Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

HER2-amplificatie in mCRC voorspelt slechte respons op anti-EGFR antilichaam-therapie (0)
2019-01-23 12:42   ( Nieuws )
Tags:  metastatic colorectal cancer HER2 amplification
Dr. Kanwal RaghavEr zijn aanwijzingen voor een ongunstige predictieve rol van HER2-amplificatie in metastatisch colorectaalcarcinoom met betrekking tot anti-EGFR antilichaam-behandeling. Een studie in twee cohorten in de Verenigde Staten heeft deze aanwijzingen gevalideerd. Dr. Kanwal Raghav (MD Anderson Cancer Center, Houston TX) en collega’s publiceren de studie  online in JCO Precision Oncology.1

De studie includeerde patiënten met RAS/BRAF wildtype mCRC. In het eerste cohort (n=98) werd HER2-amplificatie in tumorweefsel getest met in situ hybridisatie, waarbij als drempelwaarde voor amplificatie een HER2/CEP17-verhouding van 2,0 werd gehanteerd. In het tweede cohort (n=70) werd HER2-amplificatie getest met next-generation sequencing (drempelwaarde vier of meer kopieën). Het primaire eindpunt van de studie was progressievrije overleving op behandeling met anti-EGFRab.


In het eerste cohort was de mediane PFS op anti-EGFRab therapie significant korter in de patiënten met HER2-amplificatie dan in de patiënten zonder HER2-amplificatie (2,8 versus 8,1 maanden; HR 7,05; p<0,001). Dit resultaat werd gevalideerd in het tweede cohort (2,8 versus 9,3 maanden; HR 10,66; p<0,001). De mediane PFS op andere dan anti-EGFRab therapie was vergelijkbaar voor patiënten met en zonder HER2-amplificatie: in het eerste cohort 9,7 versus 11,1 maanden (HR 1,01; p=0,97) en in het tweede cohort 9,6 versus 11,3 maanden (HR 1,21; p=0,66). In multivariate analyse was HER2-amplificatie een onafhankelijke voorspeller van slechtere PFS op anti-EGFRab therapie in zowel het eerste cohort (HR 6,48; p<0,001) als het tweede cohort (HR 10,1; p<0,001).

De onderzoekers concluderen dat in RAS/BRAF-wt mCRC HER2-amplificatie slechte respons op anti-EGFRab therapie voorspelt.

1.Raghav K, Loree JM, Morris JS et al. Validation of HER2 amplification as a predictive biomarker for anti-epidermal growth factor receptor antibody therapy in metastatic colorectal cancer. JCO Precision Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A study in two cohorts validated the role of HER2 amplification in mCRC as an unfavorable predictive biomarker for anti-EGFR antibody therapy.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Gamma knife radiochirurgie voor hersenmetastasen van primaire gynecologische tumoren (0)
2019-01-22 16:03   ( Nieuws )
Tags:  gynecological brain metastases gamma knife radiosurgery
Dr. Patrick HanssensHersenmetastasen (BM) van primaire gynecologische tumoren zijn zeldzaam. De meerderheid van de patiënten overleeft niet langer dan een jaar als gevolg van progressie van extracraniële ziekte. De waarde van gamma knife radiochirurgie (GKRS) voor gynecologische BM is niet bekend. Dr. Patrick Hanssens (Gamma Knife Centrum van het Tweestedenziekenhuis, Tilburg) en collega’s hebben een studie uitgevoerd van de werkzaamheid van GKRS voor gynecologische BM. Ze publiceren de studie online in het Journal of Neuro-Oncology.1

De retrospectieve studie includeerde 41 patiënten die tussen begin 2002 en eind 2015 in Tilburg GKRS voor gynecologische BM ondergingen. Eindpunten van de studie waren lokale tumorcontrole (LC), ontwikkeling van nieuwe BM en/of leptomeningeale ziekte, intracraniële progressievrije overleving, en overall survival. Na respectievelijk drie, zes, negen, twaalf, en vijftien maanden was de LC 100%, 92%, 80%, 75%, en 67%; en de intracraniële PFS 90%, 61%, 41%, 23%, en 13%. Tijdens de follow-up werd intracraniële progressie gezien in achttien patiënten (44%) en afstands-BM in twaalf patiënten (29%). Lokaal recidief en afstandsrecidief werden gediagnostiseerd na gemiddeld 15,5 (range 2,6-71,9) respectievelijk 11,4 (2-40) maanden. Eenendertig patiënten (76%) overleden aan extracraniële tumorprogressie, en slechts twee (5%) aan progressieve intracraniële ziekte. De gemiddelde OS was 19 maanden na de GKRS (range 1-109). De OS na zes maanden, één jaar, en twee jaar was 71%, 46%, en 22%.

