Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Recidief na lage dosering radiojodium ablatie voor gedifferentieerd schildkliercarcinoom (0)
2018-11-05 16:03   ( Nieuws )
Tags:  HiLo trial differentiated thyroid cancer low dose radioiodine ablation
Dr. Jonathan WadsleyTussen begin 2007 en eind 2010 randomiseerde de NCRI HiLo studie patiënten met gedifferentieerd schildkliercarcinoom 1:1:1:1 naar ablatie met lage versus standaard dosering 131I (1,1 GBq versus 3,7 GBq) met hetzij Thyrogen of thyroid hormone withdrawal (THW). De eerste analyse van de studie, zes tot negen maanden na de ablatie, liet zien dat er geen verschil was in ablatiesucces tussen lage en standaard dosering. Dr. Jonathan Wadsley (Weston Park Hospital, Sheffield UK) presenteert vandaag op de 2018 NCRI Cancer Conference in Glasgow een lange-termijn analyse van de studie, na mediaan 6,5 jaar follow-up.1

De analyse includeerde 434 patiënten. Recidief werd gezien in 21 patiënten, van wie er elf ablatie met 1,1 GBq en tien met 3,7 GBq hadden gekregen. De cumulatieve drie-, vijf-, en zeven-jaars recidiefpercentages waren 1,5%, 2,1%, en 5,9% met 1,1 GBq versus 2,1%, 2,7%, en 7,3% met 3,7 GBq (p=0,83). De lage dosering was niet geassocieerd met opvallend veel meer recidieven dan de standaard dosering binnen T- en N-stadium groepen, zelfs niet onder T3 patiënten. Slechts één patient (T3N0 bij baseline; ablatie met 1,1 GBq) overleed aan schildkliercarcinoom. Er waren ook geen verschillen in recidief tussen de Thyrogen- en THW-armen.

De onderzoekers concluderen dat de lange-termijn follow-up analyse laat zien dat onder patiënten met gedifferentieerd schildkliercarcinoom radiojodium-ablatie met 1,1 GBq even succesvol was als ablatie met 3,7 GBq, zowel met Thyrogen of THW.

1.Wadsley J et al. 2018 NCRI Cancer Conference, abstr. LBA 2148

Summary: The NCRI HiLo study randomised patients with differentiated thyroid cancer 1:1:1:1 to low versus standard dose radioiodine ablation (1,1GBq versus 3,7 GBq) with either Thyrogen or thyroid hormone witdrawal. After median follow-up of 6,5 years recurrence rates were similar in all arms. The authors conclude that this is reassuring evidence on the long-term value of using a low adminstered dose in selected cases.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Trends in mortaliteit van maligne melanoom in 33 landen, 1985-2015 (0)
2018-11-05 15:04   ( Nieuws )
Tags:  malignant melanoma mortality trends
In Glasgow is gisteren de 2018 NCRI (National Cancer Research Institute, UK) Cancer Conference begonnen. Dorothy Yang (Royal Free London NHS Foundation Trust) presenteerde daar een analyse van trends in de mortaliteit van maligne melanoom (MM).1 De observationele analyse is gebaseerd op de WHO mortality database voor de periode van 1985 tot en met 2015.

De analyse includeerde gegevens over 33 landen. Voor beide geslachten was de drie-jaars gemiddelde leeftijds-gestandaardiseerde mortaliteit (ASDR) van MM voor 2013 tot en met 2015 het hoogst in Australië (mannen 5,72 per 100.000; vrouwen 2,53 per 100.000) en Slovenië (mannen 3,86 per 100.000; vrouwen 2,58 per 100.000) en het laagst in Japan (mannen 0,24 per 100.000; vrouwen 0,18 per 100.000). In Nederland was de MM-mortaliteit (voor 2013 tot en met 2015) 3,37 per 100.000 mannen en 2,19 per 100.000 vrouwen. In alle landen was de MM-mortaliteit hoger in mannen dan in vrouwen. In alle landen behalve de Tsjechische republiek nam de MM-mortaliteit onder mannen toe in de loop van de observatieperiode, terwijl de MM-mortaliteit onder vrouwen stabiel bleef of afnam. De sterkste afname werd gezien onder vrouwen in de Tsjechische republiek (-23,4%) en in Israël (-15,5%).

De onderzoekers concluderen dat er een aanhoudende wereldwijde geslachts-dispariteit was in MM-mortaliteit over de afgelopen dertig jaar.

