Logo Jan Blom
Login

Oncologisch onderzoek.nl

Nieuws

Patronen van FOLH1-expressie in niercelcarcinoom: impact op klinische uitkomsten (0)
2024-05-14 12:00   ( Nieuws )
Tags:  RCC FOLH1 expression
Dr. Rana McKayOndanks de toename van het aantal opties voor gevorderd niercelcarcinoom (RCC) wordt in de meeste patiënten ontwikkeling van resistentie gezien. Er is behoefte aan nieuwe diagnostische en therapeutische benaderingen. Een retrospectieve multicenterstudie in de Verenigde Staten heeft patronen van expressie van het FOLH1-gen, dat codeert voor prostate membrane-specific antigen (PSMA), en impact van deze expressie op klinische uitkomsten onderzocht. Dr. Rana McKay (University of California San Diego) en collega’s publiceren de studie in Cancers.1

De studie includeerde 1724 RCC-patiënten die DNA- en RNA next-generation sequencing van tumormonsters hadden ondergaan. FOLH1 hoge en lage expressie werd gedefinieerd als het ≥ 75e en≤ 25e percentiel van RNA-transcripten per miljoen (TPM). De FOLH1-expressie was significant hoger in heldercellige (cc; 71%) tumoren dan in ncc tumoren (19,0 versus 3,3 TPM; p<0,001) en liep uiteen voor locatie van het monster: 13,6 TPM voor primaire niertumoren versus 9,9 TPM voor metastatische tumoren (p<0,001). FOLH1-expressie was gecorreleerd met angiogene genexpressie en abundantie van endotheliale cellen. De mediane overall survival onder alle patiënten was 42,8 maanden voor FOLH1-hoog versus 30,0 maanden voor FOLH1-laag RCC (HR 0,67; p<0,001). Onder de patiënten met ccRCC was het verschil in OS niet significant, maar patiënten met FOLH1-hoog ccRCC hadden wel langere tijd op cabozantinib-behandeling (median 9,7 versus 4,6 maanden; HR 0,57; p<0,05).

De onderzoekers concluderen dat de studie differentiële patronen van FOLH1-expressie op basis van histologie en tumorlocatie in RCC heeft laten zien. FOLH1-expressie was gecorreleerd met angiogene genexpressie, langere OS, en langere duur van cabozantinib-behandeling.

1.Ovruchesky E, Pan E, Guer M et al. Characterization of FOLH1 expression in renal cell carcinoma. Cancers 2024;16:1855

Summary: A multicenter retrospective study found differential patterns of FOLH1 expression based on histology and tumor site in renal cell carcinoma. FOLH1 was correlated with angiogenic gene expressions, increased overall survival, and longer duration of cabozantinib treatment.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Cemiplimab plus chemotherapie voor aNSCLC met PD-L1 expressie 1% of hoger: subgroepanalyse van EMPOWER-Lung 3 deel 2 (0)
2024-05-13 15:00   ( Nieuws )
Tags:  EMPOWER-Lung 3 part 2 cemiplimab aNSCLC with PD-L1 ≥ 1%
Dr. Ana BaramidzeDe multinationale fase 3-studie EMPOWER-Lung 3 part 2 randomiseerde patiënten met gevorderd niet-kleincellig longcarcinoom (aNSCLC) zonder bekende EGFR-, ALK- of ROS1-veranderingen 2:1 naar ten hoogste 108 weken cemiplimab (anti-PD-1; 350 mg iedere drie weken) plus chemotherapie of placebo plus chemotherapie. Vorig jaar is gepubliceerd dat de mediane overall survival en progressievrije overleving significant langer waren in de cemiplimabgroep dan in de placebogroep. Dr. Ana Baramidze (Todua Kliniek, Tiflis, Georgië) en collega’s publiceren nu in Lung Cancer resultaten van de studie onder patiënten met tumoren met PD-L1 expressie 1% of hoger.1

