Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Lange-termijn uitkomsten van partiële prostaatbehandeling voor gunstig-risico prostaatcarcinoom (0)
2018-07-07 14:53   ( Nieuws )
Tags:  prostate cancer partial prostate treatment
Dr. Martin KingPartiële prostaatbehandeling zou een methode kunnen zijn voor lage-toxiciteit behandeling van patiënten met gunstig-risico prostaatcarcinoom. Dr. Martin King (Brigham and Women’s Hospital, Boston MA) en collega’s hebben eerder laten zien dat partiële prostaatbehandeling, met MRI-geleide brachytherapie, resulteerde in slechte biochemische ziektecontrole in patiënten met intermediair-risico ziekte. Ze publiceren nu online in Cancer uitkomsten voor afstandsmetastasen en prostaatcarcinoom-specifieke mortaliteit (PCSM) in dit cohort.1

De studie includeerde 354 mannen met klinisch T1c-ziekte, PSA lager dan 15 ng/ml, en Gleason graad niet hoger dan 3+4. De patiënten ondergaing partiële prostaatbehandeling met MRI-geleide brachytherapie naar de perifere zone. Tijdens mediaan elf jaar follow-up (IQR 6,9-13,9 jaar) werden afstandsmetastasen gezien in 22 patiënten. Het twaalf-jaars cumulatieve risico van afstandsmetastasen was 0,8% voor patiënten met (NCCN) zeer-laag risico ziekte; 8,7% voor patiënten met laag-risico ziekte; en 15,7% voor patiënten met intermediair-risico ziekte.De PCSM in deze drie groepen was 1,6%; 1,4%; en 8,2%. In multivariate analyse was NCCN-risicogroep significant geassocieerd met de tijd tot metastase.

De onderzoekers concluderen dat partiële prostaatbehandeling met brachytherapie voor prostaatcarcinoom geen goede optie is voor patiënten met intermediair-risico ziekte.

1.King MT, Nguyen PL, Boldbaatar N et al. Long-term outcomes of partial prostate treatment with magnetic resonance imaging-guided brachytherapy for patients with favorable-risk prostate cancer. Cancer 2018; epub ahead of print

Summary: A study published in Cancer showed that partial prostate treatment with brachytherapy for prostate cancer resulted in high rates of distant metastases and prostate cancer specific mortality in the group with intermediate risk disease.

  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Impact van neoadjuvante chemotherapie op mammacarcinoom-subtype (0)
2018-07-07 13:26   ( Nieuws )
Tags:  change of breast cancer subtype during neoadjuvant chemotherapy
Dr. Stacey UgrasSubtype van mammacarcinoom, bepaald aan de hand van de expressie van ER en PR (samen gedefinieerd als HR-status) en de expressie van HER2, is van belang voor het voorspellen van de prognose en het geleiden van de behandeling. Dr. Stacy Ugras (University of Pennsylvania, Philadelphia) en collega’s hebben onderzocht in hoeverre neoadjuvante chemotherapie (NACT) kan leiden tot verandering van het subtype van mammacarcinoom, en wat de impact van een dergelijke verandering is op het therapeutisch management. Ze publiceren de studie online in Annals of Surgical Oncology.1

De onderzoekers voerden een retrospectief onderzoek uit van alle patiënten die tussen begin 2009 en eind 2014 in Philadelphia NACT kregen voor mammacarcinoom, en voor wie initiële biopsie- en post-NACT chirurgische specimina beschikbaar waren. Dit waren 52 patiënten met 54 mammacarcinomen. In 23 tumoren werd complete pathologische respons bereikt (42,6%), en in 31 werd residuele ziekte gezien (57,4%). In vijf van 31 tumoren (16,1%) was het tumorsubtype na de NACT veranderd: van HR-positief naar HR-negatief in twee tumoren, van HR-negatief naar HR-positief in één, van HER2-positief naar HER2-negatief in één, en van HER2-negatief naar HER2-positief in één. In alle vijf gevallen resulteerde de verandering van subtype in verandering van de adjuvante behandeling, met hetzij toevoeging of discontinuering van behandelingen.

De onderzoekers concluderen dat in patiënten met mammacarcinoom na neoadjuvante chemotherapie verandering van het tumor-subtype kan worden gezien, die verandering van de adjuvante behandeling noodzakelijk kan maken.

