Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Observationele studie van discontinueren van TKIs voor CML in de Italiaanse klinische praktijk (0)
2019-03-03 16:00   ( Nieuws )
Tags:  Observationele studie van discontinueren van TKIs voor CML in de Italiaanse klinische praktijk
In gecontroleerde studies is gezien dat tyrosinekinaseremmers voor CML veilig kunnen worden gediscontinueerd in patiënten die gedurende lange tijd in diepe remissie zijn. Er zijn weinig of geen ervaringen gepubliceerd met discontinueren van TKIs voor CML in de klinische praktijk. Dr. Carmen Fava (Universiteit van Turijn) en collega’s publiceren online in Haematologica uitkomsten van discontinueren in Italiaanse patiënten met diepe moleculaire respons op TKI.1

De studie includeerde 293 patiënten met chronische-fase CML die diepe moleculaire respons hadden op imatinib (28%) of tweedegeneratie TKIs (72%) en de behandeling discontinueerden. De mediane duur van de behandeling was 77 maanden geweest (IQR 54-111) en de mediane duur van diepe moleculaire respons 46 maanden (IQR 31-74). Verreweg de meeste patiënten (88%) discontinueerden de TKIs in de klinische praktijk, buiten verband van een gecontroleerde studie. De redenen voor discontinuering waren toxiciteit (20% van de patiënten), zwangerschap (6%), shared decision van patiënt en behandelaar (62%), of andere redenen. Na mediaan 34 maanden follow-up (range 12-161) was 62% (95%-bti 58-68) van de patiënten in behandelingsvrije remissie. Na 12 maanden gold dit voor 68% (95%-bti 62-74) van de patiënten die met imatinib behandeld waren geweest en 73% (95%-bti 64-83) van de patiënten die tweedegeneratie TKIs gediscontinueerd hadden. Onder de patiënten die een nieuwe TKI-behandeling startten was de mediane tijd tot herstart 6 maanden (IQR 4-11). In geen van de patiënten werd progressie gezien.

De onderzoekers concluderen dat binnen de beperking van de retrospectieve opzet, de studie bevestigt dat discontinuering van TKIs voor CML in de klinische praktijk feasible en veilig is.

1.Fava C, Rege-Cambrin G, Dogliotti I et al. Observational study of chronic myeloid leukemia Italian patients who discontinued tyrosine kinase inhibitors in clinical practice. Haematologica 2019; epub ahead of print

Summary: A retrospective, observational study in Italy confirmed that discontinuation of imatinib and 2nd generation TKIs in CP-CML patients with deep molecular response is feasible and safe in clinical practice.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Verloop in de tijd van overlevingswaarschijnlijkheid na radiotherapie voor vroeg-stadium extranodaal NKTCL (0)
2019-03-03 14:29   ( Nieuws )
Tags:  extranodal natural killer T-cell lymphoma survival after radiotherapy
De prognose van vroeg-stadium extranodaal natural killer/T-cel lymfoom (NKTCL) wordt gewoonlijk geschat bij de diagnose. Er is geen informatie beschikbaar over het actuele verloop in de tijd van de prognose na curatieve behandeling. Een studie in China heeft het tijdsverloop van de conditionele overleving en het risico van behandelfalen onderzocht in relatie tot risicocategorie, behandeling, en reeds bereikte overleving. Dr. Ye-Xiong Li (Peking Union Medical College, Beijing) en collega’s publiceren de studie online in JAMA Network Open.1

De retrospectieve cohortstudie includeerde 2015 patiënten die tussen begin 2000 en eind 2015 radiotherapie, met (80,8%) of zonder (19,2%) chemotherapie, gekregen hadden voor vroeg-stadium extranodaal NKTCL. De gemiddelde leeftijd was 43,3 jaar (SD 14,6); 70,2% van de patiënten waren mannen. De patiënten werden gestratificeerd in groepen met laag-, intermediair-, en hoog-risicoziekte volgens een gevalideerd prognostisch model. De mediane follow-up was 61 maanden voor overlevende patiënten. Eindpunten van de studie waren conditionele overleving (overlevingswaarschijnlijkheid na overleving gedurende bepaalde tijd), en jaarlijks risico van behandelfalen.

