Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Real-world uitkomsten met pirtobrutinib voor recidiverend of refractair mantelcellymfoom (0)
2024-05-22 12:00   ( Nieuws )
Tags:  R R MCL pirtobrutinib
Dr. Enver AydilekMantelcellymfoom (MCL) is een incurabel B-cellymfoom. Pirtobrutinib is een niet-covalente BTK-remmer. In de fase 1-2 BRUIN-studie is bemoedigende objectieve respons van recidiverend of refractair (R/R) MCL op pirtobrutinib gezien, waarna EMA en FDA het middel versneld goedkeurden voor R/R MCL. Dr. Enver Aydilek (Georg-August Universität Göttingen, Duitsland) en collega’s publiceren in Cancer Medicine real-world resultaten met pirtobrutinib voor R/R MCL in een Europees compassionate use program.1

De studie includeerde tien patiënten met R/R MCL, die gemiddeld drie eerdere lijnen systemische therapie hadden gekregen , onder wie negen die eerder aan een BTK-remmer blootgesteld waren geweest. De figuur laat zien dat de best overall response of pirtobrutinib 67% was, en dat tijdens mediaan 8,6 maanden follow-up de mediane duur van respons, progressievrije overleving, en overall survival niet bereikt werd. Er werden geen nieuwe veiligheidssignalen gezien.

De onderzoekers concluderen dat in deze studie pirtobrutinib een veilige en effectieve behandeloptie was voor R/R MCL.

1.Aydilek E, Wulf G, Schwarz F et al. Outcomes of pirtobrutinib for relapsed/refractory mantle cell lymphoma in compassionate use program in Europe. Cancer Medicine 2024.7289

Summary: A retrospective study of patients with R/R mantle cell lymphoma in a compassionate use program in Europe found that pirtobrutinib was a safe and effective treatment option.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Meta-analyse van overlevingsprofijt geassocieerd met deelname aan klinische studies van middelen tegen maligniteiten (0)
2024-05-21 15:00   ( Nieuws )
Tags:  survival benefit associated with participation in clinical trials of anticancer drugs
Prof. Jonathan KimmelmanVeel experts zijn van mening dat deelname aan een klinische studie van een anticancer drug geassocieerd is met betere uitkomsten dan routinematige klinische zorg. Een systematisch overzicht en meta-analyse van gepubliceerde studies heeft deze hypothese getoetst. Prof. Jonathan Kimmelman (Université McGill, Montréal, Canada) en collega’s publiceren de analyse in JAMA.1


In de literatuur tussen begin 2000 en eind augustus 2022 identificeerden de onderzoekers 39 studies die overall survival van studiedeelnemers en klinische-praktijk patiënten vergeleken (85 vergelijkingen). In meta-analyse van alle gepoolde studies was de OS significant beter voor de studiedeelnemers (HR 0,76; 95%-bti 0,69-0,82). Echter, in subsets van studies waarin studiedeelnemers en klinische-praktijk patiënten gematcht werden voor eligibiliteitscriteria was het overlevingsvoordeel van de studiedeelnemers minder uitgesproken (HR 0,85; 95%-bti 0,75-0,97), en het overlevingsvoordeel was niet langer significant als alleen studies van hoge kwaliteit werden gepoold (0,91; 0,80-1,05) of na correctie voor mogelijke publicatiebias (0,94; 0,86-1,03).

De onderzoekers concluderen dat het overlevingsvoordeel voor studiedeelnemers versus klinische-praktijk patiënten niet wordt gezien in studies die rekening houden met belangrijke bronnen van bias en confounding.

1.Iskander R, Moyer H, Vigneault K et al. Survival benefit associated with participation in clinical trials of anticancer drugs. A systematic review and meta-analysis. JAMA 2024.6281

Summary: In a systematic review and meta-analysis of 39 studies (85 comparisons), cancer patient participation in trials was associated with greater survival benefit compared with routine care (HR 0.76). However, survival benefit was not significantly greater when only high-quality studies were pooled (HR 0.9) or when the sample was adjusted for possible publication bias (HR 0.94).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Risicofactoren en mortaliteit onder vrouwen met interval versus screenings-gedetecteerd mammacarcinoom (0)
2024-05-21 13:30   ( Nieuws )
Tags:  IBC versus SBC
Er is geen duidelijkheid over factoren die geassocieerd zijn met interval mammacarcinoom (IBC) vergeleken met screenings-gedetecteerd mammacarcinoom (SBC) en de associaties van IBC en SBC met mortaliteit. Een retrospectieve cohortstudie in Zuid-Korea heeft deze associaties onderzocht. Prof. Boyoung Park (Hanyang Universiteit, Seoel) en collega’s publiceren de studie in JAMA Network Open.1

De studie, gebaseerd op gegevens in de Korean National Health Insurance Database, includeerde vrouwen die deelnamen aan een nationaal mammografiescreeningsprogramma tussen begin 2009 en eind 2012, met follow-up tot eind 2020. IBC werd gedefinieerd als een BC-diagnose zes tot vierentwintig maanden na een negatief screeningsresultaat, en SBC als een BC-diagnose binnen zes maanden na een positief screeningsresultaat. De studie includeerde 8702 vrouwen met IBC (gemiddelde leeftijd 53,3 ± 8,6 jaar) en 9492 vrouwen met SBC (54,1 ± 9,0).