De analyse includeerde 327 patiënten met PD-L1 ≥ 1%, onder wie 217 die cemiplimab plus chemotherapie kregen en 110 die placebo plus chemotherapie kregen. De mediane duur van follow-up was 28,0 maanden. De mediane OS was 23,5 maanden in de cemiplimabgroep versus 12,1 maanden in de placebogroep (HR 0,51; p<0,0001), de mediane PFS was 8,3 maanden in de cemiplimabgroep versus 5,5 maanden in de placebogroep (HR 0,48; p<0,0001), en de mediane objective response rate was 47,9% versus 22,7%. Deze voordelen met cemiplimab werden gezien onder patiënten met squameuze en niet-squameuze histologie. Patiënt-gerapporteerde uitkomsten waren gunstiger in de cemiplimabgroep dan in de placebogroep. Er waren geen nieuwe veilighiedssignalen.

De onderzoekers concluderen dat de subgroepanalyse laat zien dat cemiplimab plus chemotherapie vergeleken met placebo plus chemotherapie resulteerde in betere uitkomsten onder patiënten met aNSCLC met PD-L1 expressie 1% of hoger.

1.Baramidze A, Makharadze T, Gogishvili M et al. Cemiplimab plus chemotherapy versus chemotherapy alone in non-small cell lung cancer with PD-L1 ≥ 1%: a subgroup analysis from the EMPOWER-Lung 3 part 2 trial. Lung Cancer 2024.107821

Summary: Subgroup analysis of the multinational phase 3 found that among patients with advanced NSCLC with PD-L1 expression ≥ 1%, cemiplimab plus chemotherapy resulted in better outcomes than placebo plus chemotherapy.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Interstitiële pneumonitis na sequentiële toediening van PD-(L)1-remmers en EGFR-TKIs voor niet-kleincellig longcarcinoom (0)
2024-05-13 13:30   ( Nieuws )
Tags:  NSCLC sequential PD-(L)1 inhibitors and EGFR TKIs IP
Prof. Hideo YasunagaHet is niet duidelijk of sequentiële toediening van PD-(L)1 remmers en EGFR-TKIs in patiënten met niet-kleincellig longcarcinoom NSCLC) geassocieerd is met verhoogd risico van interstitiële pneumonitis (IP). Een retrospectieve analyse van een Japan-brede inpatient database heeft deze associatie onderzocht. Prof. Hideo Yasunaga (The University of Tokyo) en collega’s publiceren de analyse in Clinical Lung Cancer.1

In de database identificeerden de onderzoekers 69.107 NSCLC-patiënten die EGFR-TKIs startten. Onder deze patiënten waren er 2003 die eerder PD-(L)1 remmer hadden gekregen. Deze patiënten werden 1:4 gematcht met patiënten die niet-eerder PD-(L)1 remmer hadden gekregen (n=7722). In het gehele cohort werd IP gezien in 4,4% van de patiënten.
Eerder gebruik van PD-(L)1 remmer was significant geassocieerd met verhoogd risico van IP (OR 1,79; 95%-bti 1,34-3,28) en in-hospital mortaliteit (2,10; 1,72-2,55).

De onderzoekers concluderen dat onder patiënten met NSCLC sequentieel gebruik van PD-(L)1-remmers en EGFR-TKIs geassocieerd was met verhoogd risico van IP en in-hospital mortaliteit.

1.Iwai C, Jo T, KonishiT et al. Interstitial pneumonitis following sequential administration of programmed death1-/programmed death-ligand 1 inhibitors and epidermal growth factor receptor-tyrosine kinase inhibitors for non-small cell lung cancer: a matched-pair cohort study using a nationwide inpatient database. Clin Lung Cancer 2024.04.012

Summary: Retrospective analysis of a Japanese inpatient database found that among patients with NSCLC, sequential use of PD-(L)1 inhibitors and EGFR TKIs was significantly associated with interstitial pneumonitis and in-hospital mortality when compared to use of EGFR TKIs without prior PD-(L)1 use.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Associaties tussen seksuele orientatie en incidentie van maligniteiten onder vrouwen (0)
2024-05-13 12:00   ( Nieuws )
Tags:  disparaties in cancer incidence by sexual orientation
Dr. Aimee HuangRisicofactoren voor maligniteiten worden onder vrouwen meer frequent gezien in seksuele minderheidsgroepen, zoals lesbische en biseksule vrouwen, dan onder heteroseksuele peers. Analyse in het cohort van de Nurses’ Health Study II heeft associaties tussen seksuele oriëntatie en de incidentie van maligniteiten geïnventariseerd. Dr. Aimee Huang (Harvard School of Public Health, Boston MA) en collega’s publiceren de analyse in Cancer.1