De vijf-jaars overleving nam toe van 69,1% (95%-bti 66,6-71,4) bij diagnose tot 85,3% (95%-bti 81,7-88,2) nadat de patiënten drie jaar overleefd hadden. De vijf-jaars gebeurtenisvrije overleving nam toe van 60,9% (95%-bti 58,3-63,3) bij diagnose tot 84,4% (95%-bti 80,6-87,6) nadat de patiënten drie jaar gebeurtenisvrij overleefd hadden. Het jaarlijks risico van behandelfalen nam af van 22,1% (95%-bti 21,0-23,1) bij behandeling tot minder dan 5% na drie jaar. Deze toename van de conditionele overleving en afname van het risico van behandelfalen in de loop van de tijd werd gezien in alle drie de risicogroepen.

De onderzoekers concluderen dat de onder patiënten met vroeg-stadium NKTCL na radiotherapie in de loop van de tijd de waarschijnlijkheid van overleving toenam en het risico van behandelenfalen afnam.

1.Liu X, Wu T, Zhu S-Y et al. Risk-dependent conditional survival and failure hazard after radiotherapy for early-stage extranodular natural killer/T-cell lymphoma. JAMA Network Open 2019;2:e190194

Summary: A cohort study in China found that among patients with early-stage NKTCL after radiotherapy survival probability increased over time and the hazard of failure decreased over time in a risk-dependent manner.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Lage-dosering aspirine voor chemopreventie van longmaligniteiten (0)
2019-03-03 12:58   ( Nieuws )
Tags:  lung cancer chemoprevention with low-dose aspirin
Er is geen consensus over de associatie tussen gebruik van lage-dosering aspirine en het risico van longcarcinoom. Een retrospectieve cohortstudie in Zuid-Korea heeft deze associatie onderzocht. Prof. Eun-Hee Ha (Ewha Womans University, Seoel) en collega’s publiceren de studie online in JAMA Network Open.1

De studie is gebaseerd op gegevens in de Koreaanse Nationale Gezondheidsinformatie-database over de periode van begin 2002 tot eind 2015. De studie includeerde 12.969.400 personen in de leeftijd van veertig tot vijfentachtig jaar, zonder geschiedenis van longmaligniteit tussen begin 2006 en eind 2010, en geen gebruik van standaard-dosering aspirine gedurende zes maanden tussen begin 2002 en eind 2010. De onderzoekers berekenden voor iedere deelnemer de duur van gebruik van lage-dosering aspirine tussen begin 2002 en eind 2010. Het eindpunt van de studie was diagnose van een longmaligniteit tussen begin 2011 en eind 2015.

In 63.040 werd tijdens de follow-up een longmaligniteit gezien. De gemiddelde leeftijd van de patiënten was 66,4 jaar (SD 9,3); 71,6% van de patiënten waren mannen. De incidentie was 98,8 per 100.000 persoonsjaren. De duur van gebruik van lage-dosering aspirine was nul jaar voor 84,7% van de deelnemers, één of twee jaar voor 5,8%, drie of vier jaar voor 3,9%, vijf of zes jaar voor 2,9%, zeven of acht jaar voor 1,9%, en negen jaar voor 0,9%. De figuur laat zien dat het risico van longmaligniteiten afnam met toenemende duur van gebruik van lage-dosering aspirine. Vanaf vijf jaar gebruik was de risicoverlaging statistisch significant. In gestratificeerde analyses werd de sterkste risicoverlaging gezien onder personen ouder dan 64 jaar en onder personen zonder diabetes.

De onderzoekers concluderen dat de studie een matige inverse associatie heeft laten zien tussen langdurig gebruik van lage-dosering aspirine en het risico van longmaligniteiten.

