Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Impact van neoadjuvante chemo-immuuntherapie op chirurgische uitkomsten en tijd tot bestraling in TNBC-patiënten (0)
2024-05-21 12:00   ( Nieuws )
Tags:  triple-negative breast cancer neoadjuvant chemoimmunotherapy
Dr. Stephanie Downs-CannerHet is niet duidelijk of neoadjuvante chemo-immuuntherapie voor triple-negatief mammacarcinoom (TNBC) geassocieerd is met uitstel van verdere behandeling en postoperatieve complicaties. Een retrospectieve studie van Memorial Sloan Kettering Cancer Center (New York) heeft neoadjuvante chemo-immuuntherapie vergeleken met alleen neoadjuvante chemotherapie voor patiënten met stadium II of III TNBC. Dr. Stephanie Downs-Canner en collega’s publiceren de studie in Annals of Surgical Oncology.1

De onderzoekers vergeleken 139 TNBC-patiënten die tussen augustus 2021 en oktober 2022 noeadjuvant pembrolizumab plus chemotherapie kregen (KEYNOTE-522 regime) met 287 patiënten die voor juli 2021 alleen neoadjuvante chemotherapie kregen. Leeftijd, body mass index, ras ASA-klasse, en mastectomie-percentages waren similar in de twee groepen. Er was geen klinisch relevant verschil in tijd van eind van de neoadjuvante behandeling tot chirurgie (mediaan 32 versus 31 dagen). Ook de tijd tot adjuvante bestraling was niet verschillend (p=0,7). Postoperatieve complicaties werden gezien in 8% versus 9% (p=0,6). In de chemo-immuuntherapiegroep werden immuungerelateerde adverse events (irAEs) gezien in 43%, waarvoor behandeling vereist was in 40%. Hogere leeftijd (p=0,018) en ASA-klasse 4 (p=0,007) waren geassocieerd met latere chirurgie, en irAEs met latere bestraling (p=0,029). IrAEs waren niet geassocieerd met chirurgische complicaties.

De onderzoekers concluderen dat onder patiënten met stadium II of III TNBC, neoadjuvante chemo-immuuntherapie vergeleken met alleen chemotherapie niet geassocieerd was met ongunstige impact op tijd tot chirurgie/adjuvante bestraling of op postoperatieve complicaties.

1.Meyers SP, Sevilimedu V, Jones VM et al. Impact of neoadjuvant chemoimmunotherapy on surgical outcomes and time to radiation in triple-negative breast cancer. Ann Surg Oncol 2024-15359-w

Summary: A retrospective study at Memorial Sloan Kettering Cancer Center (New York, NY) found no clinically meaningful differences between neoadjuvant chemoimmunotherapy and neoadjuvant chemotherapy alone in impact on time to surgery and adjuvant radiation or postoperative complications in patients with stage II or III TNBC.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Retrospectieve studie van associatie tussen blootstelling van DCIS-patiënten aan bètablokkers en risico van invasief mammacarcinoom (0)
2024-05-20 15:00   ( Nieuws )
Tags:  DCIS beta-blockers invasive breast cancer risk
Dr. Aglaia SchizaIn preklinische modellen is gezien dat bèta-andrenerge signalering resulteert in opregulering van de expressie van metastase-geassocieerde genen en downregulering van genen die betrokken zijn bij de antiumor-immuunrespons. Een retrospectieve cohortstudie in Zweden heeft de associatie geïnventariseerd tussen gebruik van bètablokkers en het risico van invasief mammacarcinoom onder patiënten met ductaal carcinoom in situ (DCIS). Dr. Aglaia Schiza (Universiteit van Uppsala) en collega’s publiceren publiceren de studie in Breast Cancer Research and Treatment.1

De studie includeerde 2535 vrouwen met een diagnose zuiver DCIS tussen begin 2006 en eind 2012 in drie regio’s in Zweden, en follow-up tot eind 2018. De mediane leeftijd bij diagnose was 59 jaar (IQR 50-67). De mediane duur van follow-up was 8,7 jaar. Gebruik van bètablokkers tijdens de follow-up werd gerapporteerd door 812 deelnemers (32%). Tijdens de follow-up werd invasief mammacarcinoom gezien in 48 patiënten, overeenkomend met een vijf-jaars incidentie van 1,8%. De figuur laat zien dat de cumulatieve blootstelling aan bètablokkers geassocieerd was met doserings-afhankelijke verlaging van het risico van invasief mammacarcinoom, hoewel het effect niet statistisch significant was.

