Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Impact van leeftijd op risico van negentig-dagen postoperatieve mortaliteit na CRS voor gevorderd ovariumcarcinoom (0)
2019-05-09 13:59   ( Nieuws )
Tags:  advanced ovarian cancer cytoreductive surgery postoperative mortality
Dr. Marcela del CarmenChirurgische resectie van alle zichtbare tumoren is geassocieerd met verbetering van lange-termijn overleving van gevorderd-stadium ovariumcarcinoom, maar is ook geassocieerd met substantieel risico van complicaties en overlijden. Een analyse van de National Cancer Database heeft de associatie tussen leeftijd en negentig-dagen postoperatieve mortaliteit onderzocht na cytoreductieve chirurgie (CRS) voor stadium IIIC of IV epitheliaal ovariumcarcinoom (EOC) tussen begin 2004 en eind 2013. Dr. Marcela del Carmen (Massachusetts General Hospital, Boston) en collega’s publiceren de analyse online in JAMA Surgery.1

De onderzoekers identificeerden 47.117 patiënten, onder wie 37.024 primaire CRS ondergingen (78,5%) en 10.153 neoadjuvante chemotherapie gevolgd door interval CRS (21,5%). De negentig-dagen postoperatieve mortaliteit was hoger na primaire CRS (7,2%) dan na interval CRS (3,1%). Er waren significante verschillen in leeftijds-geassocieerde trends van negentig-dagen postoperatieve mortaliteit tussen primaire en interval CRS. Onder vrouwen die primaire CRS ondergingen begon de negentig-dagen postoperatieve mortaliteit toe te nemen vanaf leeftijd 47 jaar, met een toename van 5,7% per leeftijdsjaar tot leeftijd 71 jaar, waarna de toename versnelde tot 9,9% per leeftijdsjaar. De negentig-dagen postoperatieve mortaliteit na interval CRS begon toe te nemen vanaf leeftijd 62 jaar, en name toe met 7,5% per jaar zonder aanwijzingen voor verderde versnelling in de oudste patiënten. Onder vrouwen van 75 jaar bedroeg de waarschijnlijkheid van negentig-dagen postoperatieve mortaliteit 12,3% na primaire CRS en 4,2% na interval CRS. Onder vrouwen van 85 jaar waren deze waarschijnlijkheden 26,0% en 7,2%.

De onderzoekers concluderen dat onder oudere vrouwen neoadjuvante chemotherapie voorafgaand aan CRS kan resulteren in substantiële verlaging van het risico van postoperatieve mortaliteit.

1.Melamed A, Bercow AS, Bunell K et al. Age-associated risk of 90-day postoperative mortality after cytoreductive surgery for advanced ovarian cancer. JAMA Surg 2019; epub ahead of print

Summary: An analysis of the National Cancer Database found that in women undergoing primary cytroreductive surgery for advanced ovarian cancer, the odds of 90-day postoperative mortality began rising at age 47 years, increasing by 5.7% per year of age until age 71 years, after which it accelerated to 9.9% per year. The odds of 90-day mortality after neoadjuvant chemotherapy and interval CRS began to increase at age 62 years, and increased steadily by 7.5% per year without evidence of acceleration in risk among the oldest patients. By age 75 years the probability of 90-day postoperative mortality was 12.3% after primary CRS and 4.2% after interval CRS. The authors conclude that among older women neoadjuvant chemotherapy administered before CRS may substantially reduce the risk of postoperative mortality.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 2-studie van axitinib plus pembrolizumab voor gevorderd sarcoom inclusief alveolair wekedelensarcoom (0)
2019-05-09 12:54   ( Nieuws )
Tags:  advanced sarcoma ASPS axitinib plus pembrolizumab
Dr. Breelyn WilkyActiviteit van VEGF bevordert een immuunsuppressieve micro-omgeving van tumoren en draagt bij aan resistentie tegen immuuncheckpointremmers. Een fase 2-studie van de University of Miami (FL) heeft de activiteit onderzocht van de combinatie van de VEGF-receptor TKI axitinib plus de anti-PD1 immuuncheckpointremmer pembrolizumab voor gevorderd sarcoom. Dr. Breelyn Wilky (sinds vorig jaar verbonden aan de University of Colorado in Aurora) en collega’s publiceren de studie online in The Lancet Oncology.1

De studie includeerde 33 patiënten in de leeftijd van zestien jaar en ouder met histologisch bevestigd gevorderd of metastatisch sarcoom, inclusief alveolair wekedelen sarcoom (ASPS; n=12), een ECOG performance status van 0 of 1, en progressieve ziekte na voorgaande behandeling. De patiënten kregen oraal axitinib 2 tot 10 mg tweemaal daags plus intraveneus pembrolizumab iedere drie weken gedurende maximaal twee jaar. Het primaire eindpunt was percentage patiënten zonder progressie na drie maanden.