1.Ye S, Lee M, Lee D et al. Association of long-term use of low-dose aspirin as chemoprevention with risk of lung cancer. JAMA Network Open 2019;2:e190185

Summary: A nationwide, retrospective, cohort study in South Korea found a modest inverse association inverse association between use of low-dose aspirin for more than 5 years and risk of lung cancer, particularly among elderly participants and among people without diabetes.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Vergelijking van digitale borsttomosynthese versus digitale mammografie voor screening op mammacarcinoom (0)
2019-03-02 15:58   ( Nieuws )
Tags:  breast cancer screening digital breast tomosynthesis
Dr. Emily ConantScreening op mammacarcinoom met digitale borsttomosynthese (DBT) is geassocieerd met lagere frequentie van vals-positieve resultaten en hogere detectie van maligniteiten dan digitale mammografie (DM). Dr. Emily Conant (University of Pennsylvania, Philadelphia) en collega’s hebben een studie uitgevoerd van de grootte en het stadium van de DBT- versus DM-gedetecteerde borstmaligniteiten, en van de associatie van deze uitkomsten met leeftijd en borstdichtheid. Ze publiceren de studie online in JAMA Oncology.1



De retrospectieve cohortstudie werd uitgevoerd in drie centra van het PROSPR-consortium (Population-based Research Optimizing Screening through Personalised Regimens). De studie includeerde 50.971 DBT-screeningsonderzoeken (28,3%) en 129.369 DM screeningsonderzoeken (71,7%) van tezamen 96.269 vrouwen in de leeftijd van 40 tot 75 jaar (gemiddelde leeftijd 56,4 jaar voor DM en 54,6 jaar voor DBT) tussen begin 2011 en eind september 2014. DBT-screening vergeleken met DM-screening was geassocieerd met lager percentage recall (OR 0,64; p<0,001) en hoger percentage cancer detection (OR 1,41; p=0,02) voor alle leeftijdsgroepen tezamen en zelfs gestratificeerd voor borstdichtheid. DBT-screening vergeleken met DM-screening was geassocieerd met detectie van kleinere, vaker kliernegatieve, HER2-negatieve invasieve maligniteiten.

De grootste toename in cancer detection rate (CDR) en de grootste verschuiving naar detectie van kleinere kliernegatieve invasieve maligniteiten met DBT versus DM werd gezien in vrouwen in de leeftijd van veertig tot vijftig jaar. Voor vrouwen in deze leeftijdscategorie met nondense borsten was de CDR met DBT 1,70 per 1000 vrouwen hoger dan met DM, en voor vrouwen in deze leeftijdscategorie met dense borsten was de CDR 2,27 per 1000 vrouwen hoger met DBT dan met DM. Voor deze jongere vrouwen was DBT-screening geassocieerd met slechte prognose van slechts 25% van de gedetecteerde mammacarcinomen; versus 40,4% van de DM-gedetecteerde mammacarcinomen.

De onderzoekers concluderen dat DBT-screening vergeleken met DM-screening geassocieerd was met hogere specificiteit en verhoogd percentage borstmaligniteiten gedetecteerd met betere prognose. In de subgroep van vrouwen in de leeftijd van veertig tot vijftig jaar zou routinematige DBT-screening een gunstige risico-profijt verhouding kunnen hebben.

1.Conant EF, Barlow WE, Herschorn SD et al. Association of digital breast tomosynthesis vs digital mammography with cancer detection and recall rates by age and breast density. JAMA Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A cohort study of 50,971 breast cancer screening examinations using digital breast tomosynthesis (DBT) and 129,369 screening examinations using digital mammography (DM) found that DBT screening compared to DM screening was associated with increased specificity and an increased proportion of breast cancers detected with better prognosis. In the subgroup of women aged 40 to 49 years, routine DBT screening may have a favorable risk-benefit ratio.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Trends in gebruik van opioïden onder oudere overlevers van maligniteiten van colorectum, long, en borst (0)
2019-03-02 14:29   ( Nieuws )
Tags:  opioid use among older cancer survivors
Dr. Talya SalzHet is denkbaar dat overlevers van maligniteiten een verhoogd risico hebben van opioïden-gerelateerde problemen. Er zijn geen gegevens bekend over trends in gebruik van opioïden in de tijd na een diagnose van een maligniteit. Dr. Talya Salz (Memorial Sloan Kettering Cancer Center, New York) en collega’s hebben een analyse van deze trends uitgevoerd. Ze publiceren hun analyse online in het Journal of Clinical Oncology.1