De onderzoekers concluderen dat GKRS een goede behandeloptie is voor het controleren van gynecologische BM.

1. Sadik ZHA, Beerepoot LV, Hanssens PEJ. Efficacy of gamma knife radiosurgery in brain metastases of primary gynecological tumors. J Neuro-Oncol 2019; epub ahead of print

Summary: A retrospective study in The Netherlands found that gamma knife radiosurgery is a good treatment option for controlling brain metastases of primary gynecologic tumors.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associatie tussen gebruik van antioxidant-supplementen en prognose van postmenopauzaal mammacarcinoom (0)
2019-01-22 15:04   ( Nieuws )
Tags:  MARIE study postmenopausal breast cancer antioxidant supplements
Prof. Jenny Chang-ClaudeDe prevalentie van het gebruik van voedingssupplementen in overlevers van mammacarcinoom is niet systematisch onderzocht. Ook de impact van dit gebruik op de uitkomsten van de ziekte is niet bekend. De Duitse MARIE-studie (‘Mamma Carcinoma Risk Factor Investigation’) heeft de associatie onderzocht tussen pre- en postdiagnose gebruik van antioxidant-supplementen en uitkomsten van postmenopauzaal mammacarcinoom. Prof. Jenny Chang-Claude (Deutsches Krebsforschungszentrum, Heidelberg) en collega’s publiceren de studie online in het American Journal of Clinical Nutrition.1

De studie includeerde 2223 postmenopauzale vrouwen met een diagnose mammacarcinoom tussen begin 2002 en eind 2005. Bij inclusie en bij een her-interview in 2009 gaven de patiënten informatie over onder meer hun gebruik van antioxidant-supplementen. Gebruik van deze supplementen voor de diagnose werd gerapporteerd door 36%, en gebruik na de diagnose door 45%. Tijdens de follow-up tot 30 juni 2015 overleden 240 deelneemsters, onder wie 134 aan mammacarcinoom, en werd recidief van de ziekte gezien in 200 vrouwen. Na correctie voor relevante mogelijk-verstorende variabelen waren er geen significante associaties tussen overall gebruik van antioxidant-supplementen en uitkomsten, maar was gebruik van de supplementen concomitant met radiotherapie of chemotherapie geassocieerd met verhoogde totale mortaliteit (HR 1,64; 95%-bti 1,01-2,66) en slechtere recidiefvrije overleving (HR 1,84; 95%-bti 1,26-2,68).

De onderzoekers concluderen dat gebruik van antioxidanten in de periode van radiotherapie of chemotherapie voor postmenopauzaal mammacarcinoom geassocieerd was met significant slechtere uitkomsten.

1.Jung AY, Cai X, Thoene K et al. Antioxidant supplementation and breast cancer prognosis in postmenopausal women undergoing chemotherapy and radiation therapy. Am J Clin Nutr 2019; epub ahead of print

Summary: The German prospective study MARIE found that use of antioxidant supplements concomitant with chemotherapy or radiotherapy for postmenopausal breast cancer was associated with increased risk of total mortality (HR 1.64; 95% CI 1.01-2.66) and worse recurrence-free survival (HR 1.84; 95% CI 1.26-2.68).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Tijds-trends in behandelingsgerelateerde ziekten van de circulatie onder Zweedse patiënten met Hodgkin lymfoom (0)
2019-01-22 13:49   ( Nieuws )
Tags:  HL treatment-related incidence of diseases of the circulatory system temporal trends
Dr. Carolina WeibullNaarmate de overleving van patiënten met Hodgkin lymfoom (HL) verbetert kan de incidentie van behandelingsgerelateerde complicaties toenemen. Een studie in Zweden heeft temporele trends geïnventariseerd in incidentie van ziekten van de circulatie (DCS) onder HL-patiënten die behandeld zijn sinds 1985. Dr. Carolina Weibull (Karolinska Instituut, Stockholm) en collega’s publiceren de studie online in het International Journal of Cancer.1

