Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Lange-termijn uitkomsten van multidisciplinaire salvage behandeling voor recidief na SABR voor vroeg-stadium NSCLC (0)
2018-08-25 12:00   ( Nieuws )
Tags:  NSCLC multidisciplinary salvage treatment
Prof. Joe ChangStereotactische ablatieve radiotherapie (SABR) is de eerstelijns behandeling voor patiënten met vroeg-stadium niet-kleincellig longcarcinoom die niet in aanmerking komen voor chirurgie. Ongeveer één van zes van deze patiënten zal na verloop van tijd geïsoleerd lokaal recidief (iLR) of geïsoleerd regionaal recidief (iRR) ontwikkelen. Prof. Joe Chang (MD Anderson Cancer Center, Houston TX) en collega’s hebben een studie uitgevoerd van de lange-termijn uitkomsten na multidisciplinaire salvage behandeling voor iLR en iRR. Ze publiceren de studie online in JAMA Network Open.1

De studie includeerde 912 patiënten die tussen begin 2004 en eind 2014 SABR kregen voor vroeg-stadium I of II NSCLC (50 Gy in vier fracties of 70 Gy in tien fracties). In 658 patiënten werd geen recidief gezien, 49 patiënten ontwikkelden iLR en 53 patiënten ontwikkelden iRR. De mediane tijd tot recidief was 14,5 maanden na SABR voor iLR (range 1,5 tot 60,8 maanden) en 9,0 maanden na SABR voor iRR (range 1,9 tot 70,7 maanden). Negenendertig iLR-patiënten (79,7%) en 48 iRR-patiënten (90,6%) kregen salvage behandeling met herbestraling, chirurgie, thermale ablatie, of chemotherapie.

De mediane follow-up voor de patiënten met recidief was 57,2 maanden vanaf SABR en 38,5 maanden na recidief. De figuur laat zien dat de overall survival vijf jaar na de initiële SABR niet significant verschilde voor patiënten met iLR en salvage behandeling (57,9%) versus patiënten zonder recidief (54,9%; p=0,65), maar slechter was voor patiënten met iRR en salvage behandeling (31,1%; versus geen recidief HR 1,43; p=0,049). Patiënten die salvage behandeling kregen hadden langere OS dan patiënten die geen salvage behandeling kregen (mediaan 37 versus 7 maanden na recidief; HR 0,40; p=0,006). In 24 van 87 patiënten die salvage behandeling kregen voor iLR of iRR werden later afstandsmetastasen gezien. Er waren geen graad 5 toxische effecten van salvage behandeling.

De onderzoekers concluderen dat levensverwachting na salvage behandeling voor iLR gelijk was aan die van patiënten zonder recidief, maar dat overleving na salvage behandeling voor iRR gelijk was aan die van patiënten met stadium III NSCLC. Patiënten met salvage behandeling hadden significant langere OS dan patiënten die geen salvage behandeling kregen voor recidief.

1.Brooks ED, Sun B, Feng L et al. Association of long-term outcomes and survival with multidisciplinary salvage treatment for local and regional recurrence after stereotactic ablative radiotherapy for early-stage lung cancer. JAMA Network Open 2018:e181390

Summary: After sterotactic ablative radiotherapy for early-stage NSCLC, 1 in 6 patients will develop isolated local recurrence (iLR) or isolated regional recurrence (iRR). A cohort study at MD Anderson Cancer Center showed that multidisciplinary salvage treatment in iLR patients resulted in life expectancy similar to that of patients whithout recurrence, but survival after salvage treatment for iRR was similar to that of patients with stage III NSCLC. Patients who received salvage treatment had significantly improved survival.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Lange-termijn overleving van de novo stadium IV HER2-positief mammacarcinoom met HER2-gerichte therapie (0)
2018-08-24 15:02   ( Nieuws )
Tags:  de novo stage IV HER2-positive MBC HER2-targeted therapy
Dr. Rashmi MurthyEen toenemend percentage van de HER2-positieve metastatische mammacarcinomen (MBCs) wordt gediagnostiseerd als de novo stadium IV-ziekte, schrijven dr. Rashmi Murthy (MD Anderson Cancer Center, Houston TX) en collega’s in een publicatie die online is in The Oncologist.1 In de publicatie beschrijven ze een studie van de hypothese dat de subset van patiënten met deze ziekte die na multimodaliteits HER2-gerichte behandeling de no evidence of disease (NED)-status bereiken langere progressievrije overleving en overall survival hebben dan patiënten zonder NED-status.