In de SEER-Medicare database identificeerden de onderzoekers oudere (65 jaar of ouder) overlevers van longcarcinoom (n=16.192), colorectaalcarcinoom (n=15.429), en mammacarcinoom (23.474) die bij diagnose (2008 tot en met 2013) opioïden-naïef waren. Deze overlevers werden bij de diagnose (indexdatum) gematcht voor leeftijd, geslacht, en ras met controlepersonen zonder maligniteit (n=138.136). Chronisch gebruik van opioïdentherapie (COT) werd gedefinieerd als claims in de database voor tenminste 90 achtereenvolgende dagen opioïdenrecepten. Gebruik van hoge-dosering opioïden werd gedefinieerd als gebruik van tenminste 90 mg morfine-equivalent per dag.

Onder de controlepersonen nam het COT-gebruik toe van 3% in 2008 tot 6% in 2013. Onder overlevers in het eerste jaar follow-up na de diagnose nam het COT-gebruik toe van 5% in 2008 tot 10% in 2013. De OR van COT-gebruik voor overlevers versus controlepersonen in het eerste jaar na de indexdatum was 1,34 (95%-bti 1,22-1,47) voor overlevers van colorectaalcarcinoom en 2,55 (95%-bti 2,34—2,77) voor overlevers van longcarcinoom. Deze verschillen tussen overlevers en controlepersonen werden ieder jaar na de indexdatum kleiner, en waren zes jaar na de indexdatum niet langer significant. Onder overlevers van mammacarcinoom was het COT-gebruik ieder jaar na de indexdatum niet-significant lager dan dat van hun controlepersonen. Overlevers met chronisch gebruik hadden in de eerste drie tot vijf jaar een hogere waarschijnlijkheid van hoge dagelijkse dosering dan de controlepersonen.

De onderzoekers concluderen dat in drie grote populaties van oudere overlevers van maligniteiten het chronisch gebruik van opioïden in het eerste jaar na de diagnose hoger was dan onder controlepersonen. Deze verschillen namen vervolgens af, en zes jaar na de diagnose waren er geen significante verschillen meer tussen overlevers en controlepersonen.

1.Salz T, Lavery JA, Lipitz-Snyderman AN et al. Trends in opioid use among older survivors of colorectal, lung, and breast cancers. J Clin Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: An analysis of the SEER-Medicare database found that among three large populations of older (65 years and over) survivors of colorectal, lung, and breast cancer the chronic opioid use varied by type of cancer. However, by six years after the diagnosis, survivors were no longer more likely to be chronic users than controls.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie van maligniteiten van hoofd en hals met mentale aandoeningen (0)
2019-03-02 12:58   ( Nieuws )
Tags:  head and neck cancer mental health disorders
Ji Hyae LeeEr zijn enige aanwijzingen voor een associatie tussen maligniteiten van hoofd en hals (HNC) en het risico van mental health disorders (MHDs). Medisch student Ji Hyae Lee (Pennsylvania State University, Hershey) en coauteurs hebben deze aanwijzingen geëvalueerd in een grootschalige studie. Ze publiceren de studie online in JAMA Otolaryngology – Head & Neck Surgery.1

