Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Multicenter fase 2-studie van IBI351 monotherapie voor gevorderd niet-kleincellig longcarcinoom met KRAS-G12C mutatie (0)
2024-08-09 13:30   ( Nieuws )
Tags:  aNSCLC with KRAS G12C mutation IBI351
Prof. Yi-Long WuIBI351 is een nieuwe oraal-beschikbare covalente en irreversibele remmer van KRAS-G12C. Een multicenter fase 2-studie in China evalueerde IBI351 voor gevorderd niet-kleincellig longcarcinoom (aNSCLC) met KRAS-G12C mutatie. Prof. Yi-Long Wu (Algemeen Ziekenhuis van Guangdong, Guangzhou) en collega’s publiceren de studie in het Journal of Thoracic Oncology.1



De studie includeerde 116 patiënten na falen van standaard-therapie (91,4% ECOG PS 1; 30,2% hersenmetastasen; 84,5% eerder behandeld met anti-PD-1/PD-L1 remmers en platina-gebaseerde chemotherapie). De patiënten kregen oraal IBI351 600 mg tweemaal daags. Het primaire eindpunt was onafhankelijk centraal beoordeelde confirmed objective response rate. Deze cORR bedroeg 49,1% (95%-bti 39,7-58,6); de disease control rate bedroeg 90,5% (83,7-95,2). De mediane duur van respons werd niet bereikt, de mediane progressievrije overleving was 9,7 maanden (95%-bti 5,6-11,0) en de resultaten voor overall survival zijn immatuur. Treatment-related adverse events werden gerapporteerd voor 92,2% van de patiënten; graad 3 of hoger TRAEs voor 41,4%; en discontinuering vanwege TRAEs voor 7,8%.

De onderzoekers concluderen dat IBI153 monotherapie manageable safe was en veelbelovende activiteit had onder patiënten met aNSCLC met KRAS-G12C mutatie.

1.Zhou Q, Meng X, Sun L et al. Efficacy and safety of KRAS G12C inhibitor IBI351 monotherapy in patients with advanced non-small cell lung cancer: results from a phase 2 pivotal study. J Thor Oncol 2024.08.005

Summary: A multicenter phase 2 trial in China found promising and sustained efficacy and manageable safety of the KRAS G12C inhibitor IBI351 monotherapy among patients with advanced NSCLC with KRAS G12C mutation.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multicenter retrospectieve cohortstudie van associatie tussen gebruik van cannabis en risico van hoofd-halscarcinoom (0)
2024-08-09 12:00   ( Nieuws )
Tags:  cannabis use HNC risk
Prof. Niels KokotHet is niet duidelijk of gebruik van cannabis een risicofactor is voor hoofd-halscarcinoom (HNC). Een multicenter retrospectieve cohortstudie in de Verenigde Staten heeft de associatie tussen gebruik van cannabis en het HNC-risico geïnventariseerd. Prof. Niels Kokot (University of Southern California, Los Angeles) en collega’s publiceren de studie in JAMA Otolaryngology-Head & Neck Surgery.1

De studie is gebaseerd op klinische gegevens in een database van 64 gezondheidszorg-organisaties over een periode van 20 jaar (tot en met april 2024). In de database identificeerden de onderzoekers 116.076 personen met cannabis-related disorder (‘gebruikers’; 44,5% vrouwen; gemiddelde leeftijd 46,4 ± 16,8 jaar) en 3.985.286 niet-gebruikers (54,4% vrouwen; gemiddelde leeftijd 60,8 ± 20,6 jaar). Na propensity score matching voor demografische kenmerken, alcohol-gerelateerde aandoeningen, en tabaksgebruik includeerde de studie twee groepen van elk 115.865 personen. De gebruikers vergeleken met niet-gebruikers hadden verhoogd risico van any HNC (RR 3,49; 95%-bti 2,78-4,39), mondcarcinoom (2,51; 1,81-3,47), orofarynxcarcinoom (4,90; 2,99-8,02), en larynxcarcinoom (8,39; 4,72-14,90). Vergelijkbare resultaten werden gezien bij afzonderlijke analyse van personen jonger dan 60 jaar en 60 jaar of ouder.