Vergeleken met SBC nam de waarschijnlijkheid van IBC af met toenemende mammografische borstdichtheid. Lagere body mass index, menopauzale status, gebruik van hormoonvervangende therapie (HRT), en afwezigheid van BC-familiegeschiedenis waren geassocieerd met hogere waarschijnlijkheid van IBC. Gestratificeerd naar tijd van detectie waren jeugdigere leeftijd bij BC-diagnose en BC-familiegeschiedenis geassocieerd met verhoogde waarschijnlijkheid van IBC gediagnostiseerd tussen zes en twaalf maanden na de screening maar verlaagde waarschijnlijkheid van IBC gediagnostiseerd tussen twaalf en vierentwintig maanden na de screening. De overall mortaliteit van IBC was vergelijkbaar met die van SBC, maar de all-cause en BC-gerelateerde mortaliteit van IBC gediagnostiseerd tussen zes en twaalf maanden na de screening was hoger dan die van SBC.

De onderzoekers concluderen dat onder Koreaanse vrouwen borstdichtheid, obesitas, en HRT-gebruik geassocieerd waren met IBC versus SBC.

1.Song H, Tran TXM, Kim S, Park B. Risk factors and mortality among women with interval breast cancer vs screen-detected breast cancer. JAMA Network Open 2024;7:e2411927

Summary: A retrospective cohort study in South Korea found that breast density, obesity, and HRT use were associated with interval breast cancer (IBC) compared with screen-detected breast cancer (SBC), while overall mortality of IBC was comparable with that of SBC.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Impact van neoadjuvante chemo-immuuntherapie op chirurgische uitkomsten en tijd tot bestraling in TNBC-patiënten (0)
2024-05-21 12:00   ( Nieuws )
Tags:  triple-negative breast cancer neoadjuvant chemoimmunotherapy
Dr. Stephanie Downs-CannerHet is niet duidelijk of neoadjuvante chemo-immuuntherapie voor triple-negatief mammacarcinoom (TNBC) geassocieerd is met uitstel van verdere behandeling en postoperatieve complicaties. Een retrospectieve studie van Memorial Sloan Kettering Cancer Center (New York) heeft neoadjuvante chemo-immuuntherapie vergeleken met alleen neoadjuvante chemotherapie voor patiënten met stadium II of III TNBC. Dr. Stephanie Downs-Canner en collega’s publiceren de studie in Annals of Surgical Oncology.1

De onderzoekers vergeleken 139 TNBC-patiënten die tussen augustus 2021 en oktober 2022 noeadjuvant pembrolizumab plus chemotherapie kregen (KEYNOTE-522 regime) met 287 patiënten die voor juli 2021 alleen neoadjuvante chemotherapie kregen. Leeftijd, body mass index, ras ASA-klasse, en mastectomie-percentages waren similar in de twee groepen. Er was geen klinisch relevant verschil in tijd van eind van de neoadjuvante behandeling tot chirurgie (mediaan 32 versus 31 dagen). Ook de tijd tot adjuvante bestraling was niet verschillend (p=0,7). Postoperatieve complicaties werden gezien in 8% versus 9% (p=0,6). In de chemo-immuuntherapiegroep werden immuungerelateerde adverse events (irAEs) gezien in 43%, waarvoor behandeling vereist was in 40%. Hogere leeftijd (p=0,018) en ASA-klasse 4 (p=0,007) waren geassocieerd met latere chirurgie, en irAEs met latere bestraling (p=0,029). IrAEs waren niet geassocieerd met chirurgische complicaties.

De onderzoekers concluderen dat onder patiënten met stadium II of III TNBC, neoadjuvante chemo-immuuntherapie vergeleken met alleen chemotherapie niet geassocieerd was met ongunstige impact op tijd tot chirurgie/adjuvante bestraling of op postoperatieve complicaties.

