Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Percutane ablatie versus partiële en radicale nefrectomie voor T1a niercelcarcinoom (0)
2018-06-26 10:28   ( Nieuws )
Tags:  RCC percutaneous ablation nephrectomy
Dr. Adam TalenfeldStadium T1a niercelcarcinoom, met tumoren kleiner dan 4 cm, is gewoonlijk te genezen. Nefronsparende partiële nefrectomie (PN) heeft de plaats ingenomen van radicale nefrectomie (RN) als standaardbehandeling voor deze tumoren. Percutane ablatie (PA) is een relatief nieuwe behandeling die wellicht een alternatief kan zijn. Dr. Adam Talenfeld (Weill Cornell Medicine, New York) en collega’s hebben een bevolkings-gebaseerde studie uitgevoerd om uitkomsten van PN, RN, en PA te vergelijken. Ze publiceren de studie vandaag online in Annals of Internal Medicine.1

De studie is gebaseerd op SEER-database gegevens van patiënten in de leeftijd van 66 jaar en ouder tussen begin 2006 en eind 2011 PA, PN, of RN ondergingen voor T1a RCC. De onderzoekers identificeerden 4310 patiënten, van wie 456 als primaire behandeling PA ondergingen (11%), 1748 PN (40%), en 2106 RN (49%). In de loop van de studieperiode nam gebruik van PA en PN toe en gebruik van RN af.

De mediane follow-up was 52 maanden voor overall survival en 42 maanden voor RCC-specifieke overleving. Na PA versus PN was de vijf-jaars RCC-specifieke overleving 95% versus 98%, en de vijf-jaars OS 77% versus 86%. Na PA versus RN was de vijf-jaars RCC-specifieke overleving 96% versus 95% en de vijf-jaars OS 74% versus 75%. Cumulatieve incidentie van nierinsufficiëntie 31 tot 365 dagen na de behandeling was 11% na PA, 9% na PN, en 18% na RN. Niet-urologische complicaties binnen dertig dagen na de behandeling werden gezien in 6% na PA, 29% na PN, en 30% na RN. Tien procent van de PN-groep had intraoperatieve conversie naar RN. Zeven procent van de PA-groep onderging binnen een jaar na de behandeling een nieuwe PA.

De onderzoekers concluderen dat in geselecteerde oudere patiënten met T1a RCC PA zou kunnen resulteren in oncologische uitkomsten die niet slechter zijn dan die van RN en licht-kortere RCC-specifieke overleving vergeleken met PN. PA resulteerde in minder periprocedurele complicaties dan PN of RN.

1.Talenfeld AD, Gennarelli RL, Elkin EB et al. Percutaneous ablation versus partial and radical nephrectomy for T1a renal cancer. A population-based analysis. Ann Intern Med 2018; epub ahead of print

Summary: A SEER database analysis shows that for well-selected older adults with T1a RCC percutaneous ablation may result in oncologic outcomes similar to radical nephrectomy and slightly worse than partial nephrectomy, with fewer periprocedural complications.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Perceptie van toekomstige gezondheid en kankerrisico in volwassen overlevers van maligniteiten tijdens de jeugd (0)
2018-06-25 15:02   ( Nieuws )
Tags:  adult survivors of childhood cancer perception of cancer risk
Dr. Leslie RobisonVolwassen overlevers van maligniteiten tijdens de jeugd hebben een verhoogd risico van chronische aandoeningen en volgende maligniteiten, als gevolg van de behandelingen die ze heben ondergaan. Er is weinig informatie beschikbaar over percepties van de overlevers met betrekking tot hun gezondheidsrisico’s. Onderzoekers van de Childhood Cancer Survivor Study hebben een analyse uitgevoerd van deze percepties. Dr. Leslie Robison (St Jude Children’s Research Hospital, Memphis TN) en collega’s publiceren de analyse vandaag online in Cancer.1