De mediane follow-up was 14,7 maanden (IQR 10,1-19,1). De driemaands PFS was 65,6% (95%-bti 46,6-79,3) onder alle patiënten en 72,7% (95%-bti 37,1-90,3) onder de patiënten met ASPS. De meest-frequente graad 3 en 4 treatment-related adverse events waren hypertensie (15% van de patiënten), auto-immuuntoxiciteiten (15%), misselijkheid of braken (6%), en seizures (6%). Ernstige TRAEs werden gezien in 21%. Geen van de patiënten had een graad 5 TRAE.

De onderzoekers concluderen dat de combinatie van axitinib plus pembrolizumab hanteerbare toxiciteit had en actief was voor gevorderd sarcoom waaronder ASPS.

1.Wilky BA, Trucco MM, Subhawong TK et al. Axitinib plus pembrolizumab in patients with advanced sarcomas including alveolar soft-part sarcoma: a single-centre, single-arm, phase 2 trial. Lancet Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A phase 2 study at the University of Miami Miller School of Medicine found manageable toxicity and preliminary activity of the combination axitinib plus pembrolizumab in patients with advanced sarcomas, particularly in patients with alveolar soft-part sarcoma.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Lange-termijn resultaten van lokale consolidatie na frontlijn systemische therapie voor oligometastatisch NSCLC (0)
2019-05-09 11:59   ( Nieuws )
Tags:  oligometastatic non-small cell lung cancer local consolidative therapy
Dr. Daniel GomezEen multicenter gerandomiseerde fase 2-studie includeerde patiënten met stadium IV NSCLC, drie of minder metastasen, en geen progressie gedurende tenminste drie maanden na frontlijn systemische therapie. De patiënten werden 1:1 gerandomiseerd naar lokale consoliderende therapie (LCT) met chirurgie of radiotherapie naar alle actieve ziektelocaties of onderhoudstherapie of observatie (MT/O). In 2016 is gepubliceerd dat de studie al na randomisatie van 49 patiënten voortijdig beëindigd werd wegens duidelijk betere progressievrije overleving in de LCT-arm. Dr. Daniel Gomez (MD Anderson Cancer Center, Houston TX) en collega’s publiceren nu online in het Journal of Clinical Oncology lange-termijn uitkomsten van de studie.1

De follow-up was mediaan 38,8 maanden (range 28,3 tot 61,4). De PFS, het primaire eindpunt, was mediaan 14,2 maanden met LCT versus 4,4 maanden met MT/O (p=0,022). De mediane overall survival was 41,2 maanden met LCT versus 17,0 maanden met MT/O (p=0,017). Na het optreden van progressie was de OS mediaan 37,6 maanden in de LCT-groep versus 9,4 maanden in de MT/O groep (p=0,034). Van de twintig patiënten met nieuwe progressie in de MT/O-groep kregen negen LCT naar alle lesies, resulterend in mediane OS van 17 maanden.

De onderzoekers concluderen dat in patiënten met oligometastatisch NSCLC zonder progressie na frontline systemische therapie, LCT vergeleken met MT/O resulteerde in langere PFS en OS.

1.Gomez DR, Tang C, Zhang J et al. Local consolidative therapy vs. maintenance therapy or observation for patients with oligometastatic non-small-cell lung cancer: long-term results of a multi-institutional, phase II, randomized study. J Clin Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: Long-term results of a multicenter randomized phase 2 study show that in stage IV NSCLC patients with up to three metastases and no progression after frontline systemic therapy, local consolidative therapy with radiotherapy or surgery prolonged PFS and OS compared to maintenance therapy or observation.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Intra-arteriële infusie van mytomycine C in patiënten met levermetastasen van mammacarcinoom (0)
2019-05-08 14:58   ( Nieuws )
Tags:  liver metastatic breast cancer mitomycin C
Prof. Geert MaleuxEen retrospectieve studie in Amsterdam, Leuven, en Maastricht heeft de veiligheid en werkzaamheid onderzocht van intra-arteriële infusie van mitomycine C (MMC) in patiënten met gevorderde levermetastasen van mammacarcinoom (LMBC). Prof. Geert Maleux (UZ Leuven) en collega’s publiceren de studie online in Breast Cancer Research and Treatment.1 Tussen begin 2000 en eind 2017 includeerde de studie 176 patiënten, van wie de meesten zwaar-voorbehandeld waren met een mediane tijd tussen de diagnose en de MMC-infusie van 36,9 maanden.

