mammacarcinoom vergeleken met de algemene bevolking een verhoogd risico hadden een groot aantal ziekten, maar dat verhoogde mortaliteit in deze overlevers alleen werd gezien na solide maligniteiten.

1.Yang H, Pawitan Y, He W et al. Disease trajectories and mortality among women diagnosed with breast cancer. Breast Cancer Res 2019; epub ahead of print

Summary: A study in Sweden found that compared to women in the general population, survivors of breast cancer have HRs> 1.5 and p<0.002 for 45 of 225 diseases, but higher mortality only due to solid cancers (HR 1.16; 95% CI 1.08-1.24).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multicenter fase 2-studie van camrelizumab voor recidiverend of refractair klassiek Hodgkin lymfoom (0)
2019-08-19 11:49   ( Nieuws )
Tags:  camrelizumab R R cHL
PD-1 is een bekend target in de behandeling van klassiek Hodgkin lymfoom (cHL). Een multicenter fase 2-studie in China heeft de werkzaamheid en veiligheid geëvalueerd van het gehumaniseerd hoge-affiniteit IgG4 anti-PD1 monoklonaal antilichaam camrelizumab voor recidiverend of refractair (R/R) cHL. Dr. Jun Zhu (Peking Universiteit, Beijing) en collega’s publiceren de studie online in Clinical Cancer Research.1

De studie includeerde 75 patiënten met cHL, die geen remissie hadden of progressie na autologe stamceltransplantatie of na tenminste twee lijnen systemische chemotherapie. Ze kregen camrelizumab 200 mg iedere twee weken. Het primaire eindpunt van de studie was centraal-beoordeelde ORR. Na mediaan 12,9 maanden follow-up was respons gezien in 57 van 75 patiënten (ORR 76%; 95%-bti 64,7-85,1), onder wie 21 patiënten met complete respons (28%) en 36 patiënten met partiële respons (48%). De mediane duur van respons was niet-bereikt (range 0 tot langer dan 12,8 maanden). Treatment-related adverse events werden gezien in alle patiënten, waaronder graad 3 of 4 TRAEs in 20 patiënten (26,7%) maar geen graad 5 TRAEs.

De onderzoekers concluderen dat camrelizumab respons induceerde in een hoog percentage van patiënten met R/R cHL. De meeste responsen hielden lang aan, en het veiligheidsprofiel was manageable.

1.Song Y, Wu J, Chen X et al. A single-arm, multicenter, phase 2 study of camrelizumab in relapsed or refractory classical Hodgkin lymphoma. Clin Cancer Res 2019; epub ahead of print

Summary: A multicenter phase 2 study in China found that the humanized high-affinity IgG4 anti-PD-1 monoclonal antibody camrelizumab induced responses in 76% of patients with relapsed or refractory classical Hodgkin lymphoma. Median duration of response was not reached. The safety was manageable.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)