De onderzoekers concluderen dat de studie een associatie heeft geïdentificeerd tussen gebruik van cannabis en het HNC-risico in volwassen patiënten.

1.Gallagher TJ, Chung RS, Lin ME et al. Cannabis use and head and neck cancer. JAMA Otolaryngol Head Neck Surg 2024.2419

Summary: A multicenter retrospective cohort study in the USA found an association between cannabis-related disorder and the development of head and neck cancer in adult patients.



  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Discontinuering versus continuering van imatinib voor gevorderd GIST: exploratieve lange-termijn follow-up (0)
2024-08-08 15:26   ( Nieuws )
Tags:  BFR14 trial GIST imatinib
Prof. Jean-Yves BlayEr is geen duidelijkheid over de lange-termijn impact van discontinuering van tyrosinekinaseremmer op resistentie en overleving van patiënten met gevorderd GIST. Exploratieve lange-termijn follow-up van de fase 3-studie BFR14, in zeventien centra in Frankrijk, heeft impact van discontinuering van imatinib voor gevorderd GIST geïnventariseerd. Prof. Jean-Yves Blay (Centre Léon Bérard, Lyon) en collega’s publiceren de studie in The Lancet Oncology.1

De studie includeerde volwassen patiënten met een ECOG performance status 3 of beter. De patiënten kregen oraal imatinib 400 mg eenmaal daags. Patiënten zonder progressieve ziekte na één, drie, en vijf jaar behandeling werden gerandomiseerd naar discontinuering of voortzetting van de behandeling (na één jaar 32 respectievelijk 26 patiënten, na drie jaar 25 respectievelijk 25 patiënten, en na vijf naar 14 respectievelijk 13 patiënten). Het primaire eindpunt was progressievrije overleving.

De mediane follow-up was 235,2 maanden na de één-jaars randomisatie; 200,9 maanden na de drie-jaars randomisatie; en 164,5 maanden na de vijf-jaars randomisatie. De mediane PFS in de interruptiegroep versus de continueringsgroep na één jaar imatinib was 6,1 maanden versus 27,8 maanden (HR 0,36; p=0,003), na drie jaar imatinib 7,0 versus 67,0 maanden (0,15; p<0,0001), en na vijf jaar imatinib 12,0 maanden versus NR (0,13; p=0,0016). Voor de eindpunten tijd tot resistentie tegen imatinib en overall survival werden vergelijkbare associaties gezien.

De onderzoekers concluderen dat imatinib-interruptie onder GIST-patiënten zonder progressieve ziekte niet aanbevolen kan worden.

1.Blay J-Y, Devin Q, Duffaud F et al. Discontinuation versus continuation of imatinib in patients with advanced gastrointestinal stromal tumours (BFR14): exploratory long-term follow-up of an open-label, multicentre, randomised, phase 3 trial. Lancet Oncol 2024; epub ahead of print

Summary: Explorative long-term follow-up of the French multicenter phase 3 BFR14 trial found that among patients receiving imatinib for advanced GIST, treatment interruption in patients without progressive disease was associated with rapid progression and shorter overall survival when compared with imatinib continuation.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Discontinuering versus continuering van imatinib voor gevorderd GIST: exploratieve lange-termijn follow-up (0)
2024-08-08 15:00   ( Nieuws )
Tags:  BFR14 trial GIST imatinib
Prof. Jean-Yves BlayEr is geen duidelijkheid over de lange-termijn impact van discontinuering van tyrosinekinaseremmer op resistentie en overleving van patiënten met gevorderd GIST. Exploratieve lange-termijn follow-up van de fase 3-studie BFR14, in zeventien centra in Frankrijk, heeft impact van discontinuering van imatinib voor gevorderd GIST geïnventariseerd. Prof. Jean-Yves Blay (Centre Léon Bérard, Lyon) en collega’s publiceren de studie in The Lancet Oncology.1