De analyse includeerde 15.260 volwassen overlevers van childhood cancer en 3991 van hun broers en zusters. De mediane leeftijd van de overlevers was 26 jaar; de mediane tijd sinds de diagnose was 17 jaar. De deelnemers gaven informatie over hun niveau van zorg over toekomstige gezondheid en over toekomstige maligniteiten. Van de overlevers gaf 31% aan geen zorg te hebben over toekomstige gezondheid en 40% geen zorg te hebben over ontwikkeling van een volgende maligniteit. Vergeleken met de siblings was in overlevers de prevalentie van zorg over toekomstige gezondheid licht hoger (RR 1,12; 95%-bti 1,09-1,15) en de prevalentie van zorg over ontwikkeling van een maligniteit niet verschillend (RR 1,02; 95%-bti 0,99-1,05). Overlevers die blootgestaan hadden aan hoge stralingsdoseringen (20 Gy of hoger) hadden een hogere waarschijnlijkheid zorg te rapporteren over toekomstige gezondheid (RR 1,13; 95%-bti 1,09-1,16) of een maligniteit (RR 1,14; 95%-bti 1,10-1,18), maar ook in deze groep rapporteerde 35% niet bezorgd te zijn over een toekomstige maligniteit en rapporteerde 24% zich geen zorgen te maken over de toekomstige gezondheid.

De onderzoekers concluderen dat een substantieel percentage van de overlevers van childhood cancer zich geen zorgen maakte over hun toekomstige gezondheid en hun risico van het ontwikkelen van een nieuwe maligniteit. Ze speculeren dat deze subgroep van overlevers minder geneigd zal zijn deel te nemen aan screening en risicoverlagende activiteiten.

1.Gibson TM, Li C, Armstrong GT et al. Perceptions of future health and cancer risk in adult survivors of childhood cancer: A report from the Childhood Cancer Survivor Study. Cancer 2018; epub ahead of print

Summary: An analysis of the Childhood Cancer Survivor Study shows that a substantial subgroup of survivors were unconcerned about their future health and subsequent cancer risk.



  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Systematisch overzicht van studies van veiligheid en werkzaamheid van aerobe inspanning tijdens chemotherapie (0)
2018-06-25 13:50   ( Nieuws )
Tags:  aerobic exercise during chemotherapy
Prof. Mike GrocottAerobe inspanning na voltooiing van chemotherapie is geassocieerd met verbetering van de prognose en de kwaliteit van leven van de patiënten. De veiligheid en werkzaamheid van inspanning in de periode dat chemotherapie gegeven wordt is echter minder duidelijk. Prof. Mike Grocott (University Hospital Southampton UK) en collega’s hebben een systematisch overzicht uitgevoerd van gepubliceerde gerandomiseerde studies die exercise vergeleken met standaardzorg in volwassen patiënten die chemotherapie ondergingen. Ze publiceren het overzicht online in Supportive Care in Cancer.1

In de literatuur vonden de onderzoekers 33 voor het onderwerp relevante studies, met tezamen 3257 patiënten. De interventies waren wandelen, joggen, of fietsen; in 23 studies met matige intensiteit (50-80% van de maximale hartslag). Aerobe inspanning resulteerde in sommige studies in verbetering en in andere studies in handhaven van de fitness. Matig intensieve inspanning, tot 70-80% van de maximale hartslag, was veilig; alle gerapporteerde adverse effects van inspanning waren mild en self-limiting. Adherentie aan de interventie was goed (mediaan 72%). Inspanning was geassocieerd met verbetering van de kwaliteit van leven en fysiek functioneren. Patiënten uit de inspannings-armen van de studies gingen eerder weer aan het werk dan patiënten uit de standaard-zorg armen. Van de vier studies die rapporteerden over voltooiing van de chemotherapie waren er twee waarin aerobe inspanning geassocieerd was met hogere percentages patiënten die de chemotherapie voltooiden, en in vier van zes studies was aerobe inspanning geassocieerd met verlaagde toxiciteit van chemotherapie. Er waren geen aanwijzingen voor impact van de aerobe inspanning op myelosuppressie, respons, of overleving.

De onderzoekers concluderen dat exercise tijdens chemotherapie veilig is en gunstige impact heeft op kwaliteit van leven en fysiek functioneren.