1.Meyers SP, Sevilimedu V, Jones VM et al. Impact of neoadjuvant chemoimmunotherapy on surgical outcomes and time to radiation in triple-negative breast cancer. Ann Surg Oncol 2024-15359-w

Summary: A retrospective study at Memorial Sloan Kettering Cancer Center (New York, NY) found no clinically meaningful differences between neoadjuvant chemoimmunotherapy and neoadjuvant chemotherapy alone in impact on time to surgery and adjuvant radiation or postoperative complications in patients with stage II or III TNBC.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Retrospectieve studie van associatie tussen blootstelling van DCIS-patiënten aan bètablokkers en risico van invasief mammacarcinoom (0)
2024-05-20 15:00   ( Nieuws )
Tags:  DCIS beta-blockers invasive breast cancer risk
Dr. Aglaia SchizaIn preklinische modellen is gezien dat bèta-andrenerge signalering resulteert in opregulering van de expressie van metastase-geassocieerde genen en downregulering van genen die betrokken zijn bij de antiumor-immuunrespons. Een retrospectieve cohortstudie in Zweden heeft de associatie geïnventariseerd tussen gebruik van bètablokkers en het risico van invasief mammacarcinoom onder patiënten met ductaal carcinoom in situ (DCIS). Dr. Aglaia Schiza (Universiteit van Uppsala) en collega’s publiceren publiceren de studie in Breast Cancer Research and Treatment.1

De studie includeerde 2535 vrouwen met een diagnose zuiver DCIS tussen begin 2006 en eind 2012 in drie regio’s in Zweden, en follow-up tot eind 2018. De mediane leeftijd bij diagnose was 59 jaar (IQR 50-67). De mediane duur van follow-up was 8,7 jaar. Gebruik van bètablokkers tijdens de follow-up werd gerapporteerd door 812 deelnemers (32%). Tijdens de follow-up werd invasief mammacarcinoom gezien in 48 patiënten, overeenkomend met een vijf-jaars incidentie van 1,8%. De figuur laat zien dat de cumulatieve blootstelling aan bètablokkers geassocieerd was met doserings-afhankelijke verlaging van het risico van invasief mammacarcinoom, hoewel het effect niet statistisch significant was.

De onderzoekers concluderen dat deze resultaten suggereren dat onder DCIS-patiënten gebruik van bètablokkers geassocieerd is met verlaging van het risico van invasief mammacarcinoom.

1.Strell C, Smith DR, Valachis A et al. Use of beta-blockers in patients with ductal carcinoma in situ and risk of invasive breast cancer recurrence: a Swedish retrospective cohort study. Breast Cancer Res Treat 2024-07358-y

Summary: A retrospective studyin Sweden found that among patients with DCIS, exposure to beta-blockers was associated with reduced risk of invasive breast cancer in a dose-dependent manner, although this effect was not statistically significant.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Retrospectieve studie van impact van fragiliteit op overleving van patiënten met IDH-wildtype supratentorieel glioblastoom (0)
2024-05-20 13:30   ( Nieuws )
Tags:  IDH-wildtype supratentorial GBM frailty and survival
Prof. Johan PalludFragiliteit is in het algemeen geassocieerd met risico van mortaliteit in patiënten met maligniteiten. Een retrospectieve studie van de Université Paris Cité heeft de associatie van fragiliteit met overleving geïnventariseerd onder patiënten die standaard chemoradiotherapie (CRT) kregen voor IDH-wildtype supratentorieel glioblastoom (GBM). Prof. Johan Pallud en collega’s publiceren publiceren de studie in het Journal of Neuro-Oncology.1

De studie includeerde 694 volwassen patiënten die tussen begin 2006 en eind 2021 in het ziekenhuis van de universiteit CRT kregen voor nieuw-gediagnostiseerd IDH-wildtype supratentorieel GBM. Voor aanvang van de behandeling werd de mate van fragiliteit bepaald met de modified 5-item frailty index (5-mFI). De niet-fragiele subgroep, gedefinieerd als 5-mFI score lager dan 2, bestond uit 538 patiënten, en de fragiele subgroep uit 156 patiënten. De mediane overall survival bedroeg 14,3 maanden in de niet-fragiele subgroep en 4,7 maanden in de fragiele subgroep (p<0,001). In multivariate analyse was 5-mFI score 2 of hoger onafhankelijk geassocieerd met kortere OS (aHR 1,31; p=0,009), terwijl leeftijd ≤ 60 jaar (0,78; p=0,007), KPS-score ≥ 70 (0,71; p=0,001), unilaterale locatie (0,67; p=0,002), totale resectie (0,54; p<0,0001), en standaard CRT-protocol (0,32; p=<0,0001) onafhankelijke voorspellers waren van langere OS.

De onderzoekers concluderen dat onder patiënten die CRT kregen voor nieuw-gediagnostiseerd supratentorieel IDH-wildtype GBM, fragiliteit gedefinieerd als 5-mFI score 2 of hoger geassocieerd was met kortere OS.

