Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Complicaties en functionele uitkomsten van koolstofion-radiotherapie voor niet-resectabel sarcoom van het heupbeen (0)
2020-07-14 15:00   ( Nieuws )
Tags:  CIRT for unresectable pelvic bone sarcoma complication rate and outcomes
Dr. Reiko ImaiKoolstofion-radotherapie (CIRT) is een van de weinige curatieve behandelingen voor niet-resectabel pelvic bone sarcoma (PBS). Een studie in Japan inventariseerde complcaties, functionele uitkomsten en risicofactoren van CIRT voor PBS. Dr. Reiko Imai (Instituut voor Radiologische Wetenschappen, Chiba) en collega’s publiceren de studie in Cancer.1

Van de 112 patiënten die in Chiba CIRT kregen voor niet-resectabel PBS includeerde de studie 29 patiënten zonder lokaal recidief of afstandsmetastase. Deze patiënten werden gemiddeld 93 maanden gevolgd. Necrose van de femurkop werd gezien in 37% van de patiënten, pelvische fracturen in 48%, en neurologische defecten in 52%. Femurkopnecrose was significant meer prevalent onder patiënten met periactabulaire tumoren (p=0,018). Het dosering-volumehistogram van de femurkop wees uit dat tolerabele volumepercentages van de femurkop lager was dan 33% voor 40 Gy RBE en lager dan 16% voor 60 Gy RBE. De gemiddelde Musculoskeletal Tumor Society score was 53%, de gemiddelde Toronto Extremity Salvage score was 64%, en de gemiddelde EuroQol 5D-score was 0,587. Patiënten ouder dan 50 jaar en patiënten met periacetabulaire tumoren hadden significant lagere Toronto Extremity Salvage scores.

De onderzoekers concluderen dat femurkopnecrose, pelvische fractuur, en zenuwbeschadiging veel-voorkomende complicaties zijn van CIRT voor niet-resectabel PBS. Functionele uitkomsten zijn bijna equivalent aan die van chirurgie voor resectabel PBS. CIRT kan een veelbelovende behandeling zijn voor niet-resectabel PBS als de stralingsdosering naar de femurkop onder de in deze studie gepresenteerde tolerantieurve blijft.

1.Takenaka S, Araki N, Outani H et al. Complication rate, functional outcomes, and risk factors associated with carbon radiotherapy for patients with unresectable pelvic bone sarcoma. Cancer 2020; epub ahead of print

Summary: A study in Japan found that femoral head necrosis, pelvic fracture, and nerve damage were common complications with the use of carbon ion radiotherapy for unresectable pelvic bone sarcoma. The functional outcome of CIRT was nearly equivalent to that of surgery for resectable bone sarcoma. CIRT may be a promising treatment for unresectable pelvic bone sarcoma.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

HCT-conditionering door gehele-lichaamsbestraling versus chemotherapie: impact op uitkomsten van AML (0)
2020-07-14 13:29   ( Nieuws )
Tags:  TBI- versus CT-based myeloablative condition; impact on outcomes of transplantation for AML
Dr. Bhagirathbhai DholariaEr is geen duidelijkheid over de optimale myeloablatieve conditionering (MAC)-modaliteit in patiënten die haploïdentieke hematopoïetische celtransplantatie (haploHCT) ondergaan voor AML. Een multinationale studie heeft uitkomsten onderzocht van haploHCT voor AML na totale-lichaamsbestraling (TBI)- versus chemotherapie (CT)-MAC. Dr. Bhagirathbhai Dholaria (Vanderbilt University Medical Center, Nashville TN) en collega’s publiceren de studie in het American Journal of Hematology.1

