Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

MSKCC-N5 versus rCOJEC inductietherapie voor hoog-risico neuroblastoom (0)
2021-06-22 12:00   ( Nieuws )
Tags:  comparison of two induction therapies high-risk neuroblastoma
Prof. Ruth LadensteinDe optimale inductietherapie voor hoog-risico neuroblastoom is niet bekend. Het standaard-regime van de International Society of Pediatric Oncology Europe Neuroblastoma Group is rCOJEC (rapid cisplatine, vincristine, carboplatine, etoposide, en cyclofosfamide). Met het MSKCC-N5 regime zijn hoge responspercentages bereikt. De multinationale gerandomiseerde HR-NBL 1.5 studie heeft beide regimes head-to-head vergeleken. Prof. Ruth Lydia Ladenstein (Medische Universiteit Wenen) en collega’s publiceren de studie in het Journal of Clinical Oncology.1

De studie includeerde patienten in de leeftijd van 1 tot en met 20 jaar met stadium 4 neuroblastoom, of jonger dan 1 jaar met stadium 4/4s neuroblastoom met MYCN-amplificatie. De patiënten werden gestratificeerd voor land en metastaselocatie gerandomiseerd naar inductie met rCOJEC of MSKCC-N5. Na inductie volgde resectie van de primaire tumor, hoge-dosering busulfan en melfalan, radiotherapie naar de primaire tumorlocatie, en isotretinoïne met dinutuximab beta antilichaam met of zonder interleukine-2. De primaire eindpunten waren metastatische complete respons en drie-jaars gebeurtenisvrije overleving.

De studie includeerde 630 patiënten, met een mediane leeftijd bij diagnose 3,2 jaar (range 1 tot en met 20 jaar; zestien jonger dan 1 jaar met MYCN-amplificatie. De rCOJEC-groep telde 313 patiënten en de MSKCC-N5 groep 317. Er waren geen significante verschillen tussen de groepen voor het eindpunt complete respons van metastasen (32% in de rCOJEC-groep versus 35% in de MSKCC-N5 groep; p=0,368) en evenmin voor het eindpunt drie-jaars EFS-percentage (44% versus 47%; p=0,527). De drie-jaars overall survival percentages waren 60% versus 65% (p=0,379). In beide groepen overleed 1% aan behandelings-gerelateerde toxiciteit. Niet-hematologische graad 3 en 4 toxiciteiten waren meer frequent met MSKCC-N5 dan met rCOJEC (68% versus 48%; p<0,001), met name infecties, stomatitis, misselijkheid en braken, en diarree.

De onderzoekers concluderen dat er geen significante verschillen in werkzaamheid waren tussen beide inductieregimes, maar dat rCOJEC resulteerde in minder acute toxiciteit. Daarom dient rCOJEC te worden gezien als het inductieregime van eerste keus.

1.Garaventa A. Poetschger U, Valteau-Couanet D et al. Randomized trial of two induction therapy regimens for high-risk neuroblastoma: HR-NBL 1.5 International Society of Pediatric Oncology European Neuroblastoma Group study. J Clin Oncol 2021; epub ahead of print

Summary: The multinational randomized HR-NBL 1.5 study compared rCOJEC versus MSKCC-N5 induction therapy regimens for high-risk neuroblastoma. There were no significant differences between the two groups for the endpoints metastatic complete response, 3-year event-free survival, and 3-year overall survival. Grade 3 and 4 acute toxicity was more frequent was MSKCC-N5 than with rCOJEC (68% of patients versus 48%; p<0.001). The authors conclude that rCOJEC should be the preferred induction regimen for high-risk neuroblastoma.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Uitkomsten van neoadjuvante chemotherapie versus primaire cytoreductieve chirurgie voor stadium IV uteruscarcinoom (0)
2021-06-21 15:00   ( Nieuws )
Tags:  NACT versus PCS stage IV uterine cancer
Dr. Jason WrightEr zijn toenemende aanwijzingen voor neoadjuvante chemotherapie (NACT) als alternatief voor primaire cytoreductieve chirurgie (PCS) in de behandeling van stadium IV uteruscarcinoom. Een analyse van de SEER-database heeft gebruik en uitkomsten van NACT versus PCS voor stadium IV uteruscarcinoom geïnventariseerd. Dr. Jason Wright (Columbia University, New York) en collega’s publiceren de analyse in Gynecologic Oncology.1