De studie includeerde volwassen patiënten met een ECOG performance status 3 of beter. De patiënten kregen oraal imatinib 400 mg eenmaal daags. Patiënten zonder progressieve ziekte na één, drie, en vijf jaar behandeling werden gerandomiseerd naar discontinuering of voortzetting van de behandeling (na één jaar 32 respectievelijk 26 patiënten, na drie jaar 25 respectievelijk 25 patiënten, en na vijf naar 14 respectievelijk 13 patiënten). Het primaire eindpunt was progressievrije overleving.

De mediane follow-up was 235,2 maanden na de één-jaars randomisatie; 200,9 maanden na de drie-jaars randomisatie; en 164,5 maanden na de vijf-jaars randomisatie. De mediane PFS in de interruptiegroep versus de continueringsgroep na één jaar imatinib was 6,1 maanden versus 27,8 maanden (HR 0,36; p=0,003), na drie jaar imatinib 7,0 versus 67,0 maanden (0,15; p<0,0001), en na vijf jaar imatinib 12,0 maanden versus NR (0,13; p=0,0016). Voor de eindpunten tijd tot resistentie tegen imatinib en overall survival werden vergelijkbare associaties gezien.

De onderzoekers concluderen dat imatinib-interruptie onder GIST-patiënten zonder progressieve ziekte niet aanbevolen kan worden.

1.Blay J-Y, Devin Q, Duffaud F et al. Discontinuation versus continuation of imatinib in patients with advanced gastrointestinal stromal tumours (BFR14): exploratory long-term follow-up of an open-label, multicentre, randomised, phase 3 trial. Lancet Oncol 2024; epub ahead of print

Summary: Explorative long-term follow-up of the French multicenter phase 3 BFR14 trial found that among patients receiving imatinib for advanced GIST, treatment interruption in patients without progressive disease was associated with rapid progression and shorter overall survival when compared with imatinib continuation.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Eerstelijns zorg en negentig-dagen mortaliteit onder oudere patiënten die chirurgie voor maligniteiten ondergaan (0)
2024-08-08 13:30   ( Nieuws )
Tags:  older adults undergoing cancer surgery primary care use and 90-day mortality
Dr. Hadiza KazaureOnder oudere patiënten (65 jaar en ouder) die chirurgie voor maligniteiten ondergaan zijn multimorbiditeit en klinische decompenstatie niet ongebruikelijk, hetgeen het belang van eerstelijns zorg voor het optimaliseren van de overleving onderstreept. Een retrospectieve cohortstudie van Duke University Medical Center (Durham NC) heeft de associatie tussen gebruik van eerstelijns zorg en de negentig-dagen mortaliteit na chirurgie voor maligniteiten in oudere patiënten geïnventariseerd. Dr. Hadiza Kazaure en collega’s publiceren de studie in JAMA Surgery.1

De studie includeerde 2566 oudere patiënten (gemiddelde leeftijd 72,9 ± 0,1 jaar; 51,5% mannen) die tussen begin 2017 en eind 2019 in één van de ziekenhuizen van de Duke University Health System (DUHS) chirurgie voor één van twaalf veel-voorkomende maligniteiten ondergingen. Op het moment van chirurgie hadden 743 patiënten (28,9%) geen primary care practioner (PCP). Vergeleken met de PCP-groep hadden patiënten in de geen-PCP groep hogere negentig-dagen mortaliteit (2,0% versus 3,6%; p=0,03). Onder de 823 patiënten met een PCP in het DUHS hadden 400 (48,6%) contact met de PCP binnen negentig dagen na de chirurgie (mediaan na 34 dagen; IQR 20-57). Patiënten met een PCP-visit binnen negentig dagen hadden hogere waarschijnlijkheid ouder te zijn, hogere comorbiditeitsbelasting te hebben, een bezoek aan de afdeling spoedeisende hulp te brengen, en heropgenomen te worden. Desondanks hadden ze lagere negentig-dagen postoperatieve mortaliteit dan patiënten zonder PCP-visit binnen negentig dagen (0,3% versus 3,3%; p=0,001).