De studie includeerde patiënten met de novo stadium IV HER2-positief MBC van Yale Cancer Center (New Haven CT) en MD Anderson, gediagnostiseerd tussen begin 1998 en eind 2015 (n=483). Alle patiënten kregen trastzumab, en 20% kreeg pertuzumab als eerstelijns therapie. De mediane OS was 5,5 jaar (95%-bti 4,8-6,2 jaar). Er waren 63 patiënten die NED-status bereikten (13%). In deze groep patiënten waren de vijf- en tien-jaars PFS beide 100% en de vijf- en tien-jaars OS beide 98%. In de groep van 420 no-NED patiënten waren de vijf- en tien-jaars PFS 12% en 0%, en de vijf- en tien-jaars OS 45% en 4%. NED-patiënten hadden meer frequent solitaire metastase (79% versus 51%; p=0,005) en ondergingen vaker chirurgische resectie (59% versus 22%; p≤0,001). In multivariate analyse waren NED-status (HR 0,014; p=0,002) en ER-positiviteit (HR 0,72; p=0,04) geassocieerd met langere OS.

De onderzoekers concluderen dat onder patiënten met de novo stadium IV HER2-positief MBC het bereiken van NED-status na HER2-gerichte behandeling geassocieerd is met zeer goede PFS en OS.

1.Wong Y, Raghavendra AS, Hatzis C et al. Long-term survival of de novo stage IV human epidermal growth receptor 2 (HER2) positive breast cancers treated with HER2-targeted therapy. The Oncologist 2018; epub ahead of print

Summary: A retrospective study at Yale University Cancer Center and MD Anderson Cancer Center showed that among patients with de novo stage IV HER2-positive breast cancer, those who achieve no evidence of disease (NED) status after HER2-targeted treatments have much longer median PFS and OS than no NED patients.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Veiligheid en patiënt-gerapporteerde uitkomsten van adjuvant sunitinib voor hoog-risico niercelcarcinoom (0)
2018-08-24 14:04   ( Nieuws )
Tags:  S-TRAC trial sunitinib for RCC
Prof. Michael StaehlerDe fase 3-studie S-TRAC randomiseerde patiënten met heldercellig niercelcarcinoom met hoog risico van recidief na nefrectomie naar sunitinib of placebo. De studie liet zien dat de ziektevrije overleving in de sunitinib-arm significant langer was dan in de placebo-arm (mediaan 6,5 jaar versus 5,6 jaar; HR 0,76; p=0,03). Prof. Michael Staehler (Ludwig Maximilian Universität, München) en collega’s hebben een analyse uitgevoerd van de veiligheid en patiënt-gerapporteerde uitkomsten in de studie. Ze publiceren de analyse online in Annals of Oncology.1

De studie randomiseerde 615 patiënten 1:1 naar adjuvant sunitinib 50 mg per dag of placebo gedurende vier van elke zes weken voor de duur van een jaar of tot ziekteprogessie of niet-acceptabele toxiciteit optrad. Adverse events werden gemanaged met enkele-doserings reducties tot 37,5 mg per dag, dosis-uitstel, of interruptie van de behandeling. De gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven en sunitinib-gerelateerde symptomen werden geïnventariseerd met de EORTC QLQ-C30 vragenlijst.