1.De La Cruz LM, Harhay MO, Zhang P, Ugras S. Impact of neoadjuvant chemotherapy on breast cancer subtype: does subtype change an, if so, how? Ann Surg Oncol 2018; epub ahead of print

Summary: A study at the University of Pennsylvania showed that patients with breast cancer may experience alterations in their tumor subtype after neoadjuvant chemotherapy (in this study 5 of 31 patients). This led to a change in adjuvant treatment in all 5 patients.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie van consumptie van fruit en groenten met incidentie van mammacarcinoom (0)
2018-07-07 11:57   ( Nieuws )
Tags:  breast cancer fruit and vegetable consumption Nurses' Health Study
Dr. Heather EliassenDr. Heather Eliassen (Harvard School of Public Health, Boston MA) en collega’s hebben een analyse uitgevoerd van de associatie van de consumptie van fruit en groenten met de incidentie van mammacarcinoom. Ze publiceren de analyse online in het International Journal of Cancer.1 De analyse is gebaseerd op gegevens van 182.145 vrouwen in de Nurses’ Health Study (follow-up 32 jaar) en de Nurses’ Health Study II (follow-up 22 jaar). Bij inclusie en iedere drie of vier jaar tijdens de follow-up gaven de deelneemsters informatie over hun voedingsgewoonten door het beantwoorden van gevalideerde voedingsvragenlijsten.

Tijdens de follow-up werd incident invasief mammacarcinoom in de twee cohorten gezien in 10.911 deelneemsters. Hogere consumptie van totaal fruit en groenten, met name kruisbloemige en geel/oranje groenten, was geassocieerd met significant lagere incidentie van mammacarcinoom (meer dan 5,5 versus 2,5 of minder porties per dag HR 0,89; p trend=0,005). Consumptie van totaal groenten was speciaal geassocieerd met lager risico van ER-negatieve tumoren (per 2 additionele porties per dag HR 0,85; p heterogeniteit=0,02).Onder moleculaire subtypen was hogere consumptie van totaal fruit en groenten het sterkst geassocieerd met lager risico van HER2-verrijkt (HR 0,78; 95%-bti 0,66-0,92), basal-like (HR 0,85; 95%-bti 0,73-0,99), en luminal A (HR 0,94; 95%-bti 0,89-0,99), maar niet luminal B tumoren (p heterogeniteit = 0,03).

De onderzoekers concluderen dat de analyse suggereert dat hogere consumptie van fruit en groenten, met name kruisbloemige en geel/oranje groenten, geassocieerd kan zijn met verlaging van het risico van mammacarcinoom, met name van de meer agressieve tumoren.

1.Farvid MS, Chen WY, Rosner BA et al. Fruit and vegetable consumption and breast cancer incidence: repeated measures of 30 years of follow-up. Int j Cancer 2018; epub ahead of print

Summary: An analysis of the Nurses’ Health Study and Nurses’ Health Study II suggests that higher intake of fruits and vegetables, specifically cruciferous and yellow/orange vegetables, may reduce the risk of breast cancer, especially breast cancer more likely to be aggressive.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 2-studie van docetaxel-bevattend nanodeeltje BIND-014 voor metastatisch castratieresistent prostaatcarcinoom (0)
2018-07-06 15:02   ( Nieuws )
Tags:  BIND-014 mCRPC
Dr. Karen AutioProstate-specific membrane antigen (PSMA) is een celoppervlakeiwit dat wordt gezien op de meeste prostaatcarcinoomcellen maar niet in gezond weefsel. Expressie van PSMA op het celoppervlak en de snelle internalisatie van PSMA-bindende therapeutische middelen kan worden gebruikt voor preferentiële aflevering van middelen in tumoren. BIND-014 is een docetaxel-bevattend nanodeeltje dat zich aan PSMA kan binden, en zo docetaxel kan afleveren in tumoren met expressie van PSMA terwijl gezond weefsel wordt ontzien. Dr. Karen Autio (Memorial Sloan Kettering Cancer Center, New York) en collega’s hebben een fase 2-studie uitgevoerd van de veiligheid en werkzaamheid van BIND-014 voor metastatisch castratieresistent prostaatcarcinoom (mCRPC). Ze publiceren de studie online in JAMA Oncology.1

De multicenterstudie includeerde chemotherapie-naïeve patiënten met mCRPC dat progressie vertoonde na behandeling met abirateron en/of enzalutamide. Ze kregen BIND-014 intraveneus 60 mg/m2 op de eerste dag van drie-weekse cycli in combinatie met prednison, tot ziekteprogressie of niet-acceptabele toxiciteit optrad. Het primaire eindpunt was radiografische-progressievrije overleving (rPFS). Secundaire eindpunten waren PSA-respons (tenminste 50% afname vergeleken met baseline) en veranderingen in CTC-gehalte (van vijf of meer naar minder dan vijf CTCs per 7,5 ml bloed).

