Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Meta-analyse van associatie tussen consumptie van vlees en het risico van maagmaligniteiten (0)
2019-10-07 12:58   ( Nieuws )
Tags:  Stomach cancer Pooling Project meat intake gastric cancer
Prof. Nuno LunetEr zijn robuuste aanwijzingen voor een associatie tussen consumptie van bewerkt vlees en het risico van non-cardia maagcarcinoom. Het is niet duidelijk of een dergelijke associatie ook bestaat voor andere typen vlees. Een individual participant data meta-analyse heeft de associaties met maagmaligniteiten van wit vlees, rood vlees, en bewerkt vlees onderzocht. Prof. Nuno Lunet (Universidade do Porto, Portugal) en zijn collega’s van het internationale Stomach cancer Pooling (StoP) Project publiceren de meta-analyse online in het International Journal of Cancer.1

De analyse includeerde 22 StoP-studies, met tezamen 11.443 patiënten en 28.029 controlepersonen. De meta-analyse vond statistisch significant verhoogde risico’s van maagcarcinoom voor de consumptie van rood vlees (hoogste versus laagste tertiel OR 1,24; 95%-bti 1,00-1,53), bewerkt vlees (OR 1,23; 1,06-1,43), en alle typen vlees tezamen (OR 1,30; 1,09-1,55). Er was een doserings-respons associatie voor bewerkt en rood vlees, met de hoogste OR voor inname van 150 g rood vlees per dag (OR 1,85; 95%-bti 1,56-2,20).

De onderzoekers concluderen dat hoge consumptie van rood vlees en bewerkt vlees geassocieerd was met verhoogd risico van maagmaligniteiten.

1.Ferro A, Rosato V, Rota M et al. Meat intake and risk of gastric cancer in the Stomach cancer Pooling (StoP) project. Int J Cancer 2019; epub ahead of print

Summary: An individual patient data meta-analysis of studies in the Stomach cancer Pooling Project found an increased risk of gastric cancer with red meat (highest versus lowest tertile OR 1.24; 95% CI 1.00-1.53), processed meat (OR 1.23; 1.06-1.43), and total meat (OR 1.30; 1.09-1.55).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 2-studie van crizotinib voor c-MET of ROS1 positief gevorderd niet-kleincellig longcarcinoom (0)
2019-10-07 12:02   ( Nieuws )
Tags:  AcSé phase 2 study NSCLC crizotinb
Prof. Denis Moro-SibilotIn 2013 begon het Franse Institut National du Cancer het programme d’accès sécurisé (programme AcSé) om patiënten veilige toegang te kunnen bieden tot off label gerichte behandelingen. Eén van de fase 2-studies in het kader van het AcSé-programma onderzocht de waarde van crizotinib voor c-MET of ROS1-positief gevorderd niet-kleincellig longcarcinoom. Prof. Denis Moro-Sibilot (Universiteit van Grenoble) en collega’s publiceren de multicenter fase 2-studie online in Annals of Oncology.1

In het kader van het AcSé-programma werden tussen augustus 2013 en april 2018 tumoren van 5606 gevorderd NSCLC-patiënten getest op moleculaire veranderingen die wellicht target zouden kunnen zijn voor crizotinib. Er werden 252 patiënten geïdentificeerd met c-MET ≥ 6 copies, 74 met c-MET mutatie, en 78 met ROS-1 translocatie. Van deze drie groepen werden 25, 28, en 37 patiënten behandeld in de fase 2-studie. De patiënten kregen crizotinib 250 mg tweemaal daags. Primaire uitkomst van de studie was percentage patiënten met respons na twee cycli. De ORR na twee cycli was 16% en 10,7% in de twee groepen met c-MET abnormaliteiten, en 47,2% in de groep met ROS-1 translocatie. De veiligheid van crizotinib was consistent met wat eerder is gerapporteerd.

De onderzoekers concluderen dat crizotinib actief was voor gevorderd NSCLC met ROS-1 translocatie.