Het cohort bestaat uit 101.543 vrouwen die worden gevolgd sinds 1987. Bij inclusie rapporteerden de deelnemers onder meer hun seksuele oriëntatie. Voor alle typen maligniteiten tezamen waren er geen verschillen tussen minderheidsgroepen en heteroseksuele vrouwen; bijvoorbeeld onder lesbische vrouwen age-adjusted incidence rate ratio 1,17 (95%-bti 0,99-1,38) en onder biseksuele vrouwen 0,80; (0,58-1,10). Analyses van orgaan-specifieke maligniteiten lieten echter zien dat lesbische vrouwen vergeleken met heteroseksuele vrouwen verhoogd risico hadden van schildkliercarcinoom (aIRR 1,97; 95%-bti 1,03-3,41), basaalcelcarcinoom (1,85; 1,09-3,14), en non-Hodgkin lymfoom (2,13; 1,10-4,12).

De onderzoekers concluderen dat lesbische vrouwen vergeleken met heteroseksuele vrouwen verhoogd risico hadden van sommige typen maligniteiten.

1.Huang AK, Hoatson T, Chakraborty P et al. Disparities in cancer incidence by sexual orientation. Cancer 2024.35356

Summary: Analysis among participants of the Nurses’ Health Study II found that for all types of cancer together, there were no statistical differences in cancer incidence between heterosexual women and women from sexual minority populations, but bisexual (versus heterosexual) women had increased risk of thyroid cancer, basal cell carcinoma, and non-Hodgkin lymphoma

  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multinationale fase 2-studie van pembrolizumab voor hoog-risico NMIBC niet in situ en niet-responsief op BCG (0)
2024-05-12 15:00   ( Nieuws )
Tags:  KEYNOTE-057 cohort B high-risk non-muscle-invasive bladder cancer
Prof. Andrea NecchiDe multinationale fase 2-studie KEYNOTE-057 evalueerde pembrolizumab monotherapie voor patiënten met BCG-niet-responsief niet-spierinvasief blaascarcinoom (NMIBC) die niet in aanmerking kwamen voor radicale cystectomie of deze ingreep weigerden. In cohort A, bestaande uit patiënten met carcinoom in situ, resulteerde pembrolizumab in complete respons in 41% van de patiënten na drie maanden, en behoud van respons na twaalf maanden in 46% van de responders. Prof. Andrea Necchi (San Raffaele Ziekenhuis, Milaan) en collega’s publiceren in The Lancet Oncology resultaten in cohort B van patiënten met papillaire tumoren zonder carcinoom in situ.1

KEYNOTE-057 werd uitgevoerd in 54 centra in veertien landen. Cohort B includeerde 132 volwassen patiënten met een ECOG performance status 2 of beter, die mediaan 10 (IQR 9-15) eerdere BCG instillaties hadden gekregen voor hooggradig Ta of any grade T1 NMIBC papillaire tumoren zonder carcinoom in situ. Transurethrale resectie van de blaastumor binnen twaalf weken van de eerste pembrolizumab-dosis was vereist. De patiënten kregen ten hoogste 35 cycli (mediaan 10; IQR 6-27) intraveneus pembrolizumab 200 mg iedere drie weken. Het primaire eindpunt was twaalf-maands ziektevrije-overlevingspercentage. Dit percentage bedroeg 43,5% (34,9-51,9). Treatment-related adverse events werden gezien in 73% van de patiënten. Er waren geen graad 5 TRAEs.

De onderzoekers concluderen dat pembrolizumab monotherapie antitumoractiviteit en manageable toxiciteit had onder patiënten met BCG-niet-responsief hoog-risico Ta of T1 NMIBC zonder carcinoom in situ die niet in aanmerking kwamen voor radicale cystectomie of cystectomie weigerden.