RECIST-beoordeling met CT-scans liet partiële respons zien in 15% van de lesies, stabiele ziekte in 43%, en progressieve ziekte in 17% (in de overige 25% was beoordeling niet mogelijk). Graad 3 en 4 adverse events werden gerapporteerd in 17,7% van de patiënten. De mediane progressievrije overleving was 5,5 maanden, en de mediane overall survival was 7,8 maanden. Statistisch significante baseline voorspellers van slechtere OS waren aantal eerdere lijnen systemische chemotherapie, geschiedenis van leverablatie, hogere tumorbelasting van de lever, en verhoogd niveaus van bilirubine en alanine-aminotransferase.

De onderzoekers concluderen dat MMC-infusie in patiënten met gevorderd LMBC veilig en effectief was. 

1.Aarts BM, Klompenhouwer EG, Dresen RC et al. Intra-arterial mitomycin C infusion in a large cohort of advanced liver metastatic breast cancer patients: safety, efficacy, and factors influencing survival. Breast Cancer Res Treat 2019; epub ahead of print

Summary: A retrospective study in Belgium and The Netherlands found that intra-arterial mytomycin C infusion in patients with liver metastases from breast cancer was safe and resulted in partial response in 15% of the liver lesions. The median OS was 7.8 months. Increased number of prior therapies, higher liver tumor burden, and elevated levels of bilirubin and ALT were associated with worse OS.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Impact van gedetailleerde familiegeschiedenis op relatief risico van longmaligniteit (0)
2019-05-08 14:03   ( Nieuws )
Tags:  lung cancer impact of detailed family history
Dr. Lisa Cannon-AlbrightGepubliceerde schattingen van het risico van een diagnose longcarcinoom aan de hand van familiegeschiedis zijn gewoonlijk gebaseerd op het voorkomen van de ziekte in nauwe verwanten. Een analyse van de SEER-database voor Utah heeft de impact van ziektegeschiedenis in verwanten tot en met de derde graad op het persoonlijk risico onderzocht. Dr. Lisa Cannon-Albright (University of Utah School of Medicine) en collega’s publiceren de analyse online in het Journal of Thoracic Oncology.1

De analyse includeerde 5048 longcarcinoom-patiënten met meer dan 1,3 miljoen constellaties van eerste-, tweede-, of derdegraads verwanten met of zonder longcarcinoom. Het relatief risico van longcarcinoom nam significant toe met iedere extra eerstegraads verwant met longcarcinoom, uiteenlopend van RR 2,57 (95%-bti 2,39-2,76) in geval van één eerstegraads verwant tot RR 4,24 (1,56-9,23) in geval van drie of meer eerstegraads verwanten met longcarcinoom. In afwezigheid van eerstegraads familiegeschiedenis was er een verhoogd risico dat toenam met het aantal tweedegraads verwanten met longcarcinoom, uiteenlopend van RR 1,41 (1,30-1,52) in geval van één tweedegraads verwant tot RR 4,76 (1,55-11,11) in geval van vier of meer tweedegraads verwanten met longcarcinoom. In afwezigheid van eerste- en tweedegraads familiegeschiedenis naar het relatief risico toe van RR 1,18 (1,11-1,24) in geval van één derdegraads verwant tot RR 1,55 (95%-bti 1.03-2,24) in geval van vier of meer derdegraads verwanten met longcarcinoom. De relatieve risico’s waren hoger met jeugdiger leeftijd bij diagnose van eerstegraads verwanten. Er waren geen waarneembare statistisch significante verschillen tussen impact van paternale versus maternale familiegeschiedenis op het risico.

De onderzoeker concluderen dat de analyse risicoverhogingen met een factor twee tot vijf heeft vastgesteld op basis van ruimere dan gebruikelijk gehanteerde familiegeschiedenis. Deze waarneming kan implicaties hebben voor het selecteren van kandidaten voor screening op longcarcinoom.