1.Yang D et al. 2018 NCRI Cancer Conference, abstr. 1952

Summary: An analysis of the WHO mortality database for 1985 -2015, presented at the 2018 NCRI Cancer Conference in Glasgow, showed that there is a persisting global sex disparity in mortality from malignant melanoma. In some regions, this is due either to greater increases in mortality rates in males compared to females, or to decreasing or stabilising mortality trends in females not paralleled in males.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Risicofactoren voor chemotherapie-geïnduceerde perifere neuropathie onder oudere patiënten met mammacarcinoom (0)
2018-11-05 13:48   ( Nieuws )
Tags:  breast cancer chemotherapy-induced peripheral neuropathy
Prof. Mark GreenwaldChemotherapie-geïnduceerde perifere neuropathie (CIPN) is een gebruikelijke en invaliderende consequentie van neurotoxische behandelingen. Prof. Mark Greenwald (Wayne State University, Detroit MI) en collega’s hebben een analyse uitgevoerd van risicofactoren voor CIPN onder vrouwen in de leeftijd van 66 jaar en ouder die chemotherapie kregen voor stadium II tot en met IV mammacarcinoom, zonder diagnose van een andere maligniteit en zonder eerder-bestaande neuropathie. Ze publiceren de analyse online in Cancer.1

In de SEER-Medicare database identificeerden de onderzoekers 11.149 patiënten die aan de inclusiecriteria voldeden. Voor 8,3% van de patiënten in dit cohort bevatte de database nieuwe CIPN-claims binnen een jaar na het begin van de chemotherapie. Het risico van nieuwe CIPN-claims werd waarneembaar vanaf de derde maand na de start van de chemotherapie en bleef gedurende een jaar bestaan. Paclitaxel als onderdeel van eerstelijns behandeling was geassocieerd met verhoging van het risico met een factor 2,7 vergeleken met niet-neurotoxische therapie (15,9% versus 5,0%), gevolgd door carboplatine plus paclitaxel (11,9%), carboplatine plus docetaxel (9,3%), carboplatine monotherapie (7,7%), en docetaxel monotherapie (6,6%). De CIPN-incidentie was hoger onder vrouwen die jonger waren ten tijde van de diagnose, stadium II of III ziekte hadden, gehuwd of samenwonend waren, en minder comorbiditeiten hadden. De CIPN-incidentie was niet afhankelijk van ras/etniciteit of armoedeniveau.

De onderzoekers concluderen dat vrouwen in de leeftijd van 66 jaar en ouder die taxanen of platina-verbindingen krijgen voor mammacarcinoom gevoelig zijn voor CIPN, met een risico dat ongeveer drie maanden na de start van de chemotherapie zichtbaar wordt.

1.Greenwald MK, Ruterbush JJ, Beebe-Dimmer JL et al. Risk of incident claims for chemotherapy-induced peripheral neuropathy among women with breast cancer in a Medicare population. Cancer 2018; epub ahead of print

Summary: An analysis of the SEER-Medicare claims database identified risk factors for chemotherapy-induced periferal neuropathy among women older than 65 years with breast cancer. The analysis showed that these women are susceptible to CIPN from taxane and/or platinum compounds, with risk emerging approximately 3 months into treatment.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Profijt van chemotherapie in mammacarcinoom-patiënten met met intermediare recurrence score (0)
2018-11-05 12:51   ( Nieuws )
Tags:  breast cancer intermediate recurrence score chemotherapy benefit
Dr. Abiola IbraheemDe Oncotype DX recurrence score (RS) wordt gebruikt bij het maken van de keus ten aanzien van chemotherapie voor patiënten met HR-positief HER2-negatief mammacarcinoom. In patiënten met een intermediaire score (11 tot en met 25) is geen profijt van chemotherapie gezien in vrouwen in de leeftijd van vijftig jaar en ouder met kliernegatieve ziekte, maar het profijt van chemotherapie in de patiënten met klierpositieve ziekte en een intermediaire RS is niet duidelijk. Dr. Abiola Ibraheem (University of Chicago IL) en collega’s hebben een analyse van de National Cancer Database uitgevoerd om meer duidelijkheid over dit onderwerp te krijgen aan de hand van real world data. Ze publiceren de analyse online in Cancer.1