De onderzoekers concluderen dat deze resultaten suggereren dat onder DCIS-patiënten gebruik van bètablokkers geassocieerd is met verlaging van het risico van invasief mammacarcinoom.

1.Strell C, Smith DR, Valachis A et al. Use of beta-blockers in patients with ductal carcinoma in situ and risk of invasive breast cancer recurrence: a Swedish retrospective cohort study. Breast Cancer Res Treat 2024-07358-y

Summary: A retrospective studyin Sweden found that among patients with DCIS, exposure to beta-blockers was associated with reduced risk of invasive breast cancer in a dose-dependent manner, although this effect was not statistically significant.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Retrospectieve studie van impact van fragiliteit op overleving van patiënten met IDH-wildtype supratentorieel glioblastoom (0)
2024-05-20 13:30   ( Nieuws )
Tags:  IDH-wildtype supratentorial GBM frailty and survival
Prof. Johan PalludFragiliteit is in het algemeen geassocieerd met risico van mortaliteit in patiënten met maligniteiten. Een retrospectieve studie van de Université Paris Cité heeft de associatie van fragiliteit met overleving geïnventariseerd onder patiënten die standaard chemoradiotherapie (CRT) kregen voor IDH-wildtype supratentorieel glioblastoom (GBM). Prof. Johan Pallud en collega’s publiceren publiceren de studie in het Journal of Neuro-Oncology.1

De studie includeerde 694 volwassen patiënten die tussen begin 2006 en eind 2021 in het ziekenhuis van de universiteit CRT kregen voor nieuw-gediagnostiseerd IDH-wildtype supratentorieel GBM. Voor aanvang van de behandeling werd de mate van fragiliteit bepaald met de modified 5-item frailty index (5-mFI). De niet-fragiele subgroep, gedefinieerd als 5-mFI score lager dan 2, bestond uit 538 patiënten, en de fragiele subgroep uit 156 patiënten. De mediane overall survival bedroeg 14,3 maanden in de niet-fragiele subgroep en 4,7 maanden in de fragiele subgroep (p<0,001). In multivariate analyse was 5-mFI score 2 of hoger onafhankelijk geassocieerd met kortere OS (aHR 1,31; p=0,009), terwijl leeftijd ≤ 60 jaar (0,78; p=0,007), KPS-score ≥ 70 (0,71; p=0,001), unilaterale locatie (0,67; p=0,002), totale resectie (0,54; p<0,0001), en standaard CRT-protocol (0,32; p=<0,0001) onafhankelijke voorspellers waren van langere OS.

De onderzoekers concluderen dat onder patiënten die CRT kregen voor nieuw-gediagnostiseerd supratentorieel IDH-wildtype GBM, fragiliteit gedefinieerd als 5-mFI score 2 of hoger geassocieerd was met kortere OS.