De studie includeerde 1008 patiënten die eerste haploHCT ondergingen na TBI (n=89;9%) of CT (n=919; 91%), beide groepen met met cyclofosfamide na de transplantatie. Patiënten in het TBI-cohort waren jonger (mediane leeftijd 38 versus 47 jaar; p<0,01), en hadden een hogere waarschijnlijkheid van het ontvangen van BM graft (57% versus 43%; p=0,01). De twee-jaars incidentie van chronische GVHD was 42% in het TBI-cohort versus 27% in het CT-cohort (p<0,01) en de twee-jaars incidentie van extensieve cGVHD was 9% versus 12% (p=0,33). Graft-falen werd gerapporteerd voor 2% in het TBI-cohort en 7% in het CT-cohort (p=0,08). Onder de patiënten die overleden tijdens de studieperiode was veno-occlusieve ziekte de doodsoorzaak van één van de TBI-patiënten (3%) en elf van de CT-patiënten (3%). In multivariate analyse was TBI- versus CT-gebaseerde MAC geassocieerd met verhoogd risico van cGVHD (HR 1,95; p<0,001). Er was geen impact van type MAC op relapse-incidentie, leukemievrije overleving, nonrelapse mortaliteit, overall survival, of GVHD-relapsevrij overleving.

De onderzoekers concluderen dat de belangrijkste transplantatie-uitkomsten niet statistisch significant verschilden tussen TBI-gebaseerde MAC en CT-gebaseerde MAC voor haploHCT/PTCy voor AML.

1.Dholaria B, Labopin M, Angelucci E et al. Impact of total body irradiation – versus chemotherapy-based myeloablative conditioning on outcomes of haploidentical hematopoietic cell transplantation for acute myelogenous leukemia. Am J Hematol 2020; epub ahead of print

Summary: A multinational study found no statistically significant differences between total body irradiation- versus chemotherapy-based myeloablative conditioning in impact on outcomes of haploidentical hematopoietic cell transplantation for acute myelogenous leukemia.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Systematisch overzicht van locatie van lokaal recidief na mastectomie (0)
2020-07-14 12:00   ( Nieuws )
Tags:  spatial location of local recurrences after mastectomy
Dr. Orit Kaidar-PersonNa mastectomie voor mammacarcinoom kan lokaal recidief (LR) voorkomen in subcutaan weefsel en de huid of in pectoraal spierweefsel. Een systematisch overzicht van gepubliceerde studies heeft de spatiële locatie van LRs na mastectomie geïnventariseerd. Dr. Orit Kaidar-Person (Maastricht University) en collega’s publiceren het overzicht in Breast Cancer Research and Treatment.1

De onderzoekers doorzochten PubMed met de zoektermen breast cancer, recurrence, en mastectomy. Ze excludeerden studies die de lokatie van LR niet specificeerden, of studies van LR van inflammatoir mammacarcinoom, phyllodes tumoren, lymfoom, of geassocieerd met sarcoom/angiosarcoom. Ze vonden 21 publicaties die aan de inclusiecriteria van het overzicht voldeden. Deze studies hadden tezamen 6901 patiënten na mastectomie (per studie range 25-1694). Het gemiddelde percentage patiënten met LR was 3,5%. Van de LR-lesies werd 81,8% in het subcutaan weefsel en de huid gezien, en 16% in pectoraal spierweefsel.

De onderzoekers concluderen dat LRs vooral gelokaliseerd waren in het subcutane weefsel en de huid; waarschijnlijk voortgekomen uit niet-waargenomen of subklinische tumorfoci die na de mastectomie waren achtergebleven, of uit chirurgische implantatie van tumorcellen in wond/litteken. LR in pectorale spieren was minder frequent, en kan wellicht worden toegeschreven aan residuele ziekte langs de posterieure chirurgische marge en/of lymfebetrokkenheid.

1.Kaidar-Person O, Poortmans P, Vrou Offersen B et al. Spatial location of local recurrences after mastectomy: systematic review. Breast Cancer Res Treat 2020; epub ahead of print

Summary: A systematic review of 21 publications (6901 patients) found that after mastectomy for breast cancer local recurrence was seen in 3.5% of patients, with 82% ofLRs in subcutaneous tissue and skin, and 16% in pectoral muscle.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Waarde van tumorbiomarkers voor de surveillance van geresecteerde dunnedarm-NETs (0)
2020-07-13 15:00   ( Nieuws )
Tags:  small bowel neuroendocrine tumors biomarkers for surveillance
Prof. James HoweTumorbiomarkers (TBMs) vormen een afspiegeling van de ziektelast, en zijn gecorreleerd met overleving van patiënten met neuro-endocriene tumoren van de dunne darm (SBNETs). Een studie van University of Iowa Carver College of Medicine (Iowa City) heeft de performance geanalyseerd van chromogranine A (CgA), pancreastatine (PST), neurokinine A (NKA) en serotonine (5HT) tijdens de follow-up na resectie voor SBNETs. Prof. James Howe en collega’s publiceren de studie in Annals of Surgical Oncology.1