In de NCDB voor de periode begin 2010 tot eind 2014 identificeerden de onderzoekers 73.185 vrouwen met een diagnose stadium I tot en met IIIA en een RS van 11 tot en met 30. In dit cohort was, na correctie voor andere prognostische factoren, chemotherapie geassocieerd met verlaagd risico van overlijden onder patiënten met klierpositieve ziekte (HR 0,58; p<0,001). Het vijf-jaars overlevingsprofijt van chemotherapie was 1,3% in de subgroep met RS 11 tot 18; 3,3% in de subgroep met RS 18 tot 26; en 6,7% in de subgroep met RS 26 tot en met 30. Onder patiënten met kliernegatieve ziekte was chemotherapie geassocieerd met verlaging van het risico van overlijden in de subgroep met RS 25 tot en met 30 (HR 0,68; p=0,03; vijf-jaars overlevingswinst 1,8%), maar het profijt was marginaal in vrouwen met RS 18 tot 25 (HR 0,79; p=0,05), en er was geen profijt in de subgroep met RS 11 tot 18 (HR 0,97; p=0,90).

De onderzoekers concluderen dat het overlevingsprofijt van chemotherapie voor mammacarcinoom met een RS in de intermediare range niet-lineair gedreven wordt door RS: naarmate de RS hoger is is het absolute overlevingsprofijt groter.

1.Ibraheem AF, Press DJ, Olopade OI, Huo D. Community clinical practice patterns and mortality in patients with intermediate oncotype DX recurrence scores: Who benefits from chemotherapy? Cancer 2018; epub ahead of print

Summary: An analysis of the National Cancer Database showed that the benefit of chemotherapy for patients with breast cancer who have an Oncotype DX recurrence score (RS) in the range of 11 to 30 is driven in a nonlinear fashion by RS: the higher the RS, the larger the absolute benefit.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fluoropyrimidines, irinotecan en bevacizumab voor mCRC: sequentiële versus combinatietherapie (0)
2018-11-04 15:57   ( Nieuws )
Tags:  metastatic colorectal cancer XELAVIRI study
Dr. Dominik ModestDe optimale behandelstrategie voor niet-eerder behandeld metastatisch colorectaalcarcinoom is niet duidelijk. De Duitse multicenter non-inferioriteits fase 3-studie XELAVIRI randomiseerde mCRC-patiënten naar eerstelijns behandeling met een fluoropyrimidine plus bevacizumab, gevolgd door toevoeging van irinotecan bij eerste progressie (arm A), of upfront fluoropyrimidine plus irinotecan plus bevacizumab (arm B). Dr. Dominik Modest (Ludwig-Maximilians Universität, München) en collega’s publiceren de studie online in het Journal of Clinical Oncology.1

De studie randomiseerde 212 patiënten naar arm A en 209 naar arm B. De mediane leeftijd in de beide armen was 71 respectievelijk 69 jaar. Het primaire eindpunt van de studie was time to failure of the strategy (TFS), met als non-inferioriteitsmarge een HR van 0,8. Non-inferioriteit werd niet aangetoond, met voor arm B versus arm A HR 0,86 (90%-bti 0,73 tot 1,02). Patiënten met RAS/BRAF-wildtype tumoren hadden significant betere TFS in arm B dan in arm A (HR 0,61; p=0,005), terwijl er voor patiënten met RAS-mutant tumoren geen significant TFS-verschil was tussen beide armen (HR 1,09; p=0,58). De p voor interactie tussen studie-arm en RAS-status was 0,03.

De onderzoekers concluderen dat voor TFS non-inferioriteit van sequentiële therapie vergeleken met initiële combinatietherapie niet is aangetoond. De upfront combinatietherapie was significant superieur voor RAS/BRAF-wildtype tumoren, maar er was geen TFS-verschil tussen beide behandelingen voor RAS-mutant tumoren.

1.Modest DP, Fischer von Weikersthal L, Decker T et al. Sequential versus combination therapy of metastatic colorectal cancer using fluoropyrimidines, irinotecan, and bevacizumab: a randomized, controlled study – XELAVIRI (AIO KRK0110). J Clin Oncol 2018; epub ahead of print

Summary: The German multicenter phase 3 study XELAVIRI randomized mCRC patients to initial treatment with a fluoropyrimidine plus bevacizumab, followed by addition of irinotecan at first progression (arm A) or upfront use of fluoropyrimidine plus irinotecan plus bevacizumab (arm B). For the primary efficacy endpoint time to failure of the strategy (TFS) the arm B treatment was clearly superior in RAS/BRAF wild-type tumors, whereas there was no TFS-difference between the arms in patients with RAS mutant tumors.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Waarde van toevoegen van lokale therapie aan EGFR-TKIs voor EGFR-gemuteerd NSCLC met levermetastasen (0)
2018-11-04 14:28   ( Nieuws )
Tags:  EGFR-mutant NSCLC with liver metastases local therapy
Prof. Caicun ZhouEen retrospectieve analyse in China onderzocht de waarde van toevoegen van lokale therapie aan behandeling met EGFR-TKIs voor EGFR-gemuteerd NSCLC met oligometastatische of oligoprogressieve levermetastasen. Prof. Caicun Zhou (Tongji Universiteit, Shanghai) en collega’s publiceren de studie online in het International Journal of Cancer.1 De analyse includeerde 43 patiënten met oligometastatische ziekte en 49 patiënten met oligoprogressieve ziekte. Het primaire eindpunt van de analyse was progressievrije overleving; secundaire eindpunten waren overall survival en patronen van behandelfalen.

