Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Effect van mammacarcinoom-screeningsinterval op laat-stadium ziekte bij diagnose en overall survival (0)
2024-08-23 11:51   ( Nieuws )
Tags:  breast cancer screening interval
Dr. Margarita ZuleyEr is geen consensus over het effect van screening-mammografie op uitkomsten van mammacarcinoom. Een studie van University of Pittsburgh Medical Center (Pennsylvania) heeft het effect geïnventariseerd van het mammacarcinoom-screeningsinterval op percentage patiënten met laat-stadium ziekte bij diagnose en op de overall survival. Dr. Margarita Zuley en collega’s publiceren de studie in het Journal of Clinical Oncology.1

De studie includeerde 8145 patiënten met een diagnose mammacarcinoom tussen begin 2004 en eind 2019, en beschikbare informatie over screening voorafgaand aan de diagnose. Screening werd beschouwd als jaarlijks in geval van interval tussen de twee screenings onmiddellijk voorafgaand aan de diagnose 15 maanden of korter, als tweejaarlijks in geval van interval tussen 15 en 27 maanden, en als intermitterend in geval van interval langer dan 27 maanden. Het primaire eindpunt van de studie was laat-stadium mammacarcinoom (TNM-stadium IIB of hoger), en het secundaire eindpunt was overall survival. Het percentage patiënten met laat-stadium ziekte bij diagnose nam toe van 9% bij jaarlijkse screening tot 14% bij tweejaarlijkse screening en 19% bij intermitterende screening (p<0.001). Deze trend werd gezien ongeacht leeftijd, ras, en menopauzestatus. Vergeleken met jaarlijkse screening waren tweejaarlijkse screening (HR 1,42; 95%-bti 1,11-1,82) en intermitterende screening (2,69; 2,11-3,43) geassocieerd met slechtere overall survival.

De onderzoekers concluderen dat jaarlijkse mammografiescreening vergeleken met tweejaarlijkse of intermitterende screening resulteerde in lager risico van laat-stadium ziekte bij diagnose en betere overall survival.

1.Zuley ML, Bandos AI, Duffy SW et al. Breast cancer screening interval: effect on rate of late-stage disease at diagnosis and overall survival. J Clin Oncol 2024.00285

Summary: A retrospective study at the University of Pittsburgh (PA) Medical Center found that annual mammographic screening was associated with lower risk of late-stage cancer and better overall survival across clinical and demographic subgroups when compared with biennial and less frequent screening.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multinationale fase 3-studie van belzutifan versus everolimus voor eerder-behandeld gevorderd heldercellig niercelcarcinoom (0)
2024-08-22 15:00   ( Nieuws )
Tags:  LITESPARK-005 trial aRCC belzutifan
Prof. Toni ChoueiriDe HIF-2α remmer belzutifan heeft in vroege-fase studies klinische activiteit laten zien voor heldercellig niercelcarcinoom. De multinationale fase 3-studie LITESPARK-005 heeft belzutifan vergeleken met everolimus onder patiënten met eerder-behandeld gevorderd heldercellig niercelcarcinoom (accRCC). Prof. Toni Choueiri (Dana-Farber Cancer Institute, Boston MA) en collega’s publiceren de studie in The New England Journal of Medicine.1

LITESPARK-005 includeerde accRCC-patiënten die eerder immuuncheckpointremming en antiangiogene therapie hadden gekregen. De patiënten werden gerandomiseerd naar oraal belzutifan 120 mg (n=374) of oraal everolimus 10 mg (n=372) eenmaal daags tot ziekteprogressie of niet-acceptabele toxiciteit. De twee primaire eindpunten waren progressievrije overleving en overall survival. Na 18 maanden follow-up waren 24,0% van de patiënten in belzutifangroep en 8,3% van de patiënten in de everolimusgroep in leven en vrij van progressie (p=0,002). Bevestigde objectieve respons werd gezien in 21,9% van de patiënten in de belzutifangroep en 3,5% van de patiënten in de everolimusgroep (p<0,001). De mediane overall survival was 21,4 maanden in de belzutifangroep en 18,1 maanden in de everolimusgroep; na 18 maanden follow-up waren 55,2% versus 50,6% in leven (HR 0,88; p=0,20). Graad 3 of hoger adverse events of any cause kwamen voor in 61,8% van de patiënten in de belzutifangroep (graad 5 in 3,5%) en 62,5% van de patiënten in de everolimusgroep (graad 5 in 5,3%); discontinuering wegens AEs was noodzakelijk in 5,9% respectievelijk 14,7%.