1.Cave J, Paschalis A, Huang CY et al. A systematic review of the safety and efficacy of aerobic exercise during cytotoxic chemotherapy treatment. Supp Care Cancer 2018; epub ahead of print

Summary: This systematic review shows that aerobic exercise during chemotherapy is safe and has beneficial impact on quality of life and physical functioning.

  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Postoperatieve fluoropyrimidine-chemotherapie na resectie van levermetastasen van CRC: meta-analyse (0)
2018-06-25 12:42   ( Nieuws )
Tags:  chemotherapy after colorectal cancer liver metastasectomy
Chirurgische resectie is de enige curatieve optie voor patiënten met metastastisch colorectaalcarcinoom. In ongeveer 75% van de patiënten wordt na metastasectomie recidief gezien. Er is geen consensus over het gebruik van adjuvante chemotherapie. Prof. George Pentheroudakis (Universiteit van Ioannina, Griekenland) en collega’s hebben een meta-analyse uitgevoerd van de waarde van adjuvante fluoropyrimidine-chemotherapie na resectie van levermetastasen van CRC. Ze publiceren de meta-analyse online in ESMO Open.1

In de literatuur vonden de onderzoekers drie voor het onderwerp relevante gerandomiseerde studies, met tezamen 482 patiënten. Van deze patiënten waren 238 gerandomiseerd naar de postoperatieve chemotherapie-armen van de studies en 244 naar de alleen-metastasectomie armen. In de meta-analyse was postoperatieve chemotherapie geassocieerd met overall survival profijt dat niet statistisch significant was (HR 0,781; p=0,080). Postoperatieve chemotherapie was wel geassocieerd met significant langere progressievrije overleving (HR 0,645; p=0,001). De studies rapporteerden geen gegevens over de kwaliteit van leven. In alle drie de studies verliep de recrutering van de patiënten langzamer dan gepland.

De onderzoekers concluderen dat postoperatieve monochemotherapie na metastasectomie voor CRC-levermetastasen niet geassocieerd was met statistisch significante verlenging van de OS.

1.Mauri D, Zarkavelis G, Filis P et al. Postoperative chemotherapy with single-agent fluoropyrimidines after resection of colorectal cancer liver metastases: a meta-analysis of randomised trials. ESMO Open 2018; epub ahead of print

Summary: You can read here that adjuvant fluoropyrimidine chemotherapy after resection of liver metastases from colorectal cancer resulted in non-significant OS benefit. The PFS benefit was statistically significant.

  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 2-studie van everolimus, trastuzumab en vinorelbine voor progressieve hersenmetastasen van HER2-positief mammacarcinoom (0)
2018-06-25 12:11   ( Nieuws )
Tags:  breast cancer brain metastases
Dr. Carey AndersHER2-positief mammacarcinoom is een agressief subtype van de ziekte, met relatief frequent optreden van hersenmetastaten (BCBM). In meer dan de helft van HER2-positieve BCBM is activering van de PI3K/mTOR-route waargenomen, die resistentie tegen anti-HER2 therapie kan veroorzaken. De fase 2-studie LCCC 1025 onderzocht werkzaamheid en veiligheid van de combinatie van de brain-permeable mTOR-remmer everolimus (E), trastuzumab (T), en vinorelbine (V) in patiënten met progressieve HER2-positieve BCBM. Het eindpunt van de studie was percentage patiënten met intracraniële respons (RR). Dr. Carey Anders (University of North Carolina, Chapel Hill) en collega’s publiceren de studie vandaag online in Breast Cancer Research and Treatment.1

De studie includeerde 32 patiënten, waarvan in 26 de werkzaamheid van ETV kon worden beoordeeld. Er was één patiënt met partiële respons, waarmee de intracraniële RR uitkwam op 3,8%. Stabiele ziekte gedurende tenminste drie maanden werd gezien in zestien patiënten (CBR 65%) en gedurende tenminste zes maanden in zes patiënten (CBR 27%). De mediane tijd tot intracraniële progressie was 3,9 maanden, en de mediane overall survival was 12,2 maanden. Graad 3 of 4 toxiciteiten waren neutropenie (41% van de patiënten), anemie (16%), en stomatitis (16%). Mutaties in TP53 en PIK3CA werden frequent gezien in de BCBM; muataties in de genen van de PI3K/mTOR-route waren niet geassocieerd met de respons.