In de database van de universiteit identificeerden de onderzoekers 218 patiënten die chirurgie ondergingen voor SBNETs (44% vrouwen, 92% klierpositief, 73% metastatisch, 97% graad 1 of 2). De mediane follow-up was 49,6 maanden. Hoger dan normale waarden van CgA, PST, NKA, en 5 HT waren gecorreleerd met hogere graad en metastatische ziekte bij presentatie (p<0,05). Hoger dan normaal pre-en postoperatief CgA, PST, en NKA waren gecorreleerd met kortere progressievrije overleving en overall survival (p<0,05). Normale waarden van CgA, PST, en NKA werden gezien in respectievelijk 20%, 17%, en 73% van de patiënten met progressie, terwijl normale waarden van deze biomarkers werden gezien in respectievelijk 70%, 25%, en 1% van de patiënten zonder progressie. Gebruik van TBMs voor het vaststellen van progressie liet superioriteit zien van PST (accuratesse 79%) boven CgA (63%) of CgA en PST tezamen (60%).

De onderzoekers concluderen dat NKA weliswaar specifiek was voor progressie maar slechts zelden verhoogd was, hetgeen de bruikbaarheid van NKA als biomarker beperkt. Pre- en postoperatief PST en CgA waren gecorreleerd met ziektelast en overleving, en PST leverde de beste discriminatie van uitkomsten, en was ook het meest accuraat voor de detectie van progressie.

1.Tran CG, Sherman SK, Scott AT et al. It is time to rethink biomarkers for surveillance of small bowel neuroendocrine tumors. Ann Surg Oncol 2020; epub ahead of print

Summary: A study at University of Iowa Carver College of Medicine evaluated various tumor biomarkers for surveillance of small bowel neuroendocrine tumors. Pre- and postoperative pancreastatin and chromogranin correlated with disease burden and survival, with pancreastatin providing better discrimination of outcomes.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multicenterstudie van voorspellers van recidief na laparoscopische radicale hysterectomie voor vroeg-stadium cervixcarcinoom (0)
2020-07-13 13:29   ( Nieuws )
Tags:  early-stage cervical cancer predictors of recurrence after laparoscopic radical hysterectomy
Dr. Jvan CasarinEr is behoefte aan methoden voor identificatie van patiënten met hoog risico van recidief na laparoscopische radicale hysterectomie (LRH) voor vroeg-stadium cervixcarcinoom. Een studie in Italië en Zwitserland heeft voorspellers van recidief na deze ingreep geïdentificeerd. Dr. Jvan Casarin (Filippo Del Ponte ziekenhuis, Varese) en collega’s publiceren de studie in Gynecologic Oncology.1

Tussen begin 2006 en eind 2017 ondergingen in de bij de studie betrokken centra 428 patiënten LRH voor vroeg-stadium cervixcarcinoom (IA-IB1). Tijdens mediane follow-up 56 maanden (range 1-162) werd recidief vastgesteld in 54 patiënten (12,6%). In multivariate analyse waren tumorvolume (p=0,02) en detectie van residuele ziekte bij finale pathologie (OR 5,29; p=0,02) voorspellers van recidief, terwijl preoperatieve conisatie geassocieerd was met verlaagd risico van recidief (OR 0,32; p=0,03). Deze factoren waren ook significante voorspellers van recidief in de subgroep patiënten met stadium IB-ziekte: tumorgrootte (p=0,01), residuele tumor (OR 6,26; p=0,01), en preoperatieve conisatie (OR 0,33; p=0,04). Preoperatieve conisatie (HR 0,29; p=0,03) en residuele tumor (HR 8,89; p=0,01) waren onafhankelijk geassocieerd met ziektevrije overleving. Er werden geen factoren geïdentificeerd die geassocieerd waren met ziektespecifieke overleving.