De onderzoekers concluderen dat belzutifan vergeleken met everolimus resulteerde in significant betere PFS en ORR onder eerder-behandelde accRCC-patiënten.

1.Choueiri TK, Powles T, Peltola K et al. Belzutifan versus everolimus for advanced renal-cell carcinoma. N Engl J Med 2024;391:710-721

Summary: The multinational phase 3 LITESPRAK-005 trial ound that belzutifan compared with everolimus resulted in significantly improved progression-free survival and overall response rate among patients with advanced clear cell renal cell carcinoma who previously received immune checkpoint and antiangiogenic therapies.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Bevolkings-gebaseerde cohortstudie van associatie van polycystisch ovariumsyndroom en risico van mammacarcinoom (0)
2024-08-22 13:30   ( Nieuws )
Tags:  PCOS BC risk
Dr. Allan JensenHoewel sommige reproductie- en stofwisselingskenmerken van polycystisch ovarium syndroom (PCOS) bekende risicofactoren voor mammacarcinoom (BC) zijn is er geen duidelijkheid over een mogelijke associatie tussen PCOS en BC. Een bevolkings-gebaseerde retrospectieve cohortstudie in Denemarken heeft de associatie tussen PCOS en BC geïnventariseerd. Dr. Allan Jensen (Danish Cancer Institute, Kopenhagen) en collega’s publiceren de studie in Breast Cancer Research and Treatment.1

De studie includeerde alle vrouwen die tussen begin 1940 en eind 1993 in Denemarken geboren werden (n=1.719.452). Gedurende mediaan 26 jaar follow-up werd BC gediagnostiseerd in 63.078 deelnemers. In vrouwen met geschiedenis van PCOS was het BC-risico significant hoger dan in vrouwen zonder geschiedenis van PCOS (HR 1,21; 95%-bti 1,02-1,44). In analyses gestratificeerd voor menopauze-status bleek het met PCOS samenhangende verhoogde BC-risico beperkt te zijn tot postmenopauzale vrouwen (HR 1,63; 95%-bti 1,23-2,15). Resultaten voor ductale en lobulaire histologische subtypen waren gelijk aan die voor overall BC.

De onderzoekers concluderen dat deze studie de eerste is die een verhoogd BC-risico rapporteert onder postmenopauzale vrouwen met een geschiedenis van PCOS.

1.Frandsen CLB, Nøhr B, Gottschau M et al. Polycystic ovary syndrome and risk of breast cancer in premenopausal and postmenopausal women: a nationwide population-based cohort study. Breast Cancer Res Treat 2024-07467-8

Summary: A nationwide population-based cohort study in Denmark found an increased risk of breast cancer among women with a history of polycystic ovary syndrome.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multinationale fase 1-studie van vimseltinib voor CSF1R-remming in gevorderde solide tumoren of TGCT (0)
2024-08-22 12:00   ( Nieuws )
Tags:  advanced solid tumors or tenosynovial giant cell tumor vimseltinib
Dr. William TapTenosynoviale reusceltumor (TGCT) is een lokaal agressief neoplasme dat wordt gekenmerkt door dysregulering van het colony-stimulating factor 1 (CSF1) gen en overexpressie van het CSF1 ligand. Chirurgie is de standaard-behandeling voor de meeste patiënten, maar er zijn weinig opties voor patiënten met TGCT dat niet in aanmerking komt voor chirurgie. Vimseltinib is een selectieve remmer van CSF1-receptor (CSF1R). Een multinationale fase 1-studie evalueerde vimseltinib voor gevorderde maligne solide tumoren en TGCT dat niet in aanmerking kwam voor chirurgie. Dr. William Tap (Memorial Sloan Kettering Cancer Center, New York) en collega’s publiceren de studie in Clinical Cancer Research.1