De patiënten in de sunitinib-arm werden gemiddeld 9,5 maanden behandeld (SD 4,4 maanden), en patiënten in de placebo-arm gemiddeld 10,3 maanden (SD 3,7 maanden). In de sunitinib-arm begonnen belangrijke AEs op te treden na mediaan ongeveer een maand behandeling, waarna ze binnen ongeveer 3,5 weken verdwenen. Veel (40,6%) van de AEs die tot permanente discontinuering leidden waren graad 1 of 2; en voor 87,5% van deze AEs werd resolutie gezien binnen vier weken na de laatste behandeling. De de QLQ-C30 score voor overall gezondheidsstatus was statistisch significant maar niet klinisch relevant lager in de sunitinib-arm dan in de placebo-arm. Van de sunitinib-gerelateerde symptomen waren scores voor diarree en verlies van eetlust klinisch relevant hoger in de sunitinib-arm.

De onderzoekers concluderen dat de AEs in S-TRAC manageable en reversibel waren. De patiënten in de sunitinib-arm hadden meer symptomen en lagere HRQoL dan de patiënten in de placebo-arm. Afgezien van verlies van eetlust en diarree waren deze verschillen niet klinisch relevant.

1.Staehler M, Motzer RJ, George DJ et al. Adjuvant sunitinib in patients with high-risk renal cell carcinoma: safety, therapy management, and patient-reported outcomes in the S-TRAC trial. Ann Oncol 2018; epub ahead of print

Summary: An analysis of safety and patient-reported outcomes in the S-TRAC trial showed that high-risk renal cell carcinoma patients in the adjuvant sunitinib arm compared to the patients in the placebo arm reported increased symptoms and reduced HRQoL, but these changes were generally not clinically meaningful, apart from appetite loss and diarrhoea. 


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Risico van slokdarm-adenocarcinoom na chirurgische behandeling voor refluxziekte (0)
2018-08-24 13:00   ( Nieuws )
Tags:  GERD treatment esophageal adenocarcinoma
Dr. John Maret-OudaRefluxziekte (GERD) is geassocieerd met een sterk en ernst-afhankelijk verhoogd risico van slokdarm-adenocarcinoom (EAC). Het is niet duidelijk of medicamenteuze of chirurgische behandeling voor GERD het risico van EAC verlaagt. Dr. John Maret-Ouda (Karolinska Instituut, Stockholm) en collega’s hebben een bevolkings-gebaseerde retrospectieve studie van deze vraag uitgevoerd in de Noordse landen. Ze publiceren de studie online in JAMA Oncology.1

De studie werd uitgevoerd in Denemarken, Finland, IJsland, Noorwegen en Zweden. De studieperiode was van begin 1964 tot eind 2014, maar liep uiteen voor de verschillende landen. De studie includeerde 48.414 GERD-patiënten die chirurgie ondergingen en mediaan 12,7 jaar gevolgd werden (mediane leeftijd 66 jaar; 56,1% mannen), en 894.492 GERD-patiënten die alleen medicamenteuze behandeling kregen en mediaan 4,8 jaar gevolgd werden (mediane leeftijd 71,0 jaar; 48,6% mannen).

Onder de patiënten die chirurgie ondergingen waren er 177 die EAC ontwikkelden. Het risico van EAC nam tijdens de follow-up af: versus de achtergrondpopulatie SIR 7,63 (95%-bti 5,42-10,43) tussen vijf en tien jaar na de chirurgie, en SIR 1,34 (95%-bti 0,98-1,80) vijftien jaar en langer na de chirurgie. In patiënten met meer ernstige en objectief vastgestelde GERD waren de SIRs 10,08 (95%-bti 6,98-14,09) vijf tot tien jaar na de chirurgie en 1,67 (95%-bti 1,15-2,35) vijftien jaar of langer na de chirurgie. Het risico van EAC veranderde niet in de tijd in chirurgisch behandelde patiënten vergeleken met medicamenteus behandelde patiënten: na vijf tot tien jaar HR 2,02 (95%-bti 1,44-2,84), en na vijftien jaar of langer HR 1,80; 95%-bti 1,28-2,54).