1.Necchi A, Roumiguié M, Kamat AM et al. Pembrolizumab monotherapy for high-risk non-muscle-invasive bladder cancer without carcinoma in situ and unresponsive to BCG (KEYNOTE-057): a single-arm, multicentre, phase 2 trial. Lancet Oncol 2024; epub ahead of print

Summary: In cohort B of the multinational phase 2 KEYNOTE-057 trial, pembrolizumab monotherapy showed antitumor activity and manageable toxicity in patients with BCG-unresponsive high-risk Ta or T1 non-muscle-invasive bladder cancer without carcinoma in situ, who declined of were ineligible for radical cystectomy.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Ductaal carcinoma in situ en mammacarcinoom-specifieke mortaliteit onder postmenopauzale vrouwen (0)
2024-05-12 13:30   ( Nieuws )
Tags:  Women’s Health Initiative DCIS cause-specific mortality
Prof. Rowan ChlebowskiHet is niet bekend of ductaal carcinoma in situ (DCIS) in postmenopauzale vrouwen geassocieerd is met verhoging van de mammacarcinoom-specifieke mortaliteit (BCSM) en all-cause mortaliteit (ACM). Een analyse in het cohort van de prospectieve Women’s Health Initiative (WHI) studie heeft deze associaties onderzocht. Prof. Rowan Chlebowski (The Lundquist Institute, Torrance CA) en collega’s publiceren de analyse in Breast Cancer Research and Treatment.1

Van de 68.132 WHI-deelnemers includeerde de analyse 781 postmenopausale vrouwen met incident DCIS en 781 gematchte controledeelnemers. Na 20,3 jaren totale follow-up en mediaan 13,2 jaren postdiagnose follow-up was DCIS geassocieerd met hogere BCSM (HR 3,29; p=0,01). Absolute BCSM was 1,2% onder de vrouwen zonder DCIS en 3,4% na DCIS (p=0,026). Deze associaties verschilden niet significant tussen jongere (<70 jaar) en oudere vrouwen (p interactie=0,80). Incident DCIS was niet geassocieerd met CVD-specifieke mortaliteit (HR 0,77; p=0,14) of ACM (HR 0,96; p=0,68).

De onderzoekers concluderen dat onder postmenopauzale vrouwen incident DCIS geassocieerd was met meer dan driemaal verhoogd risico van BCSM, met vergelijkbare associaties voor jongere en oudere postmenopauzale vrouwen.

1.Pan K, Nelson RA, Chlebowski RT et al. Ductal carcinoma in situ and cause-specific mortality among younger and older postmenopausal women: the Women’s Health Initiative. Breast Cancer Res Treat 2024-07327-5

Summary: Analysis of postmenopausal women in the prospective Women’s Health Initiative found that incident DCIS was associated with over three-fold higher breast cancer-specific mortality, with similar findings in younger and older postmenopausal women.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Multinationale fase 2-studie van capmatinib plus nivolumab voor eerder-behandeld EGFR-wildtype gevorderd niet-kleincellig longcarcinoom (0)
2024-05-12 12:00   ( Nieuws )
Tags:  EGFR wild-type aNSCLC capmatinib plus nivolumab
Dr. Enriqueta FelipDysregulering van MET is een oncogene driver in niet-kleincellig longcarcinoom. MET-signalering kan ook immuunresponsen tegen tumoren onderdrukken. In muismodellen is gezien dat concomitante remming van MET met capmatinib de werkzaamheid van immuuntherapie versterkte. Een multinationale fase 2-studie heeft de combinatie van capmatinib met de PD-1 remmer nivolumab geëvalueerd onder patiënten met EGFR-wildtype gevorderd niet-kleincellig longcarcinoom (aNSCLC) die eerder platina-gebaseerde chemotherapie hadden gekregen. Dr. Enriqueta Felip (Vall d’Hebron Universiteitsziekenhuis, Barcelona) en collega’s publiceren de studie in Lung Cancer.1

De studie includeerde patiënten in een hoog-MET groep (n=16) en een laag-MET groep (n=30) op basis van MET-expressie bepaald met immuunhistochemie, MET gene copy number bepaald met fluorescentie in-situ hybridisatie, en aanwezigheid van MET exon 14 skipping mutatie. Patiënten in beide groepen kregen oraal capmatinib 400 mg tweemaal daags en intraveneus nivolumab 3 mg/kg iedere twee weken. Het primaire eindpunt was door lokale onderzoekers beoordeeld zes-maands progressievrije-overlevingspercentage.