De studie includeerde 37 patiënten met MST en 32 patiënten met TGCT dat niet in aanmerking kwam voor chirurgie. De patiënten kregen in een 3 + 3 design oplopende doseringen vimseltinib. Primaire doelstellingen waren bepaling van veiligheid en tolerabiliteit, aanbevolen fase 2-dosering, karakterisering van de farmacokinetiek, en werkzaamheid. Vimseltinib werd goed verdragen; de meerderheid van de niet-laboratorium treatment-emergent adverse events waren graad 1 of 2. Er waren geen aanwijzingen voor cholestatische hepatotoxiciteit of vimseltinib-gerelateerde leverschade. De aanbevolen fase 2 dosering was 30 mg tweemaal per week, en de vimseltinib plasma-blootstelling nam toe met de dosering. Onder de TGCT-patiënten was de mediane duur van behandeling 25,1 maanden (range 0,7-46,9) en de objective response rate was 72%.

De onderzoekers concluderen dat vimseltinib goed verdragen werd en robuuste tumoractiviteit had in patiënten met TGCT dat niet in aanmerking kwam voor chirurgie.

1.Gelderblom H, Razak AA, Taylor MH et al. CSF1R inhibition in patients with advanced solid tumors or tenosynovial giant cell tumor: a phase I study of vimseltinib. Clin Cancer Res 2024-0103

Summary: A multinational phase 1 trial found lomg-term tolerability, manageable safety, dose-dependent exposure, and robust antitumor activity in patients with tenosynovial giant cell tumor not amenable to surgery.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Incidentie van medicatie-gerelateerde osteonecrose van de kaak in mammacarcinoompatiënten op antiresorptieve therapie (0)
2024-08-21 15:00   ( Nieuws )
Tags:  MRONJ
Dr. Christine BrunnerMedicatie-gerelateerde osteonecrose van de kaak (MRONJ) is een ernstige aandoening onder patiënten met botmetastasen van mammacarcinoom. MRONJ kan worden getriggerd door antiresorptieve therapie met bisfosfonaten en denosumab. Een retrospectieve studie in negen centra in Tirol (Oostenrijk) heeft de incidentie van MRONJ onder patiënten met mammacarcinoom geïnventariseerd. Dr. Christine Brunner (Medische Universiteit van Innsbruck) en collega’s publiceren de studie in het Journal of Clinical Oncology.1

Onder de 8860 patiënten met een diagnose mammacarcinoom in Tirol tussen begin 2000 en eind 2020 identificeerden de onderzoekers 639 patiënten met botmetastasen die antiresorptieve therapie kregen. MRONJ werd tijdens de follow-up gezien in 56 van deze patiënten (8,8%; 95%-bto 6,6-11,0). De incidentie van MRONJ was 11,6% (95%-bti 8,0-15,3) onder patiënten die alleen denosumab kregen; 2,8% (0,7-4,8) onder patiënten die alleen bisfosfonaten kregen; en 16,3% (8,8-23,9) onder patiënten die bisfosfonaten gevolgd door denosumab kregen. De figuur laat zien dat de mediane tijd tot ontstaan van MRONJ 4,6 jaar was (Q1-Q3 1,6-9,6) in de groep met alleen denosumab; 8,4 jaar (5,3-9,6) in de groep met bisfosfonaten gevolgd door denosumab; en 5,1 jaar (2,9-7,1) in de groep met alleen bisfosfonaten.

De onderzoekers concluderen dat in deze bevolkings-gebaseerde studie de incidentie van MRONJ onder patiënten met botmetastasen van mammacarcinoom aanzienlijk hoger was dan wat in de literatuur gepubliceerd is, met name onder patiënten die alleen denosumab kregen, en dat de tijd tot ontstaan van MRONJ in deze patiënten korter was vergeleken met wat in eerdere studies is gezien.