De onderzoekers concluderen dat chirurgische en medicamenteuze behandeling voor GERD geassocieerd waren met vergelijkbare afname van het risico van EAC in de loop van de tijd na de behandeling. De resultaten van de studie steunen de hypothese dat effectieve behandeling voor GERD kan bijdragen aan preventie van EAC.

1.Maret-Ouda J, Wahlin K, Artama M et al. Risk of esophageal adenocarcinoma after antireflux surgery in patients with gastroesophageal reflux disease in the Nordic countries. JAMA Oncol 2018; epub ahead of print

Summary: A study in the Nordic countries showed that medical and surgical treatment of GERD werd associated with a similar reduced esophageal adenocarcinoma risk, with the risk decreasing over time to the same level as that in the background population, supporting the hypothesis that effective treatment of GERD might prevent esophageal adenocarcinoma.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Immuuntherapie met PD-1 remmers voor metastatisch conjunctiva melanoom in vijf patiënten (0)
2018-08-24 11:51   ( Nieuws )
Tags:  conjunctival melanoma immutherapy nivolumab pembrolizumab
Prof. Bita EsmaeliConjunctiva melanoom is een zeldzame tumor met de potentie te infiltreren in het oog, ooglid, en oogkas, en regionale lymfe- en afstandsmetastase te ontwikkelen. Er is behoefte aan effectieve behandeling voor metastatisch of lokaal-gevorderd conjunctiva melanoom. Prof. Bita Esmaeli (MD Anderson Cancer Center, Houston TX) en collega’s hebben een studie uitgevoerd van de waarde van immuuncheckpointremmers voor de behandeling van metastatisch conjunctiva melanoom in een serie van vijf patiënten. Ze publiceren de studie online in JAMA Ophthalmology.1



De onderzoekers bestudeerden retrospectief de medische dossiers van vijf patiënten (vier vrouwen) die sinds 2013 in Houston immuuncheckpointremmer voor metastatisch conjunctiva melanoom kregen. Vier patiënten kregen nivolumab (3 mg per kg iedere twee weken). De patiënten hadden allen complete respons, zonder aanwijzingen voor ziekte één, zeven, negen en 36 maanden na voltooiing van de behandeling. Twee van deze patiënten ontwikkelden autoimmuun-colitis die staken van de behandeling noodzakelijk maakte; deze patiënten werden gemanaged met systemische corticosteroïden of infliximab. De vijfde patiënt kreeg pembrolizumab 2 mg per kg iedere drie weken. Deze patiënt had stabiele metastasen gedurende de eerste zes maanden van de behandeling. Latere ziekteprogressie leidde tot beëindiging van de behandeling na elf maanden (en switchen naar andere therapie).

De onderzoekers concluderen dat de resultaten van de studie suggereren dat anti-PD-1 therapie kan worden gebruikt voor het behandelen van metastatisch conjunctiva melanoom. Langere follow-up is vereist om de lange-termijn ziektevrije overleving te bepalen.

1.Sagiv O, Thakar SD, Kandl TJ et al. Immunotherapy woth programmed cell death 1 inhibitors for 5 patients with conjunctival melanoma. JAMA Ophthalmology 2018; epub ahead of print

Summary: A case series report (five patients of MD Anderson Cancer Center) suggests that anti-PD-1 therapy can be used to treat metastatic conjunctival melanoma. Longer follow-up is needed to determine the long-term disease-free survival.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Impact van therapie voor nieuw-gediagnostiseerd mammacarcinoom op energetische capaciteit en lichaamssamenstelling (0)
2018-08-23 14:54   ( Nieuws )
Tags:  primary breast cancer treatment energetic capacity
Dr. Tarah BallingerDr. Tarah Ballinger (Indiana University, Indianapolis) en collega’s hebben een studie uitgevoerd van energieparameters van patiënten met vroeg-stadium mammacarcinoom, en van veranderingen daarvan tijdens en na verschillende behandelingen. Ze publiceren de studie online in Breast Cancer Research and Treatment.1 De studie includeerde 83 patiënten met stadium o tot III ziekte in drie cohorten: patiënten in cohort A kregen alleen lokale behandeling, patiënten in cohort B kregen endocriene therapie, en patiënten in cohort C kregen chemotherapie met of zonder endocriene therapie. Er waren geen significante verschillen tussen de cohorten in DEXA-bepaalde lichaamssamenstelling (lichaamsvet of vetvrije massa) en body mass index.