1.Moro-Sibilot D, Cozic N, Pérol M et al. Crizotinib in c-MET- or ROS1-positive NSCLC: results of the AcSé phase II trial. Ann Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A multicenter phase 2 study in France found activity of crizotinib for advanced NSCLC with ROS1-translocation, but not for advanced NSLCL with c-MET abnormalities.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie tussen menopauzale hormoontherapie-opties en risico van ovariumcarcinoom (0)
2019-10-06 15:00   ( Nieuws )
Tags:  menopausal hormone therapy options ovarian cancer risk
Johanna SiminEr zijn aanwijzingen voor een associatie tussen menopauzale hormoontherapie (MHT) en het risico van ovariumcarcinoom (OC), maar het is niet duidelijk of verschillende risico’s geassocieerd zijn met de verschillende MHT-opties. Een prospectieve bevolkingsgebaseerde cohortstudie heeft de associaties van oestrogeen-progestageen (EP)-MHT, testosterone-derived (T)-MHT, en progesterone-derived (P)-MHT met het OC-risico. PhD-student Johanna Simin (Karolinska Instituut, Stockholm) en collega’s publiceren de studie online in het International Journal of Cancer.1

De studie includeerde alle Zweedse vrouwen in de leeftijd van 40 jaar en ouder die tussen begin 2005 en eind 2012 systemische MHT gebruikten of ooit gebruikt hadden (n=288.950), op groepsniveau 1:3 gematcht met 866.546 nooit-MHT gebruiksters. In modellen gecorrigeerd voor pariteit en comorbiditeiten was huidig EP-MHT gebruik geassocieerd met matig verhoogd OC-risico (OR 1,38; 95%-bti 1,18-1,62) terwijl gebruik in het verleden niet geassocieerd was met het risico (OR 1,00). Huidig continu T-MHT was geassocieerd met verhoogd OC-risico (OR 1,50; 95%-bti 1,15-1,96), terwijl P-MHT geassocieerd was met marginaal verhoogd OC-risico (OR 1,48; 95%-bti 1,00-2,21). Er was een inverse relatie tussen all E-MHT en het OC-risico (OR 0,25) maar deze associatie kan wellicht ten dele worden verklaard uit onderrapportage van ovariëctomie of tubaligatie. Huidig cutaan EP-MHT was mogelijk geassocieerd met lagere risicoverhoging dan oraal MHT.

De onderzoekers concluderen dat EP-MHT, vooral continue regimes, geassocieerd waren met matig verhoogd OC-risico. De rol van E-MHT dient nader te worden onderzocht.

1.Simin J, Rulla MT, Callens S et al. Menopausal hormone therapy treatment options and ovarian cancer risk: a Swedish prospective population-based matched-cohort study. Int J Cancer 2019; epub ahead of print

Summary: A prospective population-based cohort study in Sweden investigated the association between various menopausal hormone therapy options with the risk of ovarian cancer. The study found that compared with no MHT current estrogen-progestagen MHT was associated with a modestly increased OC risk (OR 1.38; 95% CI 1.18-1.62) while no consistent risk elevation was found among past users (OR 1.00). Current continuous testosterone derived regimens increased the risk (OR 1.50; 95% CI 1.15-1.96) whereas progesterone derived regimens increased the risk marginally (OR 1.48; 95% CI 1.00-2.21). The role of E-MHT requires further clarification.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multinationale fase 3-studie van eerstelijns erlotinib met of zonder ramucirumab voor EGFR-gemuteerd gevorderd NSCLC (0)
2019-10-06 13:29   ( Nieuws )
Tags:  RELAY study EGFR-mutated advanced non-small-cell lung cancer erlotinib ramucirumab
Prof. Kazuhiko NakagawaEr zijn preklinsiche en klinische aanwijzingen voor meerwaarde van duale blokkade van de EGFR- en VEGF-routes in EGFR-gemuteerd metastatisch niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC). De multinationale fase 3-studie RELAY heeft deze waarde onderzocht van toevoegen van de VEGFR2-antagonist ramucirumab aan eerstelijns EGFR-TKI erlotinib voor EGFR-gemuteerd metastatisch NSCLC. Prof. Kazuhiko Nakagawa (Kinday Universiteit, Osaka) en collega’s publiceren de studie online in The Lancet Oncology.1

RELAY werd uitgevoerd in honderd centra in dertien landen. De patiënten waren bij inclusie achttien jaar of ouder (twintig jaar of ouder in Japan en Taiwan), hadden stadium IV NSCLC met EGFR-mutatie (hetzij ex19del of Leu858Arg), een ECOG performance status 0 of 1, en geen CNS-metastases. Ze werden gerandomiseerd naar oraal erlotinib 150 mg eenmaal daags plus intraveneus ramicirumab 10 mg/kg (n=224) of placebo (n=225) iedere twee weken. Het primaire eindpunt was lokaal-beoordeelde progressievrije overleving.