1.Hudelist B, Elia A, Roux A et al. Impact of frailty on survival of glioblastoma, IDH-wildtype patients. J Neuro-Oncol 2024-04699-y

Summary: A https://link.springer.com/article/10.1007/s11060-024-04699-y retrospective study at Université Paris Cité (France) found that among patients receiving standard chemoradiotherapy for newly diagnosed IDH-wildtype supratentorial glioblastoma, frailty (defined as a 5-mFI score ≥ 2) was an independent predictor of overall survival.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Analyse van trends en determinanten van postoperatieve hoest in patiënten met slokdarmcarcinoom (0)
2024-05-20 12:00   ( Nieuws )
Tags:  esophageal cancer postoperative cough
Hoest is een veel-voorkomend symptoom met impact op herstel en kwaliteit van leven in patiënten na oesofagectomie voor slokdarmcarcinoom. Een prospectieve studie van Peking Union Medical College van de Chinese Academie van Medische Wetenschappen (Beijing) heeft trends en determinante van postoperatieve hoest in deze patiënten geïnventariseerd. Prof. Jianjun Qin en collega’s publiceren de studie in Annals of Surgical Oncology.1

De studie includeerde 208 patiënten die de dag voorafgaand aan chirurgie, en na één week, één maand, en drie maanden de in het Mandarijn Chinees vertaalde versie van de Leicester Cough Questionnaire (LCQ-MC) beantwoordden. De figuur laat zien de LCQ-MC scores na de chirurgie lager waren dan voor de chirurgie. Factoren geassocieerd met hoest één week na de chirurgie waren klinisch stadium van het slokdarmcarcinoom, anastomotische positie, duur van chirurgie, en subcarinale lymfeklierdissectie. Factoren geassocieerd met hoest een maand na chirurgie waren klinisch stadium, anastomotische positie, en het handhaven van een semi-liggende houding. Factoren geassocieerd met hoest drie maanden na de chirurgie waren klinisch stadium en anastomotische positie.

De onderzoekers concluderen dat de factoren die van invloed zijn op postoperatieve hoest varieerden in de tijd na oesofagectomie.

1.Sun J, Liang R, Zhang Q et al. Analysis of the trends and influencing factors for postoperative cough in patients with esophageal cancer based on patient-reported outcomes. Ann Surg Oncol 2024-15413-7

Summary: A prospective study in China found that factors influencing postoperative cough varied over time following esophagectomy for esophageal cancer.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Lange-termijn resultaten met hypo- versus conventioneel gefractioneerde radiotherapie voor laag-risico prostaatcarcinoom (0)
2024-05-19 15:00   ( Nieuws )
Tags:  RTOG 0415 low-risk prostate cancer H-RT versus C-RT
Dr. Robert LeeDe NRG Oncology RTOG 0415 is een multicenter gerandomiseerde fase 3-studie in de Verenigde Staten die conventioneel gefractioneerde (C-RT; 73,8 Gy in 41 fracties) vergeleek met hypogefractioneerde radiotherapie (H-RT; 70 Gy in 28 fracties) onder patiënten met laag-risico prostaatcarcinoom. In 2017 is gepubliceerd dat met mediaan 5,8 jaar follow-up H-RT niet-inferieur was aan C-RT voor het primaire eindpunt ziektevrije overleving. Dr. Robert Lee (Duke University Medical Center, Durham NC) en collega’s publiceren in het Journal of Clinical Oncology lange-termijn resultaten van de studie, na mediaan 12,8 jaar follow-up.1

De C-RT groep telde 547 patiënten en de H-RT groep 554. Het twaalf-jaars DFS-percentage was 56,1% (95%-bti 51,5-60,5) in de C-RT groep en 61,8% (57,2-66,0) in de H-RT groep, waarmee de noninferioriteit van H-RT ten opzichte van C-RT bevestigd werd (p<0,001). Twaalf-jaars cumulatieve incidentie van biochemisch falen (BF) was 17,0% met C-RT en 9,9% met H-RT (HR 0,55; 95%-bti 0,39-0,78). De incidentie van late graad 3 of hoger gastroïntestinale adverse events was 3,2% met C-RT versus 4,4% met H-RT (RR 1,39; 95%-bti 0,75-2,55) en de incidentie van late graad 3 of hoger genito-urinaire AEs was 3,4% versus 4,2% (1,26; 0,69-2,30).

De onderzoekers concluderen dat H-RT versus C-RT resulteerde in vergelijkbare DFS, superieure BF, en geen verschil in late graad 3 of hoger GI/GU AEs.