In de SEER-database over de periode van 2000 tot en met 2015 identificeerden de onderzoekers 3037 patiënten met stadium IV uteruscarcinoom. Onder deze vrouwen werden 1629 (53,6%) behandeld met PCS, 554 (18,2%) met NACT, en kregen 854 (28,1%) geen behandeling. Gebruik van NACT nam toe van 9,5% in 2000 tot 29,2% in 2015. Binnen de NACT-groep ondergingen 159 (28,6% van de NACT-patiënten) interval-hysterectomie, terwijl binnen de PCS-groep 1052 patiënten (64,6%) adjuvante chemotherapie kregen. Perioperatieve medische complicaties werden gezien in 39,4% van de PCS-patiënten versus 28,9% van de NACT-patiënten (p=0,01). Onder de vrouwen die zowel chemotherapie als chirurgie kregen waren er een significante verschillen in ziektespecifieke overleving (p=0,48) of overall survival (p=0,25) tussen de groep met NACT en de groep met PCS.

De onderzoekers concluderen dat gebruik van NACT voor gevorderd-stadium uteruscarcinoom toenam tussen 2000 en 2015. Onder vrouwen die zowel chemotherapie als chirurgie kregen waren geen verschillen in overleving tussen de groep met NACT en de groep met PCS. NACT was geassocieerd met lagere frequentie van medische complicaties.

1.Wright JD, Huang Y, Melamed A et al. Use and outcomes of neoadjuvant chemotherapy for metastastic uterine cancer. Gynecol Oncol 2021.06.16

Summary: Analysis of the SEER database compared neoadjuvant chemotherapy versus primary cytoreductive surgery for stage IV uterine cancer. Use of NACT increased from 9.5% in 2000 to 29.2% in 2015. NACT was associated with fewer perioperative medical complications. There were no significant differences in cancer specific (p=0.48) or overall survival (p=0.25) between the NACT and PCS groups.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Klinische relevantie van prognostische scores na radiochirurgie voor hersenmetastasen van niet-pulmonaire primaire tumoren (0)
2021-06-21 14:00   ( Nieuws )
Tags:  GKRS for BMs of non-pulmonary primary tumors laboratory prognostic scores
Dr. Josa FrischerPrognostische scores op basis van laboratoriumbepalingen, zoals neutrofiel/lymfocyt-ratio (NLR) trombocyt/lymfocyt-ratio (PLR), lymfocyt/monocyt-ratio (LMR), en modified Glasgow Prognostic Score (mGPS) zijn gevalideerd voor veel typen maligniteiten. Een studie van de Medische Universiteit van Wenen heeft de klinische relevantie van deze scores geïnventariseerd voor patiënten die Gamma Knife radiochirurgie (GKRS) kregen voor hersenmetastasen (BMs) van niet-pulmonaire primaire tumoren. Dr. Josa Frischer en collega’s publiceren de studie in het Journal of Neuro-Oncology.1

De retrospectieve studie includeerde 340 patiënten met BMs van melanoom, mammacarcinoom, of gastroïntestinale of genito-urinaire maligniteiten. Binnen veertien dagen voor de eerste GKRS-behandeling werden de prognostische scores bepaald. De figuur laat de associaties tussen de scores en de overall survival van de patiënten zien. De overleving was significant langer in de groepen patiënten met NLR lager dan 5 (p<0,001), LMR hoger dan 4 (p=0,001), en mGPS score 0 (p<0,001) vergeleken met de groepen met hogere NLR, lagere LMR, en hogere mGPS. De PLR had geen prognostische waarde. In multivariate analyses gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht, Karnofsky performance score, extracraniële metastasestatus, bestaan van neurologische symptomen, en behandeling met immuuntherapie of gerichte therapie waren NLR hoger dan 4, LMR lager dan 4, en mGPS hoger dan 0 onafhankelijke voorspellers van risico van overlijden.

De onderzoekers concluderen dat eenvoudig te bepalen preradiochirurgische NLR, LMR, en mGPS overleving voorspellen na GKRS voor BMs van niet-pulmonaire primaire tumoren.