In alle patiënten tezamen was toevoegen van lokale therapie geassocieerd met significant langere PFS (13,8 versus 8,6 maanden; p<0,001) en OS (31,2 versus 18,5 maanden; p<0,001). In het oligometastatische cohort kregen 20 patiënten EGFR-TKIs en 23 patiënten EGFR-TKIs plus lokale therapie als eerstelijns behandeling. Toevoeging van lokale therapie resulteerde in significante verlenging van de PFS (12,9 maanden versus 7,9 maanden; p=0,041) en OS (36,8 maanden versus 21,3 maanden; p=0,034). In het oligoprogressieve cohort kregen 24 patiënten voortzetting van EGFR-TKIs plus lokale therapie, terwijl 25 patiënten switchten naar chemotherapie. De mediane PFS2 (13,9 maanden versus 9,2 maanden; p=0,007) en OS (28,3 maanden versus 17,1 maanden) waren significant langer in de EGFR-TKI plus lokale therapie groep dan in de switchen naar chemotherapie groep. Ontwikkeling van afstandsmetastasen was het belangrijkste patroon van behandelfalen in de EGFR-TKI plus lokale therapie groep, terwijl locoregionaal recidief het belangrijkste patroon van behandelfalen was in de EGFR-TKI of switchen naar chemotherapie groep.

De onderzoekers concluderen dat de analyse suggereert dat toevoegen van lokale therapie aan EGFR-TKIs resulteerde in verlenging van PFS en OS in EGFR-mutant NSCLC met oligometastatische of oligoprogressieve levermetastasen.

1.Jiang T, Chu Q, Wang H et al. EGFR-TKIs plus local therapy demonstrated survival benefit than EGFR-TKIs alone in EGFR-mutant NSCLC patients with oligometastatic or oligoprogressive liver metastases. Int J Cancer 2018; epub ahead of print

Summary: A retrospective analysis in China found that addition of local therapy to EGFR-TKIs resulted in prolonging of progression-free and overall survival of patients with EGFR-mutated NSCLC with oligometastatic or oligoprogressive liver metastases.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie van aspirine- en NSAID-gebruik met risico van verschillende moleculaire subtypen van colorectaalcarcinoom (0)
2018-11-04 12:57   ( Nieuws )
Tags:  colorectal cancer molecular subtypes aspirin NSAID use
Dr. Efrat AmitayIn eerdere studies zijn inverse associaties gezien tussen regelmatig gebruik van aspirine of NSAIDS met het risico van colorectaalcarcinoom. CRC is echter een heterogene ziekte. Een Duitse bevolkings-gebaseerd patiënt-controlestudie heeft onderzocht of de relatie tussen aspirine- of NSAID-gebruik met het risico verschilt voor de afzonderlijke moleculaire subtypen van CRC. Dr. Efrat Amitay (Deutsches Krebsforschungszentrum, Heidelberg) en collega’s publiceren de studie online in het Journal of the National Cancer Institute.1

De studie includeerde 2444 patiënten met een eerste CRC-diagnose en 3130 gezonde controlepersonen. De onderzoekers bepaalden in tumormonsters majeure pathologische kenmerken, te weten microsatellietinstabiliteit (MSI), CpG island methylator fenotype, BRAF-mutaties, en KRAS-mutaties. Informatie over vroeger en huidig gebruik van aspirine/NSAIDs werd verzameld met gestandaardiseerde interviews.