De mediane duur van de follow-up was 20,7 maanden (IQR 15,8-27,2). De mediane PFS was 19,4 maanden in de erlotinib-ramucirumab groep versus 12,4 maanden in de erlotinib-placebo groep (HR 0,59; p<0,0001). Graad 3 of 4 treatment-emergent adverse events werden gezien 72% van de patiënten met erlotinib-ramucirumab versus 54% van de patiënten met erlotinib-placebo. Er was één graad 5 TRAE, in de erlotinib-ramucirumab groep.

De onderzoekers concluderen dat toevoegen van ramucirumab aan eerstelijns erlotinb voor EGFR-gemuteerd stadium IV NSCLC resulteerde in significante verbetering van de PFS. De veiligheid was consistent met de veiligheidsprofielen van de afzonderlijke middelen.

1.Nakagawa K, Garon EB, Seto T et al. Ramucirumab plus erlotinib in patients with untreated, EGFR-mutated, advanced non-small-cell lung cancer (RELAY): a randomized, double-blind, placebo-controlled, phase 3 trial. Lancet Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: The multinational phase 3 study RELAY found that addition of the VEGFR2 antagonist ramucirumab to first-line EGFR TKI erlotinib significantly improved the PFS of patients with EGFR-mutated advanced NSCLC (median 19.4 months versus 12.4 months; HR 0.59; p<0.0001). Grade 3-4 TRAEs were seen in 72% of patients with erlotinib plus ramucirumab and in 54% of patients with erlotinib plus placebo. There was one on-study treatment-related death, in the ramucirumab group (n=224).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multinationale fase 3–studie van toevoegen van durvalumab aan eerstelijns chemotherapie voor ES-SCLC (0)
2019-10-06 11:58   ( Nieuws )
Tags:  CASPIAN study extensive-stage small-cell lung cancer durvalumab
Prof. Luis Paz-AresDe meeste patiënten met kleincellig longcarcinoom hebben bij presentatie extensief-stadium ziekte (ES-SCLC), en een slechte prognose. Er zijn recente aanwijzingen voor werkzaamheid van immuuntherapie voor ES-SCLC. De multinationale fase 3-studie CASPIAN heeft de waarde onderzocht van toevoegen van durvalumab aan eerstelijns platina-etoposide chemotherapie voor ES-SCLC. Prof. Luis Paz-Ares (Hospital Universitario de 12 de Octubre, Madrid) en collega’s publiceren een interimanalyse van de studie online in The Lancet.1


CASPIAN werd uitgevoerd in 209 centra in 23 landen. Patiënten hadden niet-behandeld ES-SCLC en een ECOG performance status 0 of 1. Ze werden gerandomiseerd naar meerdere armen. De nu gepubliceerde interimanalyse betreft de resultaten van 268 patiënten in de arm met vier cycli platina-etoposide (etoposide plus investigator’s choice van carboplatine of cisplatine) plus durvalumab 1500 mg iedere drie weken gevolgd door onderhoudsbehandeling met durvalumab 1500 mg iedere vier weken (durvalumab-arm) en 269 in de arm met alleen zes cycli platina-etoposide (controle-arm).

Het primaire eindpunt van de studie was overall survival. De mediane OS was 13,0 maanden in de durvalumab-arm versus 10,3 maanden in de controle-arm (HR 0,73; p=0,0047). Na achttien maanden behandeling was 34% (95%-bti 26,9-41,0) van de patiënten in de durvalumab-arm in leven versus 25% (95%-bti 18,4-31,6) van de patiënten in de controle-arm. Any-cause graad 3 of 4 adverse events werden gerapporteerd voor 62% van de patiënten in beide armen. Graad 5 AEs troffen 5% in de durvalumab-arm versus 6% in de controle-arm.

De onderzoekers concluderen dat toevoegen van durvalumab aan eerstelijns platina-etoposide gevolgd door durvalumab-onderhoud geassocieerd was in significant verbetering van de OS van patiënten met ES-SCLC.