De onderzoekers concluderen dat contact met de eerstelijns zorg binnen negentig dagen na chirurgie voor maligniteiten geassocieerd was met betere overleving onder oudere patiënten die chirurgie voor maligniteiten ondergingen.

1.Kazaure HS, Neely NB, Howard LE et al. Primary care use and 90-day mortality among older adults undergoing cancer surgery. JAMA Surg 2024.2598

Summary: A retrospective cohort study within Duke University Health System (Durham, NC) found that follow-up with primary care within 90 days after cancer surgery was associated with improved survivorship among older adults.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Gepoolde analyse van impact van corticosteroïden voor irAEs op werkzaamheid van immuuncheckpointremmers (0)
2024-08-08 11:52   ( Nieuws )
Tags:  corticosteroids for immune-related adverse events ICI efficacy
Prof. Karijn SuijkerbuijkIn retrospectieve studies is gezien dat immuunsuppressieve behandeling voor immuun-gerelateerde bijwerkingen (irAEs) ongunstige invloed heeft op de overleving van patiënten die immuuncheckpointremmers (ICIs) krijgen van melanoom. Een post hoc gepoolde analyse van zes fase 2- of 3-studies heeft de impact van corticosteroïden op werkzaamheid van ICIs voor andere typen maligniteiten. Prof. Karijn Suijkerbuijk (UMC Utrecht) en collega’s publiceren de analyse in het Journal of Clinical Oncology.1


De analyse betreft de CheckMate-studies 067, 142, 214, 648, 743, en 9LA waarin tezamen 1959 patiënten anti-PD-1 plus anti-CTLA-4 behandeling kregen. Onder deze patiënten waren er 834 die immuunsuppressie kregen voor irAEs, van wie 832 corticosteroïden kregen en 81 (9,7%) tweedelijns immuunsuppressiva. Hoge corticosteroïd-piekdosering was geassocieerd met slechtere progressievrije overleving; 1,0 versus 0,5 mg/kg prednisolon: aHR 1,15 (95%-bti 1,02-1,29) en 2,0 versus 0,5 mg/kg prednisolon: 1,43 (1,05-1,96). Vergelijkbare associaties werden gezien voor overall survival. De cumulatieve corticosteroïd-dosering was niet geassocieerd met overleving. De associaties van gebruik van tweedelijns immuunsuppressiva met PFS en OS waren niet significant.

De onderzoekers concluderen dat onder patiënten die irAEs hadden met ICIs voor maligniteiten, hogere piek-dosering maar niet cumulatieve dosering van corticosteroïden geassocieerd was met slechtere overlevingsuitkomsten.

1.Verheijden RJ, de Groot JS, Fabriek BO et al. Corticosteroids for immune-related adverse events and checkpoint inhibitor efficacy: analysis of six clinical trials. J Clin Oncol 2024.00191

Summary: Pooled analysis of six phase 2 and phase 3 trials found that higher corticosteroid peak dose for treatment-related adverse events was associated with worse survival among patients receiving immune checkpoint inhibitors for various tumor types, while cumulative corticosteroid dose was not.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie tussen omgevings-luchtverontreining en overleving van maligniteiten in kinderen (0)
2024-08-07 15:00   ( Nieuws )
Tags:  ambient air pollution survival of childhood cancer
Dr. Leticia NogueiraEerdere studies hebben associaties laten zien tussen blootstaan aan fijnstof bestaande uit deeltjes met een diameter kleiner dan 2,5 micron (PM2,5), een onderdeel van luchtverontreiniging, en verscheidene ongunstige gezondheidsuitkomsten. Dr. Leticia Noguiera (American Cancer Society, Kennesaw GA) en collega’s publiceren in Cancer een analyse van de National Cancer Database van de associatie tussen blootstaan aan deze luchtverontreiniging en de overleving van kinderen met maligniteiten.1