De retrospectieve cohortstudie is gebaseerd op gegevens in de MarketScan database van begin 2005 tot en met eind 2014. In de database identificeerden de onderzoekers 52.461 patiënten met een HNC-diagnose, met gegevens in de database vanaf tenminste een jaar voor de diagnose. De gemiddelde leeftijd van de patiënten was 51,31 jaar (SD 9,79). De meeste patiënten (58,5%) waren mannen, en waren in de leeftijd van 55 tot 65 jaar (46,6%). Het meest-prevalente type HNC was mondholtemaligniteit (40,4%), gevolgd door maligniteiten van orofarynx (19,2%) en larynx (15,5%). De prevalentie van MHDs in het cohort voorafgaand aan de HNC-diagnose was 20,6%; niet sterk verschillend van het USA-nationale gemiddelde (17,9% volgens de National Survey on Drug Use and Health). In de periode van negentig dagen tot een jaar na de diagnose nam de MHD-prevalentie toe tot 29,9%. De toename was het grootst onder vrouwen (gecorrigeerd OR 1,58; 95%-bti 1,49-1,67), patiënten met geschiedenis van tabaksgebruik (aOR 1,42; 95%-bti 1,34-1,50), en patiënten met geschiedenis van alcoholgebruik (aOR 1,56; 95%-bti 1,38-1,76).

De onderzoekers concluderen dat patiënten na een HNC-diagnose een verhoogd MHD-risico hadden.

1.Lee JH, Ba D, Liu G et al. Association of head and neck cancer with mental health disorders in a large insurance claims database. JAMA Otolaryngol Head Neck Surg 2019; epub ahead of print

Summary: An analysis of the MarketScan database found that the baseline prevalence of mental health disorders before a HNC diagnosis (20.6%) was close to the national average (17.9%). After the HNC diagnosis the MHD prevalence increased to 29.9%. Women and patients with a history of tobacco and alcohol use were most susceptible to being diagnosed with a MHD.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Impact van antibiotica voor en tijdens immuuncheckpointremming voor maligniteiten (0)
2019-03-01 15:57   ( Nieuws )
Tags:  immune checkpoint inhibitors impact of antibiotics
Dr. David James PinatoHet is denkbaar dat antibioticatherapie (ABT) middels modulatie van de darmmicrobiota van invloed is op de werkzaamheid van immuuncheckpointremmers (ICIs) voor maligniteiten. Een studie in de dagelijkse klinische praktijk van twee ziekenhuizen in Londen (VK) heeft deze hypothese getoetst. Dr. David James Pinato (Imperial College London) presenteert de studie vandaag op het ASCO-SITC Clinical Immuno-Oncology Symposium in San Francisco.1

De studie includeerde 196 patiënten die ICIs kregen voor NSCLC (n=119), melanoom (n=38), en andere maligniteiten (n=39). De meeste patiënten waren mannen (n=137; 70%), hadden performance status 0 of 1 (n=159; 84%), en mediaan twee metastaselocaties (range nul tot zeven). Een grote meerderheid van de patiënten kreeg anti-PD-/anti-PD-L1 (n=189; 96%) als eerstelijns therapie voor metastatische ziekte (n=120; 62%).

Negenentwintig patiënten kregen ABT binnen een maand voor aanvang van de ICI-therapie (pABT; 15%), en 68 patiënten kregen ABT concurrent met ICI-therapie (cABT; 35%). De mediane overall survival in de pABT-groep (p<0,001) maar niet in de cABT-groep (p=0,76) was significant slechter dan in de groep patiënten zonder ABT (26 versus 2 maanden; HR 7,4; 95%-bti 4,2-12,9). In de pABT-groep was ook de waarschijnlijkheid van primaire refractoriteit tegen ICIs significant verhoogd (44% versus 81%; p<0,001). Slechtere OS in de pABT-groep werd consistent gezien in patiënten met NSCLC (mediaan 26 versus 2,5 maanden; p<0,001), melanoom (14 versus 3,9 maanden; p<0,001), en andere tumoren (11 versus 1,1 maanden; p<0,001). In multivariate analyse was pABT significant geassocieerd met OS (HR 3,4; p<0,001) onafhankelijk van histotype, tumorlast, en performance status.