De onderzoekers concluderen dat de intracraniële respons van HER2-positieve BCBM op ETV laag was, maar dat een derde van de patiënten gedurende tenminste zes maanden klinisch profijt had.

1.Van Swearingen AED, Siegel MB, Deal AM et al. LCCC 1025: a phase II study of everolimus, trastuzumab, and vinorelbine to treat progressive HER2-positive breast cancer brain metastases. Breast Cancer Res Treat 2018; epub ahead of print

Summary: You can read here that a combination of everolimus, trastuzumab, and vinorelbine results in a promising clinical benefit rate in patients with progressive brainmetastases from HER2-positive breast cancer.



  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Hypogefractioneerde versnelde radiotherapie met concurrent en adjuvant temozolomide voor nieuw-gediagnosiseerd glioblastoom (0)
2018-06-25 10:35   ( Nieuws )
Tags:  HART glioblastoma
Dr. Supriya MallickDe standaard-behandeling voor nieuw-gediagnostiseerd glioblastoom multiforme (GBM) is resectie gevolgd door adjuvante chemoradiotherapie. Hypofractionated accelerated radiotherapy (HART) in plaats van conventioneel-gefractioneerde radiotherapie (CRT), toegevoegd aan chemotherapie, zou de behandeling kunnen verbeteren vanwege verlaagde overall behandelingstijd en verhoogde biologisch effectieve dosering. De Indische gerandomiseerde fase 2-studie HART-GBM vergeleek HART met CRT, beide met concurrent en adjuvant temozolomide (TMZ) voor nieuw-gediagnostiseerd GBM. Dr. Supriya Mallick (All India Institute of Medical Sciences, New Delhi) en collega’s publiceren de studie online in het Journal of Neuro-Oncology.1

De studie includeerde 89 patiënten met nieuw-gediagnostiseerd GBM, die werden gerandomiseerd naar CRT (60 Gy in 30 fracties over zes weken) of HART (60 Gy in 20 fracties over vier weken voor hoog-risico planning target volume en 50 Gy in 20 fracties over vier weken voor laag-risico PTV); beide met TMZ. Het primaire eindpunt van de studie was overall survival. Na mediaan 11,4 maanden follow-up (range 2,9 – 42,5 maanden) waren 26 patiënten overleden en was in 39 patiënten ziekteprogressie gezien. De mediane OS was 23,4 maanden in het gehele cohort; 18,07 maanden in de CRT-groep, en 25,18 maanden in de HART-groep (p=0,3). De mediane PFS was 13,5 maanden in het gehele cohort (range 11,7-15,7 maanden). In multivariate analyse was de OS significant beter in patiënten jonger dan 400 jaar, patiënten met gross total resection, en IDH-1 mutatie; in deze beide laatste groepen was ook de PFS significant beter. In de HART-groep was voor slechts één patiënten onderbreking van de behandeling vereist.

De onderzoekers concluderen dat HART vergeleken met CRT voor GBM niet resulteert in slechtere overleving, en het evidente voordeel heeft van kortere behandeling.

1.Mallick S, Kunhiparambath H, Gupta S et al. Hypofractionated accelerated radiotherapy (HART) with concurrent and adjuvant temozolomide in newly diagnosed glioblastoma: a phase II randomized trial (HART-GBM trial. J Neuro-Oncol 2018; epub ahead of print

Summary: You can read here that hypofractionated accelerated radiotherapy (HART) compared to conventional radiotherapy (CRT), both with chemotherapy, for glioblastoma results in no worse survival and has the advantage of shorter treatment time.



  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Kwantificeren van intervallen tot diagnose in multipel myeloom: meta-analyse (0)
2018-06-24 14:58   ( Nieuws )
Tags:  multiple myeloma intervals to diagnosis
Constantinos KoshiarisPhD-student Constantinos Koshiaris (University of Oxford UK) en coauteurs hebben een meta-analyse uitgevoerd van studies die rapporteerden over de tijd die verliep in de afzonderlijke stappen tussen de eerste symptomen en de uiteindelijke diagnose in volwassen patiënten met multipel myeloom. Ze publiceren de meta-analyse online in BMJ Open.1 Studies van multipel myeloom in kinderen en adolescenten en studies van asymptomatische vormen van de ziekten (MGUS en SMM) werden uit de analyse geëxcludeerd.