1.Paz-Ares L, Dvorkin M, Chen Y et al. Durvalumab plus platinum-etoposide versus platinum-etoposide in first-line treatment of extensive-stage small-cell lung cancer (CASPIAN): a randomised, controlled, open-label, phase 3 trial. Lancet 2019; epub ahead of print

Summary: The multinational phase 3 study CASPIAN found that addition of durvalumab to first-line platinum-etoposide chemotherapy for extensive-stage small-cell lung cancer was associated with significant improvement of the overall survival (HR 0.73; p=0.0047).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Meta-analyse van zwangerschapsuitkomsten van patiënten met tijdens zwangerschap behandelde myeloproliferatieve neoplasmen (0)
2019-10-05 15:00   ( Nieuws )
Tags:  MPNs treated during pregnancy pregnancy outcomes
Myeloproliferatieve neoplasmen (MPNs) worden in toenemende mate gediagnostiseerd in vrouwen in de vruchtbare leeftijd. Zwangerschap in vrouwen met MPNs is geassocieerd met maternale trombose, hemorragie, en dysfunctie van de placenta die kan leiden tot groeivertraging van de foetus of miskraam. Een systematisch overzicht van de literatuur en meta-analyse heeft de associatie geëvalueerd van gebruik van aspirine, heparine, interferon, of combinaties van deze middelen met zwangerschaps- en maternale uitkomsten in zwangere vrouwen met MPNs. Dr. Dawn Maze (Princess Margaret Cancer Centre, Toronto) en collega’s publiceren de meta-analyse online in JAMA Network Open.1

In de literatuur tot en met 19 juli 2018 vonden de onderzoekers 22 voor het onderwerp relevante gecontroleerde studies, die tezamen rapporteerden over 1210 zwangerschappen. De meeste studies (n=15) rapporteerden over zwangere vrouwen met trombocytemie, drie studies rapporteerden over polycythemia vera, en vier over alle MPNs, maar geen studie rapporteerde over alleen myelofibrose. De live birth rate was 71,3% (95%-bti 65,1-77,6). Vergeleken met geen behandeling was gebruik gebruik van aspirine (elf studies, 227 patiënten; niet-gecorrigeerd OR 8,6; 95%-bti 4,0-18,1) en interferon (zes studies, 90 patiënten; niet-gecorrigeerd OR 9,7; 95%-bti 2,3-41,0) geassocieerd met hogere waarschijnlijkheid van live birth. Dit gold niet voor toevoeging van heparine aan aspirine (zes studies; 96 patiënten; niet gecorrigeerd OR 2,1; 95%-bti 0,5-9.0). Het meest-gerapporteerde maternale adverse event was preëcclampsie, met een incidentie van 3,1% (95%-bti 1,7-4,5).

De onderzoekers concluderen dat de meeste studies rapporteerden over zwangerschappen met ET, weinig over zwangerschappen met PV, en geen over zwangerschappen met alleen MF. De meeste studies waren retrospectief, en vroege miskramen waren wellicht ondergerapporteerd. Matige-kwaliteit evidentie suggereert dat aspirine- of interferonbehandeling geassocieerd is met hogere waarschijnlijkheid van een levendgeboren kind in zwangere vrouwen met MPN.

1.Maze D, Kazi S, Gupta V et al. Association of treatments for myeloproliferative neoplasms during pregnancy with birth rates and maternal outcomes. A systematic review and meta-analysis. JAMA Network Open 2019;2:e19126666

Summary: A systematic review investigated published literature on pregnancy outcomes of patients with myeloproiferative neoplasms treated during pregnancy. Most included studies reported on eseential thrombocytemia, a few on polycythemia vera, and non on myelofirosis. Most studies were retrospective. Moderate-quality evidence suggests that aspirin or interferon is associated with higher odds of live birth in pregnant women with MPN.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Gerichte therapie voor gevorderd melanoom met ongebruikelijke BRAF-mutaties (0)
2019-10-05 13:29   ( Nieuws )
Tags:  melanoma with rare BRAF mutations targeted therapy
Prof. Jessica HasselEen standaard-behandeling voor BRAF V600E/K-gemuteerd metastatisch melanoom is BRAF/MEK-remming. Het is niet bekend of deze behandeling ook werkzaam is voormelanoom met minder frequente BRAF-mutaties. Een multinationale studie heeft de werkzaamheid onderzocht van gecombineerde remmers van BRAF en MEK (BRAFi/MEKi) of alleen BRAFi voor metastatisch melanoom met ongebruikelijke BRAF-mutaties. Prof. Jessica Hassel (Universiteit van Heidelberg) en collega’s publiceren de studie online in het Journal of Clinical Oncology.1

De studie includeerde 103 patiënten met metastatisch melanoom met niet-E/K V600 mutatie (56%), niet-V600 mutatie (37%), of zowel V600E als een zeldzame BRAF-mutatie (7%). De meest frequente mutaties waren V600R (43%), L597P/Q/R/S (15%), en K601E (11%). De meeste patiënten hadden stadium IV ziekte. De meeste patiënten kregen gecombineerde BRAFi/MEKi (58%) of BRAFi monotherapie (37%). Onder de 58 patiënten met V600-mutaties was de ORR op BRAFi monotherapie 27% en de ORR op BRAFi/MEKi 56%, met mediane progressievrije overleving 3,7 maanden respectievelijk 8,0 maanden. Onder de 38 patiënten met niet-V600 mutaties was de ORR op BRAFi monotherapie 0%, op MEKi monotherapie 40%, en op de combinatie 28%, met corresponderende mediane PFS 1,8 versus 3,7 versus 3,3 maanden.