In de Zweedse Kankerregistratie identificeerden de onderzoekers alle patiënten die tussen begin 1985 en eind 2013 op de leeftijd van achttien tot tachtig jaar een HL-diagnose kregen (n=4479). Tijdens de follow-up werden DCS gezien in 726 van deze patiënten (16%). Overall was de excess incidentie van DCS lager in alle kalenderperioden dan in de periode 1985-1988; bijvoorbeeld 2009-2013 versus 1985-1988 excess incidence rate ratio 0,63 (95%-bti 0,42-0,95). De vijf-jaars en tien-jaars EIRR namen af tussen 1985 en 1994, bijvoorbeeld voor patiënten in de leeftijd tot 25 jaar vijf-jaars EIRR1994 versus 1985 0,32 (95%-bti 0,12-0,92) en voor patiënten in de leeftijd tot 60 jaar EIRR1994 versus 1985 0,45 (95%-bti 0,24-0,88) hoewel er geen verbetering was voor patiënten in de leeftijd tot 75 jaar. Na 1995 bleef de EIRR stabiel. In 2009 waren de percentages patiënten in de leeftijdsgroepen tot 25, 60 en 75 jaar met excess DCS binnen vijf jaar 3,4%, 15,0% en 17,0% (mannen) en 2,3%, 10,8% en 12,6% (vrouwen).

De onderzoekers concluderen dat de incidentie van behandelings-gerelateerde DCS onder patiënten met HL sinds 1985 is afgenomen, maar dat er geen recente verbeteringen waren, en er nog steeds excess risico is.

1.Weibull CE, Björkholm M, Glimelius I et al. Temporal trends in treatment-related incidence of diseases of the circulatory system among Hodgkin lymphoma patients. Int J Cancer 2019; epub ahead of print

Summary: A study in Sweden found that in patients treated for Hodgkin lymphoma the treatment-related incidence of diseases of the circulatory system has declined between 1985 and 1994, but remained stable in more recent years, and excess risk remains. 


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Fase 3-studie van optimale duur van adjuvant S-1 na resectie voor stadium II maagcarcinoom (0)
2019-01-22 12:59   ( Nieuws )
Tags:  OPAS-1 study gastric cancer adjuvant S-1
Prof. Mitsuru SasakoDe standaard-behandeling na resectie voor stadium II maagcarcinoom is adjuvant S-1 voor de duur van een jaar (acht cycli van S-1 80 mg/m2 eenmaal daags gedurende vier weken gevolgd door twee weken rust). De keus voor de duur van een jaar is niet gebaseerd op solide evidentie, schrijven prof. Mitsuru Sasako (Hyogo Medische Universiteit, Nishinomiya) en collega’s in een publicatie die online is in The Lancet Gastroenterology & Hepatology.1 In de publicatie beschrijven ze resultaten van de Japanse fase 3-studie OPAS-1, die een jaar adjuvant S-1 voor stadium II GC vergeleek met een half jaar (vier cycli).

De non-inferioriteits studie werd uitgevoerd in 59 Japanse ziekenhuizen. De studie includeerde patiënten in de leeftijd van twintig tot tachtig jaar met stadium II adenocarcinoom van de maag. Na resectie werden de patiënten 1:1 gerandomiseerd naar acht versus vier cycli S-1. Het primaire eindpunt van de studie was recidiefvrije overleving, met een geprespecificeerde non-inferioriteitsmarge voor het RFS-HR van 1,37. De nu gepubliceerde interimanalyse heeft betrekking op de eerste 528 geïncludeerde patiënten. De RFS-HR voor vier versus acht cycli was 2,52 (95%-bti 1,11-5,77) waarmee non-inferioriteit van vier versus acht cycli niet was aangetoond. Statistische analyse wees uit dat de kans op het demonstreren van non-inferioriteit bij de definitieve analyse 2,9% was, waarna de studie gestopt werd wegens futiliteit.

De onderzoekers concluderen dat een half jaar adjuvant S-1 na resectie voor stadium II niet non-inferieur was aan adjuvant S-1 gedurende een jaar.