In de NCDB identificeerden de onderzoekers 172.550 patiënten die tussen begin 2004 en eind 2019 voor de leeftijd 20 jaar een diagnose van een maligniteit kregen. Onder deze patiënten waren er 27.456 (15,9%) met een woonomgeving met jaarlijkse PM2,5-concentraties hoger dan 12 μg/m3 (de standaard van de US Environmental Protection Agency). Patiënten die in deze high-pollution omgevingen woonden hadden een slechtere overall survival dan elders wonende patiënten (aHR 1,06; 95%-bti 1,01-1,10). Deze associatie werd gezien in verschillende sociaal-demografische subgroepen.

De onderzoekers concluderen dat blootstaan aan PM2,5 significant geassocieerd was met slechtere overleving van childhood cancer.

1.George PE, Zhao J, Liang D, Nogueira LM. Ambient air pollution and survival in childhood cancer: a nationwide survival analysis. Cancer 2024.35484

Summary: Analysis of the National Cancer Database found that exposure to particulate matter consisting of fine particles measuring 2.5 microns or less in diameter was significantly associated with worse overall survival among children with cancer.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 3-studie van olanzapine als emese-profylaxe in matig-emetogene chemotherapie (0)
2024-08-07 13:30   ( Nieuws )
Tags:  MEC olanzapine
Dr. Amant RamaswamyEr is weinig informatie beschikbaar over de waarde van olanzapine voor emese-profylaxe in patiënten die matig-emetogene chemotherapie krijgen. Een fase 3-studie in drie centra in India heeft deze waarde geïnventariseerd. Dr. Anant Ramaswamy (Tata Memorial Hospital, Mumbai) en collega’s publiceren de studie in JAMA Network Open.1

De studie includeerde volwassen patiënten die oxaliplatine-, carboplatine-, of irinotecan-gebaseerde MEC-regimes kregen voor solide maligniteiten. De patiënten werden 1:1 gerandomiseerd naar dexamethason, aprepitant, en palonosetron met olanzapine 10 mg eenmaal daags op dagen één tot en met drie van de chemotherapie (experimentele groep; n=274) of zonder olanzapine (controlegroep; n=270). Het primaire eindpunt was complete respons (CR), gedefinieerd als geen braken, geen misselijkheid (<5 op een visuele analoge schaal van 1 tot 100), en geen gebruik van rescue medicatie. CR tijdens de eerste 120 uur werd gezien in 91% van de patiënten in de experimentele groep versus 82% van de patiënten in de controlegroep (p=0,005). Er waren ook significante verschillen tussen de experimentele groep en de controlegroep voor controle van misselijkheid (96% versus 87%; p<0,001) en chemotherapie-geïnduceerde misselijkheid en braken tijdens de overall assessment period (96% versus 91%; p=0,02) en het percentage patiënten met rescue medicatie (4% versus 11%; p=0,001). Graad 1 somnolentie werd gerapporteerd door 10% van de patiënten in de experimentele groep en geen van de patiënten in de controlegroep.

De onderzoekers concluderen dat toevoeging van olanzapine geassocieerd was met significante verbetering van de CR-percentages in patiënten die MEC-regimes kregen (visual abstract).

1.Ostwal V, Ramaswamy A, Mandavkar S et al. Olanzapine as antiemetic prophylaxis in moderately emetogenic chemotherapy. A phase 3 randomized clinical trial. JAMA Network Open 2024;7:e2426076

Summary: A phase 3 trial at 3 centers in India found that addition of olanzapine to dexamethasone, aprepitant, and palonosetron significantly improved complete response rates as well as nausea and vomiting prevention rates in patients receiving moderately emetogenic chemotherapy.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)