De mediane leeftijd van de 42 geïncludeerde patiënten (34 blank; 81%) was 66 jaar (range 50-85) en het mediane aantal BIND-014 doses was zes (range één tot eenentwintig). De mediane rPFS was 9,9 maanden (95%-bti 7,1-12,6 maanden). PSA-respons werd gezien in twaalf van veertig patiënten (30%), meetbare ziekterespons in zes van negentien patiënten (32%), en CTC-conversies in dertien van zesentwintig (50%). Na de behandeling waren gehalten van PSMA-positieve CTCs preferentieel verlaagd. Behandelings-gerelateerde adverse events waren graad 1 of 2 vermoeidheid (69% van de patiënten), misselijkheid (55%), neuropathie (33%), en neutropene koorts (2%; één patiënt).

De onderzoekers concluderen dat de studie suggereert dat behandeling met BIND-014 actief is en goed verdragen wordt in patiënten met chemotherapie-naïef mCRPC. Als de antitumor-werkzaamheid gerelateerd is aan PSMA-expressie door CTCs zouden patiënten die waarschijnlijk baat hebben bij de behandeling wellicht voor aanvang van de behandeling worden geïdentificeerd.

1.Autio KA, Dreicer R, Anderson J et al. Safety and efficacy of BIND-014, a docetaxel nanoparticle targeting prostate-specific membrane antigen for patients with metastatic castration-resistant prostate cancer. A phase 2 clinical trial. JAMA Oncol 2018; epub ahead of print

Summary: A multicenter phase 2 study suggests that the docetaxel-containing PSMA-targeting nanoparticle BIND-014 is active and well tolerated in patients with chemotherapy-naïve mCRPC.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 2-studie van poziotinib voor eerder-behandeld HER2-positief metastatisch mammacarcinoom (0)
2018-07-06 14:04   ( Nieuws )
Tags:  HER2-positive MBC poziotinib
De introductie van HER2-gerichte behandelingen (trastuzumab, pertuzumab, lapatinib, trastuzumab emtansine) voor HER-positief metastatisch mammacarcinoom (MBC) heeft geresulteerd in aanzienlijke verbetering van de uitkomsten van de behandeling. Desondanks wordt na verloop van tijd in de meeste patiënten alsnog progressie gezien. Poziotinib is een orale pan-HER kinaseremmer die kan leiden tot irreversibele remming van de kinasen. Prof. Yeon Hee Park (Samsung Medisch Centrum, Seoel, Zuid-Korea) en collega’s hebben een multicenter fase 2-studie uitgevoerd van poziotinib monotherapie voor HER2-positief MBC na progressie op tenminste twee eerdere HER2-gerichte behandelingen. Ze publiceren de studie vandaag online in het International Journal of Cancer.1

De studie includeerde 106 patiënten van zeven centra in Zuid-Korea. De mediane leeftijd was 51 jaar (range 30-76 jaar), en ze hadden mediaan vier eerdere behandelingen voor gevorderde ziekte gehad. Ze kregen poziotinib 12 mg eenmaal daags op de eerste veertien dagen van drie-weekse cycli. De mediane follow-up was 12 maanden. Het primaire eindpunt van de studie was progressievrije overleving. De mediane PFS was 4,04 maanden (95%-bti 2,94-4,40 maanden). De mediane overall survival werd niet bereikt. De meest-gerapporteerde adverse events waren diarree (any grade 96% van de patiënten; graad 3 of hoger 14,1%), stomatitis (92,5%; 12,3%), en rash (63,2%; 3,8%).

De onderzoekers concluderen dat poziotinib betekenisvolle activiteit heeft laten zien voor zwaar-voorbehandeld HER2-positief MBC, met diarree en stomatitis als belangrijkste toxiciteiten.