De onderzoekers concluderen dat in vrouwen die LRH ondergaan voor vroeg stadium cervixcarcinoom hoog-volume ziekte en residule ziekte onafhankelijke voorspellers van recidief waren, terwijl preoperatieve conisatie geassocieerd was met verlaagd risico van recidief.

1.Casarin J, Buda A, Bogani G et al. Predictors of recurrence following laparoscopic radical hysterectomy for early-stage cervical cancer: A multi-institutional study. Gynecol Oncol 2020; epub ahead of print

Summary: A study in Italy and Switzerland found that in women with early-stage cervical cancer presence of high-volume disease and residual tumor at final pathology were independent predictors of recurrence after laparoscopic radical hysterectomy, while preoperative conization was associated with reduced risk of recurrence.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Preoperatieve bepaling van de vorm van mammacarcinomen (0)
2020-07-13 12:00   ( Nieuws )
Tags:  shape of breast cancers pre-operative MRI imaging
Prof. Richard BarthEr is weinig bekend over de driedimensionale vorm van niet-palpabele mammacarcinomen. Over het algemeen wordt uitgegaan van een sferische vorm rond een centraal punt. Deze aanname is mogelijk niet correct. Een studie in Dartmouth-Hitchcock Medical Center (Lebanon NH) heeft de waarde onderzocht van preoperatieve supiene borst-MRI imaging voor het geleiden van de chirurgie. Prof. Richard Barth en collega’s publiceren de studie in Breast Cancer Research and Treatment.1

De studie includeerde 83 patiënten die partiële mastectomie ondergingen voor mammacarcinoom (75 invasieve ziekte; 8 DCIS). Voor de operatie stelden radiologen op basis van successieve MRI-beelden driedimensionale modellen op van de tumoren, waarna ideale resectievolumes werden bepaald door in elke dimensie 1 cm toe te voegen aan het actuele tumorvolume. Slechts 19% van de tumoren was inderdaad sferisch van vorm; 34% was discoïdaal, 29% segmentaal, en 18% onregelmatig. Als hypothetische sferische excisies zouden zijn uitgevoerd, dan zou in geval van de niet-sferische tumoren 143% meer weefsel geëxciseerd zijn dan het ideale resectievolume, terwijl de hoeveelheid op basis van de MRI-beelden overexcised weefsel significant lager was (66%; p<0,001).

De onderzoekers concluderen dat het mogelijk is aan de hand van supiene MRI-beelden 3D-modellen te maken van de tumoren die konden worden gebruikt van het geleiden van de chirurgie. In geval van niet-sferische tumoren (81%) kan deze methode resulteren in significante reductie van geëxciseerd gezond weefsel.

1.Byrd BK, Krishnaswamy V, Gui J et al. The shape of breast cancer. Breast Cancer Res Treat 2020; epub ahead of print

Summary: A prospective study at Dartmouth-Hitchcock Medical Center (Lebanon, NH) found that information obtained from a supine MRI could be used to generate 3D tumor models and rapidly classify breast tumor shapes. The vast majority of invasive cancers and DCIS were not spherical. Knowledge of the tumor shape may allow surgeons to excise breast cancer more precisely.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Genomische profilering van prostaatcarcinomen van zwarte en blanke mannen (0)
2020-07-12 15:00   ( Nieuws )
Tags:  genomic profiling of prostate cancers from met with African and European ancestry
Dr. Franklin HuangMannen met Afrikaanse wortels hebben hogere mortaliteit van prostaatcarcinoom dan mannen van andere rassen. Voor deze dispariteit zijn veel verklaringen mogelijk. Dr. Franklin Huang (University of California San Francisco) en collega’s hebben onderzocht of er verschillen bestaan in het spectrum van somatische genoomveranderingen tussen tumoren van zwarte (AFR) en blanke (EUR) Amerikaanse mannen. Ze publiceren de studie in Clinical Cancer Research.1