1.Cho A, Untersteiner H, Fitschek F et al. The clinical relevance of laboratory prognostic scores for patients with radiosurgically treated brain metastases of non-pulmonary primary tumor. J Neuro-Oncology 2021; epub ahead of print

Summary: A retrospective study at the Medical University of Vienna (Austria) found that in patients undergoing Gamma Knife surgery for brain metastases of non-pulmonary primary tumors, the preradiosurgical laboratory scores NLR, LMR, and mGPS were effective and simple independent prognostic scores predicting clinical outcomes.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Lange-termijn werkzaamheid en veiligheid van CT-P6 voor HER2-positief vroeg-stadium mammacarcinoom (0)
2021-06-21 13:00   ( Nieuws )
Tags:  CT-P6 versus trastuzumab HER2-positive early breast cancer
Prof. Justin StebbinCT-P6 is een biosimilar van trastuzumab. Zowel in de neoadjuvante als in de adjuvante setting van vroeg-stadium HER2-positief mammacarcinoom is gezien dat CT-P6 qua werkzaamheid en veiligheid tot één jaar na de behandeling equivalent was aan trastuzumab. Prof. Justin Stebbin (Imperial College Healthcare NHS Trust London, UK) en collega’s publiceren in Breast Cancer Research and Treatment veiligheid en werkzaamheid van CT-P6 en trastuzumab na drie jaar follow-up.1

De multinationale fase 3-studie includeerde patiënten die neoadjuvant CT-P6 (n=259) of trastuzumab (n=269) kregen, gevolgd door chirurgie en een jaar adjuvant CT-P6 of trastuzumab. De mediane follow-up was 38,7 maanden in de CT-P6 groep en 39,6 maanden in de trastuzumabgroep. In geen van beide groepen werd de mediane time-to-event mediane time-to-event voor ziektevrije overleving, progressievrije overleving, of overall survival bereikt. De CT-P6 versus trastuzumab HRs waren 1,23 (95%-bti 0,78-1,93) voor DFS, 1,31 (95%-bti 0,86-2,01) voor PFS, en 1,10 (95%-bti 0,57-2,13) voor OS. Ook de veiligheid was vergelijkbaar voor beide groepen, inclusief cardiale aandoeningen (8,1% met CT-P6 en 8,6% met trastuzumab) en afname van LVEF. De immunogeniciteit verschilde evenmin tussen de groepen.

De onderzoekers concluderen dat CT-P6 voor geen van de onderzochte eindpunten inferieur was aan trastuzumab.

1.Stebbing J, Baranau YV, Baryash V et al. Long-term efficacy and safety of CT-P6 versus trastuzumab in patients with HER2-positive early breast cancer: final results from a randomized phase III trial. Breast Cancer Res Treat 2021; epub ahead of print

Summary: Three year follow-up of a multinational phase 3 study found that the biosimilar CT-P6 was equivalent to trastuzumab in terms of efficacy and safety.

  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Lange-termijn follow-up van multicenterstudie van pediatrische ovariële nonseminoom kiemceltumoren (0)
2021-06-21 12:00   ( Nieuws )
Tags:  childhood ovarian non-seminomatous germ cell tumors TGM95 study
Dr. Brice FresneauDe Franse multicenterstudie TGM95 registreert sinds 1995 prospectief kinderen en adolescenten (leeftijd tot en met 18 jaar) met ovariële nonseminoom kiemceltumoren (NS-GCT). De patiënten ondergaan indien mogelijk resectie, waarna patiënten met gelokaliseerde tumoren (FIGO-stadium IA; laag-risico; LR) geen adjuvante behandeling krijgen. Patiënten met intermediair risico ziekte (IR; FIGO-stadium IC-II-III en AFP < 15.000 ng/ml) krijgen drie tot vijf cycli vinblastine-bleomycine –cisplatine. Patiënten met hoog-risico ziekte (HR ; AFP ≥ 15.000 ng/ml of metastatisch) krijgen vier tot zes cycli etoposise-ifosfamide-cisplatine. Dr. Brice Fresneau (Institut Gustave-Roussy, Villejuif) en collega’s publiceren in het International Journal of Cancer lange-termijn follow-up van de eerste 77 patiënten.1

De mediane leeftijd bij inclusie was twaalf jaar. Veertien patiënten hadden laag-risico, 26 intermediair-risico, en 37 hoog-risico ziekte. De mediane follow-up was 13,4 jaar. Recidief werd gezien in acht patiënten, in alle gevallen binnen twee jaar na de behandeling. In vier patiënten werden contralaterale teratomen gezien. Zes patiënten overleden: twee aan GCT, twee aan AML, en twee aan niet-maligne oorzaken. De vijf-jaars gebeurtenisvrije overleving was 88,2% (95%-bti 79-94) en de vijf-jaars overall survival 94,6% (95%-bti 87-98). Patiënten die geen bilaterale gonadectomie ondergingen ontwikkelden spontane puberteit, en 41% had tenminste één zwangerschap. Onder de 69 patiënten die platina-bevattende therapie kregen werd chronische nierziekte gezien in vier patiënten en ototoxiciteit in drie.