1.Hudelist B, Elia A, Roux A et al. Impact of frailty on survival of glioblastoma, IDH-wildtype patients. J Neuro-Oncol 2024-04699-y

Summary: A https://link.springer.com/article/10.1007/s11060-024-04699-y retrospective study at Université Paris Cité (France) found that among patients receiving standard chemoradiotherapy for newly diagnosed IDH-wildtype supratentorial glioblastoma, frailty (defined as a 5-mFI score ≥ 2) was an independent predictor of overall survival.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Analyse van trends en determinanten van postoperatieve hoest in patiënten met slokdarmcarcinoom (0)
2024-05-20 12:00   ( Nieuws )
Tags:  esophageal cancer postoperative cough
Hoest is een veel-voorkomend symptoom met impact op herstel en kwaliteit van leven in patiënten na oesofagectomie voor slokdarmcarcinoom. Een prospectieve studie van Peking Union Medical College van de Chinese Academie van Medische Wetenschappen (Beijing) heeft trends en determinante van postoperatieve hoest in deze patiënten geïnventariseerd. Prof. Jianjun Qin en collega’s publiceren de studie in Annals of Surgical Oncology.1

De studie includeerde 208 patiënten die de dag voorafgaand aan chirurgie, en na één week, één maand, en drie maanden de in het Mandarijn Chinees vertaalde versie van de Leicester Cough Questionnaire (LCQ-MC) beantwoordden. De figuur laat zien de LCQ-MC scores na de chirurgie lager waren dan voor de chirurgie. Factoren geassocieerd met hoest één week na de chirurgie waren klinisch stadium van het slokdarmcarcinoom, anastomotische positie, duur van chirurgie, en subcarinale lymfeklierdissectie. Factoren geassocieerd met hoest een maand na chirurgie waren klinisch stadium, anastomotische positie, en het handhaven van een semi-liggende houding. Factoren geassocieerd met hoest drie maanden na de chirurgie waren klinisch stadium en anastomotische positie.

De onderzoekers concluderen dat de factoren die van invloed zijn op postoperatieve hoest varieerden in de tijd na oesofagectomie.

1.Sun J, Liang R, Zhang Q et al. Analysis of the trends and influencing factors for postoperative cough in patients with esophageal cancer based on patient-reported outcomes. Ann Surg Oncol 2024-15413-7

Summary: A prospective study in China found that factors influencing postoperative cough varied over time following esophagectomy for esophageal cancer.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Lange-termijn resultaten met hypo- versus conventioneel gefractioneerde radiotherapie voor laag-risico prostaatcarcinoom (0)
2024-05-19 15:00   ( Nieuws )
Tags:  RTOG 0415 low-risk prostate cancer H-RT versus C-RT
Dr. Robert LeeDe NRG Oncology RTOG 0415 is een multicenter gerandomiseerde fase 3-studie in de Verenigde Staten die conventioneel gefractioneerde (C-RT; 73,8 Gy in 41 fracties) vergeleek met hypogefractioneerde radiotherapie (H-RT; 70 Gy in 28 fracties) onder patiënten met laag-risico prostaatcarcinoom. In 2017 is gepubliceerd dat met mediaan 5,8 jaar follow-up H-RT niet-inferieur was aan C-RT voor het primaire eindpunt ziektevrije overleving. Dr. Robert Lee (Duke University Medical Center, Durham NC) en collega’s publiceren in het Journal of Clinical Oncology lange-termijn resultaten van de studie, na mediaan 12,8 jaar follow-up.1

De C-RT groep telde 547 patiënten en de H-RT groep 554. Het twaalf-jaars DFS-percentage was 56,1% (95%-bti 51,5-60,5) in de C-RT groep en 61,8% (57,2-66,0) in de H-RT groep, waarmee de noninferioriteit van H-RT ten opzichte van C-RT bevestigd werd (p<0,001). Twaalf-jaars cumulatieve incidentie van biochemisch falen (BF) was 17,0% met C-RT en 9,9% met H-RT (HR 0,55; 95%-bti 0,39-0,78). De incidentie van late graad 3 of hoger gastroïntestinale adverse events was 3,2% met C-RT versus 4,4% met H-RT (RR 1,39; 95%-bti 0,75-2,55) en de incidentie van late graad 3 of hoger genito-urinaire AEs was 3,4% versus 4,2% (1,26; 0,69-2,30).

De onderzoekers concluderen dat H-RT versus C-RT resulteerde in vergelijkbare DFS, superieure BF, en geen verschil in late graad 3 of hoger GI/GU AEs.

1.Lee RW, Dignam JJ, Amin MB et al. Long-term analysis of NRG Oncology RTOG 0415: a randomized phase III noninferiority study comparing two factionation schedules in patients with low-risk prostate cancer. J Clin Oncol 2024; epub ahead of print

Summary: Long-term analysis of RTOG 0415 found that among patients with low-risk prostate cancer and median 12.8 years follow-up, hypofractionated RT versus conventionally fractioated RT was noninferior for disease-free survival, superior for biochemical failure, while there were no significant differences in late grade ≥3 GI/GU toxicities.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)