1.Yoshikawa T, Terashima M, Mizusawa J et al. Four courses versus eight courses of adjuvant S-1 for patients with stage II gastric cancer (JCOG1104 [OPAS-1]): an open-label, phase 3 non-inferiority, randomised trial. Lancet Gastroenterol Hepatol 2019; epub ahead of print

Summary: The Japanese phase 3 study OPAS-1 compared one year of adjuvant S-1 for resected stage II gastric cancer with six months of adjuvant S-1. At the first interim analysis the study was stopped because of a significant worse relapse-free survival in de six-months group (HR 2.52; 95% CI 1.11-5.77).


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Vroege ernstige infecties in alloHSCT-ontvangers met transplantatiefalen (0)
2019-01-21 15:55   ( Nieuws )
Tags:  allogeneic HSCT graft failure early-onset severe infections
Dr. Vincent AlcazerTransplantatiefalen (GF) na allogene hematopoïetische stamceltransplantatie (alloHSCT) is geassocieerd met verhoogde mortaliteit door infecties, relapse van de ziekte, en gevolgen van merg-aplasie. In retrospectieve studies is een GF-incidentie van ongeveer 5% gezien. Een case-control studie in Frankrijk heeft de incidentie geïnventariseerd van vroege ernstige infecties (ESIs) in patiënten met GF na alloHSCT. Dr. Vincent Alcazer (Centre Hospitalier Lyon Sud) en collega’s publiceren de studie online in het American Journal of Hematology.1

De studie werd uitgevoerd in drie Franse centra, waar tijdens de studieperiode (begin 2008-eind 2017) 2094 alloHSCTs werden uitgevoerd. Negenenveertig patiënten met GF (cases) voldeden aan de inclusiecriteria van de studie. Voor iedere case selecteerden de onderzoekers twee gematchte controlepatiënten zonder GF. ESIs werden gedefinieerd als levensbedreigende infecties (schimmel, virus, parasiet, bacterie) tussen conditionering (vanaf 7 dagen voor alloHSCT) en 42 dagen na transplantatie.

In univariate analyse waren ESIs sterk geassocieerd met GF (OR 11,04; p<0,001). De sterkste associaties werden gezien voor toxoplasmose (OR 29), langdurige sepsis (OR 24), en invasieve schimmelinfectie (OR 11). Ook in multivariate analyse waren ESIs significant geassocieerd met GF (OR 14,35; p<0,0001). De mediane tijd tot eerste ESI-episode was 12 dagen (IQR 7-22) voor de GF-cases versus 19,5 dagen (IQR 8,8-26,8) voor de controls. De cumulatieve incidentie van ESIs tot dag 42 post-HSCT was 75,5% voor de GF-cases versus 26,5% voor de controls. De vijf-jaars overall survival was 19,7% voor de GF-cases versus 52,9% voor de controls (HR 2,475; p<0,0001).

De onderzoekers concluderen dat ESIs sterk geassocieerd zijn met GF in volwassen ontvangers van HSCT. Of ESIs oorzaak of gevolg zijn van GF blijft onderwerp van discussie.

1.Alcazer V, Conrad A, Valour F et al. Early-onset severe infections in allogeneic hematopoietic stem cell transplantation recipients with graft failure. Am J Hematol 2019; epub ahead of print

Summary: A case-control study in France found that early-onset severe infections (ESIs) in adult recipients of allogeneic hematopoïetic stem cell transplantation are strongly associated with graft failure (cumulative incidence of ESIs from conditioning until day 42 post-HSCT 75.5% in patients with graft failure versus 26.5% in patients without graft failure; p<0.0001). Whether ESIs occurring in the window of engraftment are causes or consequences of graft failure remains a matter of debate.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Post-progressie uitkomsten van osimertinib versus standaard EGFR-TKI voor niet-eerder behandeld gevorderd NSCLC (0)
2019-01-21 14:40   ( Nieuws )
Tags:  FLAURA study non-small cell lung cancer osimertinib post-progression outcomes
Dr. David PlanchardDe multinationale fase 3-studie FLAURA randomiseerde patiënten met niet-eerder behandeld gevorderd EGFR-mutatiepositief NSCLC naar de derde-generatie EGFR-TKI osimertinib of standard-of-care (SoC) EGFR-TKI (gefitinib of erlotinib). Vorig jaar is gepubliceerd dat de progressievrije overleving beter was in de osimertinib-arm dan in de SoC-arm (mediaan 18,9 versus 10,2 maanden; HR 0,46; p<0,001). Dr. David Planchard (Institut Gustave Roussy, Villejuif) en collega’s publiceren nu online in Clinical Cancer Research een exploratieve analyse van post-progressie uitkomsten van de studie.1