1.Park YH, Lee K-H, Sohn JH et al. A phase II trial of the pan-HER inhibitor poziotinib, in patients with HER2-positive metastatic breast cancer who had received at least two prior HER2-directed regimens: results of the NOV120101-203 trial. Int J Cancer 2018; epub ahead of print

Summary: A multicenter phase 2 study in South Korea showed activity of the oral pan-HER kinase inhibitor poziotinib for HER2-positive metastatic breast cancer after at least two prior HER2-directed regimens.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Gepoolde analyse van PFS als surrogaat-eindpunt voor OS in eerstelijns DLBCL (0)
2018-07-06 13:02   ( Nieuws )
Tags:  diffuse large B-cell lymphoma individual patient-level analysis SEAL
Dr. Qian ShiOverall survival is het definitieve werkzaamheidseindpunt voor het vergelijken van behandelingen voor diffuus grootcellig B-cel lymfoom (DLBCL), maar het beoordelen van dit eindpunt vereist langdurige follow-up. Een vroeger eindpunt zou het uitvoeren van klinische studies kunnen versnellen en de beschikbaarheid van effectieve nieuwe behandelingen kunnen vervroegen. De individual patient-level analysis van gerandomiseerde studies SEAL onderzocht of progressievrije overleving en PFS na 24 maanden (PFS24) geschikte surrogaat-eindpunten zijn voor OS in studies van eerstelijns therapie voor DLBCL. Dr. Qian Shi (Mayo Clinic, Rochester MN) en collega’s publiceren de analyse online in het Journal of Clinical Oncology.1

De analyse includeerde 7507 patiënten van dertien multicenter gerandomiseerde studies van actieve behandeling in voorheen niet-behandeld DLBCL. De studies waren gepubliceerd na 2002. De surrogacy van PFS voor OS was op studieniveau sterk (R2WLS= 0,83; R2Copula=0,85) en voldeed aan de vooraf-gespecificeerde criteria. Op patiënt-niveau was PFS sterk gecorreleerd met OS. De surrogacy was consistent over vergelijking met of zonder rituximab en met rituximab-onderhoudstudies. De surrogacy van PFS24 voldeed op studieniveau niet aan de vooraf-gespecificeerde criteria, maar op patiënt-niveau was PFS24 significant gecorreleerd met OS.

De onderzoekers concluderen dat de analyse suggereert dat PFS een geschikt surrogaat eindpunt is voor OS in studies van eerstelijns-behandeling van DLBCL.

1.Shi Q, Schmitz N, Ou F-S et al. Progression-free survival as a surrogate end point for overall survival in first-line diffuse large B-cell lymphoma: an individual patient-level analysis of multiple randomised trials (SEAL). J Clin Oncol 2018; epub ahead of print

Summary: An individual patient-level analysis of 13 multicenter randomized controlled trials (7,507 patients) of first-line therapy for DLBCL showed that PFS is a good surrogate end point for OS.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Gerandomiseerde studie van systemische therapie na betrokken-veld radiotherapie voor vroeg-stadium folliculair lymfoom (0)
2018-07-06 12:03   ( Nieuws )
Tags:  TROG 99.03 study follicular lymphoma IFRT
Prof. Michael MacManusInvolved-field radiotherapy (IFRT) kan resulteren in genezing van minder dan de helft van de patiënten met stadium I of II folliculair lymfoom (FL). Prof. Michael MacManus (Peter MacCallum Cancer Centre, Melbourne) en collega’s hebben onderzocht of toevoeging van systemische therapie aan de behandeling zou leiden tot betere lange-termijn progressievrije overleving. Ze publiceren de TROG 99.03-studie online in het Journal of Clinical Oncology.1

De studie werd uitgevoerd in centra in Australië, Canada, en Nieuw-Zeeland. Tussen begin 2000 en eind 2012 includeerde de studie 150 patiënten met stadium I (75%) of II (25%) laaggradig FL. De mediane leeftijd was 57 jaar; 52% was man. De patiënten werden gerandomiseerd naar arm A (n=75; alleen IFRT 30 Gy) of arm B (n=75; IFRT plus zes cycli cyclofosfamide, vincristine, en prednisolon; na een protocolwijziging in 2006 CVP plus rituximab). In arm B kregen 44 patiënten CVP en 31 R-CVP.