1.Cannon-Albright LA, Carr SR, Akerley W. Population-based relative risks for lung cancer based on complete family history of lung cancer. J Thor Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: An analysis of the SEER database for Utah quantified the relative risk of lung cancer according to number of first-, second-, and third-degree relatives with lung cancer.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

EndoPredict voor voorspelling van afstandsrecidief na alleen endocriene therapie voor ER+ HER2- mammacarcinoom (0)
2019-05-08 13:01   ( Nieuws )
Tags:  ER-positive HER2-negative breast cancer EndoPredict
Prof. Martin FilipitsPrognostische moleculaire testen kunnen wellicht bijdragen aan behandelkeuzen voor vrouwen met ER-positief HER2-negatief mammacarcinoom. Een heranalyse van twee gecombineerde Oostenrijkse studies heeft de waarde onderzocht van de 12-genen expressietest EndoPredict. Prof. Martin Filipits (Medische Universiteit Wenen) en collega’s publiceren de analyse online in Clinical Cancer Research.1



De analyse includeerde 1702 patiënten met ER+ HER2-mammacarcinoom, zowel patiënten met kliernegatieve als klierpositieve ziekte, die hadden deelgenomen aan de Austrian Breast & Colorectal Cancer Study Group (ABCSG)-6 en -8 studies en alleen endocriene therapie hadden gekregen. De follow-up op het moment van de nu gepubliceerde analyse was mediaan 9,6 jaar. Bij diagnose hadden 62,6% van de patiënten laag-risico EPclin scores. Laag-risico scores waren geassocieerd met een significant betere distant-recurrence free rate vergeleken met hogere scores (HR 4,77; p<0,0001). De tien-jaars DRFR van laag- versus hoog-risico scorepatiënten was beter in het gehele cohort (95,5% versus 80,3%) als ook in de subgroep van patiënten met kliernegatieve ziekte (95,5% versus 87,0%) als in de subgroep van patiënten met één tot drie positieve klieren (95,6% versus 80,9%). Vergelijkbare resultaten werden gezien voor laat recidief (vijf tot vijftien jaar na diagnose: lage versus hoge score DRFR-HR 4,52; p<0,0001).

De onderzoekers concluderen dat de analyse laat zien dat EndoPredict patiënten kan identificeren met laag risico van (vroeg of laat) recidief ongeacht nodale status. Deze patiënten kunnen veilig afzien van adjuvante chemotherapie of verlengde endocriene therapie.

1.Filipits M, Dubsky P, Rudas M et al. Prediction of distant recurrence using EndoPredict among women with ER+, HER2- node-positive and node-negative breast cancer treated with endocrine therapy only. Clin Cancer Res 2019; epub ahead of print

Summary: An analysis of the combined ABCSG-6/8 cohorts (n=1,702; median follow-up 9.6 years) found that in endocrine only treated ER-positive, HER2-negative breast cancer EndoPredict scores were significant predictors of distant recurrence-free rate after adjusting for clinical variables, regardless of nodal status. The analysis demonstrates that EndoPredict can identify patients at low risk of recurrence who may safely forgo adjuvant chemotherapy or extended endocrine therapy.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Effect van een enkele dosis aspirine voorafgaand aan FIT op detectie van CRC of gevorderd adenoom (0)
2019-05-08 11:55   ( Nieuws )
Tags:  FIT-detection of advanced colorectal neoplasia aspirin
Prof. Hermann BrennerFecale immunochemische testen (FITs) detecteren de meerderheid (70%-80%) van de colorectaalcarcinomen met hoge specificiteit (hoger dan 90%), maar ze detecteren slechts een minderheid van gevorderde adenomen. In een observationele studie is verhoogde sensitiviteit van FITs voor het detecteren van gevorderde adenomen gezien onder screeningsdeelnemers die lage-dosering aspirine gebruikten voor preventie van cardiovasculaire ziekte. Een plausibele verklaring zou kunnen zijn dat aspirine predisponeert voor subklinische bloeding, en dus de FIT-detectie van gevorderde adenomen zou kunnen verbeteren. Een studie in Duitsland heeft de waarde onderzocht van gebruik van aspirine voor fecale monstername voor het verbeteren van de FIT-sensitiviteit. Prof. Hermann Brenner (Deutsches Krebsforschungszentrum, Heidelberg) en collega’s publiceren de studie in JAMA.1

De studie, uitgevoerd in achttien Duitse centra, includeerde 2422 mannen en vrouwen in de leeftijd van veertig tot tachtig jaar die coloscopie zouden ondergaan. De gemiddelde leeftijd was 59,6 ± 7,9 jaar; 50% waren mannen. De deelnemers hadden geen recent gebruik van aspirine of andere middelen met antitrombotische werkzaamheid. Voor de coloscopie ondergingen de deelnemers een FIT. Ze werden gerandomiseerd naar een enkele dosis aspirine (300 mg; n=1208) of placebo (n=1214) twee dagen voor fecale monstername. Het primaire eindpunt van de studie was de sensitiviteit van de FIT bij twee vooraf-gedefinieerde afsnijwaarden (10,2 en 17 μg Hb per g feces) voor de detectie van CRC of gevorderd adenoom.