1.Brunner C, Arvandi M, Marth C et al. Incidence of medication-related osteonecrosis of the jaw in patients with breast cancer during a 20-year follow-up: a population-based multicenter retrospective study. J Clin Oncol 2024.00171

Summary: A retrospective study at nine centers in Tyrol (Austria) found that the incidence of medication-related osteonecrosis of the jaw among breast cancer patients with bone metastases was considerably higher, especially among patients receiving denosumab, when compared with available data in the literature.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Gerandomiseerde platformstudie van androgeenreceptorroute-remmers en taxanen voor metastatisch castratieresistent prostaatcarcinoom (0)
2024-08-21 13:30   ( Nieuws )
Tags:  ProBio trial mCRPC ARPIs taxanes
Dr. Johan LindbergMetastatisch castratieresistent prostaatcarcinoom (mCRPC) is een genetisch en klinische heterogene ziekte die kan worden behandeling met verschillende klassen van systemische agentia, zoals remmers van de androgeenreceptorroute (ARPIs) en taxanen. De Prostate Biomarkers (ProBio) platformstudie in België, Noorwegen, en Zweden heeft de werkzaamheid van ARPIs, taxanen, en keuze-van-de behandelaar (PC) vergeleken voor verschillende typen mCRPC aan de hand van analyse van circulerend tumor DNA en kiemlijn DNA. Dr. Johan Lindberg (Karolinska Instituut, Stockholm) en collega’s publiceren de studie in Nature Medicine.1



De figuur toont het studieschema. Het primaire eindpunt was tijd tot no longer clinical benefitting (NLCB). Deze figuur laat zien dat onder niet-geselecteerde patiënten de mediane tijd tot NLCB 11,1 maanden was met ARPIs versus 6,9 maanden met taxanen en 7,4 maanden met PC (panel a) en dat de mediane overall survival 38,7 maanden was met ARPIs versus 21,7 maanden met taxanen en 21,8 maanden met PD (panel b). Biomarkeranalyses lieten zien dat de grootste toename van NCLB met ARPIs werd gezien in AR-negatieve en TP53-wildtype patiënten en TMPRSS2-ERG fusiepositieve patiënten, terwijl er geen NCLB-verschil werd gezien tussen ARPIs en taxanen in patiënten met TP53-veranderingen

De onderzoekers concluderen dat ARPIs betere performance hadden dan taxanen en PC in mCRPC-patiënen met specifieke detecteerbare veramderingen in circulerend tumor DNA.

1.De Laere B, Crippa A, Discacciati A et al. Androgen receptor pathway inhibitors and taxanes in metastatic prostate cancer: an outcome-adaptive randomized platform trial. Nature Med 2024-03204-2

Summary: The multinational randomized platform ProBio trial found that androgen receptor pathway inhibitors outperformed taxanes and physician’s choice among mCRPC patients with specific detectable alterations in circulating tumor DNA.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Werkzaamheid en veiligheid van bosutinib voor eerder-behandeld CML: finale resultaten van de fase 4-studie BYOND (0)
2024-08-21 12:00   ( Nieuws )
Tags:  phase 4 BYOND trial bosutinib for previously treated chronic myeloid leukemia
Prof. Carlo Gambacorti-PasseriniBosutinib is een duale Src-Abl tyrosinekinaseremmer, die is goedgekeurd voor de behandeling van eerder-behandeld Philadelphia chromosoom-positief (Ph+) chronische myeloïde leukemie (CML) op basis van resultaten van een fase 1-2 studie die duurzame werkzaamheid en acceptabele veiligheid liet zien. De multinationale fase 4-studie BYOND is uitgevoerd om bosutinib voor eerder-behandeld CML nader te evalueren. Prof. Carlo Gambacorti-Passerini (Universiteit van Milaan-Bicocca, Monza) en collega’s publiceren finale resultaten van de studie in Leukemia.1