De mediane follow-up was 9,6 jaar (range 3,1 tot 15,8 jaar). De PFS was superieur in arm B (HR 0,57; p=0,033). De tien-jaars PFS was 59% in arm B versus 41% in arm A. Patiënten met R-CVP binnen arm B hadden een nog sterker verbeterde PFS vergeleken met patiënten die in dezelfde periode in arm A geen systemische behandeling hadden gekregen (HR 0,26; p=0,045). Histologische transformatie werd gezien in vier patiënten in arm B versus tien patiënten in arm A. In arm A overleden tien deelnemers; in arm B vijf; de tien-jaars overall survival was echter niet significant verschillend tussen beide armen (87% versus 95%; p=0,40).

De onderzoekers concluderen dat systemische therapie met R-CVP na IFRT voor stadium I of II FL resulteerde in significante verbetering van de PFS. IFRT gevolgd door immuunchemotherapie was meer effectief dan alleen IFRT

1.MacManus M, Fisher R, Roos D et al. Randomized trial of systemic therapy after involved-field radiotherapy in patients with early-stage follicular lymphoma: TROG 99.03. J Clin Oncol 2018; epub ahead of print

Summary: A randomized study in Australia, Canada, and New Zealand showed that adding immunochemotherapy after involved-field radiotherapy for stage I or II low-grade follicular lymphoma resulted in superior PFS.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Prevalentie van kiemlijnmutaties in kankergevoeligheidsgenen in patiënten met gevorderd niercelcarcinoom (0)
2018-07-06 10:42   ( Nieuws )
Tags:  RCC germline mutations cancer susceptibility genes
Dr. Maria CarloIdentificatie van patiënten met erfelijk niercelcarcinoom (RCC) is van belang voor de screening van verwanten en, in patiënten met gevorderde ziekte, voor het geleiden van de behandeling. Dr. Maria Carlo (Memorial Sloan Kettering Cancer Center, New York) en collega’s hebben een studie uitgevoerd van de prevalentie van kiemlijnmutaties in zowel bekende RCC-predisponerende genen als in andere met maligniteiten geassocieerde genen in patiënten met gevorderd RCC. Ze publiceren de studie online in JAMA Oncology.1

De studie includeerde 254 patiënten met stadium III of IV RCC die tussen oktober 2015 en augustus 2017 in een MSKCC-kliniek behandeld werden, en akkoord gingen met gematcht tumor-kiemlijn DNA-sequencing. De mediane leeftijd was 56 jaar; 70,5 was man; 83,1% was non-Hispanic white. Onder de 254 patiënten waren er 41 (16,1%) in wie kiemlijnmutaties werden gevonden. Veertien patiënten (5,5%) waren drager van mutaties in syndromisch RCC-geassocieerde genen (FH, BAP1, VHL, MET, SDHA, en SDHB. De meest-frequente mutaties waren CHEK2 (n=9) en FH (n=7). Van de genen die niet eerder geassocieerd waren gezien met RCC-risico was CHEK2-mutatie oververtegenwoordigd in patiënten vergeleken met de algemene bevolking met een OR van 3,0 (p=0,003). Patiënten met niet-heldercellig RCC hadden significant hogere waarschijnlijkheid van RCC-geassocieerde genmutatie (11,7% versus 1,7% voor heldercellig RCC; p=0,001). Tien procent van de patiënten met niet-heldercellig RCC had een mutatie in een gen die kon worden gebruikt voor het geleiden van therapie. Van de patiënten met mutaties in RCC-geassocieerde genen voldeed 35,7% niet aan de criteria voor genetisch testen.

De onderzoekers concluderen dat onder patiënten met niet-heldercellig RCC meer dan 20% drager was van een kiemlijnmutatie, waarvan de helft systemische therapie kon geleiden. Een substantieel percentage van de patiënten met mutaties werd niet geïdentificeerd door de huidige verwijzingscriteria voor genetisch testen.

1.Carlo MI, Mukherjee S, Mandelker D et al. Prevalence of germline mutations in cancer susceptibility genes in patients with advanced renal cell carcinoma. JAMA Oncol 2018; epub ahead of print

Summary: A trial in Memorial Sloan Kettering Cancer Center studied the prevalence of germline mutations in cancer susceptibility genes in patients with advanced RCC. Among patients with non-clear cell RCC more than 20% had a germline mutation, of which half had the potential to direct systemic therapy. Current referral criteria for genetic testing did not identify a substantial portion of patients with mutations.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)