Voor aanvang van de behandelng, na zes maanden, en na twaalf maanden werd de energetische capaciteit van de patiënten bepaald op een stationaire fiets. Voor aanvang hadden de patiënten lage en uiteenlopende niveaus van power generation (gemiddeld 1,55 W per kg vetvrije lichaamsmassa; SD 0,88). De figuur laat zien dat in alle drie de cohorten de power generation afnam, significant in de cohorten B (p=0,008) en C (p<0,001). In geen van de cohorten was de power generation na twaalf maanden terug op het niveau van voor de behandeling. Patiënten in cohort C verloren significant vetvrije lichaamsmassa (gemiddeld -1,5 kg; p=0,007); dit was niet het geval in cohort B (gemiddeld - 0,2 kg; p=0,69).

De onderzoekers concluderen dat patiënten met vroeg-stadium mammacarcinoom lage en uiteenlopende niveaus van power generation hadden, met verslechtering tijdens primaire therapie en zonder spontaan herstel binnen twaalf maanden.

1.Ballinger TJ, Reddy A, Althouse SK et al. Impact of primary breast cancer therapy on energetic capacity and body composition. Breast Cancer Res Treat 2018; epub ahead of print

Summary: An observational study at Indiana University School of Medicine showed that early-sage breast cancer patients had low and variable levels of power generation, which worsened following primary therapy and did not show evidence of spontaneous recovery by twelve months.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Ceritinib voor crizotinib-naïef en crizotinib-voorbehandeld gevorderd NSCLC met ALK-rearrangement (0)
2018-08-23 13:49   ( Nieuws )
Tags:  ALK-rearranged NSCLC ceritinib crizotinib
Er is veelbelovende werkzaamheid gezien van ceritinib voor niet-kleincellig longcarcinoom met ALK-rearrangement. Er is geen duidelijkheid over verschillen in werkzaamheid van ceritinib voor crizotinib-naïeve versus crizotinib-voorbehandelde lokaal-gevorderde of metastatische ziekte. Dr. Xuewei Zhao (Medische Universiteit van Hebei, China) en collega’s hebben een systematisch overzicht van de literatuur van dit onderwerp uitgevoerd. Ze publiceren het overzicht online in Clinical Lung Cancer.1

Voor alle studies tezamen van ceritinib voor lokaal-gevorderd of metastatisch NSCLC met ALK-rearrangement berekenden de onderzoekers een gepoolde objective response rate (ORR) van 56,9%; een gepoolde progressievrije overleving (PFS) van 8,26 maanden; een intracraniële ORR van 41,3%; en een intracraniële disease control rate (DCR) van 79,8%. In de gepoolde studies van ceritinib voor crizotinib-naïeve ziekte was er een trend van hogere ORR (68,9%) en langere PFS (14,62 maanden) dan in de gepoolde studies van ceritinib voor crizotinib-voorbehandelde ziekte (48,2% en 6,32 maanden). De intracraniële ORR op ceritinib was 50,6% in crizotinib-naïeve ziekte versus 33,6% in crizotinib-voorbehandelde ziekte. Ceritinib werd gediscontinueerd door 3,1% van de patiënten; doseringsverlaging was vereist in 38,4%. De meest-gerapporteerde graad 3 of 4 adverse events waren verhogingen van alanine-aminotransferase (25,5%), γ-glutamyltransferase (12,6%), en aspartaat-aminotransferase (11,1%).