De onderzoekers concluderen dat patiënten met metastatisch melanoom met ongebruikelijke BRAF-mutaties respons kunnen hebben op gerichte therapie, hoewel de werkzaamheid van deze therapie lager is dan wat is gezien voor metastatisch melanoom met V600E-mutaties. Combinatie van BRAFi en MEKi lijkt het meest werkzame regime voor zowel V600-gemuteerd als niet-V600 gemuteerd metastatisch melanoom.

1.Menzer C, Menzies AM, Carlino MS et al. Targeted therapy in advanced melanoma with rare BRAF mutations. J Clin Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A multinational study found that patients with metastatic melanoma with rare BRAF mutations can respond to targeted therapy, however, efficacy seems to be lower compared to efficacy for V600E mutated melanoma. Combination BRAFi/MEKi seems to be the most efficacious regimen for both V600 and non-V600 mutations.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 1-2 studie van lazertinib voor EGFR-gemuteerd gevorderd niet-kleincellig longcarcinoom (0)
2019-10-05 11:58   ( Nieuws )
Tags:  EGFR mutation-positive advanced NSCLC lazertinib
Prof. Byoung Chul ChoMet eerste- of tweede-generatie EGFR-tyrosinekinaseremmer behandeld EGFR-gemuteerd niet-kleincellig longcarcinoom ontwikkelt na verloop van tijd onvermijdelijk resistentie. Lazertinib is een derde-generatie irreversibele en mutatieselectieve EGFR-TKI. Een multicenter fase 1-2 studie in Zuid-Korea heeft veiligheid en werkzaamheid van lazertinib voor EGFR-gemuteerd gevorderd NSCLC onderzocht. Prof. Byoung Chul Cho (Yonsei Universiteit, Seoel) en collega’s publiceren resultaten van de doseringsescalatie en doseringsexpansie gedeelten van de studie online in The Lancet Oncology.1

De studie, uitgevoerd in veertien Zuidkoreaanse ziekenhuizen, includeerde 38 patiënten in de doseringsescalatiegroep en 89 in de doseringsexpansiegroep. Alle patiënten hadden EGFR T790M-gemuteerd NSCLC met progressie op of na behandeling met eerste- of tweede-generatie EGFR-TKI. De patiënten waren twintig jaar of ouder, hadden een ECOG performance status 0 of 1, en hadden adequate orgaanfunctie. In het doseringsescalatie-gedeelte kregen de patiënten oraal 20 mg, 40 mg, 80 mg, 120 mg, 160 mg, 240 mg, of 320 mg lazertinib eens per dag.

Er waren geen doseringslimiterende toxiciteiten, en er was geen doseringsafhankelijke toename van adverse events. De meest-gerapporteerde AEs waren graad 1 of 2 rash of acne (30% van 127 patiënten) en pruritus (27%). Graad 3 of 4 AEs werden gezien in 16%, waaronder graad 3 pneumonie in 3%. Er waren geen graad 5 AEs. Centraal-beoordeelde objectieve respons werd gezien in 69 patiënten (54%; 95%-bti 46-63). Fase 2 van de studie is ongoing.

De onderzoekers concluderen dat lazertinib een tolerabel veiligheidsprofiel had en veelbelovende klinische activiteit in patiënten met NSCLC met progressie op eerste- of tweede-generatie EGFR TKIs.

1.Ahn M-J, Han J-Y, Lee KH et al. Lazertinib in patients with EGFR mutation-positive advanced non-small-cell lung cancer: results from the dose escalation and dose expansion parts of a first-in-human, open-label, multicentre, phase 1-2 study. Lancet Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A multicenter phase 1-2 study in South Korea found that the third generation EGFR TKI lazertinib had a tolerable safety profile and had promising clinical activity for NSCLC progressing on or after first or second generation EGFR TKI.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)