In beide groepen werd het primair eindpunt bereikt met een zes-maands PFS-percentage 68,9% (95%-bti 48,5-85,7) in de hoog-MET groep en 50,9% (35,6-66,4) in de laag-MET groep, met mediane PFS 6,2 maanden (3,5-19,2) respectievelijk 4,2 maanden (1,8-7,4) en overall response rate 25,0% (7,3-52,4) respectievelijk 16,7% (5,6-34,7). De meest-frequente treatment-related adverse events waren misselijkheid (52,5% van de patiënten), perifeer oedeem (34,8%), en verhoogde creatininespiegel (30,4%).

De onderzoekers concluderen dat onder patiënten met eerder-behandeld EGFR-wildtype aNSCLC de combinatie van capmatinib en nivolumab klinische activiteit en manageable veiligheid had, ongeacht de MET-status.

1.Filip E, Metro G, Tan DSW et al. Capmatinib plus nivolumab in pretreated patients with EGFR wild-type advanced non-small cell lung cancer. Lung Cancer 2024-00354

Summary: A multinational phase 2 study found that the combination of capmatinib and nivolumab had clinical activity and manageable safety in pretreated patients with advanced EGFR wild-type NSCLC, independent of MET status.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)

Tumorstroma immuuninteracties: impact op respons op neoadjuvante chemotherapie en prognose in blaascarcinoom (0)
2024-05-11 15:00   ( Nieuws )
Tags:  BCa tumor stroma-immune interactions
Het tumor-stroma is geassocieerd met ongunstige prognose in verscheidene typen solide tumoren, maar de prognostische en predictieve waarde in blaascarcinoom (BCa) is onduidelijk. Een multicenter retrospectieve studie in China heeft deze waarde geïnventariseerd. Prof. Wenlong Zhong (Sun Yat-sen Universiteit, Guangzhou) en collega’s publiceren de studie in eBioMedicine.1

De studie includeerde 830 patiënten in zes onafhankelijke cohorten. Primaire eindpunten waren overall survival (OS) en cancer-specific survival (CSS) onder patiënten met hoge versus lage tumor-stroma ratio (TSR). De figuur laat zien dat OS en CSS significant slechter waren in de groep met hoge TSR. Hoge TSR was ook geassocieerd met lager percentage patiënten met pathologisch complete respons (pCR) op neoadjuvante chemotherapie (7,8% versus 82,4%; p<0.001). Hoge-TSR tumoren hadden hogere infiltratie van immuunsuppressieve cellen. Op basis van 567 radiomics features ontwikkelden de onderzoekers een TSR-voorspellingsmodel voor pCR op neoadjuvante chemotherapie. Het model had een AUC van 0,871 (95%-bit 0,821-0,921) in het trainingscohort, 0,821 (0,731-0,911) in het interne validatiecohort, en 0,801 (0,737-0,865) in het externe validatiecohort.

De onderzoekers concluderen dat onder BCa-patiënten het tumorstroma significant geassocieerd was met klinische uitkomsten als resultaat van stroma-immuuninteracties. Het voorspellingsmodel levert niet-invasieve evaluatie van TSR en kan pCR voorspellen onder patiënten die neoadjuvante chemotherapie krijgen voor BCa.

1.Liu L, Xu L, Wu D et al. Impact of tumour stroma-immune interactions on survival prognosis and response to neoadjuvant chemotherapy in bladder cancer. eBioMed 2024.105152

Summary: A multicenter retrospective study in China found that among patients with bladder cancer, the tumor stroma was significantly associated with clinical outcomes as a result of tumor stroma-immune interactions. A radiomics prediction model provided non-invasive evaluation of tumor stroma ratio and was able to predict pCR in patients receiving neoadjuvant chemotherapy.


  Reageren op dit artikel is mogelijk na registratie.  (Login)