De analyse laat zien dat regelmatig gebruik van NSAIDs geassocieerd was met verlaagd risico van CRC als de tumoren MSS waren (OR 0,66; 95%-bti 0,57-0,77), of BRAF-wildtype (OR 0,67; 95%-bti 0,58-0,78), of KRAS-wildtype (OR 0,68; 95%-bti 0,58-0,80). Regelmatig NSAID-gebruik was minder sterk, en in de meeste gevallen niet statistisch significant, geassocieerd met het risico van MSI-H, BRAF-gemuteerd, of KRAS-gemuteerd CRC. Meer-gedetailleerde analyses van het risico van MSI-H CRC wezen uit dat regelmatig gebruik van NSAIDs geassocieerd was met een veel sterkere risicoreductie in afwezigheid van BRAF- of KRAS-mutaties (OR 0,34; 95%-bti 0,18-0,65) dan in aanwezigheid van deze mutaties (p voor heterogeniteit <0,001). Voor aspirinegebruik werden vergelijkbare associaties gezien als voor NSAID-gebruik.

De onderzoekers concluderen dat de studie variatie heeft laten zien in risicoreductie van verschillende CRC-subtypen door gebruik van NSAIDs of aspirines.

1.Amitay E, Carr P, Jansen L et al. Association of aspirin and nonsteroidal anti-inflammatory drugs with colorectal cancer risk by molecular subtypes. J Natl Cancer Inst 2018; epub ahead of print

Summary: A German population-based case control study (2444 cases with a first CRC diagnosis and 3130 healthy controls) found variation in risk reduction of CRC subtypes following regular use of NSAIDs or aspirin. Regular NSAID/aspirin use was more strongly associated with reduction of risk of MSI-high CRC without KRAS or BRAF mutation than of other subtypes.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 2-studie van vijf jaar adjuvant imatinib na resectie voor intermediair- of hoog-risico primaire GIST (0)
2018-11-03 15:58   ( Nieuws )
Tags:  PERSIST-5 trial intermediate- or high-risk GIST adjuvant imatinib
Dr. Chandrajit RautHet is bekend dat drie jaar adjuvant imatinib vergeleken met één jaar adjuvant imatinib na resectie voor hoog-risico primaire GIST geassocieerd is met lager percentage patiënten met recidief en met betere overall survival. De impact van langere duur van adjuvant behandeling is niet bekend. De fase 2-studie PERSIST-5 onderzocht uitkomsten van vijf jaar adjuvant imatinib na resectie voor primaire GIST met intermediair of hoog risico van recidief. Dr. Chandrajit Raut (Brigham and Women’s Hospital, Boston MA) en collega’s publiceren de studie online in JAMA Oncology.1

De studie, uitgevoerd in 21 centra in de Verenigde Staten, includeerde 91 volwassen patiënten (48 mannen en 43 vrouwen; mediane leeftijd 60 jaar in een range van 30 tot 90 jaar) na macroscopisch complete resectie voor primaire GIST met expressie van KIT. De mediane tumorgrootte was 6,5 cm (range 2,3 tot 30,0 cm). De patiënten kregen oraal imatinib 400 mg eenmaals daags gedurende vijf jaar of tot progressie van de ziekte of intolerantie optrad. De mediane duur van de behandeling was 55,1 maanden (range 0,5 tot 60,6 maanden); 46 patiënten voltooiden vijf jaar imatinib-therapie.

Recidief werd gezien in zeven patiënten. Eén patiënt had reciverende ziekte tijdens de therapie en overleed (PDGFRA D842V mutatie). De overige zes patiënten hadden recidief na discontinuering van de therapie, binnen twee jaar na discontinuering. Vijfenveertig patiënten (49%) discontinueerden de behandeling voortijdig vanwege patient choice (21% van alle patiënten), adverse events (16%), of andere redenen (12%). Alle patiënten ervoeren tenminste één AE, en zeventien patiënten (19%) ervoeren graad 3 of 4 AEs.

De onderzoekers concluderen dat onder de patiënten met imatinib-gevoelige mutaties niet één patiënten tijdens vijf jaar adjuvant imatinib recidief had. Onder de patiënten met terugkerende ziekte trad recidief op binnen twee jaar na discontinuering van de behandeling. Ongeveer de helft van de patiënten discontinueerden de behandeling voortijdig.

1.Raut CP, Espat NJ, Maki RG et al. Efficacy and tolerability of 5-year adjuvant imatinib treatment for patients with resected intermediate- or high-risk primary gastrointestinal stromal tumor. The PERSIST-5 clinical trial. JAMA Oncol 2018; epub ahead of print

SummaryThe multicenter phase 2 study PERSIST-5 was the first 5-year adjuvant imatinib trial of patients with resected GIST. The study found no disease recurrence in patients with imatinib-sensitive mutations recurrence during 5 years adjuvant imatinib therapy. For patients in whom the disease recurred, recurrence was within 2 years of discontinuation of imatinib. Early discontinuation of the treatment occurred in 49% of patients; in 21% because of patient choice.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)