1.Lee RW, Dignam JJ, Amin MB et al. Long-term analysis of NRG Oncology RTOG 0415: a randomized phase III noninferiority study comparing two factionation schedules in patients with low-risk prostate cancer. J Clin Oncol 2024; epub ahead of print

Summary: Long-term analysis of RTOG 0415 found that among patients with low-risk prostate cancer and median 12.8 years follow-up, hypofractionated RT versus conventionally fractioated RT was noninferior for disease-free survival, superior for biochemical failure, while there were no significant differences in late grade ≥3 GI/GU toxicities.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Real-world resultaten van toevoegen van pembrolizumab aan chemotherapie voor aNSCLC met PD-L1 lager dan 50% in oudere patiënten (0)
2024-05-19 13:30   ( Nieuws )
Tags:  advanced non-small cell lung cancer with PD-L1&lt;50% in elderly patients
Dr. Florian GuisierEr zijn slechts beperkte gegevens beschikbaar over het management van gevorderd niet-kleincellig longcarcinoom (aNSCLC) in patiënten in de leeftijd van 70 jaar of ouder. Het is niet duidelijk of deze patiënten baat hebben bij immuunchemotherapie. Een retrospectieve studie in het Academisch Ziekenhuis van Rouen (Frankrijk) heeft toevoeging van pembrolizumab aan carboplatine en wekelijks paclitaxel voor aNSCLC met PD-L1 expressie lager dan 50% in oudere patiënten geëvalueerd. Dr. Florian Guisier en collega’s publiceren de studie in Clinical Lung Cancer.1

De studie includeerde 105 oudere patiënten met aNSCLC met negatieve PD-L1 expressie (65%) of PD-L1 expressie 1% tot en met 49% (35%). Van deze patiënten kregen 48 carboplatine plus wekelijks paclitaxel plus pembrolizumab (CwPP) en 57 alleen carboplatine plus wekelijks paclitaxel (CwP). De response rate was 47% met CwPP en 23% met CwP (p<0,001). De mediane progressievrije overleving was 7,4 maanden met CwPP en 3,4 maanden met CwP (p<0,001) en de mediane overall survival was 12,5 maanden met CwPP en 5,9 maanden met CwP (p=0,003). Er waren geen graad 5 treatment-related adverse events; het percentage met graad 3 of 4 TRAEs was numeriek maar niet statistisch significant hoger met CwPP dan met CwP (28% versus 19%; p=0,12).

De onderzoekers concluderen dat onder oudere patiënten met aNSCLC met PD-L1 expressie lager dan 50% toevoegen van pembrolizumab aan carboplatine en wekelijks paclitaxel feasible is en resulteert in substantiële verbetering van responspercentage en overlevingsuitkomsten.

1.Rousseau G, Dantoing E, Léturgie B et al. Brief report: carboplatin, weekly paclitaxel and pembrolizumab in elderly patients for advanced non-small cell lung cancer with PD-L1<50%: real-world data. Clin Lung Cancer 2024.05.005

Summary: A retrospective study at the University of Rouen (France) found that among elderly patients with aNSCLC with PD-L1 < 50% addition of pembrolizumab to carboplatin and weekly paclitaxel was feasible and resulted in substantial improvement of response rate and survival outcomes.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Werkzaamheid van cytoreductieve chirurgie plus HIPEC voor maagcarcinoom met peritoneale metastase: meta-analyse (0)
2024-05-19 12:00   ( Nieuws )
Tags:  GCPM CRS plus HIPEC
Dr. Lodovica LangellottiPatiënten met maagcarcinoom met peritoneale metastasen (GCPM) hebben een slechte prognose, met een mediane overall survival van 3 tot 6 maanden en een vijf-jaars overleving van 0%. De richtlijnen van het National Comprehensive Cancer Network bevelen palliatieve systemische chemotherapie (pSC) of beste ondersteunende zorg aan voor GCPM. Een systematisch overzicht en meta-analyse van gepubliceerde studies heeft overlevingsuitkomsten van GCPM na pSC vergeleken met die na cytoreductieve chirurgie plus hypertherme intraperitoneale chemotherapie (CRS+HIPEC). Dr. Lodovica Langellotti (Katholieke Universiteit van het Heilig Hart, Rome) en collega’s publiceren de analyse in Cancers.1