In de literatuur tot januari 2018 vonden de onderzoekers negen voor het onderwerp relevante studies. De studies werden tussen 2009 en 2018 uitgevoerd in het Verenigd Koninkrijk (n=6), de VS (n=1), Hongarije (n=1), en Israël (n=1). Het aantal patiënten per studie liep uiteen van 107 tot 3831.In de meta-analyse was het patient interval, van eerste symptoom tot eerste presentatie,mediaan 26,3 dagen (IQR 1-98; n=465; twee studies). Het primary care interval, van eerste presentatie tot eerste verwijzing, was mediaan 21,6 dagen (IQR 4,6-55,8; n=326; twee studies). Het diagnostic interval, van eerste presentatie tot diagnose, was 108,6 dagen (IQR 33,3-241,7; n=5395; zeven studies). De time to diagnosis, van eerste symptoom tot diagnose, was 163 dagen (IQR 84-306; n=341; één studie). Geen van de studies rapporteerde het referral to diagnosis interval.

De onderzoekers concluderen dat de analyse suggereert dat de mogelijkheid bestaat tot aanzienlijke verkorting in de tijd die verloopt tussen eerste symptomen en de uiteindelijke diagnose multipel myeloom.

1.Koshiaris C, Oke J, Abel L et al. Quantifying intervals to diagnosis in myeloma: a systematic review and meta-analysis. BMJ Open 2018; epub ahead of print


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Prognostische waarde van tumor-infiltrerende lymfocyten in metastasen van mammacarcinoom (0)
2018-06-24 13:28   ( Nieuws )
Tags:  TILs metastatic breast cancer prognosis
Prof. Valentina GuarneriTumor-infiltrerende lymfocyten (TILs) hebben prognostische waarde in primair mammacarcinoom. Prof. Valentina Guarneri (Universiteit van Padua) en collega’s hebben onderzocht of dit ook het geval is voor TILs in metastasen van mammacarcinoom. Ze publiceren de studie online in Breast Cancer Research.1 De studie includeerde 43 patiënten met metastatisch triple-negatief mammacarcinoom en 51 patiënten met metastatisch HER2-positief mammacarcinoom. De onderzoekers bepaalden in de metastasen gehalten van TILs en expressie van CD8, FOXP3, en PD-L1.

De TILs-niveaus van de metastasen waren over het algemeen laag (mediaan 5%) en waren niet significant verschillend tussen patiënten met TN- en HER2+ ziekte. Jongere patiënten hadden lagere TILs-niveaus (p=0,002). In de patiënten met HER2+ ziekte waren TILs-niveaus hoger in longmetastasen dan in andere metastasen (p=0,038). De TILs-samenstelling was verschillend voor de verschillende metastaselocaties: huidmetastasen hadden hoger FOXP3 (p=0,002) en lagere CD8/FOXP3-ratio (p=0,032). Patiënten die reeds behandeld waren voorafgaan aan de bopsie hadden lagere CD8 (overall p=0,005; HER2+ p=0,011; TN p=0,075).

De figuur toont de overall survival van TN-patiënten met metastasen met lage versus hoge TILs (panel a; mediaan 11,8 versus 62,9 maanden; HR 0,29; p=0,008), in tertielen van CD8/FOXP3-ratio (panel b), en combinaties van TILs-niveaus en CD8/FOXP3-ratios (panel c). Panel d laat zien dat in de HER2+ patiënten de OS numeriek maar niet statistisch significant beter was in de patiënten met lage TILs-niveaus.

De onderzoekers concluderen dat TILs ook in de metastatische setting prognostische biomarkers zijn voor mammacarcinoom.

1. Dieci MV, Tsvetkova V, Orvieto E et al. Immune characterization of breast cancer metastases: prognostic implications. Breast Cancer Res 2018; epub ahead of print

  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)