De onderzoekers vergeleken de frequenties van somatische verandering in prostaatcarcinomen in vier openbare datasets met tezamen 250 AFR en 611 EUR Amerikaanse mannen en in een gerichte sequencing dataset van een commercieel platform van 436 AFR en 3018 EUR Amerikaanse mannen. Mutaties in ZFHX3 en focale deleties in ETV3 waren meer frequent in tumoren van AFR mannen. TP53-mutaties waren geassocieerd met hogere Gleason score. MYC-amplificaties waren meer frequent in tumoren van AFR mannen met metastatisch prostaatcarcinoom, terwijl PTEN-deleties en rearrangement van TMPRSS2-ERG minder frequent waren in tumoren van AFR mannen. KMT2D-truncaties en CCND1-amplificaties waren meer frequent in primair prostaatcarcinoom van AFR mannen. Er waren geen significante verschillen tussen beide groepen in genomische kenmerken die invloed zouden kunnen hebben op klinische keuzen, inclusief tumormutatiebelasting, MSI-status, en genomische veranderingen in DNA-schadeherstelgenen, CDK12, en AR.

De onderzoekers concluderen dat de analyse enige nieuwe verschillen tussen tumoren van AFR mannen en van EUR mannen heeft geïdentificeerd, maar dat de frequenties van genomische veranderingen in therapeutische targets vergelijkbaar waren, hetgeen suggereert dat bestaande precisiegeneeskundige benaderingen even profitabel zouden zijn als ze in gelijke mate beschikbaar zouden zijn.

1.Koga Y, Song H, Chalmers ZR et al. Genomic profiling of prostate cancers from men with African and European ancestry. Clin Cancer Res 2020; epub ahead of print

Summary: Analysis of genomic alterations in prostate cancers from men with African and European ancestry identified some novel differences between the two groups, but the frequences of genomic alterations in current therapeutic targets for prostate cancer were similar, suggesting that existing precision medicine approaches could be equally beneficial if applied equitably.



  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Prognostische waarde van histopathologische subtypering in stadium IV long-adenocarcinoom (0)
2020-07-12 13:30   ( Nieuws )
Tags:  stage IV lung adenocarcinoma prognostic value of histopathological subtyping
Dr. Fabien ForestAdenocarcinoom van de long is een heterogene tumor, met uiteenlopende architecturele patronen. De tumoren kunnen worden onderscheiden in subtypen aan de hand van het predominante patroon in de primaire tumor. De meeste long-adenocarcinomen worden gediagnostiseerd in het metastatisch stadium. Een retrospectieve studie in het Centre Hospitalier Universitaire de Saint-Etienne (Frankrijk) heeft de prognostische waarde van histopathologische subtypering en moleculaire kenmerken van stadium IV longadenocarcinoom onderzocht. Dr. Fabien Forest en collega’s publiceren de studie in Lung Cancer.1

De onderzoekers analyseerden metastasemonsters van 253 patiënten. De mediane overall survival was 6,8 maanden (95%-bti 4,4-9,1) voor patiënten met solide subtype, en 11,1 maanden (8,6-21,3) in afwezigheid van solide subtype (p=0,045). De mediane OS was 11,2 maanden (8,4-17,7) voor patiënten met thyroid transcription factor (TTF)-1 positieve metastasen en 4 maanden (2,3-5,7) voor patiënten met TTF-1 negatieve metastasen (p<0,001). Factoren die in multivariate analyse geassocieerd waren met OS waren aanwezigheid van solide subtype (HR 1,55; p=0,0036), TTF-1 positiviteit (HR 0,64; p=0,044), leeftijd lager dan zestig jaar ten tijde van resectie (HR 1,89; p=0,017), performance status 0 of 1 (HR 0,57; p=0,017), gebruik van chemotherapie (HR 0,54; p=0,033) of andere systemische therapie (HR 0,36; p=0,013).

De onderzoekers concluderen dat evaluatie van het architecturele patroon van metastasen prognostische informatie leverde.

1.Da Cruz V, Yvorel V, Casteillo F et al. Histopathological subtyping is a prognostic factor in stage IV lung adenocarcinoma. Lung Cancer 2020; epub ahead of print

Summary: A retrospective study at the University of Saint-Etienne (France) found that evaluation of architectural patterns in metastases of patients with stage IV lung adenocarcinoma provided prognostic information.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)