BYOND includeerde 156 volwassen patiënten met Ph+ CML in chronische fase, na falen van eerdere TKIs. De mediane leeftijd van de patiënten was 61,0 jaar (range 20,0-89,0), en 51,9% waren mannen. De patiënten kregen bosutinib (startdosering 500 mg eenmaal daags; escalatie tot 600 mg eenmaal daags in geval van lage respons en de-escalatie tot 200 mg eenmaal daags in geval van toxiciteit/intolerabiliteit waren toegestaan). De behandeling werd voortgezet tot ziekteprogressie of niet-acceptabele toxiciteit, of tot vier jaar na de eerste dosis. Aan het eind van de studie, na mediaan 47,8 maanden follow-up, werden 75 patiënten (48,1%) nog volgens het studieprotocol behandeld. Bereiken en behoud van majeure moleculaire respons en moleculaire respons (MR)4 werden gezien in 71,8% (95%-bti 63,9-78,9) respectievelijk 59,7% (51,4-67,6). In de meerderheid van de patiënten resulteerde bosutinib in verdieping van de respons. Na 48 maanden was het overall survival precentage 88,3% (95%-bti 81,8-92,6). Twee van de zeventien gevallen van overlijden onder de deelnemers werden toegeschreven aan CML. Er waren geen nieuwe veiligheidssignalen.

De onderzoekers concluderen dat deze resultaten gebruik van bosutinib voor eerder-behandeld CML steunen.

1.Gambacorti-Passerini C, Brümmendorf TH, Abruzzese E et al. Efficacy and safety of bosutinib in previously treated patients with chronic myeloid leukemia: final results of the BYOND trial. Leukemia 2024-02372-x

Summary: Final results from the phase 4 BYOND trial support the use of bosutinib in patients with previously treated CML.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Gerandomiseerde studie van tranexaminezuur voor patiënten die leverresectie ondergaan voor een maligniteit-gerelateerde indicatie (0)
2024-08-20 15:00   ( Nieuws )
Tags:  HeLiX randomized clinical trial liver resection for a cancer-related indication tranexamic acid
Prof. Paul KaranicolasTranexaminezuur vermindert bloedverlies en verlaagt de noodzaak van bloedtransfusie in veel typen chirurgie, maar de werkzaamheid in patiënten die leverresectie ondergaan voor een maligniteit-gerelateerde indicatie is niet duidelijk. De dubbelblinde gerandomiseerde HeLiX-studie, in tien centra in Canada en één centrum in de Verenigde Staten, heeft deze werkzaamheid geïnventariseerd. Prof. Paul Karanicolas (Sunnybrook Health Sciences Centre, Toronto) en collega’s publiceren de studie in JAMA.1

De studie includeerde 1245 patiënten (gemiddelde leeftijd 63,2 jaar; 39,8% vrouwen; 56,1% met een diagnose levermetastasen van colorectaalcarcinoom) die 1:1 werden gerandomiseerd naar tranexaminezuur (n=619) of placebo (n=626) vanaf het begin van de anesthesie. Het primaire eindpunt was percentage patiënten met rode-bloedceltransfusie binnen zeven dagen na de chirurgie. Transfusie was noodzakelijk voor 16,3% van de patiënten in de tranexaminezuurgroep en 14,5% van de patiënten in de placebogroep (p=0,38). Gemiddeld intraoperatief bloedverlies bedroeg 817 ml in de tranexaminezuurgroep en 836,7 ml in de placebogroep (p=0,75) en totaal bloedverlies over zeven dagen bedroeg 1504 ml versus 1551 ml (p=0,38). Patiënten in de tranexaminezuurgroep hadden hogere frequentie van complicaties (OR 1,28; p=0,03).

De onderzoekers concluderen dat onder patiënten die leverresectie ondergaan voor een maligniteit-gerelateerde indicatie, tranexaminezuur niet resulteert in minder bloedtransfusies of bloedverlies, maar wel in toename van perioperatieve complicaties (visual abstract).

1.Karanicola PJ, Lin Y, McCLuskey SA et al. Tranexamic acid in patients undergoing liver resection. The HeLiX randomized clinical trial. JAMA 2024.11783

Summary: The double-blind, placebo-controlled HeLiX trial in Canada and the USA found that among patients undergoing liver resection for a cancer-related indication, tranexamic acid did not reduce bleeding or blood transfusion, but increased perioperative complications.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)