Onder de 2134 personen die in de analyse werden geïncludeerd werden met coloscopie gevorderde neoplasmen gedetecteerd in 224 deelnemers (10,5%) onder wie 8 deelnemers met CRC (0,4%) en 216 met gevorderd adenoom (10,1%). De FIT-sensitiviteit was 40,2% in de aspirinegroep versus 30,4% in de placebogroep bij de 10,2 μg/g-afsnijwaarde (p=0,14) en 28,6% in de aspirinegroep versus 22,5% in de placebogroep bij de 17 μg/g-afsnijwaarde (p=0,32).

De onderzoekers concluderen dat toediening van een enkele dosis aspirine vergeleken met placebo voorafgaand aan FIT niet resulteerde in statistisch significant hogere sensitiviteit van de test voor het detecteren van gevorderde colorectale neoplasmen bij de vooraf-gedefinieerde afsnijwaarden.

1.Brenner H, Calderazzo S, Seufferlein T et al. Effect of a single aspirin dose prior to fecal immunochemical testing on test sensitivity for detecting advanced colorectal neoplasms. A randomized clinical trial. JAMA 2019;321:1686-1692

Summary: A randomized study in 18 centers in Germany found that among adults aged 40 to 80 years not using aspirin or other antithrombotic medications, administration of a single dose of oral aspirin prior to fecal immunochemical testing, compared with placebo, did not significantly increase test sensitiviy for detecting advanced colorectal neoplasms at 2 predefined cutoffs of a quantitative fecal immunochemical test.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 1-studie van klinisch profijt van aurorakinase A remming in patiënten met myelofibrose (0)
2019-05-07 14:59   ( Nieuws )
Tags:  myelofibrosis aurora kinase A inhibition alisertib
Prof. John CrispinoMyelofibrose (MF) wordt gekenmerkt door beenmergfibrose, atypische megakaryocyten, splenomegalie, constitutionele symptomen, trombotische en hemorragische complicaties, en het risico van progressie naar acute leukemie. De januskinaseremmer ruxolitinib levert therapeutisch profijt, maar de werkzaamheid is slechts beperkt, zodat er behoefte is aan nieuwe behandelingen. Een fase 1-studie in drie centra in de Verenigde Staten heeft de veiligheid en werkzaamheid van de aurorakinase A-remmer alisertib voor MF onderzocht. Prof. John Crispino (Northwestern University, Chicago IL) en collega’s publiceren de studie online in Clinical Cancer Research.1

De studie includeerde 24 patiënten met DIPSS intermediair- (n=19) of hoog-risico (n=5) MF. Vijftien patiënten hadden eerder JAK-remmer gekregen. De patiënten kregen drieweekse cycli van alisertib 50 mg tweemaal daags op dagen één tot en met zeven. De behandeling werd goed verdragen, met graad 3 of 4 neutropenie in 42%, trombocytopenie in 29%, en anemie in 21% van de patiënten. Alisertib resulteerde in vermindering van splenomegalie in 29% en vermindering van de symptoomlast in 32%. In vijf van zeven patiënten met beschikbare sequentiële beenmergmonsters resulteerde de behandeling ook in normalisering van megakaryocyten en vermindering van de fibrose.

De onderzoekers concluderen dat de studie suggereert dat aurorakinase A-remming met alisertib klinisch profijt levert voor patiënten met intermediair- of hoog-risico MF.

1.Gangat N, Marinaccio C, Swords R et al. Aurora kinase A inhibition provides clinical benefit, normalizes megakaryocytes and reduces bone marrow fibrosis in patients with myelofibrosis. Clin Cancer Res 2019; epub ahead of print

Summary: A phase 1 study at three centers in the USA found that in patients with myelofibrosis targeting aurora kinase A with alisertib was well tolerated and resulted in reducing splenomegaly in 29% of the patients, reducing symptom burden in 32% of the patients, and in normalizing of megakaryocytes and reducing of bone marrow fibrosis in five of seven patients with available sequential marrow samples.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)