In de literatuur tot en met februari 2024 identificeerden de onderzoekers 24 voor het onderwerp relevante studies (twee gerandomiseerde gecontroleerde studies, twee niet-gerandomiseerde klinische studies, en negentien retrospectieve cohortstudies), met tezamen 1369 patiënten die CRS+HIPEC kregen en 103 patiënten die pSC kregen. De figuur laat zien dat de mediane overall survival in de CRS+HIPEC studies 9,8 tot 28,8 maanden bedroeg, vergeleken met 4,9 tot 8,0 maanden in de pSC-studies.

De onderzoekers concluderen dat onder GCPM-patiënten CRS+HIPEC versus pSC resulteerde in overlevingsvoordeel.

1.Langellotti L, Fiorillo C, D’Annibale G et al. Efficacy of cytoreductive surgery (CRS) + HIPEC in gastric cancer with peritoneal metastasis: systematic review and meta-analysis. Cancers 2024;16:1929

Summary: Systematic review and meta-analysis of 24 studies found that among patients with gastric cancer with peritoneal metastasis, overall survival was longer after CRS+HIPEC than after palliative systemic chemotherapy.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Gezondheids-gerelateerde kwaliteit van leven met eerstelijns sintilimab plus chemotherapie voor gevorderd ESCC (0)
2024-05-18 15:00   ( Nieuws )
Tags:  ORIENT-15 trial advanced esophageal squamous cell carcinoma sintilimab HRQOL
Prof. Lin ShenDe multinationale fase 3-studie ORIENT-15 randomiseerde patiënten met gevorderd squameus celcarcinoom van de slokdarm (aESCC) 1:1 naar eerstelijns sintilimab plus chemotherapie of placebo plus chemotherapie. In 2022 is gepubliceerd dat de progressievrije overleving en overall survival significant beter waren in de sintilimabgroep dan in de placebogroep. Prof. Lin Shen (Beijing University Cancer Hospital and Institute) en collega’s publiceren nu in eClinicalMedicine gezondheids-gerleateerde kwaliteit-van-leven (HRQOL)-uitkomsten in de studie.1



De HRQOL werd bepaald aan de hand van antwoorden op QLQ-C30, QLQ-OES18, en de EQ-5D-5L vragenlijsten. Deze vragenlijsten werden beantwoord door 340 patiënten in de sintilimabgroep en 349 patiënten in de placebogroep. De sintilimabgroep had betere scores voor QLQ-C30 en QLQ-OES18 sociaal functioneren, pijn, vermoeidheid, obstipatie, en slikproblemen. Ook de tijd tot eerste verslechtering voor de eindpunten dysfagie en problemen met slikken van speeksel was langer in de sintilimabgroep dan in de placebogroep. De overall survival was beter onder patiënten met betere scores op verscheidene QLQ-C30 en QLQ-QES18 schalen.

De onderzoekers concluderen dat deze resultaten nadere steun betekenen voor het gebruik van eerstelijns sintilimab plus chemotherapie voor aESCC.

1.Lu Z, Kong L, Wang B et al. Effects of sintilimab plus chemotherapy as first-line treatment on health-related quality of life in patients with advanced esophageal squamous cell carcinoma: results from the randomized phase 3 ORIENT-15 study. eClinMed 2024.102623

Summary: The multinational phase 3 ORIENT-15 study found that among patients with advanced esophageal squamous cell carcinoma, first-line sintilimab plus chemotherapy compared with placebo plus chemotherapy resulted in better scores on HRQOL scales.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)