De onderzoekers concluderen dat pABT een ongunstig effect had op respons en overleving in niet-geselecteerde patiënten die in de klinische praktijk ICIs kregen voor maligniteiten. Er is behoefte aan mechanistische studies die dit fenomeen verklaren.

1.Pinato DJ et al. ASCO-SITC Clinical Immuno-Oncology Symposium 2019; abstr. 147

Summary: A routine clinical practice study in two hospitals in London (UK) found that antibiotic therapy administered within one month before, but not concurrently with, immune checkpoint inhibitors for various cancers was associated with worse OS (median 26 months versus 2 months) and increased likelihood of primary refractoriness to ICIs (44% versus 81%).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Evaluatie van twee doseringsregimes van nivolumab plus ipilimumab voor gevorderd melanoom (0)
2019-03-01 15:02   ( Nieuws )
Tags:  CheckMate 511 trial advanced melanoma
Prof. Celeste LebbéNivolumab 1 mg/kg plus ipilimumab 3 mg/kg (NIVO1+IPI3) is in verscheidene landen goedgekeurd voor eerstelijns behandeling van gevorderd melanoom. De multinationale fase 3b/4-studie CheckMate 511 vergeleek dit doseringsschema met NIVO3+IPI1 voor het primaire eindpunt veiligheid. Prof. Celeste Lebbé (Université Paris Diderot) en collega’s publiceren de studie online in het Journal of Clinical Oncology.1

CheckMate 511 werd uitgevoerd in 57 centra in dertien landen. De studie includeerde 360 volwassen patiënten met niet-eerder behandeld niet-resectabel stadium III of IV melanoom. Ze werden 1:1 gerandomiseerd naar NIVO3+IPI1 of NIVO1+IPI3 eens per drie weken voor vier doses; in beide armen gevolgd door NIVO 480 mg iedere vier weken tot ziekteprogressie of niet-acceptabele toxiciteit optrad. Het primaire eindpunt was incidentie van graad 3 tot en met 5 TRAEs. Secundaire eindpunten waren beschrijvende analyses van respons, progressievrije overleving en overall survival (de studie had niet voldoende statistisch vermogen voor formele beoordeling van werkzaamheidseindpunten).

Na tenminste twaalf maanden follow-up was de incidentie van graad 3 tot en met 5 TRAEs 34% met NIVO3+IPI1 versus 48% met NIVO1+IPI3 (p=0,006). Objectieve respons werd gezien in 45,6% versus 50,6% van de patiënten, met complete respons in 15,0% en 13,5%. Er waren tussen beide armen geen verschillen in progressievrije overleving of overall survival. De mediane PFS was 9,9 maanden met NIVO3+IPI1 en 8,9 maanden met NIVO1+IPI3. De mediane OS werd in geen van beide armen bereikt.

De onderzoekers concluderen dat NIVO3+IPI1 geassocieerd was met significant lagere incidentie van graad 3 tot 5 TRAEs dan NIVO1+IPI3, zonder waarneembare ongunstige impact op oncologische uitkomsten.

1.Lebbé C, Meyer N, Mortier L et al. Evaluation of two dosing regimens for nivolumab in combination with ipilimumab in patients with advanced melanoma: results from the phase IIIb/IV CheckMate 511 trial. J Clin Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: The international phase IIIB/IV study CheckMate 511 included patients with advanced melanoma. The patients were randomized to nivolumab 3 mg/kg plus ipilimumab 1 mg/kg once every 3 weeks for four doses, or nivolumab 1mg/kg plus ipilimumab 3 mg/kg once every 3 weeks for four doses; in both arms followed by nivolumab 480 mg once every 4 weeks untill disease progression or unacceptable toxicity. The primary endpoint was safety. The incidence of grade 3 to 5 TRAEs was 34% with NIVO3+IPI1 versus 48% with NIVO1+IPI3 (p=0.006). PFS and OS did not differ between the arms.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)