De studie includeerde 556 patiënten die 1:1 werden gerandomiseerd naar osimertinib 80 mg eenmaal daags of SoC (gefitinib 250 mg eenmaal daags of erlotinib 150 mg eenmaal daags). Behandeling kon na progressie worden voortgezet als de behandelaar van oordeel was dat dit klinisch profijt kon opleveren. Patiënten in de SoC-arm konden na progressie osimertinib krijgen. Bij data cutoff voor de nu gepubliceerde analyse hadden 138 van 279 (49%) patiënten osimertinib en 213 van 277 (77%) SoC EGFR-TKI gediscontinueerd, onder wie respectievelijk 82 en 129 een volgende behandeling startten. De mediane tijd tot discontinuering of overlijden was 23,0 maanden (95%-bti 19,5-NE) met osimertinib versus 16,0 maanden (95%-bti 14,8-18,6) met SoC EGFR-TKI. De mediane tweede PFS was niet bereikt in de osimertinib-arm versus 20,0 maanden in de SoC EGFR-TKI arm (HR 0,58; p=0,0004).

De onderzoekers concluderen dat osimertinib vergeleken met SoC EGFR-TKIs resulteerde in consistente verbetering van alle bestudeerde post-progressie eindpunten.

1.Planchard D, Boyer MJ, Lee J-S et al. Post-progression outcomes for osimertinib versus standard-of-care EGFR-TKI in patients with previously untreated EGFR-mutated advanced non-small cell lung cancer. Clin Cancer Res 2019; epub ahead of print

Summary: The international phase 3 study FLAURA randomized patients with previously untreated EGFR-mutated advanced NSCLC to osimertinib or standard-of-care EGFR-TKI (gefitinib or erlotinib). An exploratory analysis of post-progression outcomes in the study found that all endpoints showed consistent improvement with osimertinib versus SoC EGFR-TKI.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Klinische relevantie van hertesten van predictieve biomarkers in chirurgie-specimina van mammacarcinoom (0)
2019-01-21 13:59   ( Nieuws )
Tags:  breast cancer re-testing predictive biomarkers in surgical specimens
Stephanie RobertsonAccurate bepaling van predictieve en prognostische biomarkers in mammacarcinoom is van groot belang omdat deze biomarkers therapiekeuzen geleiden. Een studie van het Karolinska Instituut (Stockholm) heeft de concordantie onderzocht van biomarkers en immuunhistochemie-gebaseerde tumorsubtypen in hollenaald-biopten (CNBs) en gepaarde vervolgens verkregen chirurgie-specimina. Graduate student Stephanie Robertson en collega’s publiceren de studie online in Breast Cancer Research and Treatment.1

De retrospectieve studie is uitgevoerd in twee cohorten van patiënten met een diagnose primair mammacarcinoom: een cohort van 526 patiënten die primaire chirurgie ondergingen en een cohort van 216 patiënten die neoadjuvante chemotherapie kregen, beide in 2016 en 2017. In het cohort met primaire chirurgie waren de concordantiepercentages en kappa-waarden 98,6% (κ=0,917) voor ER; 89,3% (κ=0,725) voor PR; en 78,8 (κ=0,529) voor Ki67. Ook de concordantie voor IHC-bepaald HER2 was matig (κ=0,462). Gecombineerde IHC- en ISH-bepaling van HER2 status resulteerde in 3,6% discordantie tussen CNB en gepaard chirurgie-specimen. De concordantie voor IHC-gebaseerde bepaling van tumorsubtypen liep uiteen van 73,2% tot 78,3%. In het cohort met neoadjuvante chemotherapie was de concordantie nog slechter, met onder meer 7,4% discordantie voor HER2-status.

De onderzoekers concluderen dat de concordantie tussen CNBs en gepaarde chirurgie-specimina voor HER2 en Ki67 onvoldoende is. Hertesten van chirurgie-specimina is klinisch relevant.

1.Robertson S, Rönnlund C, de Boniface J, Hartman J. Re-testing of predictive biomarkers in surgical breast cancer specimens is clinically relevant. Breast Cancer Res Treat 2019; epub ahead of print

Summary: A study in Sweden evaluated concordance of biomarkers in core needle biopsies and paired surgical specimens in breast cancer. The concordance was less than sufficient for HER2 and Ki67.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)