De onderzoekers concluderen dat kinderen met NS-GCTs goede prognose hebben met weinig late sequelae van de behandeling. Regelmatige monitoring is vereist vanwege het risico van contralateraal teratoom.

1.Pavone R, Pacquement H, Pasquet M et al. Childhood ovarian non-seminomatous germ-cell tumors: a highly curable disease with few long-term treatment-related toxicities. Results of the French TGM95 study. Int J Cancer 2021; epub ahead of print

Summary: The French multicenter TGM92 study found that childhood ovarian non-seminomatous germ cell tumors have an excellent prognosis with few late treatment-related effects. The low-intensive etoposide-free VBP regimen could be used in children with intermediate risk disease. Regular monitoring of the remaining ovary is needed due to the risk of contralateral mature teratoma.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie van ICI-behandeling voor maligniteiten met pericardiale effusie en pericarditis (0)
2021-06-20 15:00   ( Nieuws )
Tags:  immune checkpoint inhibitors pericardial disease
Dr. Jingyi GongImmuncheckpointremmers (ICIs) zijn geïndiceerd voor tenminste zestien typen maligniteiten, en dit aantal zal naar verwachting in de nabije toekomst toenemen, gelet op meer dan honderd lopende ICI-studies. Gebruik van ICIs is echter geassocieerd met toxiciteiten. Een retrospectieve studie in Massachusetts General Hospital (Boston) heeft de associatie van ICI-behandeling voor maligniteiten met het risico van pericardiale ziekte geïnventariseerd. Dr. Jingyi Gong en collega’s publiceren de studie in het Journal for ImmunoTherapy of Cancer.1

De studie includeerde 2842 achtereenvolgende patiënten die ICIs kregen en een controlegroep van 2699 voor leeftijd en type maligniteit gematchte patiënten die geen ICIs kregen. Een pericardiale gebeurtenis werd gedefinieerd als een composiet van pericarditis of nieuwe of verslechterende matige of ernstige pericardiale effusie. De figuur laat de cumulatieve incidentie van pericardiale ziekte in de beide groepen zien. In de ICI-groep werden 42 pericardiale gebeurtenissen gezien over 193 dagen (IQR 64-411), overeenkomend met incidence rate 1,57 gebeurtenissen per 100 persoonsjaren. Na correctie voor mogelijk verstorende variabelen was het risico van pericardiale ziekte in de ICI-groep ruim vier maal hoger dan in de controlegroep (HR 4,37; p<0,001). Binnen de ICI-groep waren pericardiale gebeurtenissen geassocieerd met een trend van hogere all-cause mortaliteit (versus ICI-patiënten zonder pericardiale gebeurtenissen HR 1,53; p=0,05).

De onderzoekers concluderen dat gebruik van ICIs voor maligniteiten geassocieerd was met verhoogd risico van pericardiale gebeurtenissen, en dat pericardiale gebeurtenissen in ICI-behandelde patiënten geassocieerd waren met een trend van verhoogde mortaliteit.

1.Gong J, Drobni ZD, Zafar A et al. Pericardial disease in patients treated with immune checkpoint inhibitors. J ImmunoTher Cancer 2021-002771

Summary: A study at Massachusetts General Hospital (Boston) investigated pericardial disease in 2842 consecutive cancer patients treated with immune checkpoint inhibitors, compared with 2699 age-and cancer-type matched patients not receiving ICIs. After adjustment for potential confounders ICI treatment was associated with a more than fourfold increase in risk of pericarditis or pericardial effusion (HR 4.37; p<0.001). Within the ICI-treated group, development of pericardial disease was associated with a trend for increased all-cause mortality (HR 1.53; p=0.05). 