De onderzoekers concluderen dat ceritinib een werkzame behandeling vormt voor zowel crizotinib-naïef als crizotinib-voorbehandeld lokaal-gevorderd of metastatisch NSCLC met ALK-rearrangement. Ceritinib heeft significante activiteit voor hersenmetastasen van crizotinib-naïef ALK-rearranged NSCLC.

1.Zhao X, Feng Z, Wang G et al. Ceritinib alone for crizotinib-naïve versus crizotinib-pretreated treatment for the management of anaplastic lymphoma kinase-rearrangement non-small-cell lung cancer: a systematic review. Clin Lung Cancer 2018; epub ahead of print

Summary: A systematic review of published studies found that ceritinib is an effective agent for both crizotinib-naïve and crizotinib-pretreated locally advanced or metastatic NSCLC with ALK-rearrangement. Ceritinib has significant activity in crizotinib-naïve patients with brain metastases.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Geschiedenis van alcoholconsumptie geassocieerd met diagnose hooggradig prostaatcarcinoom in een biopsiecohort (0)
2018-08-23 12:56   ( Nieuws )
Tags:  high-grade prostate cancer early-life alcohol intake
Dr. Emma AllottHet verband tussen alcoholconsumptie en maligniteiten van borst, colorectum, mondholte, larynx, farynx, slokdarm en lever wordt algemeen geaccepteerd, maar er is geen consensus over een associatie tussen alcoholgebruik en het risico van prostaatcarcinoom. Dr. Emma Allott (Duke University, Durham NC) en collega’s hebben een studie van dit onderwerp uitgevoerd. Ze publiceren de studie vandaag online in Cancer Prevention Research.1

De studie includeerde 650 mannen (leeftijd 49-89 jaar) die tussen januari 2007 en februari 2018 in Durham Veterans Affairs Medical Center prostaatbiopsie ondergingen vanwege verhoogd PSA-niveau en/of abnormale digital rectal examination. De mannen beantwoordden een vragenlijst die informeerde naar hun geschiedenis van alcoholgebruik: aantal consumpties per week op de leeftijd 15 tot 20 jaar, en vervolgens per decennium 20 tot 30 jaar, 30 tot 40 jaar enzovoort. Onder de 650 mannen waren er 325 in wie na de biopsie de diagnose prostaatcarcinoom werd gesteld, onder wie 88 met hooggradig prostaatcarcinoom.

Vergeleken met niet-drinkers was het risico van een diagnose hooggradig prostaatcarcinoom verhoogd in mannen die op de leeftijd van 15 tot 20 jaar meer dan zeven alcoholische consumpties per week innamen (OR 3,21; p trend 0,020). Voor alcoholconsumptie in de decennia tot leeftijd vijftig jaar werden vergelijkbare associaties gezien. Consistent met dit resultaat was het risico van een diagnose hooggradig prostaatcarcinoom ook verhoogd in mannen in het hoogste tertiel van de levenslange cumulatieve alcohoconsumptie (versus het laagste tertiel OR 3,20; p trend 0,003). Er was echter geen associatie tussen huidig alcoholgebruik en het risico van een diagnose hooggradig prostaatcarcinoom.

De onderzoekers concluderen dat in mannen die prostaatbiopsie ondergingen geschiedenis van alcoholconsumptie, maar niet huidige consumptie, geassocieerd was met het risico van een diagnose hooggradig prostaatcarcinoom.

1.Michael J, Howard LE, Markt SC et al. Early-life alcohol intake and high-grade prostate cancer: results from an equal-access, racially diverse biopsy cohort. Cancer Prev Res 2018; epub ahead of print

Summary: A study in men undergoing prostate biopsy for elevated PSA or abnormal DRE showed that heavier alcohol intake early in life and higher cumulative lifetime alcohol intake were positively associated with high-grade prostate cancer diagnosis, while current intake was unrelated to prostate cancer.

  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)