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Prospectieve studie valideert RTOG-0129 gedefinieerde risicogroepen orofarynxcarcinoom (0)
2021-06-20 13:30   ( Nieuws )
Tags:  OPC validation of RTOG-0129 identified risk groups
Prof. Carole FakhryRecursive partitioning analysis van de RTOG-0129 studie heeft drie groepen patiënten met uiteenlopend risico orofarynxcarcinoom (OPC) geïdentificeerd. De patiënten met laag-risico ziekte zouden profijt kunnen hebben van deïntensificatie van de behandeling. Een prospectieve studie in drie academische centra in de Verenigde Staten heeft de indeling gevalideerd. Prof. Carole Fakhry (Johns Hopkins Bloomberg School of Public Health (Baltimore MD) en collega’s publiceren de studie in Cancer.1

De studie includeerde OPC-patiënten die heterogene behandeling kregen. De mediane follow-up was 3,2 jaar. De twee-jaars OS was 99,1% in de laag-risicogroep versus 93,0% in de intermediair-risicogroep versus 80,0% in de hoog-risicogroep (p=0,0001) en de twee-jaars PFS was 97,5% versus 89,3% versus 80,0% (p<0,002). Na correctie voor leeftijd, geslacht, en opleidingsniveau waren OS en PFS significant lager voor de patiënten in de intermediair-risicogroep (versus laag-risico: OS aHR 5,0; 95%-bti 1,0-23,0 en PFS aHR 3,4; 95%-bti 1,0-11,5) en de hoog-risicogroep (versus laag-risico: OS aHR 7,3; 95%-bti 1,4-39; en PFS aHR 5,0; 95%-bti 1,2-21,6).

De onderzoekers concluderen dat onder OPC-patiënten het RTOG-0129 model geassocieerd was met OS en PFS in een heterogeen behandeld cohort.

1.Fakhry C, Tewari SR, Zhang L et al. RTOG-0129 risk groups are reproducible in a prospective multicenter heterogeneously treated cohort. Cancer 2021; epub ahead of print

Summary: A prospective study in three US centers found that among patients with oropharyngeal cancer, the RTOG-0219 recursive partitioning analysis model was associated with OS and PFS in a heterogeneously treated cohort.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Osimertinib plus chemotherapie versus alleen chemotherapie na progressie van T790M-positief NSCLC op osimertinib (0)
2021-06-20 12:00   ( Nieuws )
Tags:  osimertinib combination therapy T790M-positive NSCLC refractory to osimertinib
Prof. Wu-Chou SuOsimertinib is geïndiceerd voor eerder-behandeld gevorderd NSCLC met EGFR T790M-mutatie. De optimale behandeling na ontwikkeling van progressie op osimertinib is niet bekend. Een studie in twee academische centra in Taiwan heeft voortzetting van osimertinib in combinatie met chemotherapie vergeleken met alleen chemotherapie in deze setting. Prof. Wu-Chou Su (Cheng Kung Universiteit, Tainan) en collega’s publiceren de studie in Lung Cancer.1

De studie includeerde 134 patiënten met ziekteprogressie na eerste- of tweedegeneratie EGFR-TKIs die vervolgens osimertinib kregen. Onder deze patiënten waren er 110 die klinische of radiologische progressie op osimertib ontwikkelden. Vierenveertig patiënten overleden, werden behandeld in een andere klinische studie, kregen alleen beste ondersteunende zorg, of werden alleen behandeld met eerstegeneratie EGFR-TKIs. Onder de overige 60 patiënten die volgende therapie kregen waren en 42 die alleen chemotherapie kregen, en 18 die osimertinib voortzetten in combinatie met chemotherapie. Al deze patiënten (20 mannen en 40 vrouwen) hadden gevorderd-stadium adenocarcinoom. De mediane leeftijd was 62,9 jaar (range 53,1-72,0). De figuur laat zien dat na correctie voor mogelijk verstorende variabelen de overall survival significant langer was in de groep met osimertinib-combinatietherapie dan in de groep met alleen chemotherapie (mediaan niet bereikt versus 7,8 maanden ; HR 0,39; p=0,025). In een in vitro studie met de T790M-positieve PC9 cellijn met verkregen resistentie tegen AZD9291 zagen de onderzoekers aanwijzingen voor synergie tussen AZD9291 en chemotherapie.

De onderzoekers concluderen dat osimertinib-gebaseerde combinatietherapie vergeleken met alleen chemotherapie geassocieerd was met betere OS onder patiënten met progressie op osimertinib.

1.Su P-L, Tsai J-S, Yang S-C et al. Survival benefit of osimertinib combination therapy in patients with T790M-positive non-small-cell lung cancer refractory to osimertinib treatment. Lung Cancer 2021.06.014

Summary: A study in Taiwan found that among pretreated patients with EGFR T790M-positive advanced NSCLC after progression on osimertinib, combination of osimertinib plus chemotherapy was associated with improved OS compared with chemotherapy alone. An in vitro study confirmed synergism between osimertinib and chemotherapy.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)